Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-90

ZITTING 2006-2007

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Buitenlandse Zaken

Vraag nr. 3-1829 van de heer Vandenberghe L. van 13 december 2004 (N.) :
Associatieakkoord tussen de Europese Unie en SyriŽ. — Onderhandelingen. — Aandacht op de toestand van de Koerdische gemeenschap. — Mensenrechten.

Eind oktober 2004 werden de onderhandelingen over een associatieakkoord tussen de Europese Unie (EU) en SyriŽ afgerond. Het sluiten van een associatieakkoord met SyriŽ is niet vanzelfsprekend. SyriŽ is geen Europese democratie. Het is een staat geleid door een gecentraliseerd en autocratisch regime dat repressie als een belangrijk instrument hanteert tegen eenieder die haar machtspositie in het gedrang kan brengen.

Onder meer het lot van de Koerdische gemeenschap in SyriŽ is niet benijdenswaardig. In SyriŽ leven twee tot tweeŽneenhalf miljoen Koerden in bijzonder moeilijke omstandigheden : ze worden er politiek, burgerrechterlijk en cultureel achtergesteld. Sinds maart 1963 is in SyriŽ de wet op de noodtoestand van kracht. Hierdoor werden alle in de Grondwet vastgelegde rechten buiten werking gesteld. Damascus steunt vandaag nog steeds op deze wet om elke binnenlandse oppositie te muilkorven.

Naar schatting hebben zo'n 250 000 tot 300 000 Koerden de Syrische nationaliteit niet. Door hun statuut hebben ze amper rechten en worden ze achtergesteld in het Syrische openbare leven. Het ontnemen van de Syrische nationaliteit past in een actieve arabiseringpolitiek die door het regime sinds de jaren zestig in de Koerdische gebieden wordt gevoerd. Zo doet de Syrische overheid er alles aan om de Koerdische culturele identiteit te onderdrukken. Het belangrijkste instrument hierbij is het inperken van de taal. Koerdische plaatsnamen worden vervangen door Arabische, Koerdische persoonsnamen worden geweigerd in Syrische bevolkingsregisters, handelszaken worden verplicht Koerdische opschriften te vervangen door Arabische, aan werknemers wordt verboden op de werkplek Koerdisch te praten, Koerdisch onderwijs wordt onmogelijk gemaakt, Arabische landbouwnederzettingen worden uitgebouwd in Koerdisch gebied, enz.

Het is duidelijk dat SyriŽ in haar beleid jegens de Koerdische minderheid tal van internationale mensenrechtenstandaarden schendt. Bovendien worden in de Syrische gevangenissen duizenden Koerden om politieke redenen vastgehouden. Volgens internationale waarnemers maakt het mishandelen en intimideren van deze politieke gevangenen zelfs deel uit van de officiŽle Syrische veiligheidspolitiek.

In maart 2004 kwam het latente ongenoegen over het uitblijven van politieke en culturele vrijheid voor de Koerdische gemeenschap tot uitbarsting. Volgens de internationale mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch vielen er bij de zware rellen in maart 2004 minstens 30 doden en meer dan 160 gewonden. Naar schatting 2 000 mensen werden aangehouden en op onbekende locaties gevangengezet. Onder hen intellectuelen, politici en mensenrechtenactivisten. Intussen duurt de repressie tegen de oppositie van het regime nog steeds voort. Regelmatig berichten Arabische mensenrechtenorganisaties over foltering van de gevangenen.

Het slechte mensenrechtenrapport en de politieke instabiliteit in SyriŽ heeft de Europese Unie (EU) er niet van weerhouden met Damascus te blijven onderhandelen over het Associatieakkoord. De EU wil op deze manier ook met SyriŽ de banden aanhalen en met het land betrekkingen onderhouden gebaseerd op partnerschap en wederkerigheid. Volgens de beginselen van de EU vormt de eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten nochtans een essentieel element van het Associatieakkoord.

