3-2362/3

3-2362/3

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

24 APRIL 2007


Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

DE HEER MAHOUX EN MEVROUW TALHAOUI


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2720/1).

Het werd op 29 maart 2007 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 91 tegen 19 stemmen bij 18 onthoudingen.

Het werd op 30 maart 2007 overgezonden aan de Senaat en op diezelfde dag geëvoceerd.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 12, 18 en 24 april 2007, in aanwezigheid van de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen.

Tijdens de vergadering van 18 april 2007 heeft de commissie een vraag om de debatten te verdagen naar de volgende zittingsperiode, alsook om hoorzittingen te organiseren, verworpen.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN AMBTENARENZAKEN, MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE, GROOTSTEDENBELEID EN GELIJKE KANSEN

« De bestaande democratieën vinden hun grondvesten in de bekrachtiging van het principe dat de verschillen tussen individuele personen niet automatisch enige waarde hebben in het recht, noch in de betrekking van het maatschappelijk leven. Deze verschillen vormen geen rechtvaardiging voor een discriminerend onderscheid tussen personen.

De artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 2 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, de artikelen 2 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 13 van het Verdrag van Amsterdam en andere internationale instrumenten bevestigen dat principe. (...)

De grondwetsbepalingen en de internationale regels hebben weliswaar directe werking, maar sporen de wetgever er ook toe aan eenieder een efficiënte en doeltreffende bescherming te bieden tegen discriminatie. Zonder wetgeving is het moeilijk om het recht op niet-discriminatie op te eisen. »

Deze bewoordingen komen uit de memorie van toelichting van het wetsvoorstel ter bestrijding van de discriminatie, dat in maart 1999 werd ingediend door de heer Roger Lallemand en mevrouw Nadia Merchiers.

Het werd opnieuw ingediend en verdedigd door Philippe Mahoux c.s. en werd de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van de discriminatie, die één van de belangrijkste wetteksten inzake antidiscriminatie in België is.

Deze tekst is een versterking en een aanvulling van twee vorige wetteksten.

Eerst, de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden.

Daarna, de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid.

Naast deze drie algemene instrumenten omvat het federaal recht, op wetgevend vlak, ook verscheidene meer specifieke instrumenten betreffende gelijke behandeling.

België beschikt dus over een degelijke wetgeving, vooral op federaal niveau.

België heeft grote ambities inzake de strijd tegen discriminatie te kennen gegeven, en voert de lijst van de Europese landen ter zake aan.

Er zijn echter verschillende redenen die leiden tot de bedenking dat het wetgevend arsenaal kan worden verbeterd, en op sommige punten beslist moet worden gecorrigeerd.

Dit is het voorwerp van de vier voorliggende wetsontwerpen (stuk Senaat, nrs. 3-2362 tot 2365).

Eerste reden tot deze hervorming : De conformiteit met het gemeenschapsrecht inzake de strijd tegen de discriminatie

De bovenvermelde wetgevende instrumenten moeten de richtlijnen van de Europese Unie betreffende de strijd tegen discriminatie adequaat omzetten binnen de bevoegdheidsdomeinen van de federale Staat. De gerealiseerde omzetting blijkt echter op dit moment, en dit op talrijke punten, onvolmaakt of onvolledig te zijn.

Richtlijn 2000/43/EG van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (uiterste datum omzetting : juli 2003) en richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (uiterste datum omzetting : december 2003), beide aangenomen op grond van artikel 13 van het EG-verdrag, werden in principe omgezet, binnen het federale bevoegdheidsdomein, door de wet van 25 februari 2003 (evenals door de wet van 30 juli 1981, wat betreft het strafrechtelijke luik van de rassendiscriminatie). Zoals de rechtsleer heeft opgemerkt, is deze omzetting echter onvolmaakt : sommige bepalingen van de wet zijn, in meer of mindere mate, in strijd met de eisen die worden gesteld door bovenvermelde richtlijnen. Deze situatie heeft ertoe geleid dat België reeds in gebreke werd gesteld door de Europese Commissie voor de incorrecte omzetting van richtlijn 2000/43; een procedure wegens niet-nakoming bij het Hof van Justitie wordt verwacht. In de nabije toekomst zal België in principe met dezelfde problemen worden geconfronteerd voor de omzetting van richtlijn 78/2000/EG.

Het gemeenschapsrecht omvat ook verschillende richtlijnen die werden goedgekeurd om de gelijke behandeling tussen vrouwen en mannen te verwezenlijken in het domein van het « sociaal recht », in de brede zin.

Op sommige punten blijkt de gerealiseerde omzetting onvolmaakt en onvolledig (wat betreft richtlijn 2002/73/EG). Bijgevolg moet de wet van 7 mei 1999 (in het bijzonder) worden aangepast.

Tweede reden tot deze hervorming : De rechtstreekse en onrechtstreekse gevolgen van arrest 157/2004 van het Arbitragehof

Door zijn arrest nr. 157/2004 van 6 oktober 2004 heeft het Arbitragehof sommige bepalingen van de wet van 25 februari 2003 vernietigd. Andere bepalingen zijn slechts aan de vernietiging ontsnapt op voorwaarde van een verplichte grondwetconforme interpretatie.

Deze gedeeltelijke vernietigingen stellen het dispositief van de wet niet buiten werking. Ze verzwakken echter de leesbaarheid en de praktische hanteerbaarheid ervan.

Zo heeft het arrest van het Arbitragehof, vermits het de lijst van discriminatiegronden van deze wet heeft vernietigd, tot gevolg dat deze wet nu kan worden gebruikt om alle discriminaties te bestrijden, ongeacht de grond waarop ze zijn gebaseerd. Deze uitbreiding van het toepassingsgebied van de wet kan ongewenste gevolgen hebben in het domein van de arbeidsverhoudingen. Zij ligt ook aan de basis van overlappingen tussen de wet van 25 februari 2003 en andere wetten inzake gelijke behandeling en discriminatie. In ieder geval heeft het verdwijnen van de lijst van discriminatiegronden tot gevolg dat de wet niet conform is met de vereisten van het gemeenschapsrecht. Zoals de Europese Commissie er inderdaad op gewezen heeft, moeten de « Europese » discriminatiegronden, geviseerd door de richtlijnen 2000/43 en 2000/78, voluit in de nationale omzettingsinstrumenten worden vermeld.

Derde reden tot hervorming : De nood aan betere coördinatie tussen de verschillende instrumenten van het federaal recht inzake de strijd tegen discriminatie

De bestaande wet van 25 februari 2003 verwezenlijkt een coördinatie van haar eigen bepalingen met, enerzijds, de bepalingen van de wet van 30 juli 1981, en anderzijds, de bepalingen van de wet van 7 mei 1999. Deze coördinatie is echter niet perfect, en dit in het bijzonder op conceptueel vlak. Zo bestaan er tussen deze verschillende wetten nog steeds verschillen in de definitie van discriminatie.

De bovenvermelde coördinatie moet echter ook ten opzichte van andere instrumenten van het federale antidiscriminatierecht worden verwezenlijkt. Zo valt bijvoorbeeld de strijd tegen discriminatie op basis van leeftijd inzake tewerkstelling op dit moment zowel onder de wet van 25 februari 2003 als onder de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling.

Vierde reden tot hervorming : Meer duidelijkheid in de bevoegdheidsverdeling inzake discriminatiebestrijding in het kader van het federale België

Vijfde reden tot hervorming : De efficiëntie van de federale instrumenten inzake discriminatiebestrijding verhogen

Afgaande op het aantal gerechtelijke procedures, zijn de verschillende federale wetten inzake discriminatiebestrijding niet allemaal even doeltreffend.

Indien deze inefficiëntie zou blijven duren en zou verergeren, kan dit problematisch worden in het kader van de Europese verplichtingen van België.

Een hervorming van de federale wetgeving inzake discriminatiebestrijding, om deze duidelijker en pedagogischer te maken, zou deze situatie geheel of gedeeltelijk kunnen verhelpen.

Met het oog op het groot aantal motieven die een herziening noodzakelijk maken, heeft de minister onmiddellijk na het arrest van het Arbitragehof dat de wet van 25 februari ten dele vernietigde, een tweetalige werkgroep van multidisciplinaire experts de opdracht gegeven de regering voorstellen voor te leggen om de verbeteringen voor te bereiden.

De werkgroep was samengesteld uit :

— Christian Bayart, advocaat, gespecialiseerd in arbeidsrecht, assistent aan de Universiteit van Antwerpen (Nederlandstalig rapporteur),

— Sébastien Van Drooghenbroeck, professor grondwettelijk recht aan de Facultés universitaires Saint-Louis (Franstalig rapporteur),

— Patricia Popelier, professor Publiekrecht aan de Universiteit van Antwerpen,

— Jean Jacqmain, professor Sociaal Recht aan de ULB en Vice-Voorzitter van de Raad voor Gelijke Kansen van Mannen en Vrouwen,

Aan de werkzaamheden hebben ook deelgenomen tot bij het tussentijds verslag :

— Bernard Dubuisson, professor Verbintenissenrecht aan de UCL,

— Eva Brems, professor aan de Universiteit van Gent, gespecialiseerd in Mensenrechten en Niet-Westers Recht

Medewerkers van de CGKR, het IGVM en de FOD WASO hebben meermaals deelgenomen aan de werkzaamheden.

De werkzaamheden van de groep van experts hebben vijftien maanden geduurd.

Het verslag van de experts werd tijdens een interkabinettenwerkgroep voorgesteld in de vorm van wetteksten, vergezeld van een algemeen commentaar. Na een tiental lange interkabinetwerkvergaderingen en nadat de tekst twee keer werd voorgelegd aan het kernkabinet, werd hij voorgesteld aan de Ministerraad op 24 mei 2006. Er werden beslissingen genomen over politieke opties, waarbij steeds voor ogen werd gehouden dat de doelstellingen van de richtlijnen en van het arrest van het Arbitragehof moesten worden nagestreefd en dat de rechtszekerheid moest worden gewaarborgd.

De regering heeft deze voorontwerpen van wet op 24 mei goedgekeurd. Ze heeft de minister de opdracht gegeven de ontwerpen voor te leggen aan de Raad van State in algemene vergadering (zodat een aantal controverses inzake bevoegdheidsverdeling worden opgehelderd) binnen een termijn van 45 dagen. Tijdens deze termijn diende de minister ook een breed overleg te voeren met de verscheidene betrokken sectoren en organen.

Welk overleg ?

De geraadpleegde organen en sectoren (op basis van de beslissing van de Ministerraad) :

— De Nationale Arbeidsraad,

— Het Centrum voor de Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding,

— Het Centrum voor de Gelijkheid van vrouwen en mannen,

— De Raad voor Gelijke Kansen van mannen en vrouwen,

— De Hoge Raad voor personen met een handicap,

— Assuralia.

Deze organen hebben een schriftelijk advies ingediend (behalve de NAR, die het niet eens kon worden over een advies en er dus voor heeft gekozen zich niet uit te spreken); er werden tevens één of meerdere werkvergaderingen georganiseerd tussen het kabinet en de verslaggevers van de groep van experts en elk orgaan.

Andere organen die werden geraadpleegd (op eigen initiatief) :

— CBFA,

— De Fr en NL liga voor de mensenrechten,

— MRAX en het MinderhedenForum;

— de commissie voor de aanvullende pensioenen

Ten slotte hebben het kabinet en de experts op uitnodiging van het CGKR deelgenomen aan vergaderingen waar de Nederlandstalige en Franstalige verenigingen voor antiracisme en antidiscriminatie vertegenwoordigd waren.

Er werd urenlang overlegd en vergaderd. Het was een echt overleg, waarbij voldoende tijd voor uitwisseling werd uitgetrokken van juni tot september.

De meeste van deze organen en verenigingen hebben hun adviezen schriftelijk samengevat.

Hoewel de tijdsdruk waaronder we staan, het moeilijk maakt te lange hoorzittingen te houden, denkt de minister dat we volkomen gerust kunnen zijn wat betreft het informeren van de burgermaatschappij over deze wetsontwerpen en wat betreft het informeren van het parlement over de reacties erop.

Na advies van de Raad van State en het overleg

Dankzij het werk van vijf interkabinettenwerkgroepen kon de tekst worden aangepast aan het advies van de Raad van State en konden de wijzigingen worden ingediend die het resultaat waren van het gevoerde overleg.

De nieuwe delen werden voorgelegd aan de Raad van State.

De laatste opmerkingen van de Raad van State werden opgenomen in de voorliggende tekst.

Waarop hebben de experts zich gebaseerd bij hun werk ?

Eerste opdracht die werd gegeven aan de experts : het behoud van de verworvenheden

De voorgestelde hervorming rekent geenszins af met het verleden. Als de keuzes die aan de basis liggen van het huidige federale recht in de strijd tegen discriminatie, overeenkomen met de eisen van het communautair recht en het grondwettelijk recht en als ze passen in de doelstelling van de harmonisering die steeds wordt nagestreefd, worden ze behouden. Wat deze keuzes betreft : de voorgestelde hervorming respecteert de noodzaak van een standstill. De impact van deze noodzaak is vooral belangrijk bij de bepaling van het materiële en persoonlijke toepassingsgebied van de voorgestelde wetten.

