4-66/1 | 4-66/1 |
12 JULI 2007
Dit voorstel van resolutie neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 26 april 2007 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-2452/1 — 2006/2007).
De wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking schrijft in artikel 6, § 1, voor dat een koninklijk besluit de lijst van partnerlanden van de directe bilaterale samenwerking vaststelt. Het regeerakkoord van 2003 bepaalde dat het aantal concentratielanden zou worden teruggebracht van 25 (koninklijk besluit van 26 juni 2000) tot maximaal 18 en verduidelijkt dat deze vermindering moeest bijdragen tot een grotere concentratie van de beschikbare middelen voor ontwikkelingssamenwerking.
De uitgangspunten die in acht genomen werden bij de keuze van de 18 landen zijn de volgende :
— de lijst van 25 partnerlanden;
— de absolute prioriteit die in het regeerakkoord werd gegeven aan Centraal-Afrika, meer bepaald Congo, Rwanda en Burundi, die door de genocide en oorlog tot de armste gebieden van de wereld behoren;
— de armoedegraad in de betrokken landen (op basis van de Human Development Index);
— de wil om in elk continent waar onze ontwikkelingssamenwerking momenteel actief is een aanwezigheid te behouden;
— de wil om te komen tot een reële beperking van het aantal landen en een reële concentratie van de beschikbare middelen.
De diensten van de directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking hebben onze ontwikkelingssamenwerking met de 25 partnerlanden die in 2000 werden gekozen, geëvalueerd met betrekking tot de periode van de laatste vijf jaar (1998-2003). Bij deze evaluatie werd bijzondere aandacht besteed aan de volgende parameters :
— de omvang van onze samenwerking met de betrokken landen;
— ons aandeel in de totale bilaterale hulp aan het betrokken land;
— de ervaring bij het identificeren, formuleren en uitvoeren van projecten;
— de impact en de zichtbaarheid van de Belgische samenwerking;
— de kwaliteit van de portefeuille aan ontwikkelingsprojecten;
— de kwaliteit van de dialoog met het betrokken land en
— de kwaliteit van de coördinatie met de andere donoren.
De selectie van de 18 partnerlanden vond begin 2004 plaats (koninklijk besluit van 26 januari 2004). Bij de keuze werden de volgende criteria gebruikt, aanvullend bij de criteria zoals vastgelegd in de wet betreffende de Belgische internationale samenwerking :
— absolute prioriteit voor Centraal-Afrika zoals bepaald in het regeerakkoord;
— evaluatie van de samenwerking over de laatste 5 jaren;
— het aandeel van België in de hulpstromen naar het land;
— de kwaliteit van de bestaande projectportefeuille in elk land;
— de kwaliteit van de beleidsdialoog met elk land.
Voor de landen die niet meer als partnerlanden worden beschouwd (Bangladesh, Ethiopië, Ivoorkust, Burkina Faso, Cambodja, Laos en de South African Development Council), worden garanties ingebouwd om de afwerking van de lopende projecten te waarborgen, waarbij de Belgische engagementen correct en binnen de geplande tijdschema's zullen worden uitgevoerd en deze projecten aan de lokale partners zullen worden overgedragen. Deze landen kunnen gebruik maken van andere hulpkanalen, zoals noodhulp, initiatieven om conflicten te voorkomen, multilaterale samenwerking of initiatieven voor indirecte samenwerking.
België wil vanaf 2010 0,7 % van het BNI vrijmaken voor ontwikkelingssamenwerking (0,41 % van ons BNI in 2004, 0,53 % in 2005, X % in 2006 en X % in 2007). Los van de schuldkwijtscheldingen impliceert deze toename ook een aanzienlijke verhoging van de begroting van DGOS, aangezien haar uitgaven zijn gestegen van 702 miljoen in 2004 tot 874 miljoen in 2005 en de initiële begroting van 2007 waarschijnlijk meer dan een miljard euro zal bedragen.
Deze betrokkenheid van België bij ontwikkelingshulp maakt ons land tot 6e belangrijkste speler ter wereld in verhouding tot de bevolking en tot 10e belangrijkste speler ter wereld in absolute cijfers.
