3-2435/2

3-2435/2

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

26 APRIL 2007


Wetsontwerp dat de tenuitvoerlegging beoogt te waarborgen van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke veranwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, van het Europees Verdrag van Luxemburg van 20 mei 1980 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, en van Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 8

Dit artikel vervangen als volgt :

 Art. 8 — Artikel 1322quinquies van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 1998, wordt vervangen als volgt :

 Art. 1322quinquies. — Indien het verzoek wordt ingediend door toedoen van de centrale Autoriteit aangewezen op grond van een van de Verdragen bedoeld in artikel 1322bis, wordt de verzoeker vertegenwoordigd door een advocaat die, op verzoek van de voorzitter van de rechtbank, werd aangewezen door het bureau voor juridische bijstand. Het verzoekschrift wordt ondertekend door die advocaat, die het aan de voorzitter van de rechtbank voorlegt. Tenzij de verzoeker in persoon of via de door hem zelf gekozen advocaat verschijnt, wordt hij vertegenwoordigd door de door het bureau voor juridische bijstand aangewezen advocaat. .

Verantwoording

Uit een gecombineerde lezing van de huidige artikelen 728,  5, en 1322quinquies van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat, wanneer het parket de vordering heeft ingesteld, het zijn actie moet voortzetten in de hoedanigheid van  vertegenwoordiger  van een van de gedingvoerende partijen. Thans treedt, volgens de lezing die de centrale Autoriteit aan de beide artikelen geeft, het parket niet op overeenkomstig een eigen vorderingsrecht, maar in naam van een van de betrokken partijen. Met andere woorden : het openbaar ministerie is volgens de centrale Autoriteit een gemachtigde en moet derhalve de stelling van een van de partijen tot de zijne maken en verdedigen.

Daardoor verliest het openbaar ministerie zijn onafhankelijkheid en kan het niet objectief stelling nemen.

De Raad van State had die bepalingen in hun ontwerpfase destijds fel bekritiseerd, door aan te voeren dat ze met name haaks stonden op de status van het openbaar ministerie en op de rechten van verdediging. Er werd namelijk niet in de mogelijkheid voorzien om, wanneer het parket de vordering inleidt, om de interventie van een advocaat te verzoeken.

Nr. 2 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 16 (nieuw)

Een artikel 16 (nieuw) invoegen, luidende :

 Art. 16. — Artikel 728,  5, van hetzelfde wetboek wordt opgeheven. 

Verantwoording

Zie amendement nr. 1 op artikel 8.

Clotilde NYSSENS.