Tweede opdracht : de harmonisatie

Ongeacht of het is op het vlak van de gebruikte begrippen, de verboden, het toepassingsgebied van deze verboden en de bepalingen die de efficiëntie ervan waarborgen, bevatten de bestaande wetten soms opmerkelijke en — moet het nog gezegd — onverklaarde verschillen.

In de voorgestelde hervorming werden deze verschillen weggewerkt voor zover de correcte uitvoering van de gemeenschapsrichtlijnen en de bekommernis inzake toepasbaarheid van de opgestelde wetten dit mogelijk maakte.

Deze poging tot harmonisatie en wegwerken van verschillen is ook juridisch noodzakelijk, en dit op grond van de grondwettelijke vereisten inzake gelijkheid en non-discriminatie. Het arrest 157/2004 van het Arbitragehof vereist respect voor het gelijkheidsbeginsel a priori tussen slachtoffers van discriminatie. Dat betekent niet dat de toepasselijke juridische stelsels in alle opzichten volledig identiek moeten zijn. De verschillen in behandeling die zouden kunnen bestaan tussen de verschillende juridische stelsels, moeten echter objectief en redelijk gerechtvaardigd kunnen worden.

Algemene voorstelling van de voorgestelde hervorming

1. Begrippenapparaat

Elk van de drie wetten wordt ingeleid door een geheel van identieke definities.

De definitie die wordt gegeven aan de termen « onderscheid » en « discriminatie », is op haar beurt ontleend aan het vocabularium van de gemeenschapsrichtlijnen : in de ingebrekestelling die ze tot België heeft gericht betreffende richtlijn 43/2000, heeft de Europese Commissie de wet van 25 februari 2003 overigens verweten een begrippenapparaat te hebben gebruikt dat, schijnbaar of daadwerkelijk, afwijkt van de gemeenschapsdefinities.

De ontlening aan het gemeenschapsvocabularium kenmerkt ook andere definities die worden gegeven door de drie wetten : dat is bijvoorbeeld het geval bij « intimidatie », de « wezenlijke beroepsvereisten », de « aanvullende regelingen voor sociale zekerheid », de « positieve actie », de « sociale voordelen » en de « redelijke aanpassingen » voor personen met een handicap.

2. Toepassingsgebied

2.1. « Personeel » toepassingsgebied : de lijst van de verboden discriminatiegronden

De « racismewet » bevat een gesloten lijst van verboden discriminatiegronden : nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming.

De « genderwet » bevat ook een gesloten lijst van verboden discriminatiegronden : geslacht (en vergelijkbare situaties).

Wat de « antidiscriminatiewet » betreft, beveelt de regering ook een gesloten lijst van verboden discriminatiecriteria aan. Een dergelijke keuze wordt verantwoord als volgt.

De wet van 25 februari 2003 (art. 2, § 1) had oorspronkelijk geopteerd voor een gesloten lijst, die taal en politieke overtuigingen uitsloot. Het Arbitragehof, dat op zijn beurt van oordeel was dat een dergelijke uitsluiting in strijd was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vernietigde de lijst. Het resultaat is een situatie waarbij, met uitzondering van wat overblijft van het oorspronkelijke strafrechtelijke luik, de wet van 25 februari 2003 op dit moment functioneert op basis van een totaal open lijst van verboden discriminatiegronden : bij gebrek aan een lijst breidt ze haar toepassingsgebied uit tot elke vorm van onderscheid in behandeling, ongeacht het gebruikte criterium.

Deze situatie is in verschillende opzichten onbevredigend.

Eerst omdat de wet geen uitdrukkelijke verwijzing meer bevat naar de verboden discriminatiegronden uit de Europese richtlijnen (ras, etnische afkomst, geloof of levensbeschouwing, geslacht, handicap, seksuele geaardheid). In de ingebrekestelling die ze tot België heeft gericht betreffende richtlijn 43/2000, was de Commissie van oordeel dat deze situatie de vereisten van transparantie en rechtszekerheid die door bovenvermelde richtlijnen worden opgelegd, miskende.

Vervolgens kwam het voor dat een « open voorbeeldlijst » zou leiden tot een onaanvaardbare rechtsonzekerheid. Er kan weliswaar worden aangevoerd dat de internationale instrumenten voor de bescherming van de rechten van de mens dit systeem van een open voorbeeldlijst aannemen. De « antidiscriminatiewet » heeft niettemin als doel ook van toepassing te zijn op de « horizontale » relaties tussen privépersonen. Op dit niveau dringt zich een hogere graad van rechtszekerheid op.

Het gesloten karakter van de lijst van verboden discriminatiecriteria is ook aanbevelenswaardig om alzo te vermijden dat de wet als grondslag zou kunnen dienen voor een eindeloos aantal rechtsvorderingen, zelfs om futiliteiten.

Tot slot kwam het voor dat een open voorbeeldlijst van discriminatiegronden de noodzakelijke coördinatie tussen het dispositief van de « antidiscriminatiewet » en de rest van de federale wetgeving nog delicater of zelfs volstrekt onmogelijk zou maken.

De regering is van oordeel dat de keuze voor een gesloten lijst op zichzelf niet zou leiden tot een nieuwe vernietiging vanwege het Arbitragehof.

Gelet op dit uitgangspunt heeft de regering besloten de lijst van criteria van de « anti-discriminatiewet » als volgt op te stellen.

Het principe van « behoud van het acquis », dat het hele hervormingsproces van de federale wetgeving stuurt, vereist dat de basis van de lijst van criteria wordt gevormd door de vroegere lijst van criteria in artikel 2, § 1 van de wet van 25 februari 2003 (dit wil zeggen, vóór de vernietiging ervan door het Arbitragehof). Uit deze lijst moeten de criteria worden geschrapt die in de toekomst het voorwerp zullen uitmaken van een andere wet, namelijk, enerzijds, « een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationaliteit en nationale of etnische afstamming », en, anderzijds, « geslacht ». Aan deze lijst moeten daarentegen de criteria taal en politieke overtuigingen worden toegevoegd, in naleving van het arrest 157/2004 van het Arbitragehof.

Door deze toevoegingen en weglatingen, kwam men tot een lijst met volgende criteria : seksuele geaardheid; politieke overtuigingen; taal; burgerlijke stand; geboorte; vermogen; leeftijd; geloof of levensbeschouwing; huidige of toekomstige gezondheidstoestand, handicap; fysieke eigenschap.

Indien men aanneemt dat de uitdrukkelijke vermelding in internationale instrumenten inzake mensenrechten het belang van een criterium onderstreept, moest de aldus samengestelde lijst nog verder worden uitgewerkt. Het gekozen model was het Handvest van de fundamentele rechten van de Europese Unie (art. II-81 van het verdrag tot oprichting van een Grondwet voor Europa), dat de meest recente uiting is van een Europese ethische consensus in de strijd tegen discriminatie. Om een zo strikt mogelijke symmetrie met dit model op te stellen, en daarbij de suggesties van de Raad van State te volgen, werden twee criteria weer toegevoegd : de genetische eigenschappen en de sociale afkomst.

Het enige criterium dat is opgenomen in voornoemd artikel II-81 en dat geen expliciet of impliciet equivalent heeft in de lijst in de « antidiscriminatiewet », is dus het behoren tot een nationale minderheid. In het recht van de Raad van Europa (Kaderverdrag over de bescherming van de nationale minderheden) worden meer bepaald beschouwd als « nationale minderheden » : de inwoners van de Duitstalige Gemeenschap van België, de Romazigeuners en de Joden. Wat de eerste groep betreft, rechtvaardigt het taalkundige aspect deze kwalificatie. Wat de tweede groep betreft, is het veeleer het etnische aspect; wat de derde groep betreft, is het veeleer het religieuze aspect. Het Europees Gemeenschapsrecht, en het Belgisch recht dat het tracht te weerspiegelen, vatten de taalkundige (soepele regeling), etnische (zeer strenge regeling) en religieuze (strenge regeling) discriminatie niet op dezelfde manier op. Bijgevolg zal het opnemen van « het behoren tot een nationale minderheid » als een volwaardige juridische categorie met een volwaardige en unieke regeling, leiden tot een « juridisch onbevredigend vergelijk ».

In het licht van alle voorgaande overwegingen is de regering van oordeel dat de keuze van de criteria die in de « antidiscriminatiewet » worden opgenomen, voldoende beantwoordt aan een « objectieve en redelijke rechtvaardiging », zodat deze niet als discriminerend zou worden beoordeeld door het Arbitragehof indien deze keuze voor het Arbitragehof zou worden betwist.

2.2. Materieel toepassingsgebied : de domeinen van de strijd tegen de discriminaties

De drie wetten hebben een perfect identiek materieel toepassingsgebied.

Het toepassingsgebied dat aan de drie wetten wordt toegekend, combineert dat van de wetten van 25 februari 2003 en 7 mei 1999, met toevoeging van de toepassingsgebieden van de gemeenschapsrichtlijn met het grootste toepassingsgebied ratione materiae, dit wil zeggen richtlijn 43/2000 — met uitzondering van de toepassingsgebieden van deze richtlijn die volledig buiten de bevoegdheden van de Federale Staat vallen, zoals bijvoorbeeld de beroepskeuzevoorlichting de beroepsopleiding, en het onderwijs.

Om een zo getrouw mogelijke omzetting te waarborgen, werd erop toegezien de terminologie zelf van het gemeenschapsrecht over te nemen. Hiervan worden definities gegeven in het inleidende hoofdstuk van de drie wetten.

Twee richtlijnen moeten de interpretatie sturen van de termen die aldus het toepassingsgebied van de drie wetten bepalen.

De eerste richtlijn, die het resultaat is van de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 25 februari 2003, en die uitdrukkelijk vermeld wordt in richtlijn 113/2004 (art. 3, § 1), is die van de uitsluiting van de « strikt persoonlijke aangelegenheden » uit het toepassingsgebied van de drie wetten. De begrippen die worden gebruikt door de drie wetten (« de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn », « de toegang, deelname en elke andere beoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit die toegankelijk is voor het publiek ») zinspelen op deze interpretatieve richtlijn.

De tweede richtlijn is die van de interpretatie conform de regels opgesteld door of krachtens de Grondwet om de respectieve bevoegdheden van de Federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten te bepalen. Het spreekt immers voor zich dat de drie wetten, en de gerechtelijke procedures die ze instellen, enkel van toepassing zullen kunnen zijn binnen het bevoegdheidsdomein van de Federale Staat. Geen enkele van deze drie wetten zal bijvoorbeeld van toepassing kunnen zijn inzake onderwijs, in de relaties tussen scholen en leerlingen. Vanuit dezelfde gedachtegang zullen de enige « goederen en diensten » die worden bedoeld in deze drie wetten, degene zijn die verband houden met de federale bevoegdheden (verzekering, consumentenkrediet, ...), en niet die welke verband houden met de regionale bevoegdheid (transport — onder voorbehoud van uitzonderingen —, enz.). Naar aanleiding van de opmerking die de Raad van State over dit punt heeft gemaakt, wordt deze richtlijn inzake interpretatie conform de bevoegdheidverdelende regels expliciet vermeld in de voorgelegde wetsontwerpen.

3. De verboden discriminaties

Volledig conform aan de gemeenschapsrichtlijnen, bevat elk van de drie wetten, onder de noemer « discriminatie », vier soorten gedragingen : directe discriminatie, indirecte discriminatie, intimidatie en opdracht tot discrimineren. In de « antidiscriminatiewet », en conform richtlijn 78/2000, wordt het ontbreken van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap vermeld als een bijzondere vorm van discriminatie ten nadele van deze personen.

Conform de bepalingen van de Europese richtlijnen worden positieve acties door de drie wetten toegestaan als uitzondering op het algemeen verbod op discriminatie. De definitie van dit concept is ontleend aan de richtlijnen zelf, waarbij ze natuurlijk parallel moeten worden geïnterpreteerd conform de rechtspraak van het Arbitragehof ter zake. Naar aanleiding van de opmerkingen die de Raad van State over dit punt heeft geformuleerd, werden de verworvenheden van deze rechtspraak uitdrukkelijk gecodificeerd door de voorgelegde ontwerpen.

4. De sancties

4.1. De doelstelling die moet worden bereikt : « doeltreffende, evenredige en afschrikkende » sancties.

Gebruik makend van een klassieke terminologie in het gemeenschapsrecht, bepaalt elke richtlijn dat de staten « doeltreffende, evenredige en afschrikkende » sancties moeten invoeren in geval van overtreding op de wetgeving die de omzetting ervan waarborgt.

In het verleden heeft de federale wetgever ervoor gekozen om deze resultaatsverbintenis na te komen via een combinatie van burgerlijke en strafrechtelijke sancties. De combinatie was echter niet in alle gevallen identiek. Deze « variabiliteit » van strafrechtelijke sancties stelt enkele problemen, waar we later op zullen terugkomen.

In lijn met de wet van 25 februari 2003 wordt voorgesteld de voorkeur te geven aan het burgerrechtelijk luik dat de mogelijkheid biedt om een staking van de discriminatie te bekomen als een schadevergoeding.

4.2. De burgerrechtelijke bepalingen

In het burgerrechtelijke hoofdstuk voeren de drie voorgestelde wetten een reeks volstrekt identieke bepalingen in.

