(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
De gewezen president van Tsjaad, Hissène Habré, wordt vervolgd voor misdaden tegen de menselijkheid en wordt vastgehouden in Senegal. Dat land werd in juli 2006 door de Afrikaanse Unie gemandateerd om het proces te organiseren.
Tijdens de laatste Top van de Afrikaanse Unie, eind januari 2007, verklaarde de minister van Buitenlandse Zaken van Senegal dat het nog drie jaar zou duren vooraleer Hissène Habré wordt berecht. Die tijd heeft Senegal nodig om het proces te organiseren. Ook de financiering van het proces roept vragen op.
Ondanks de klacht die in België door Senegalese slachtoffers werd ingediend, zal ons land veel moeite moeten doen om de uitlevering van Hissène Habré te verkrijgen en zijn proces bij ons te organiseren, en dat ondanks de inspanningen van onze minister.
Moeten we er dan vrede mee nemen zijn proces in Senegal bij te wonen ? Heeft België geen enkele mogelijkheid meer om de uitlevering van Hissène Habré te verkrijgen ? Kunnen we de Senegalese president vertrouwen ?
Hoe kunnen we actief, financieel en technisch, deelnemen aan het proces in Senegal ? Welke intenties heeft de geachte minister ter zake en welke contacten zijn er voor het ogenblik met de Senegalese regering ? Hoe kunnen we een internationale consensus bereiken, in de eerste plaats op Europees niveau, rond onze demarches ten opzichte van de Senegalese regering om deze te helpen om het proces snel te beginnen ?
Omdat dit proces een voorbeeld moet worden, nu Afrika zijn verantwoordelijkheid opneemt in de strijd tegen de straffeloosheid, moeten wij Senegal helpen om dit proces doorgang te doen vinden. Dit moet een duidelijk signaal worden voor andere dictators zoals Charles Taylor.
Antwoord : Alvorens te antwoorden op de vragen van senator Destexhe, moet worden onderstreept dat de regering actief betrokken blijft bij het dossier inzake de vervolgingen wegens de ter zake doende misdaden tegen de menselijkheid van de oud-president van Tsjaad, Hissène Habré.
Met betrekking tot het Belgisch-Senegalees aspect van dit dossier kan de volgende informatie worden gegeven.
Het Senegalese parlement heeft op 31 januari 2007 op initiatief van de Senegalese president en zijn regering, twee nieuwe wetten goedgekeurd tot wijziging van het Senegalese Strafwetboek en Wetboek van strafvordering. Deze twee wetten beogen de strafbare feiten oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en misdaad van genocide op te nemen in het Strafwetboek. Bovendien is het Wetboek van strafvordering geamendeerd om de universele rechtsmacht van de Senegalese rechtbanken te vestigen, zodat zij kennis kunnen nemen van dergelijke strafbare feiten indien een persoon die zich op het Senegalese grondgebied bevindt wordt verdacht van het plegen ervan. Andere bepalingen voorzien erin dat deze misdaden onverjaarbaar zijn en dat zelfs vervolging kan worden ingesteld indien zij in het buitenland werden gepleegd, aangezien zij krachtens het internationaal recht misdaden opleverden op het tijdstip dat zij werden gepleegd.
Meer bepaald met betrekking tot de vervolging van de oud-president van Tsjaad, Hissène Habré, zal België thans verduidelijkingen proberen te verkrijgen inzake het verband dat zou kunnen bestaan tussen dit dossier en de nieuwe wetten die ten uitvoer worden gelegd. Aangezien deze elementen rechtstreeks verband houden met het thans bestaande geschil tussen België en Senegal inzake de inachtneming van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering en gelet op het gegeven dat deze procedure België ertoe zou kunnen brengen voor het Internationaal Gerechtshof een eenzijdig verzoekschrift in te dienen tegen Senegal, is het in dit stadium van het dossier van wezenlijk belang blijk te geven van voorzichtigheid over de wijze waarop informatie of het standpunt van België in het openbaar wordt toegelicht of uiteengezet.
Het is evenwel belangrijk tevens te onderstrepen dat de Afrikaanse Unie tijdens haar laatste top op 29 en 30 januari, de vaste wens heeft bevestigd dat Senegal zelf de oud-president van Tsjaad gerechtelijk vervolgt. Bovendien heeft de Afrikaanse Unie alle betrokken Staten opgeroepen om hulp te bieden, ook financiële hulp, om Senegal de mogelijkheid te bieden deze taak tot een goed einde te brengen.
In dit kader heeft België zich gewend tot het bevoegde Comité van de Europese Unie dat de follow-up van dit dossier onderzoekt, teneinde van onze Europese partners een reactie te krijgen in verband met de door de Afrikaanse Unie geformuleerde vraag ten behoeve van Senegal.
Tot slot kan nogmaals worden bevestigd dat de Belgische regering zeer veel aandacht schenkt aan alle ontwikkelingen van dit dossier en alle dienstige maatregelen treft opdat er in dit gerechtelijk dossier geen sprake zou zijn van enige straffeloosheid.