Met SyriŽ werd sinds 1997 over een Associatieakkoord onderhandeld. Helaas was het niet de ongerustheid van de EU over de mensenrechten in SyriŽ die de finale besprekingen bemoeilijkten. Eerder dan het akkoord te gebruiken als hefboom om SyriŽ aan te zetten werk te maken van politieke, culturele en burgerrechten, spitste de EU de discussie toe op de kritiek uit de Verenigde Staten rond de verspreiding van massavernietigingswapens (MVW) door SyriŽ. Volgens de laatste berichten omvat het bereikte akkoord inderdaad een passage over samenwerking tussen de EU en SyriŽ tegen de verspreiding van MVW. Wat het akkoord opgeleverd heeft inzake mensenrechten is niet duidelijk.

We kunnen ons bovendien afvragen of zoiets als een Associatieakkoord Łberhaupt iets aan het gebrek aan mensenrechten in SyriŽ kan veranderen. Zelfs al eist de EU in het akkoord er meer aandacht voor, dan nog dreigen deze bepalingen dode letter te blijven. De ervaring met IsraŽl leert ons dat de EU — en ook BelgiŽ overigens — niet bereid is deze zaken, ook al maken ze deel uit van een verdragsrechtelijk akkoord, af te dwingen. Het is duidelijk dat SyriŽ, indien het op dezelfde voet behandeld zal worden als IsraŽl, niets te vrezen heeft. Het lijkt er dan ook sterk op dat het regime in Damascus op dit ogenblik geen enkele reden heeft om haar wankele stabiliteit in het gedrang te brengen door meer vrijheden in het land toe te laten.

1. Welke initiatieven heeft de federale regering op de geŽigende Europese fora genomen om te pleiten voor meer aandacht voor de mensenrechten in SyriŽ tijdens de besprekingen over het Associatieakkoord tussen de EU en SyriŽ ?

2. Welke initiatieven zal de federale regering op de geŽigende Europese fora nemen om bij de ratificatie en implementatie van het Associatieakkoord de problematiek van de mensenrechten in SyriŽ op de agenda te plaatsen en resultaatsgericht op te volgen ?

3. Heeft de EU garanties dat de Europese economische steun ook de economisch achtergestelde Koerdische gebieden in SyriŽ ten goede zal komen, evenwel zonder dat deze steun zal aangewend wordt om de arabisering van deze gebieden verder te zetten, bijvoorbeeld door met Europese steun in de Koerdische gebieden louter Arabische economische ontwikkelingen te financieren ?

4. Op welke manier zal de politieke, sociaal-economische en culturele samenwerking met SyriŽ aangewend worden om de mensenrechten, in het bijzonder het lot van de staatsloze en rechtenloze Syrische Koerden, te verbeteren ?

Antwoord : 1. Ik mag benadrukken dat de toestand van de mensenrechten in SyriŽ, zowel in het algemeen als meer specifiek met betrekking tot de Koerdische minderheid, de aandacht van de Europese Unie (EU) en zijn Lidstaten ten volle opeist. Dit veranderde niet na de parafering van het Associatieakkoord met SyriŽ op 19 oktober 2004.

2. Het Associatieakkoord voorziet in een politieke dialoog. Het is dan ook evident dat in het kader hiervan de Europese Unie verder de Syrische autoriteiten zal wijzen op het belang dat de EU hecht aan de eerbiediging van de mensenrechten en het respecteren van de aangegane verbintenissen.

3. Zoals hoger reeds gesteld hechten de Europese Unie en de lidstaten een bijzondere belangstelling aan de situatie van de Koerdische bevolkingsgroep. Zoals mijn voorganger reeds mocht onderstrepen in zijn antwoorden op de vraag om uitleg nr. 268 vanwege Senator de Bethune (Handelingen nr. 3-60, blz. 59) en van Senator Van Overmeire (nr. 3-173, Handelingen nr. 3-51, blz. 57) zet BelgiŽ zich tezamen met zijn Europese partners in om bij de Syrische autoriteiten de aandacht te vragen voor en de bezorgdheid te uiten over de toestand van de Koerdische bevolking in SyriŽ. Het is evident dat dit in de toekomst verder zal gebeuren, met name in het kader van het Associatieakkoord en de daarin voorziene contactfora met SyriŽ.