1º Een bepaling tot nietigheid van strijdige bepalingen en van clausules waarin wordt afgezien van de bescherming van de betrokken wet.

2º Een bepaling tot bescherming tegen represailles in de arbeidsverhoudingen (opgelegd door de gemeenschapsrichtlijnen inzake « Europese » motieven van verboden discriminatie). Met het oog op de conformiteit met de Europese vereisten werd voorzien dat deze bepaling, die werkt op basis van een « weerlegbaar vermoeden van represailles » en gesanctioneerd wordt door het alternatief « herinschakeling/vergoeding », ook zou worden toegepast op éénzijdige wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden die niet gelijkstaan met een verbreking. Deze bepaling zou eveneens de personen kunnen beschermen die optreden als getuigen voor de aangegeven feiten.

3º Een beschermingsvoorziening tegen represailles buiten de arbeidsverhoudingen. Dit is een beschermingsbepaling zonder voorgaande in de Belgische wetgeving maar waarvan de invoering verplicht is geworden door de richtlijnen 43/2000 (art. 9) en 113/2004 (art. 10). Het voorgestelde systeem is eveneens gebaseerd op een « weerlegbaar vermoeden van represailles » en wordt bestraft met een — eventueel forfaitaire — vergoeding van het slachtoffer. De geboden bescherming, is ook van toepassing op personen die optreden als getuigen van de aangegeven feiten.

4º Een forfaitaire schadevergoeding. In bepaalde omstandigheden en als alternatief voor een vergoeding volgens « gemeen recht » bieden de drie voorgestelde wetten het slachtoffer de mogelijkheid een « forfaitaire » vergoeding te vragen.

In het huidige systeem, en in het licht van de gegevens uit de rechtspraak die reeds beschikbaar zijn, blijkt dat in sommige gevallen de toepassing van het gemeen recht van de contractuele en buitencontractuele civiele verantwoordelijkheid het slachtoffer niet de mogelijkheid biedt om daadwerkelijk een vergoeding te krijgen voor de schade die hij heeft geleden. Het vooruitzicht van een bevredigende schadevergoeding is zowel zwak als vaag. Één van de voorbeelden die het voorgaande voorstel kan illustreren is het volgende. Een persoon wordt de huur geweigerd van een woning om discriminerende redenen. Om de discriminatie die hij heeft ondergaan te laten vaststellen, dient hij een vordering tot staking in. Zelfs wanneer men veronderstelt dat de stakingsrechter het bestaan van de aangevoerde discriminatie vaststelt, is zijn macht beperkt. Hij zal de verhuurder niet kunnen verplichten de huurovereenkomst te sluiten : dit gaat in tegen het beginsel van de wilsautonomie. Hij zal a fortiori de nietigverklaring niet kunnen uitspreken van een huurovereenkomst die de eigenaar reeds zou hebben gesloten met een andere huurder. Ten slotte kan hij de eigenaar niet veroordelen tot een schadevergoeding van de benadeelde kandidaat-huurder : de wetgever van 25 februari 2003 is in dit opzicht van mening dat het probleem van de schadevergoeding niet kan worden toevertrouwd aan de rechtsmacht van de voorzitter, omdat het aangaan van debatten over de beoordeling van de schade niet verenigbaar is met de snelheid van de procedure « zoals in kortgeding ». Bijgevolg zal het slachtoffer een andere procedure moeten starten, ten gronde, om de vergoeding te bekomen van de schade die hij heeft geleden. Het is dan weinig waarschijnlijk dat hij aan het einde van een lange procedureslag een aanzienlijke schadevergoeding zal krijgen. Om morele schade te vergoeden, hebben de Belgische rechtbanken immers de neiging om het slachtoffer een symbolische euro te schenken, terwijl de materiële schade vaak moeilijk zal kunnen worden bewezen : het slachtoffer zal hoogstens -vergoeding kunnen vragen voor « het verlies van een kans ».

Hetzelfde voorbeeld zou kunnen worden aangehaald wanneer iemand, bijvoorbeeld, werk wordt geweigerd om discriminerende redenen.

De « forfaitarisering » van de schade zou met betrekking tot de situatie zoals hierboven beschreven, een dubbel voordeel bieden. Ze zou per definitie de debatten inkorten : niets zou dan nog beletten dat de stakingsrechter zelf de dader van de discriminatie veroordeelt tot de « geforfaitariseerde » schadeloosstelling. Daarnaast, zou een forfaitarisering het slachtoffer uitzicht bieden op een daadwerkelijke vergoeding in plaats de symbolische euro.

Er moet echter op worden gewezen dat als men ervoor zou kiezen het strafrechtelijk luik van de strijd tegen de discriminatie drastisch in te perken, de invoering van dergelijke forfaitaire schadeloosstelling noodzakelijk zou zijn opdat het Belgisch recht een « doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie » kan blijven aanbieden tegen discriminatie, zoals vereist door de gemeenschapsrichtlijnen.

In het systeem dat wordt voorgesteld zou de forfaitaire schadeloosstelling kunnen uitgesproken worden door :

— De stakingsrechter bij wie een discriminerende daad wordt aangegeven;

— De gewone rechtbank waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt door toepassing van het gemeen recht en waarvan een discriminerende daad wordt aangeklaagd;

— De rechtbank (gewone rechtbank of stakingsrechter) waarbij een daad van represaille buiten het domein van de werkgelegenheid wordt aangegeven.

Ten slotte moet erop gewezen worden dat het slachtoffer steeds vrij is de vergoeding na te streven van de schade die hij heeft geleden door toepassing van het gemeen recht van de contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid en niet door toepassing van de voorgestelde « forfaits ». Deze zijn geenszins dwingend voor het slachtoffer. Bovendien staat de forfaitaire schadeloosstelling slechts open voor één enkel slachtoffer en niet voor « belangengroepen » of « institutionele actoren ». (Centrum of Instituut) die gemachtigd zijn een inbreuk op één van de drie wetten aan te geven.

5º Een stakingsvordering. Elk van de drie wetten zal in een identieke stakingsvordering voorzien. Het model hiervan werd overgenomen van de stakingsvordering voorzien in de wet van 25 februari 2003, en verbeterd door de toevoeging van bepalingen voorzien in andere bijzondere wetten die voorzien in een stakingsvordering. De belangrijkste kenmerken van het voorgestelde systeem bestaan erin dat :

— De mogelijkheid die de stakingsrechter wordt geboden om de dader van de betwiste discriminatie te veroordelen tot een forfaitaire schadeloosstelling — maar alleen tot deze schadeloosstelling — die wordt ingevoerd door de drie wetten.

— De toekenning van een vorderingsrecht aan het openbaar ministerie, of het arbeidsauditoraat, om een stakingsvordering in te stellen.

— de invoering van een contempt of court misdrijf, waarbij het niet naleven van een stakingsbevel uitgesproken door de stakingsrechter strafbaar wordt gesteld.

Ten slotte bepalen de wetsontwerpen dat de klachten systematisch zullen worden overgemaakt aan het openbaar ministerie en dat dit ook systematisch zitting moet hebben bij alle procedures ten gronde, zoals in geval van staking.

Bovendien machtigen de wetsontwerpen het openbaar ministerie om zelf in rechte op te treden bij de burgerlijke rechtbanken, Arbeidshoven of Rechtbanken van Koophandel.

Deze specifieke mechanismen die de regering wil inbouwen, moeten ertoe leiden dat de samenleving tijdens de procedures aanwezig is en haar waarden en belangen verdedigt aan de zijde van de slachtoffers.

4.3. De strafrechtelijke bepalingen

4.3.1. De definitie van de daden van discriminatie die bestraft worden

Het strafrechtelijk hoofdstuk van de drie wetten bevat een inleidende bepaling die een toelichting geeft bij de betekenis die de term « discriminatie » zal krijgen in het kader van dat hoofdstuk. In dit opzicht wordt bepaald dat de « discriminatie » met name zal kunnen verwijzen naar « indirecte discriminatie ». Hier is een woordje uitleg op zijn plaats.

In zijn arrest van 6 oktober 2004 had het Arbitragehof immers duidelijk aangegeven dat alleen de strafrechtelijke bestraffing van opzettelijke discriminatie kon worden toegelaten. Het concludeerde dat de strafrechtelijke sanctionering van indirecte discriminatie niet was toegestaan.

In haar advies dat ze op 11 juli 2006 heeft uitgebracht over deze wetsontwerpen, heeft de Afdeling Wetgeving van de Raad van State substantieel identieke kritiek geuit.

De regering deelt zonder voorbehoud het uitgangspunt waarop de redenering van het Arbitragehof en van de Raad van State is gebaseerd : alleen opzettelijke discriminatie kan in aanmerking komen in het kader van het strafrechtelijk hoofdstuk van de drie wetten. De drie wetsontwerpen bepalen dit dan ook uitdrukkelijk.

De regering is het echter niet eens met de conclusie dat indirecte discriminatie nooit opzettelijk kan zijn. Op een bepaalde manier werd het Arbitragehof op een dwaalspoor gebracht door de slechte definitie die de wet van 25 februari 2003 geeft aan indirecte discriminatie. Volgens de Europese richtlijnen beoogt de indirecte discriminatie immers niet « een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze die als dusdanig een schadelijke weerslag heeft (...) » (definitie van artikel 2, § 2, van de wet van 25 februari 2003), maar wel « een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze die (...) bijzonder kan benadelen ». Met deze Europese definitie (die is overgenomen in de drie voorgestelde wetten) die indirecte discriminatie meet aan een resultaat dat zich daadwerkelijk voordoet of waarvan men denkt dat het zich waarschijnlijk zal voordoen in functie van de gewone ervaring, wordt het perfect denkbaar dat een indirecte discriminatie « anticipeerbaar » is en dus « opzettelijk » wordt begaan door de dader. De eerste zaken waarin het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen te maken kreeg met indirecte discriminatie tussen mannen en vrouwen waren trouwens zaken waarin de dader van de betwiste maatregelen het verbod op directe discriminatie tussen mannen en vrouwen dat wordt bepaald door het gemeenschapsrecht met voorbedachte rade trachtte te omzeilen.

De voorafgaande opmerkingen hebben niet tot doel te beweren dat de indirecte discriminatie en het aanzetten hiertoe steeds en noodzakelijkerwijs opzettelijk zijn en bijgevolg strafrechtelijk kunnen worden bestraft. Ze leggen gewoon de nadruk op het feit dat een indirecte discriminatie en het aanzetten hiertoe opzettelijk kunnen zijn : het zal de taak van de strafrechter zijn dit geval per geval te beoordelen. Kan men betwisten dat wie eigenaars ertoe aanzet hun woningen niet te verhuren aan personen die in Afrika geboren zijn, wel degelijk weet dat hij aanzet tot een gedrag dat vooral de personen met een donkere huidskleur zal benadelen ?

3.2. De identificatie van gedragingen die strafrechtelijk worden bestraft

Het Arbitragehof heeft in zijn arrest 157/2004, geveld op 6 oktober 2004, weliswaar gesteld dat « wanneer de wetgever kiest voor de strafrechtelijke weg, het tot zijn beoordelingsbevoegdheid behoort vast te stellen welk gedrag een strafrechtelijke sanctie verdient » (B. 19). Het Arbitragehof zou zo blijk kunnen geven van een zekere tolerantie tegenover de verschillen in de strafrechtelijke bepalingen van de wetten in de strijd tegen de discriminatie.

De gekozen optie bestaat erin alle strafrechtelijke bepalingen over te nemen in een versie die essentieel gebaseerd zou zijn op de keuzes van de wetgever bij de goedkeuring van de wet van 25 februari 2003, met uitzondering van het voorontwerp « ras ». In dit domein kan de regering immers instemmen met het in de Kamer ingediende amendement om de huidige bepalingen van de zogenaamde wet-« Moureaux », die de discriminaties op basis van het ras in het domein van de werkgelegenheid en van de toegang tot de goederen en diensten als strafbaar beschouwt, te behouden. En dit, zoals de verantwoording van het amendement aangeeft, omwille van de negatieve betekenis die de afschaffing van deze inbreuken in de Belgische samenleving zou hebben.

Bovendien, rekening houdend met de internationale verplichtingen van België inzake rassendiscriminatie en meer bepaald met de Internationale Conventie inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, goedgekeurd door de algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 21 december 1965, die België verplicht om bepaalde gedragingen te bestraffen, moet de racismewet, naast deze bepaling, mimimaal strafrechtelijk sanctioneren « het verspreiden, op welke wijze ook, van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat » en « organisaties, alsook georganiseerde en alle andere propaganda-activiteiten die rassendiscriminatie in de hand werken en daartoe aanzetten, en deelneming aan zodanige organisaties of activiteiten. »

In artikel 4 staat immers dat de Staten zich ertoe verbinden :

« a) strafbaar bij de wet te verklaren het verspreiden, op welke wijze ook, van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, aanzetting tot rassendiscriminatie, zomede alle daden van geweld of aanzetting daartoe, die zijn gericht tegen een ras of een groep personen van een andere huidskleur of etnische afstamming, alsook het verlenen van steun aan tegen bepaalde rassen gerichte activiteiten, waaronder begrepen de financiering daarvan;

b) organisaties, alsook georganiseerde en alle andere propaganda-activiteiten die rassendiscriminatie in de hand werken en daartoe aanzetten, onwettig te verklaren en te verbieden, en deelneming aan zodanige organisaties of activiteiten als strafbaar bij de wet aan te merken;

c) niet toe te staan dat overheidsorganen of overheidsinstellingen, hetzij op nationaal, hetzij op plaatselijk niveau, rassendiscriminatie bevorderen of daartoe aanzetten. »

5. De bewijslast

Conform de eisen van de gemeenschapsrichtlijnen (richtlijn 43/2000, art 8; richtlijn 78/2000, art. 10 ...), bevat elk van de drie wetten een identiek hoofdstuk betreffende « de omkering van de bewijslast ». In feite gaat het hier eerder om « een verdeling van de bewijslast ». De eiser zal feiten of ander bewijsmateriaal moeten aanreiken die kunnen leiden tot een vermoeden van discriminatie (prima facie case); de verweerder moet dit vermoeden omkeren.