Bij het opstellen van de lijst van onze partnerlanden moet rekening worden gehouden met de stabiliteit van de voorgaande beslissingen om die reëel te kunnen versterken, om het nut van onze samenwerking in die verschillende landen te kunnen analyseren en om te kunnen meten hoe belangrijk ze is vergeleken bij de samenwerking die deze landen van andere landen in het Noorden krijgen.
Onder de 18 partnerlanden zijn er zeker die op een aanzienlijke berg zwart goud zitten. Er zijn er andere die, zoals Zuid-Afrika, toegeven dat ze geen echte ontwikkelingslanden meer zijn. Er zijn er die sinds 5, 6, 7, 8 jaar een groeicijfer kennen van 8 of 9 %, en waarvan we ons kunnen afvragen of ze nog echt tot onze prioriteiten behoren. Onze prioriteiten moeten vanaf nu namelijk worden gericht op de armste landen en de landen die echt nood hebben aan onze hulp en waar onze hulp uitermate nuttig kan zijn.
Ons land heeft tevens een concept van regionale samenwerking uitgewerkt, wat het mogelijk heeft gemaakt om in de Mekong-regio (Mekong River Commission, een regionale instelling waarvan het werk kwalitatief hoogstaand is en in de lijn van onze prioriteiten ligt) te blijven werken in Cambodja, Laos, terwijl deze landen geen partnerlanden meer zijn. Dit soort regionaal beleid is nuttig en kan ook worden ontwikkeld in andere landen, in de Andes bijvoorbeeld, in andere regio's van de wereld.
Meer bepaald in Cambodja lopen er in het kader van het akkoord voor directe bilaterale samenwerking, dat is ondertekend vóór de verkiezingen van 2003, momenteel drie programma's voor een bedrag van nagenoeg twintig miljoen euro : een onderwijsprogramma, een gezondheidsprogramma en een beurzenprogramma. Een vierde programma met betrekking tot de binnenvaart op de Mekong werd in oktober 2006 afgerond. Dit programma zou via de Mekong River Commission in Laos verder een aanzienlijke financiering van België ontvangen via multilaterale operaties.
De regering voert voortaan een stimulerend beleid in dit land om op middellange termijn de activiteiten van de Belgische samenwerking in Cambodja te kunnen afsluiten.
| François ROELANTS du VIVIER. |
De Senaat,
Overwegende dat de lijst van de partnerlanden voor directe bilaterale samenwerking niet onveranderlijk is en tevens rekening moet houden met de evolutie van de situatie van de partnerlanden waarmee we werken;
Overwegende dat België gaat onderhandelen over een nieuwe gemengde commissie met Vietnam, dat sinds een tiental jaar een gemiddeld groeicijfer tussen 8 % en 10 % per jaar kan voorleggen;
Overwegende dat het bijgevolg logischer zou zijn om in het geval van Vietnam een soort van geleidelijke phasing out voor te bereiden, wat onze ontwikkelingssamenwerking in staat zou stellen zich te richten op landen die er meer behoefte aan hebben wegens hun armoede en het tragische karakter van de toestanden die ze hebben ervaren, zoals Cambodja;
Overwegende dat Cambodja sinds vier jaar niet meer op de lijst van partnerlanden staat; dat het bijgevolg normaal niet meer mogelijk is om nieuwe projecten op te zetten in het kader van onze directe bilaterale samenwerking;
Gelet op het risico dat de voordelen van de lopende fase tenietgaan indien er geen consolidatiefase wordt doorgevoerd;
Vraagt de regering :
1. de minister van Ontwikkelingssamenwerking in staat te stellen de projecten die België in Cambodja heeft opgezet, tot een goed einde te brengen;
2. via de Mekong River Commission projecten voor Cambodja, Laos en Vietnam die een multilaterale dimensie hebben, voort te zetten;
3. de herziening van de lijst van partnerlanden voor te bereiden, te onderzoeken in hoeverre het opportuun is Cambodja opnieuw aan de lijst toe te voegen en een kader te scheppen voor een verregaande samenwerking met Laos, een land dat opnieuw in een fragiele situatie verkeert en onze aandacht verdient.
12 juli 2007.
| François ROELANTS du VIVIER. |