(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
Sinds 1992 betalen vennootschappen onderworpen aan de vennootschapsbelasting een sociale bijdrage, bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen. Oorspronkelijk ingevoerd als een eenmalige bijdrage, kreeg deze bijdrage het daaropvolgende jaar al een blijvend karakter.
Tot voor enkele jaren ging het om een forfaitaire bijdrage, die dezelfde was voor alle vennootschappen, ongeacht hun omvang. Vanaf 2004 werd de bijdrage gedifferentieerd : kleine vennootschappen betaalden een bijdrage van 347,50 euro, « grote » vennootschappen (met een balanstotaal van meer dan 520 000 euro) betaalden 840 euro.
Tegelijk werd gesteld dat deze regeling slechts van tijdelijke aard was, die ingevoerd werd onder tijdsdruk, maar die naderhand zou vervangen worden door een totaal andere regeling. Deze andere regeling zou inhouden dat de vennootschapsbijdrage zo zou worden aangepast dat hij eindelijk een echte sociale bijdrage zou worden en ten goede zou komen aan de zelfstandige bedrijfsleiders van de vennootschap. Een echte sociale bijdrage levert immers sociale rechten op, terwijl de sociale vennootschapsbijdrage dit niet doet en dus eigenlijk een gewone belasting is. Op de Ministerraad van 5 april 2004 werd beslist dat een werkgroep zou worden opgericht die de omzetting van de sociale vennootschapsbijdrage in een sociale bijdrage ten hoofde van de bedrijfsleider zou onderzoeken.
Nochtans werd de sociale vennootschapsbijdrage ook voor 2005 en 2006 op dezelfde basis vastgesteld. De bedragen werden slechts geïndexeerd. En ook voor 2007 lijkt er geen fundamentele wijziging in aantocht. Het lijkt er dus op dat deze belasting zal blijven bestaan.
In antwoord op mijn schriftelijke vraag nr. 3-5299 (Vragen en Antwoorden nr. 3-70, blz. 7271) antwoordde de geachte minister dat zij haar administratie belast had met de opmaak van een voorafgaande technische nota, dat de administratie een aantal denkpistes had onderzocht en daarbij gewezen had op een aantal praktische bezwaren en dat zij de uitspraak van de Raad van State in het kader van een beroep tegen de inning van de vennootschapsbijdrage zou afwachten alvorens het onderzoek van het voorstel voort te zetten. In haar antwoord gaf zij ook te kennen dat een hervorming van de vennootschapsbijdrage slechts zou kunnen worden overwogen in het kader van een algemene hervorming van het sociaal statuut zowel op het vlak van de bijdragen als op het vlak van de uitkeringen. Dit lijkt erop te wijzen dat de regering deze hervorming heeft opgegeven.
Graag kreeg ik daarom een antwoord op de volgende vragen :
1. Welke denkpistes heeft de administratie ontwikkeld ?
2. Welke zijn de praktische bezwaren die werden geuit ?
3. Is er reeds een uitspraak van de Raad van State in de zaak waarnaar de geachte minister verwijst ? Zo ja, wat houdt die uitspraak in ? Zo neen, wanneer valt die uitspraak te verwachten ?
4. Zal zij tijdens deze legislatuur nog een initiatief nemen om de beslissing van de Ministerraad van 5 april 2004 uit te voeren, of werd dit voornemen afgevoerd ?
Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid mee te delen wat volgt.
Wanneer de administratie het voorstel onderzocht heeft dat op federaal niveau werd gedaan, heeft ze verschillende denkpistes overwogen zonder echter de een of de andere in het bijzonder te concretiseren.
De administratie onderzocht voornamelijk de verschillende begrippen die er binnen verscheidene wetgevingen omtrent bedrijfsleiders bestaan. Op die manier heeft ze getracht het meest adequate criterium te bepalen om de personen te kwalificeren die een verhoging van de sociale bijdragen zouden moeten ondergaan ter compensatie van de afschaffing van de jaarlijkse vennootschapsbijdrage. Anderzijds heeft ze de problematiek inzake de rechten die aan de bijdragen zouden kunnen worden verbonden, in overweging genomen.
De voornaamste bezwaren van de administratie betreffen :
— de problematiek inzake het gelijkheidsbeginsel aangezien een onderscheid tussen de zelfstandigen gemaakt zal worden aangaande de sociale bijdragen, maar vooral wat de prestaties betreft;
— de problematiek inzake de definitie van de bedrijfsleiders gelet op de doelstelling van de huidige bijdrage, meer bepaald de bijdrageverliezen te compenseren ten gevolge van overgang naar een vennootschap;
— de problematiek inzake de omzetting van de vrijstellingsregels die er momenteel bestaan voor de vennootschapsbijdrage;
— de praktische gevolgen van de uitwerking van een systeem voor extra sociale bijdragen (getarifeerde of forfaitaire) inzake de uitvoering en de inning ervan;
— de budgettaire impact op middellange en lange termijn van de bijkomende prestaties;
— de situatie van de bedrijfsleiders in bijberoep.
Aangezien de Raad van State zich nog niet heeft uitgesproken over het ingediende beroep, blijf ik van mening dat het nog te vroeg is om het onderzoek van het voorstel voort te zetten.