Zoals vermeld in de voorgestelde wetteksten is het bedoeling dat deze verdeling van de bewijslast wordt toegepast op elke gerechtelijke procedure tot uitvoering van deze wetten — met inbegrip van de gewone procedures die worden gevoerd voor de burgerlijke rechtbanken en de procedures die worden gevoerd voor de Raad van State —, maar met uitzondering van de strafrechtelijke procedures.

De feiten en de andere bewijselementen die kunnen leiden tot een vermoeden van discriminatie kunnen van elke aard zijn

Op dit punt zijn de ontwerpen in de Kamer geamendeerd om het beginsel van de omkering van de bewijslast meer algemeen te verduidelijken dan is gebeurd in de bepaling van de wet van 2003. Het doel is te verduidelijken op basis van welke elementen de rechter het bestaan van een discriminatie kan vermoeden, waardoor de bewijslast ten laste van de verweerder wordt gelegd. Deze elementen en methodes zijn geïnspireerd door de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap en door de nationale jurisprudentie. De minister verwijst naar de uitgebreide commentaren en toelichtingen die door een deskundige en door hemzelf zijn verstrekt en naar ons antwoord op de opmerkingen van de Raad van State.

6. Het collectieve actierecht

De gemeenschapsrichtlijnen leggen de erkenning op van het collectieve actierecht ten voordele van « verenigingen, organisaties en rechtspersonen » (zie bv art. 9 van richtlijn 78/2000). Deze groepen werden belangenverenigingen genoemd en de verenigingen waarvan dit actierecht is erkend door de drie wetten zijn dezelfde als degene die de gecombineerde bepalingen van de wetten van 25 februari 2003 en van 7 mei 1999 beogen.

De regering heeft de « bestaanstermijn » aangepast die wordt geëist voor belangenverenigingen opdat het actierecht voor het collectief belang erkend wordt. Een termijn van drie jaar (in plaats van vijf zoals nu geëist door de wet van 25 februari 2003, de wet van 7 mei 1999 en de wet van 30 juli 1981) werd in aanmerking genomen.

7. De institutionele actoren van de strijd tegen de discriminatie

In het kader van de « racismewet » zal het Centrum voor de Gelijkheid van Kansen worden aangewezen als institutionele actor om de gelijke behandeling te bevorderen. Dit is ook de huidige situatie. De organieke Wet van het Centrum wordt dienovereenkomstig aangepast.

In het kader van de « genderwet » zal het Instituut voor de Gelijkheid van mannen en vrouwen worden aangewezen als institutionele actor om de gelijke behandeling te bevorderen, met inbegrip van rechtszaken. Dit is ook de huidige situatie. De organieke Wet van het Instituut wordt dienovereenkomstig aangepast.

In het kader van de « anti-discriminatiewet » zal het Centrum voor de Gelijkheid van Kansen als institutionele actor worden aangewezen om de gelijke behandeling te bevorderen, met inbegrip van rechtszaken. Eens te meer heeft het wetsontwerp de bestaande toestand op dit punt « bevestigd ».

De bevoegdheid inzake discriminatie op basis van de taal die verboden wordt door de « anti-discriminatiewet », wordt toevertrouwd aan een gespecialiseerde openbare instelling. Vanwege het ingewikkelde juridische stelsel inzake taalgebruik en de institutionele structuur van onze Staat, is het noodzakelijk dat een instelling die is gespecialiseerd in het bestaande rechtsstelsel inzake taalgebruik en de institutionele organisatie van onze Staat, belast wordt met deze bevoegdheid.

Dit is de draagwijdte van het voorliggende ontwerp.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Mahoux stelt vast dat de regering ervoor heeft gekozen om discriminatie op basis van geslacht in een afzonderlijke wet te behandelen (stuk Senaat, nr. 3-2363) terwijl de wetgever in 2003 oordeelde dat discriminatie op grond van geslacht niet moest worden beschouwd als een vorm van discriminatie die verschilde van al de andere.

Spreker vraagt verduidelijkingen omtrent de strafrechtelijke en burgerrechterlijk aanpak van discriminatie. Hij stelt vast dat het aanzetten tot discriminatie en discriminatie door een ambtenaar strafrechtelijk worden aangepakt.

Hij wil ook meer uitleg over de vooruitgang die is geboekt in verband met de praktijktest.

De heer Mahoux verheugt zich er overigens over dat discriminatie op basis van een zogenaamd ras een strafrechtelijk misdrijf blijft.

Ten slotte stelt spreker vast dat de gedeeltelijke vernietiging door het Arbitragehof van wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie deze wet niet helemaal van zijn uitwerking heeft beroofd. Er zijn een aantal rechterlijke uitspraken gedaan op basis van deze tekst. De heer Mahoux is het niet eens met de bewering dat antidiscriminatiewetten van zuiver symbolische aard zijn en dat de rechtbanken er niet mee geconfronteerd worden. Het probleem is niet dat de teksten niet toepasbaar zijn maar dat de parketten niet willen vervolgen. Deze niet-toepassing van de wet door de rechtbanken moet worden aangeklaagd veeleer dan te beweren dat de teksten toepasbaar moeten worden gemaakt.

Mevrouw Nyssens geeft toe dat er inspanningen zijn gedaan om de vier voorliggende ontwerpen te verbeteren en te coördineren. Haar fractie steunt de doelstellingen van deze fundamentele teksten al zijn ze in de praktijk niet altijd makkelijk toepasbaar.

Spreekster stelt vast dat in de ontwerpen soms andere keuzen worden gemaakt dan in de Europese richtlijnen die ze moeten omzetten. Op welke punten vormen de teksten geen getrouwe omzetting van de richtlijnen ? Loopt België niet het risico om opnieuw te worden veroordeeld door de Europese Commissie ? Zullen deze teksten de communautaire controle doorstaan ?

Mevrouw Nyssens vraagt meer uitleg over de begrippen « onderscheid » en « discriminatie ». Zal men in de praktijk het onderscheid tussen beide begrippen kunnen maken ? In vele sectoren worden onderscheiden gemaakt, bijvoorbeeld op basis van de leeftijd. Zij denkt met name aan de verzekeringssector. Zijn dergelijke onderscheiden rechtmatig ?

Anderzijds wordt bepaald dat de Koning een orgaan zal oprichten voor onderscheid op basis van de taal. Zal dit contentieux aan een bestaand orgaan worden opgedragen of zal hiertoe een nieuw orgaan worden opgericht ?

De praktijktesten zullen niet meer bij koninklijk besluit worden geregeld omdat dit in het verleden te ingewikkeld is gebleken. Er wordt nu voorgesteld dat de gediscrimineerde partij de magistraat elementen kan voordragen die leiden tot de omkering van de bewijslast. Wijzigt de tekst iets aan de manier waarop de zaken momenteel voor de rechtscolleges verlopen ?

Mevrouw Talhaoui verheugt zich over het feit dat voorliggende wetsontwerpen, na een lange discussie in de Kamer van volksvertegenwoordigers, eindelijk in de Senaat ter bespreking voorliggen. De fractie van spreekster kan de wetsontwerpen volledig steunen.

Heel wat verslagen, nationaal en internationaal, bijvoorbeeld van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding en het Instituut voor Gelijkheid van man en vrouw, tonen alle aan dat er nog heel wat werk aan de winkel is op het vlak van de bestrijding van racisme en discriminatie. Het is onontbeerlijk een voortdurende evaluatie te maken van de geleverde inspanning op dat vlak. Permanente alertheid is geboden. De voorliggende wetsontwerpen hebben reeds voor heel wat discussie gezorgd over de al dan niet strafbaarstelling van racisme, xenofobie en antisemitisme. Spreekster en haar fractie zijn verheugd over het feit dat de oorspronkelijke gedachte van de wet van 1981 werd behouden. Antiracisme neemt een speciale plaats in binnen de antidiscriminatie, ook op internationaal vlak, en vormt een signaal van alertheid in elke samenleving, in het bijzonder in de hedendaagse interculturele samenleving.

Sinds 1981 tot begin 2000 bleek dat er niet veel werk werd verricht op het vlak van de penalisering van racisme, en dit enkel en alleen omdat de parketten en de instanties die op de naleving van de wetgeving dienden toe te zien, niet beschikten over het nodige arsenaal daartoe.

De laatste jaren stelt men echter vast dat er op de parketten, bijvoorbeeld te Antwerpen, wel gevoeligheid is ontstaan om de wet van 1981 toe te passen.

Spreekster verheugt zich over het feit dat het penaal systeem en het civiele systeem in voorliggende coherente wetgeving blijven voortbestaan.

Het is duidelijk dat een grotere coherentie nodig was, bijvoorbeeld door de arresten van het Arbitragehof en door de Europese wetgeving ter zake.

Wat de gelijkheid van man en vrouw betreft, blijft er nog heel wat te doen. Zo is er nog een grote inhaalbeweging nodig op het vlak van gelijkheid op de werkvloer en gelijkheid van loon.

Ook het debat over de praktijktesten en de referentiepersonen dient te worden gevoerd en spreekster verwacht hierover nadere toelichting van de minister, met name over de toepassing hiervan in de praktijk. De bedoeling is een mentaliteitswijziging in de samenleving teweeg te brengen, niet het minst in het bedrijfsleven. Elkeen die leeft op het Belgisch grondgebied, wat ook zijn godsdienst of origine moge zijn, moet gelijke kansen hebben, ook op het vlak van werkgelegenheid.

De heer Ceder merkt op dat het arrest van het Arbitragehof dateert van 2004. Twee weken voor het ontbinden van het parlement wordt gevraagd om nog snel deze wet goed te keuren.

De minister geeft toe dat zijn comité van experten vijftien maanden aan dit ontwerp heeft gewerkt. De Senaat, de instelling door de Grondwet en de burgers aangewezen om wetten te maken, krijgt nu nog geen vijftien dagen om deze zeer belangrijke wetten goed te keuren. Het gaat hier niet over een simpele verbetering van een bestaande wet. Het gaat over drie gloednieuwe wetten, met eigen structuur, begrippenarsenaal en logica, namelijk een nieuwe antiracismewet, een nieuwe antidiscriminatiewet en een nieuwe genderwet, het geheel aangevuld met een bicameraal wetsontwerp om de andere wetten technisch mogelijk te maken en toe te passen.

Dit moet er nu snel, snel door. Wat is er zo dringend, dat niet zou toelaten dat het nieuwe parlement, dat op 10 juni zal worden gekozen, deze ontwerpen op rustige en grondige wijze te bestuderen en te behandelen ?

Wij mogen niet vergeten dat de vorige racismewet bijzonder slecht in elkaar zat. De vorige antidiscriminatiewet was zo mogelijk nog slechter opgevat en geredigeerd, zodanig zelfs dat het Arbitragehof er meer inhoudelijke bepalingen heeft uit vernietigd dan er zijn overgebleven. De verwijzingen naar indirecte discriminatie, het verbod op verspreiding van discriminatoire geschriften, het schrappen van de lijst der beschermde criteria, enz. Uiteindelijk bleef wat door iedereen beschouwd werd als een onwerkzame wet over. Gelukkig. De enigen die er ooit last van kregen was het bejaarde koppeltje dat, verkerend in de gelukzalige onwetendheid over deze wet, plots hun foto en naam in de kranten zagen verschijnen omdat zij hun appartementje liever niet verhuurden aan een homo-koppel.

Gaan we vandaag opnieuw dezelfde fouten maken en op een drafje deze trouwens niet zo eenvoudige strafwetten, die trouwens ernstige beperkingen aan het politieke debat en het recht op vrije meningsuiting inhouden, goedkeuren met alle juridische en inhoudelijke fouten die er instaan ? En er staan fouten en gebreken in. Het kan ook niet anders. Het is altijd zo bij ideologische wetten, waarvan de inhoud meer gedreven wordt door ideologische gelijkhalerij dan door de wil om correcte wetten uit te vaardigen.

Bij zijn tussenkomst in de plenaire vergadering bij de vorige discriminatiewet kondigde spreker aan dat zijn fractie tegen de wet zou stemmen, maar aan de andere kant ook niet ontevreden was met de goedkeuring, omdat het al duidelijk was dat de wet zo slecht was dat ze niet kon standhouden voor arbitrage. Beter een inhoudelijk slechte wet die ook formeel slecht is dan een inhoudelijke slechte wet die formeel, juridisch-technisch goed in elkaar steekt.

