(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
De Universiteit Antwerpen bestudeerde samen met het Institut des sciences humaines et sociales (Université de Liège) in opdracht van de POD Maatschappelijke Integratie, de implementering van het koninklijk besluit van 3 september 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 mei 1984 tot uitvoering van artikel 13, tweede lid, 1º, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en artikel 100bis, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Ze moesten vooral de aspecten betreffende de onderhoudsplicht bestuderen.
Gelet op het feit dat 363 OCMW's hebben gereageerd op deze bevraging maakt dat de verzamelde informatie een betrouwbaar beeld geeft van de toestand in de praktijk.
Uit deze studie komen ontegensprekelijk een aantal positieve bevindingen naar voor, zoals :
— de algemene daling van het aantal rusthuisdossiers;
— het verhalen op onderhoudsplichten voor slechts 17 % van het totale aantal van rusthuisdossiers in 2005;
— het verhogen van de legitimiteit naar de onderhoudsplichtige toe en de verminderde verwerkingstijd door het eenheidsbarema.
Toch zijn er ook heel wat bevindingen waarbij vragen kunnen worden gesteld en waarbij bijkomende beleidsincentives mijns inziens aan de orde zijn.
Enkele voorbeelden :
— slechts 45 % van de OCMW's verklaart spontaan dat de nieuwe schaal meer billijkheid met zich meebrengt dan het oude systeem;
— het aantal onderhoudsplichtigen die hun onderhoudsplicht vervullen is gedaald (in de studie wordt gesteld dat deze daling 37 % bedroeg tussen 2003 en 2005);
— uit het kwalitatief onderzoek waren er diverse indicatoren dat het eenheidsbarema de neiging heeft om te hoge bijdragen te recupereren bij de onderhoudsplichtigen die een vrij hoog inkomen hebben;
— in verhouding tot het aantal onderhoudsplichtigen ligt het aantal afwijkingen omwille van billijkheidsredenen na de nieuwe wetgeving hoger. De nieuwe schaal die moet worden toegepast vinden sommige maatschappelijk werkers te hoog. Enkele van de Vlaamse maatschappelijk werkers geven aan dat ze nu meer billijkheidsredenen inroepen dan voorheen.
De vraag of het dan nuttig is om de notie billijkheid meer aan banden te leggen, beantwoorden de respondenten negatief. Wel kan men zich in het idee van « vrijblijvende richtlijnen » vinden.
Er is een duidelijke verhoging van het opgeëiste bedrag tussen 2003 en 2005. In 2003 is er een gemiddelde van 849 euro per jaar per onderhoudsplichtige. In 2005 bedroeg dit al 1 313 euro, wat een verhoging van 35 % betekent. Dit terwijl het aantal onderhoudsplichtigen die onder de inkomensdrempel vallen ongeveer gelijk is gebleven. Deze stijging doet zich in verhouding explicieter voor bij « gemiddeld arme gemeenten ».
Niettegenstaande er een zeer grote eensgezindheid is over het principe van de eenheidsschaal kunnen er vragen gesteld worden bij de toepassing ervan.
In het rapport wordt er meermaals op gewezen dat er nog diverse (vooral in het Waalse landsgedeelte) OCMW's zijn die het eenheidsbarema niet toepassen en het al dan niet als referentiebarema gebruiken. Dit staat haaks op de gewenste uniformiteit.
Het in rekening nemen van het kadastraal inkomen bij de terugvordering wordt quasi niet toegepast in de praktijk. Dit omdat men er enkel rekening mee mag houden indien men onder de inkomensdrempel valt en omdat de grens van 2 000 euro te hoog is.
Velen ervaren het verschil in berekening tussen gehuwden en samenwonenden als onrechtvaardig.
Graag had ik de geachte minister gevraagd welke maatregelen en opvolging u voorstelt ten opzichte van deze bevindingen :
1. 55 % van de ondervraagde OCMW's is niet overtuigd dat de nieuwe schaal meer billijkheid met zich meebrengt. Dit wijst erop dat de nieuwe schaal het beoogde doel niet haalt. Hoe verklaart hij dit toch wel lage cijfer ?
2. De onderhoudplicht wordt duidelijk minder vervuld dan vroeger. Wat schuift hij naar voor als mogelijke oorzaak van deze daling ?
3. De eenheidsschaal heeft de neiging te hoge bijdragen te recupereren bij de onderhoudsplichtigen met een vrij hoog inkomen. Hoe verklaart hij deze ongelijkheid en voorziet hij hierin aanpassingen ?
4. Het aantal afwijkingen omwille van billijkheidsredenen ligt hoger sinds de eenheidsschaal. Volgens de maatschappelijk werkers moet de billijkheidschaal niet aan banden worden gelegd. Zij zien wel een oplossing in vrijblijvende richtlijnen. Hoe staat hij tegenover deze oplossing ?
5. Hoe verklaart hij de toename van het opgeëist bedrag ondanks het feit dat het aantal onderhoudsplichtigen die onder de inkomensdrempel vallen ongeveer gelijk is gebleven ?
6. Wat zal hij ondernemen tegenover OCMW's die het eenheidsbarema niet toepassen ? Dit staat haaks op de gewenste uniformiteit.
7. Er wordt vrij weinig rekening gehouden met het kadastraal inkomen omdat de grens op de inkomensdrempel van 2 000 euro te hoog is. Voorziet hij hier aanpassingen zodat er in de toekomst meer rekening zal worden gehouden met het kadastraal inkomen ?
8. Tot slot ervaren velen het verschil in berekening tussen gehuwden en samenwonenden als onrechtvaardig. Zullen deze ongelijkheden in de toekomst worden weggewerkt ?