Samen met een paar partijgenoten heeft de heer Ceder zich tot het Arbitragehof gewend, met het gekende resultaat. Hij vraagt zich af of de regering hem dat plezier opnieuw wil gunnen. Want deze wetten lijken niet veel beter in elkaar te zitten.

Het begint al bij artikel 2, waar de regering totaal tekort schiet in haar motiveringsplicht voor strafwetten en beperkingen op de vrije meningsuiting door de verwijzen naar een Europese richtlijn van het VN-verdrag, waar er nochtans heel wat minder verboden of strafbaar wordt gesteld dan in dit ontwerp (en de andere ontwerpen). Het meest opvallende voorbeeld is het verboden onderscheid op grond van nationaliteit, staatsburgerschap, dat door beide internationale akten expliciet wordt uitgesloten. Het is geen onschuldige toevoeging want het politieke debat wordt vaak gevoerd in verband met dit soort onderscheiden, bijvoorbeeld wat betreft het stemrecht, de toegang tot het leger of openbaar ambt, enz.

In artikel 4 en een aantal andere artikelen poogt men amechtig het begrip indirecte discriminatie weer in te voeren, waar dit al door het Arbitragehof werd afgekeurd. Van de nieuwe definitie van « indirecte discriminatie » zegt de Raad van State dat ze in feite nog erger en onaanvaardbaarder is dan de vorige.

In artikel 20 wordt het aanzetten tot bepaalde gedragingen strafbaar gesteld terwijl de gedragingen zelf niet strafbaar zijn, zelfs niet burgerrechtelijk verboden zijn.

In artikel 21 wordt een bepaling ingevoerd waarvan de discriminatiespecialist Vrielink stelt dat ze revolutionair is in de zin dat ze direct het verspreiden van ideeën strafbaar stelt.

In artikel 22 wordt met « copy and paste » een oude en erg gebrekkige bepaling van de oude racismewet weer opgevist, met begrippen en terminologie die niet afgestemd zijn op dit nieuwe ontwerp.

Spreker zal bij de bespreking van amendementen telkens wijzen op de gebreken.

Net als bij de vorige wet zal het resultaat voorspelbaar zijn. Tegen alle regels van redelijkheid en zorgvuldigheid moeten deze zeer politieke en ideologische wetten er nog snel door vóór de verkiezingen. Het resultaat is dat deze wetten later weer ontmand zullen moeten worden door het Arbitragehof en binnen een paar jaar (liefst weer net voor het einde van de zittingsperiode) zitten we hier weer. Tenminste, sommige van ons zullen hier opnieuw zitten.

Spreker stelt dan ook voor dat deze voorstellen van onze agenda worden geschrapt en dat we het aan het nieuwe parlement overlaten om deze zaken rustig te bestuderen; er begint al wat interessante litteratuur los te komen over deze ontwerpen, hoorzittingen te organiseren en wat er nog aan te pas moet komen, om deze toch zeer verstrekkende beperkingen op de handelings- en meningsvrijheid van onze burgers correct te bestuderen en te behandelen.

De heer Chevalier verklaart dat de VLD-fractie voorliggende wetsontwerpen zal steunen. Spreker kan niet instemmen met de kritiek als zouden deze teksten op een drafje zijn afgewerkt, aangezien de minister meer dan 15 maanden aan deze teksten heeft gewerkt. Men kan dus moeilijk zeggen dat men hier te maken heeft met een ondoordachte tekst.

Een wetgevend kader dat discriminatie sanctioneert is absoluut noodzakelijk. Wel mag men niet te ver gaan in het beoordelen van opinies en gedachten. Aldus staat spreker, als jurist en liberaal, bijvoorbeeld huiverig tegenover bepalingen die de bewijslast omkeren. De persoon van wie vermoed wordt dat hij een bepaald misdrijf heeft gepleegd, moet dan bewijzen dat hij het niet heeft gedaan. Spreker vindt dit een onrustwekkende evolutie. Spreker betreurt dat het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht geen voortgang kent in de Kamer van volksvertegenwoordigers, aangezien dit een tegenwicht zou kunnen vormen voor allerlei misbruiken. De rechten van verdediging worden hierdoor immers beter gewaarborgd.

Spreker meent dat België aan de rand staat van de politiestaat, met minder respect voor de rechten van de mens en de rechten van de verdediging. Dit werd trouwens benadrukt door een van de magistraten tijdens de ontmoeting met de hoge magistratuur. Het is een dagelijkse taak voor de magistratuur de jonge magistraten te wijzen op dat gevaar.

Spreker herhaalt dat zijn fractie de voorliggende tekst zal steunen, in de hoop dat deze zo weinig mogelijk dient te worden toegepast. Spreker hoopt dat de wet een voldoende afschrikwekkend karakter zal hebben voor de personen die geneigd zijn te discrimineren.

Het verheugt mevrouw Durant dat deze teksten zijn ingediend en zij wenst dat zij zo snel mogelijk van toepassing worden.

Volgens haar had het ontwerp tot bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen, een snellere reactie mogelijk gemaakt tegen de verklaringen door een bedienaar van de eredienst over homoseksuelen en lesbiennes. Zij betreurt echter dat het begrip « seksisme » nergens in de discriminatiecriteria voorkomt. Dat had discriminatie jegens vrouwen veel makkelijker identificeerbaar kunnen maken.

Mevrouw Talhaoui wenst te benadrukken dat racisme geen opinie is, maar wel een misdrijf. Zij verwijst naar de Angelsaksische literatuur ter zake. Alertheid voor racisme is permanent nodig.

De heer Ceder verwijst naar de artikelen 1 en 2 van het wetsontwerp 3-2362 waarin wordt verwezen naar de internationale bepalingen, terwijl in artikel 4, 4º, bij de beschermde criteria ook de nationaliteit, dus het feit al dan niet onderhorig te zijn van de Belgische staat, wordt vernoemd. Dit is merkwaardig, aangezien dit criterium reeds in de oude racismewet werd geschrapt. Bovendien wordt dit criterium niet opgelegd door de internationale verdragen.

Mevrouw de T' Serclaes steunt deze ontwerpen aangezien zij ertoe strekken de verschillende anti-racisme- en antidiscriminatiewetten die sedert 1981 werden goedgekeurd, te herstructureren. Zij stelt vast dat de keuze die de regering maakt, gelijk geeft aan degenen die bij de bespreking van de wet van 1993, volhielden dat de discriminatie mannen/vrouwen uit de algemene lijst met discriminaties moest worden gehaald omdat de discriminatie vrouwen/mannen van fundamenteel belang is. Zij is blij dat een aparte wettekst aan deze problematiek wordt gewijd omdat hierdoor het fundamentele belang van deze discriminatie wordt benadrukt.

Spreekster betwijfelt echter of burgers nog het soms subtiele onderscheid zullen kunnen maken tussen begrippen als « direct onderscheid », « directe discriminatie », « indirect onderscheid » en « indirecte discriminatie ». Ook het verschil tussen het begrip « intimidatie » en « seksuele intimidatie » is een subtiel onderscheid dat voor niet-juristen moeilijk te maken is. Zij betwijfelt of het wel nuttig is dergelijke nuances te gebruiken.

Mevrouw de T' Serclaes heeft ook vragen bij de gevolgen van de wetsontwerpen op de verzekeringspremies voor vrouwen.

Antwoorden van de minister

De minister deelt de vreugde die een aantal leden hebben geuit over deze teksten. Hij benadrukt dat een wetgevend arsenaal nodig is om discriminatie te bestrijden. Het overtreden van anti-discriminatiewetten mag niet worden gebanaliseerd. Als deze zaken onbestraft blijven, is dat schadelijk voor de sociale samenhang.

Spreker wijst erop dat de aanpassingen aan de wetten inzake discriminatie ook nodig zijn vanwege externe factoren. De ontwerpen strekken ertoe zo goed mogelijk de Europese richtlijnen toe te passen, daarbij rekening houdend met onze grondrechten en het arrest van het Arbitragehof.

Aan de voorgestelde wijzigingen is lang gewerkt. Er is heel wat overleg aan voorafgegaan (Nationale Arbeidsraad, verzekeringssector, enz.) evenals een breed publiek debat. De Raad van State heeft tot twee keer toe een advies gegeven over de ontwerpen, die deels zijn aangepast aan de gemaakte opmerkingen.

De voorgestelde hervorming draait rond drie assen, die overeenstemmen met drie specifieke stelsels georganiseerd door de richtlijnen.

Volgens de minister zijn de huidige wetten toepasbaar in de praktijk, maar zijn de sancties slechts symbolisch, wat frustrerend is voor de slachtoffers. De regering heeft dan ook de sancties minder symbolisch willen maken.

Inzake de praktijktesten en de bewijslast, herhaalt de minister dat de Europese richtlijnen een stelsel opleggen waarbij de bewijslast in burgerlijke zaken wordt omgekeerd. Deze omkering wordt opgelegd aan de nationale overheden, dus de regering en de rechters. De minister vindt het juister om te spreken over gedeelde bewijslast. De ontwerpen bepalen over deze gedeelde bewijslast een procedure in drie stappen :

— een partij die meent gediscrimineerd te worden haalt één of meer feiten aan voor de rechter.

— de rechter beoordeelt of het feit of de feiten relevant zijn. Het is een open systeem, gebaseerd op de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.

— vervolgens wendt de rechter zich tot de vermeende dader van de discriminatie om te vragen of hij een legitiem doel had, een objectieve reden om het verschil in behandeling te rechtvaardigen.

Het verheugt de minister eveneens dat daden van racisme worden gestraft omdat dit een duidelijk symbolische draagwijdte heeft.

Over het verschil tussen het begrip « discriminatie » en het begrip « onderscheid », antwoordt de minister dat discriminatie in de regel een onderscheid is dat niet wordt gerechtvaardigd volgens de bepalingen in de voorliggende ontwerpen.

Een werknemer die een persoon in dienst neemt omdat hij beschikt over een specifiek diploma, in tegenstelling tot een andere kandidaat die wordt geweigerd, maakt volgens spreker een wettig onderscheid.

De minister antwoordt verder dat de ontwerpen niets veranderen aan de huidige situatie inzake verzekeringen. Tegen eind 2007 zal België echter wel een lijst met onderscheiden moeten opstellen die zij gerechtvaardigd en aanvaardbaar vindt. De minister bevoegd voor de verzekeringen zal deze lijst moeten opstellen. Hij zal, in overleg met de sector, moeten bepalen welke vormen van segmentatie aanvaardbaar zijn.

De heer Mahoux wijst erop dat de menselijke soort geen rassen kent. Het is dan ook essentieel dat ontwerp nr. 3-2362 betrekking heeft op onderscheid gebaseerd op een zogenaamd ras.

Inzake de verzekeringen wijst spreker er bovendien op dat de segmentatie van de gezondheidsverzekering ertoe kan leiden dat verzekeraars de risico's zullen selecteren om moduleerbare premies te kunnen toepassen. Dat is echter niet neutraal, en kan gevolgen hebben voor de toegankelijkheid tot de gezondheidsverzekering voor personen die grotere risico's lopen.

De heer Ceder verwijst naar zijn vraag betreffende artikel 4, 4º van het wetsontwerp 3-2362. Waarom wordt het criterium nationaliteit hier opgenomen ?

De minister wijst erop dat een van de doelstellingen van deze hervorming is ervoor te zorgen dat de verenigbaarheid van het Belgisch recht met het gemeenschapsrecht, die nu nog niet bestaat, wordt gewaarborgd. België is daarvoor trouwens in gebreke gesteld door de Europese Commissie in februari 2006 en in maart 2007.

Spreker is ervan overtuigd dat de hervorming het Belgisch recht in overeenstemming brengt met het Europees recht. Het Europees recht behelst weliswaar slechts zeven discriminatiecriteria. De hervorming gaat verder en erkent meer criteria. Het gemeenschapsrecht wordt hierdoor echter geen geweld aangedaan, aangezien de hervorming meer omvat dan door het Europees recht wordt opgelegd.

Het materiële toepassingsgebied van de hervorming is ook breder dan wat door het gemeenschapsrecht wordt opgelegd. Andere Belgische wetgevers zullen echter ook de nodige wijzigingen moeten aanbrengen binnen hun bevoegdheidsdomein, willen de richtlijnen volledig uitvoering vinden.

Naast wat door het gemeenschapsrecht is opgelegd, is er niets wat België belet om de wetgeving naar andere situaties uit te breiden. Deze uitbreiding is noodzakelijk, omdat er eveneens rekening moet worden gehouden met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie die een obstakel zouden kunnen vormen voor het invoeren van een wetgeving die uitsluitend op Europese leest is geschoeid, maar die een hele reeks mensen in gelijkaardige situaties zonder bescherming zou laten. De eenvormigheid wordt onder andere gegarandeerd door het verschil tussen de begrippen « onderscheid » en « discriminatie ».

Wat betreft het verschil tussen onderscheid en discriminatie, antwoordt de minister dat onderscheid een neutraal begrip is. Als het onderscheid niet kan worden gerechtvaardigd, vormt het een discriminatie. Dit zijn elementaire begrippen in de toepassing van de antidiscriminatiewetgeving. Elke rechter moet dit verschil maken en het is aangewezen dat het verschil ook uitdrukkelijk in de wetgeving wordt opgenomen. Een van de voornaamste problemen met de huidige wetgeving is juist dat deze te vaag is en daardoor moeilijk kan worden toegepast. Bovendien heeft deze technische verbetering een grote pedagogische waarde.

Verder dient het systeem van de Belgische klassieke benadering dat heeft geleid tot het concept van de objectieve en redelijke rechtvaardiging en tot de in 2003 gemaakte keuzes, met name om het toepassingsgebied van de Belgische antidiscriminatiewet uit te breiden ten aanzien van de Europese regelgeving en om andere criteria te bepalen, te worden verzoend met de Europese vereiste dat onderscheid binnen bepaalde duidelijk afgebakende toepassingsgebieden en voor bepaalde criteria, automatisch discriminatie oplevert. Om de gemeenschapsrechtelijke vereiste te verzoenen met de Belgische benadering van het gelijkheidsbeginsel was het nodig beide concepten in de wet op te nemen.

Wat de indirecte discriminatie betreft, wijst spreker erop dat dit begrip noodzakelijk in de wet dient te worden opgenomen aangezien dit wordt vereist door het Europees recht. Verder heeft het Arbitragehof nooit het begrip indirecte discriminatie verworpen. Het staat trouwens ook uitdrukkelijk in de huidige discriminatiewet. Ten slotte stipt spreker aan dat de indirecte discriminatie zowel opzettelijk als onopzettelijk kan zijn. Zij is opzettelijk wanneer iemand bewust een neutraal criterium gaat gebruiken om een verbod op directe discriminatie te omzeilen. Opzettelijke indirecte discriminatie wordt ook uitdrukkelijk erkend in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Opzettelijke indirecte discriminatie kan worden strafbaar gesteld zonder afbreuk te doen aan de klassieke waarborgen die de strafwetgeving dient in te houden.

Wat het criterium van de nationaliteit betreft, herinnert de minister eraan dat dit criterium van onderscheid altijd al in de wet van 1981 heeft gestaan, hoewel soms, naar gelang van de wijzigingen die deze wet heeft ondergaan, in de vorm van het begrip « nationale afstamming ». In zijn arrest van 9 november 2004, heeft het Hof van Cassatie erkend dat door het begrip « nationale afstamming » het nationaliteitscriterium werd bedoeld. Wetsontwerp nr. 3-2362 voegt dus niets aan de bestaande tekst toe.

De heer Ceder wijst erop dat het nationaliteitscriterium oorspronkelijk in de vroegere racismewetgeving werd opgenomen bij « het voornemen tot ».

Uiteindelijk oordeelde men dan dat nationaliteit hetzelfde betekende als nationale afstamming en werd het geschrapt. Hier voert men het criterium terug in. Waarom ?

De minister antwoordt dat het nationaliteitscriterium opnieuw expliciet wordt vermeld naast het begrip « nationale afstamming », juist om een einde te maken aan de controverse. Het nationaliteitsbegrip was niet systematisch uit de geldende wetgeving geschrapt. In een aantal bepalingen bestonden nationaliteitscriteria en « nationale afstamming » naast elkaar, terwijl andere bepalingen enkel naar de « nationale afstamming » verwezen. De hervorming leek een goede gelegenheid om alle verwarring over deze begrippen uit de wereld te helpen.

Spreker benadrukt dat het wetsontwerp het onderscheid dat op nationaliteit is gebaseerd niet even streng aanpakt als het onderscheid op grond van een zogenaamd ras of een huidskleur. Het wetsontwerp laat de mogelijkheid open om een verschil in behandeling op basis van de nationaliteit te rechtvaardigen zolang er sprake is van een legitiem doel en de middelen om dit doel te bereiken hiermee evenredig zijn.

Anderzijds stelt het wetsontwerp niet alle wetten die een onderscheid maken op grond van de nationaliteit, op de helling. Er is een vrijwaringsclausule. Die clausule verduidelijkt dat geen enkel bij of krachtens de wet opgelegd onderscheid in behandeling mag worden beschouwd als bij dit wetsontwerp verboden discriminatie. Met andere woorden, een onderscheid op grond van nationaliteit in de arbeidswetgeving of met betrekking tot het verblijf op het grondgebied worden dankzij de vrijwaringsclausule niet betwist.

De heer Ceder vraagt naar de juiste betekenis van het woord segregatie en vraagt waarom het vroeger niet in de bepalingen betreffende « aanzet tot » werd opgenomen. Wat voegt dit trouwens toe ? Is er een vorm van segregatie die niet discrimerend zou zijn ?

Mevrouw Nyssens merkt op dat het wetsontwerp verder gaat dan de Europese richtlijnen. Het kiest echter wel voor een gesloten lijst van gevallen van discriminatie, terwijl er in het ontwerp van grondwettelijk verdrag een open lijst was opgenomen. Als er geen lijst is, kan men alle vormen van discriminatie bestrijden en een bredere tekst hebben.

Anderzijds vraagt zij zich af of het nationaliteitscriterium ook het begrip « nationale minderheid » omvat.

Op de eerste vraag antwoordt de minister dat het Handvest van de grondrechten, dat deel uitmaakt van het ontwerp van Grondwet, inderdaad de open lijst hanteert. Hij merkt daarbij echter op dat dit werktuig meestal in verticale verhoudingen wordt toegepast, tussen de burgers en de overheid, terwijl het hier voorliggende wetsontwerp bedoeld is om horizontale relaties te regelen. Het is veel moeilijker voor een burger om, in zijn dagelijkse omgang, de gevolgen in te schatten van een onderscheid in behandeling op grond van onverschillig welk criterium. Om redenen van rechtszekerheid en grotere voorspelbaarheid, heeft de regering gekozen voor een gesloten lijst van de vormen van discriminatie.

Wat de nationale minderheid betreft, wijst spreker erop dat de lijst van het Handvest van de grondrechten dit begrip als criterium vermeldt. Omdat wetsontwerpen bedoeld zijn om horizontaal te worden toegepast en omdat er voor elk criterium, overeenkomstig het Europees recht, in een specifiek stelsel wordt voorzien, geeft de commentaar aan dat het criterium van nationale minderheid, naar gelang van de situatie, kan worden vertaald in een criterium van taal, een criterium van nationale afstamming, of een criterium van geloofsovertuiging.

De heer Ceder verwijst naar artikel 21 van wetsontwerp 3-2362 dat ertoe strekt te straffen hij die in de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, verspreidt. Spreker verwijst naar de zaak waarbij een historische boekhandelaar een SS-pamflet had gereproduceerd en verkocht aan zijn klanten. De rechter oordeelde dat het niet de bedoeling was van de handelaar SS-ideeën te verspreiden, maar wel historische documenten van allerlei aard te verspreiden.

Artikel 21 vereist geen bijzonder opzet. Dit betekent dat de betreffende boekhandelaar overeenkomstig artikel 21 niet zou kunnen worden vrijgesproken.

In artikel 22 van hetzelfde ontwerp wordt melding gemaakt van « verkondigen », terwijl artikel 20 gewag maakt van « aanzetten tot ». Hebben deze termen een verschillende betekenis ? Is verkondigen enger dan aanzetten tot ? Waarom worden « haat en geweld » niet opgenomen in artikel 22, in tegenstelling tot in artikel 20 ?

Spreker verwijst ook naar artikel 140, § 1, van de wet op terroristische misdrijven waarbij een gelijkaardige regeling wordt getroffen voor leden of medewerkers van een terroristische groepering. Hiervoor wordt echter bijzonder opzet vereist. De personen moeten weten dat zij meewerken aan het plegen van een terroristisch misdrijf. Waarom geeft men een breder toepassingsveld aan het aanzetten tot discriminatie dan aan daden van terrorisme ?

De minister merkt op dat artikel 21, dat de bestraffing van de verspreiding van ideeën die stoelen op rassensuperioriteit of rassenhaat betreft (art. 21 van ontwerp nr. 3-2362) in de Kamer zeer uitgebreid is besproken. Hij voegt hieraan toe dat dit artikel internationale verplichtingen uitvoert die België is aangegaan in het kader van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Deze verplichtingen waren tot op heden niet in de praktijk omgezet. De Raad van State, die altijd gevoelig is op strafrechtelijk niveau, heeft geen bezwaren geuit tegen deze bepaling.

Als antwoord op het voorbeeld dat door de vorige spreker is aangehaald verwijst de minister naar de commentaren en discussies van de Kamer, waaruit blijkt dat het artikel toepasbaar is in geval van bijzonder opzet. Er moet aangetoond worden dat er sprake is van een specifieke wil om rassenhaat of -discriminatie op te wekken.

Wat het begrip « segregatie » betreft, dit wordt gebruikt in het internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie van 21 december 1965 (artikel 3).

De heer Ceder wijst erop dat het Verdrag van New York tot stand is gekomen ten tijde van het apartheidsregime en dus in zekere zin een reactie hierop vormt. Ook in 1981 bij de totstandkoming van de racismewet werd vaak naar het apartheidsregime verwezen. Met segregatie bedoelde men de rassenscheiding toegepast in Zuid-Afrika, die men expliciet wou afkeuren. Hier wordt het begrip terug opgevist en gaat men het zelfs inschrijven in de genderwet en de non-discriminatiewet. Maar wat is de juiste betekenis ervan ?

Een tweede vraag is wat het begrip segregatie kan toevoegen aan het begrip discriminatie. Kent men een vorm van segregatie die niet discriminerend is ?

De minister antwoordt dat segregatie een gescheiden maar gelijke behandeling inhoudt van groepen, bijvoorbeeld op grond van geslacht of ras. Het vermelden van dit begrip vormt een reactie tegen de « separate but equal-theorie » die geruime tijd heeft geheerst in het Amerikaanse Hooggerechtshof, waarbij werd geoordeeld dat een gescheiden behandeling van mensen op grond van huidskleur of ras geen discriminatie vormt voorzover de behandeling gelijk is. Uiteraard is deze theorie vandaag niet meer van kracht. Segregatie wordt als een vorm van discriminatie beschouwd. Het verschil is dat discriminatie in het verleden in principe een verschil in behandeling veronderstelde. In het kader van de voorliggende ontwerpen wordt gesproken van ongunstige behandeling en omvat discriminatie dus eveneens segregatie.

Volgens spreker is het logisch dat het begrip segregatie niet vermeld staat in het 1º en het 2º van artikel 20 van wetsontwerp nr. 3-2362 want in beide gevallen gaat het om daden gericht tegen een persoon. Nu is het zo dat segregatie een onderdeel is van een groepsdynamiek.

De heer Ceder vraagt waarom men in artikel 20 en artikel 22 een verschillende terminologie hanteert, namelijk aanzetten tot versus verkondigen, terwijl men voor individuen en verenigingen toch hetzelfde beoogt. Waarschijnlijk is dit een overblijfsel van de slecht geredigeerde oude racismewet.

De minister antwoordt dat die termen grosso modo voorkomen in de internationale conventie voor de uitroeiing van alle vormen van rassendiscriminatie. Wat betreft de interpretatie van de artikelen 20, 21 en 22 kan men te rade gaan bij de uitvoerige jurisprudentie betreffende de wet van 1981, in het bijzonder de recentste rechtspraak betreffende artikel 3 van deze wet, die er steeds is van uitgegaan dat het misdrijf van deelneming aan groepen alleen vaststaat wanneer vooraf is komen vast te staan dat de groep zelf zich schuldig maakt aan misdrijven van aanzetting tot haat.

De heer Ceder vraagt of het woord « verkondigen » gebruikt in artikel 22 dezelfde betekenis heeft als de woorden « aanzetten tot » gebruikt in artikel 20.

De minister bevestigt dit. Het verschillend woordgebruik is toe te schrijven aan het feit dat het wetsontwerp grosso modo de terminologie van de Conventie van 1965 en letterlijk die van artikel 3 van de wet van 1981 overneemt.

De heer Ceder vraagt waarom ook haat en geweld niet in artikel 22 zijn opgenomen. Aanzetten tot haat en geweld is voor individuen overeenkomstig artikel 20 strafbaar. Voor verenigingen stelt artikel 20 enkel het aanzetten tot discriminatie strafbaar.

Wat de term segregatie betreft, oppert mevrouw Talhaoui dat deze term volgen haar niet verouderd is. Zij verwijst naar sommige politieke partijprogramma's waarbij men bijvoorbeeld stelt dat islamitische kinderen best in uitsluitend islamitische scholen worden ondergebracht, en dat bepaalde voetcalclubs voorschrijven dat er maar een bepaald percentage spelers mag zijn van buitenlandse origine.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikelen 1 en 2

Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt.

Artikel 3

Artikel 1

Amendement nr. 1

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt in het ontworpen artikel 1 de woorden « wordt richtlijn 2000/43 » te vervangen door de woorden « wordt onder meer richtlijn 2000/43/EG ».

Het ontwerp van nieuwe antiracismewet dat voorligt vormt zonder enige twijfel een inperking van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, zoals die vastgelegd zijn in de Grondwet.

Een dergelijke inperking moet bijzonder goed doordacht zijn en mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk.

Het is wellicht daarom dat de regering misleidend tracht internationale teksten en verdragen in te roepen ter rechtvaardiging van deze nieuwe wet. Door expliciet te vermelden dat het wetsontwerp een Europese richtlijn en een Internationaal Verdrag uitvoert, hoopt de regering mist te spuiten over een essentieel aspect in dit wetsontwerp, namelijk dat het voorgelegde wetsontwerp in de beperking van de vrijheden veel verder gaat dan de aangehaalde richtlijn en het aangehaalde internationale verdrag wensen.

De aangehaalde richtlijn 2000/43/EG meldt in artikel 1 dat zij tot doel heeft een kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming. Bij artikel 3, waar de werkingssfeer wordt bepaald, wordt nadrukkelijk vermeld : « Deze richtlijn is niet van toepassing op verschillen in behandeling gebaseerd op nationaliteit. »

De richtlijn is dus duidelijk : de criteria « ras » en « etnische afstamming » zijn de verboden criteria, « nationaliteit » is duidelijk géén verboden criterium.

Het aangehaalde internationaal verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie meldt in artikel 1 dat onder « rassendiscriminatie » wordt verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming. Ook hier weer is « nationaliteit » dus géén verboden criterium. Er wordt expliciet aan toegevoegd : « dit Verdrag is niet van toepassing op vormen van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur die door een staat die partij is bij dit verdrag in acht worden genomen tussen onderdanen en niet-onderdanen. »

Toch stelt het wetsontwerp dat « nationaliteit » een verboden criterium is. Aldus organiseert het wetsontwerp een veel verdergaande inbreuk op de fundamentele vrijheden dan door de richtlijn en het verdrag wordt voorgeschreven. Dit amendement strekt ertoe de tekst van het ontworpen artikel 1 waarheidsgetrouw te maken en de misleiding door de regering duidelijk te maken.

De minister antwoordt dat hier verwarring wordt gesticht over het opzet van de wetgeving dat duidelijk wordt aangegeven in artikel 3, en de vereisten die voortvloeien uit het Europees recht.

Voorliggende wetgeving gaat inderdaad verder dan de Europese richtlijn. Dit was trouwens reeds het geval in de vorige wetgeving.

Artikel 2

Amendement nr. 2

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2) dat ertoe strekt in het ontworpen artikel 2 de woorden « voert de verplichtingen uit » te vervangen door de woorden « voert onder meer de verplichtingen uit ».

Het ontwerp van nieuwe antiracismewet dat voorligt vormt zonder enige twijfel een inperking van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, zoals die vastgelegd zijn in de Grondwet.

Een dergelijke inperking moet bijzonder goed doordacht zijn en mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk.

Het is wellicht daarom dat de regering misleidend tracht internationale teksten en verdragen in te roepen ter rechtvaardiging van deze nieuwe wet. Door expliciet te vermelden dat het wetsontwerp een Europese richtlijn en een Internationaal Verdrag uitvoert, hoopt de regering mist te spuiten over een essentieel aspect in dit wetsontwerp, namelijk dat het voorgelegde wetsontwerp in de beperking van de vrijheden veel verder gaat dan de aangehaalde richtlijn en het aangehaalde internationale verdrag wensen.

De aangehaalde richtlijn 2000/43/EG meldt in artikel 1 dat zij tot doel heeft een kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming. Bij artikel 3, waar de werkingssfeer wordt bepaald, wordt nadrukkelijk vermeld : « Deze richtlijn is niet van toepassing op verschillen in behandeling gebaseerd op nationaliteit ».

De richtlijn is dus duidelijk : de criteria « ras » en « etnische afstamming » zijn de verboden criteria, « nationaliteit » is duidelijk géén verboden criterium.

Het aangehaalde internationaal verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie meldt in artikel 1 dat onder « rassendiscriminatie » wordt verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming. Ook hier weer is « nationaliteit » dus géén verboden criterium. Er wordt expliciet aan toegevoegd : « dit Verdrag is niet van toepassing op vormen van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur die door een staat die partij is bij dit verdrag in acht worden genomen tussen onderdanen en niet-onderdanen. »

Toch stelt het wetsontwerp dat « nationaliteit » een verboden criterium is. Aldus organiseert het wetsontwerp een veel verdergaande inbreuk op de fundamentele vrijheden dan door de richtlijn en het verdrag wordt voorgeschreven. Het amendement strekt ertoe de tekst van het ontworpen artikel 2 in overeenstemming te brengen met de richtlijn en het verdrag.

De heer Ceder meent dat de regering enige uitleg is verschuldigd waarom de eventuele aanzet tot discriminatie op grond van nationaliteit strafbaar zou zijn. Dit heeft ook impact op stemrecht, toegang tot openbaar ambt, enz.

Wat als bijvoorbeeld iemand publiekelijk het voorstel doet om het stemrecht enkel toe te kennen op basis van het staatsburgerschap ? Kan dit worden beschouwd als een aanzet tot discriminatie ?

De minister verwijst naar zijn eerdere verklaringen hierover.

Artikel 3

Amendement nr. 3

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt in het ontworpen artikel 3 het woord « nationaliteit » te doen vervallen.

Door expliciet te vermelden dat het wetsontwerp een Europese richtlijn en een Internationaal Verdrag uitvoert, hoopt de regering verwarring te creëren over een essentieel aspect in dit wetsontwerp, namelijk dat het voorgelegde wetsontwerp in de beperking van de vrijheden veel verder gaat dan de aangehaalde richtlijn en het aangehaalde internationale verdrag wensen.

De aangehaalde richtlijn 2000/43/EG meldt in artikel 1 dat zij tot doel heeft een kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming. Bij artikel 3, waar de werkingssfeer wordt bepaald, wordt nadrukkelijk vermeld : « Deze richtlijn is niet van toepassing op verschillen in behandeling gebaseerd op nationaliteit. »

De richtlijn is dus duidelijk : de criteria « ras » en « etnische afstamming » zijn de verboden criteria, « nationaliteit » is duidelijk géén verboden criterium.

Het aangehaalde internationaal verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie meldt in artikel 1 dat onder « rassendiscriminatie » wordt verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming. Ook hier weer is « nationaliteit » dus géén verboden criterium. Er wordt expliciet aan toegevoegd : « dit Verdrag is niet van toepassing op vormen van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur die door een staat die partij is bij dit verdrag in acht worden genomen tussen onderdanen en niet-onderdanen. »

Toch stelt het wetsontwerp in het ontworpen artikel 3 dat « nationaliteit » een verboden criterium is. Aldus organiseert het wetsontwerp een veel verdergaande inbreuk op de fundamentele vrijheden dan door richtlijn en verdrag voorgeschreven. Dit amendement strekt ertoe de tekst van het ontworpen artikel 3 in overeenstemming te brengen met de richtlijn en het verdrag.

De heer Ceder schetst de historiek van het begrip « nationaliteit » in de racismewetgeving. In de oorspronkelijke tekst van 1981 was hiervan geen sprake. In 1993, naar aanleiding van het proces tegen het Vlaams Blok, werd vastgesteld dat het onderscheid door het Vlaams Blok voorgesteld, enkel was gebaseerd op het al dan niet hebben van het staatsburgerschap. Toen werden de nodige maatregelen genomen, zoals de correctionalisering van de drukpersmisdrijven en de invoering van het begrip nationaliteit in de racismewet.

Deze inlassing gebeurde echter slordig en werd vergeten in de bepalingen die het « aanzetten tot » betroffen.

In 2000, bij een later proces, bleek echter dat het Vlaams Blok juist werd beschuldigd van het aanzetten tot. Aldus kwam er een wetswijziging waarbij nationaliteit in alle bepalingen werd geschrapt, omdat dit onder « nationale afstamming » zou vallen. Aldus kon de rechter het Vlaams Blok veroordelen.

Nu wordt het woord « nationaliteit » zogezegd duidelijkheidshalve ingelast. Spreker meent dat deze werkwijze pervers is.

Amendement nr. 28

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 28 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 3 te vervangen.

Verantwoording

De wetgever had in de wet van 25 februari 2003 het begrip discriminatie niet gedefinieerd. Dat begrip is vaak het voorwerp geweest van rechtspraak van onder meer het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Arbitragehof; bovendien is tijdens de parlementaire voorbereiding herhaaldelijk erop gewezen dat de wetgever naar die rechtspraak wilde verwijzen (1) . Er werd meer bepaald aan herinnerd dat, volgens een vaste rechtspraak van het Europees Hof, « een onderscheid discriminerend is indien het niet objectief noch redelijk kan worden verantwoord, dit wil zeggen indien geen legitiem doel wordt nagestreefd of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel ».

Deze wetgever doet dit nu wel in het ontworpen art. 4, 6º en 8º en bepaalt de rechtvaardigingsgronden in art. 7, 8, 9 en 11. Onderhavig amendement heeft evenwel het voordeel dat al deze elementen in één artikel worden gegoten, hetgeen de duidelijkheid ten goede komt.

Het amendement verwijst hiermee naar het begrip discriminatie dat overeenstemt met de omschrijving die zowel het Europees Hof als het Arbitragehof, evenals het Hof van Cassatie en de Raad van State, van dat begrip geven (2) .

Daarenboven is de definitie ook een getrouwere omzetting van richtlijn 2000/43 inzake het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, die in art. 2 directe en indirecte discriminatie definieert als :

« a) directe discriminatie », wanneer iemand op grond van ras of etnische afstamming ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;

b) « indercte discriminatie », wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een bepaald ras of een bepaalde etnische afstamming in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de midelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. »

Tegelijk evenwel bepaalt de richtlijn ten aanzien van dit beginsel van gelijke behandeling ook de mogelijke beperkingen in art. 3.2. :

« 3.2. Deze richtlijn is niet van toepassing op verschillen in behandeling gebaseerd op nationaliteit en doet geen afbreuk aan voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen en staatlozen tot c.q. het grondgebied van de lidstaten, noch aan enige behandeling die het gevolg is van de juridische status van de betrokken onderdanen van derde landen en staatlozen. »

Het amendement is dus een correcte weergave, op grond van de nationale en internationale rechtspraak, van zowel het beginsel van gelijke behandeling als van de mogelijke beperkingen erop, die kunnen ingeroepen worden voor nationaliteit of nationale afkomst op grond van de richtlijn, en dus zeker ten aanzien van deze kenmerken waarvan de bescherming niet verplichtend onder de richtlijn valt.

Artikel 4

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerkingen van de dienst Wetsevaluatie:

« Het ontwerp over « racisme » definieert, zoals ook het ontwerp over « gender » en het « algemene » ontwerp, de vier volgende concepten : direct onderscheid, directe discriminatie, indirect onderscheid, indirecte discriminatie. Op die manier wijkt het af van de toepasselijke Europese richtlijnen, die het alleen over directe discriminatie en indirecte discriminatie hebben.

In zijn advies betreffende het wetsontwerp over « gender » (stuk Kamer, nr. 51-2721/001), meent het Instituut voor de Gelijkheid van vrouwen en mannen dat het naast elkaar bestaan van die vier begrippen een groot probleem oplevert, een bron van rechtsonzekerheid die de draagkracht van de ontwerpen kan verzwakken.

« De coëxistentie van vier begrippen zal een grote complexiteit en een zekere verwarring teweegbrengen, niet enkel voor de burger maar ook voor de rechtsbeoefenaar.

Bovendien zorgt deze vernieuwing voor een aanzienlijke verzwakking van de zichtbaarheid en de kracht van het — tot nu toe conform de voorschriften van het Europees recht in ons federaal recht van toepassing zijnde — mechanisme van de gelijkheidswetgeving dat een algemeen verbod op discriminaties omvat, een ruime draagwijdte heeft met een zeer beperkte mogelijkheid tot het aanvaarden van uitzonderingen, op exhaustieve wijze beschreven in de wet.

Daarnaast gaat het feit dat de ontwerpteksten een rechtvaardiging in het geval van een « directe discriminatie » toelaten in tegen de communautaire antidiscriminatiewetgeving.

Het Instituut is er voorstander van om enkel gebruik te maken van de begrippen « directe discriminatie » (zonder mogelijkheid tot rechtvaardiging) en « indirecte discriminatie » (met mogelijkheid tot rechtvaardiging) en geen toevlucht te nemen tot andere concepten, die een bron van complexiteit en fouten vormen. »

Om enig probleem te voorkomen, bijvoorbeeld bij het wijzigen van de tekst, is het aangewezen de streepjes te vervangen door letters a), b), c), ... (en niet door cijfers, aangezien het om een ondergeschikte opsomming gaat). »

Amendementen nrs. 4 tot 6

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen de amendementen nrs. 4 tot 6 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2).

Amendement nr. 4 strekt ertoe in het ontworpen artikel 4, 4º het woord « nationaliteit » te doen vervallen.

De heer Ceder verwijst hierbij naar de bespreking van het amendement nr. 3 op het voorgestelde artikel 3;

Amendement nr. 5 strekt ertoe in het ontworpen artikel 4 de punten 8 en 9 uit het toepassingsveld te doen vervallen.

Het begrip « indirect discriminatie » werd al gelanceerd bij de eerste antidiscriminatiewet. Terecht werd het uit de wet gehaald door het Arbitragehof. Tegen het gebruik zijn immers twee fundamentele bezwaren.

In het wetsontwerp wordt geen bijzonder opzet vereist bij « indirecte discriminatie ». De dader kan inderdaad een onderscheid voorstellen dat op het eerste zicht niet gebaseerd is op één van de beschermde criteria, terwijl het gevolg is dat het onderscheid ook een benadeling inhoudt van een groep gekenmerkt door een bepaald beschermd criterium. De vraag is echter of het de bedoeling is van de dader om de wet te omzeilen. Iemand kan immers in alle eerlijkheid een onderscheid op grond van een niet-beschermd criterium maken en bepleiten zonder het onderscheid op grond van een beschermd criterium, die er het gevolg van kan zijn, te willen (zelfs al weet hij dat dit laatste onderscheid er het gevolg van is of kan zijn).

In de toelichting wordt, met verbijsterende oprechtheid, het volgende voorbeeld gegeven : «Kan in het licht van de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie bijvoorbeeld worden betwist dat diegene die de werkgevers ertoe aanzet de deeltijdse werknemers op het vlak van het loon te benadelen, pertinent weet dat hij, door dit te doen, aanzet tot een gedrag dat vooral de vrouwen benadeelt ? » Men mag niet vergeten dat het aanzetten tot indirecte discriminatie in de artikelen 19 en 20 van dit ontwerp (en in parallelle artikelen in het wetsontwerp tot nieuwe anti-discriminatiewet) strafbaar wordt gesteld. Meteen wordt dus in de toelichting eigenlijk gesteld dat het houden van een pleidooi tegen deeltijdse arbeid onvermijdelijk een strafbaar feit oplevert. Zo wordt dan een econoom die argumenten zou menen gevonden te hebben tegen deeltijdse arbeid, maar die overigens geen enkele discriminatie ten aanzien van vrouwen zou nastreven, strafbaar, indien zijn theorieën op enigerlei mate zouden kunnen gezien worden als « aanzetten tot indirecte discriminatie ». Een ander voorbeeld zal het bezwaar nog duidelijker maken. Indien een verhuurder in Brussel de voorkeur zou geven aan Vlaamse huurders (een niet toegelaten maar ook niet strafbare discriminatie), dan zal de strafrechter gedwongen zijn om vast te stellen dat de vreemdelingen sterk oververtegenwoordigd zijn in de groep van Franstalige huurders. Daardoor pleegt de huurder dan een wel strafbare indirecte discriminatie, ook al kan het evident zijn dat hij geen enkele bedoeling heeft om te de discrimineren op grond van huidskleur of afkomst. Dit soort gevolgen zijn uiteraard absurd en onaanvaardbaar.

Zoals hoger gesteld, wordt het begrip indirecte discriminatie ook gebruikt bij de strafbaarstellingen van art. 19, 20 en 22. Het legaliteitsbeginsel vereist dat de burger perfect kan weten wanneer hij een strafbaar feit begaat. Het Arbitragehof vernietigde om die redenen de bepaling over indirecte discriminatie in de vorige anti-discriminatiewet. De regering meent dat door de huidige formulering de bezwaren wegvallen. De Raad van State is een andere mening toegedaan. De nieuwe definitie maakt de zaken zelfs nog erger : « 33. Volgens de memorie van toelichting heeft het Arbitragehof in zijn arrest 157/2004 enkel aangegeven dat de strafrechtelijke bestraffing van opzettelijke discriminatie kon worden toegelaten. De toelichting stelt dan dat, rekening houdende met een aangepaste definitie van indirecte discriminatie, ook indirecte discriminatie opzettelijk kan zijn. Een indirecte discriminatie wordt in de voorontwerpen gedefinieerd als een indirect onderscheid op grond van een beschermd criterium, tenzij de ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze die aan de grondslag ligt van het indirecte onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Een indirect onderscheid wordt daarbij gedefinieerd als de situatie waarin een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze personen met een bepaald beschermd criterium in vergelijking met andere personen bijzonder kan benadelen. Volgens de steller van de voorontwerpen wordt hiermee tegemoet gekomen aan de bezwaren van het Arbitragehof. Er is immers geen sprake meer van een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze die als dusdanig een schadelijke weerslag heeft, zoals in artikel 2, § 2, van de wet van 25 februari 2003, maar wel van één die bijzonder kan benadelen.

34. Het bezwaar in de overweging B.55 van het Arbitragehof in het arrest steunt op de niet-verenigbaarheid met de vereiste van voorzienbaarheid die inherent is aan de strafwet.

Het is niet duidelijk hoe de nieuwe tekst tegemoet komt aan de bezwaren van het Arbitragehof. De vraag blijft immers hoe opzettelijk kan worden aangezet tot een « ogenschijnlijk neutrale handelswijze ». Daarnaast blijft onduidelijk hoe opzettelijk kan worden aangezet tot een daad waarvan de discriminerende aard alleen tot uiting komt door de bijzondere benadeling die eruit kan voortvloeien. De voorzienbaarheid lijkt integendeel nog geringer te zijn dan in de bepaling zoals die door het Arbitragehof werd vernietigd.

In het voormelde advies 39.682/1, van 31 januari 2006, daterend van na het arrest van het Arbitragehof, oordeelt de afdeling wetgeving bovendien dat « inzonderheid [gelet] op het gegeven dat bij de beoordeling van de indirecte discriminatie een afweging van de proportionaliteit moet worden gemaakt, moet worden besloten dat de in artikel 11 van het voorstel gehanteerde omschrijving van het misdrijf, door louter te verwijzen naar het plegen van « discriminatie », niet voldoet aan het legaliteitsbeginsel ».

Samengevat kan gesteld worden dat de absurde en onaanvaardbare gevolgen van de afwezigheid ven een vereiste van bijzonder opzet en de miskenning van het legaliteitsbeginsel, het schrappen van alle bepalingen die verwijzen naar indirect discriminatie en indirect onderscheid opdringt. De praktijken die de opstellers van het ontwerp hebben willen viseren, namelijk het al te doorzichtig omzeilen van het verbod op directe discriminatie, kunnen trouwens aangepakt worden door het verbod op direct discriminatie. De rechter heeft voldoende ruimte om de feiten te kwalificeren. Indien de rechter kan vaststellen dat het onderscheid op grond van een niet-beschermd criterium in feite neerkomt op een onderscheid op grond van een beschermd criterium zal hij de feiten ook als dusdanig kunnen kwalificeren.

Amendement nr. 5 strekt ertoe in het ontworpen artikel 4, 8º de woorden « personen gekenmerkt door een bepaald beschermd criterium, in vergelijking met andere personen bijzonder kan benadelen; » te vervangen door de woorden « die in hoofde van de dader de bedoeling heeft personen gekenmerkt door een bepaald beschermd criterium, in vergelijking met andere personen bijzonder te benadelen; ».

Dit amendement beoogt het legaliteitsbeginsel te herstellen : de intentie moet worden bewezen en niet ontegensprekelijk vermoed worden door de al dan niet voorspelbare (het woord « kan » in de wettekst is al helemaal onaanvaardbaar) en al dan niet gewilde gevolgen van een voorgesteld onderscheid.

Wat betreft de opzettelijke indirecte discriminatie, verwijst de minister naar de algemene bespreking.

De heer Hugo Vandenberghe is niet overtuigd door de argumentatie van de regering. Spreker verwijst naar een discussie, tijdens de vorige legislatuur, over directe en indirecte discriminatie, waarbij werd vastgesteld dat de strafbepaling met betrekking tot indirecte discriminatie door het Arbitragehof zou worden vernietigd. Een strafbepaling moet immers aan de legaliteitsvereiste voldoen en de bestanddelen van het misdrijf moeten er duidelijk in zijn opgenomen. Bovendien is een definitie steeds tijdsgebonden.

De strafbaarstelling van indirecte discriminatie op grond van de omschrijving in punt 9, gecombineerd met Titel II, blijkt juridisch niet overtuigend.

De minister meent dat het Arbitragehof minder bekend was met de Europese rechtspraak toen het de idee ontwikkelde over opzettelijke en onopzettelijke indirecte discriminatie.

Het Hof van Justitie heeft de opzettelijke indirecte discriminatie erkend in de zaak Jenkins. In latere rechtspraak heeft het Hof van Justitie erkend dat het feit dat een indirecte discriminatie al dan niet opzettelijk is gepleegd, irrelevant is om indirecte discriminatie vast te stellen. Hieruit kan worden afgeleid dat indirecte discriminatie ook onopzettelijk kan zijn.

Als in directe discriminatie opzettelijk is, dit wil zeggen als een neutraal onderscheid opzettelijk wordt gehanteerd om een bepaalde beschermde groep in feite te benadelen, zal men per definitie niet kunnen beantwoorden aan de rechtsaardingstoets voor indirecte discriminatie.

Inderdaad bestaat het oogmerk dan juist in de benadeling van een beschermde groep naardooe het gehanteerde neutrale onderscheid niet gerechtvaardigd kan worden bij gebrek aan legitieme doelstelling. Dit betekent ook dat een opzettelijke indirecte discriminatie perfect voorzienbaar is en op die grond strafbaar kan worden gesteld. De persoon die deze daad pleegt, doet dit immers met een heel duidelijk oogmerk, met name de bewuste benadeling van een beschermde groep, waardoor is voldaan aan de voorspelbaarheids- en de voorzienbaarheidseis van het strafrecht.

De heer Hugo Vandenberghe meent dat het Arbitragehof hierover zal oordelen en is enigszins verwonder over de uitlating van de minister dat het Arbitragehof de Europese rechtspraak niet kent.

De minister antwoordt dat hij enkel heeft gesteld dat de uitspraak van het Arbitragehof getuigt van een onvertrouwdheid met het Europees recht ter zake.

De heer Hugo Vandenberghe blijft erbij dat men in het strafrecht duidelijke, klare en direct toepasselijke begrippen moet hebben om een voorzienbaar gedrag voor de gewone burger strafbaar te stellen.

Bij indirecte discriminatie komt men terecht in een afwegingsproces. De vraag rijst of de voorliggende bepaling een voldoende rechtszekere inhoud kent.

Amendement nr. 6

De heer Ceder licht zijn amendement nr. 6 (stuk Senaat, nr. 3-2362/2) toe, dat ertoe strekt een bijzonder opzet te vereisen bij indirecte discriminatie.

Spreker verwijst naar het voorbeeld in de toelichting over deeltijdse arbeid.

De minister wijst erop dat het aangehaalde voorbeeld over deeltijdse arbeid is gehaald uit een arrest van het Hof van Justitie.

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de rechterlijke macht zich niet in de plaats kan stellen van de wetgever. Aldus kunnen arresten niet als een algemene regel worden geformuleerd.

Een beroep op precedenten is wel nuttig voor het debat, maar een uitspraak kan niet het gezag van een algemene wetsregel hebben. Ook voorliggende regel is geformuleerd in het kader van een individueel geval. De taak van de wetgever overstijgt daarentegen het individueel geval.

De houding van de regering is niet coherent. Enerzijds roept zij een arrest in ter verantwoording van een voorgestelde wettelijke regeling, anderzijds uit zij regelmatig kritiek op de « gouvernement des juges ».

De heer Mahoux wijst erop dat men ook veel belang hecht aan de rechtsleer en de jurisprudentie.

De heer Hugo Vandenberghe betwist niet dat de aangehaalde argumenten zeer interessant zijn om het juridisch debat te voeden. Spreker verwijst echter naar de inleidende bepaling van het Gerechtelijk Wetboek die bepaalt dat de rechter niet bij wijze van algemene regel kan beslissen. Dit betekent dat de rechter een uitspraak doet over een individueel geval, die echter nooit de plaats kan innemen van een wettelijke regeling.

De nodige aandacht dient te worden besteed aan het principe van de scheiding der machten en aan de plaats van de wetgevende macht. Uiteraard is dit systeem ingewikkelder geworden door de Europese besluitvorming.

Amendement nr. 29

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 29 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2) dat ertoe strekt het ontworpen artikel 4 te wijzigen als volgt :

a) voor het woord « arbeidsbetrekkingen » een 1º invoegen;

b) het 6º, 7º, 8º en 9º doen vervallen.

Het punt a) van het amendement betreft een technische verbetering.

Wat punt b) betreft, licht de indiener toe dat door de definitie in artikel 3 deze littera overbodig zijn geworden.

Artikelen 5 en 6

Deze artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen.

Artikel 7

Amendement nr. 30

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 30 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt het ontworpen artikel 7 te doen vervallen.

Volgens de indiener is dit artikel overbodig bij aanneming van amendement nr. 28 op artikel 3.

De tweede paragraaf van dit artikel is trouwens een zeer onvolledige en wellicht onjuiste omzetting van art. 3.2. van de richtlijn 2000/43.

Amendementen nrs. 7 en 8

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen de amendementen nrs. 7 en 8 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2).

Amendement nr. 7 beoogt in het ontworpen artikel 7, § 1, het cijfer « , 10 » te doen vervallen.

De Europese richtlijn van 2000 wil een kader creëren voor de bestrijding van discriminatie op basis van ras of etnische afstamming. In artikel 2 wordt « directe discriminatie » zonder meer als verwerpelijk aangeduid; enkel voor « indirecte discriminatie » kan er rechtvaardiging zijn, indien er een legitiem doel is en de middelen passend en noodzakelijk zijn.

Artikel 5 zegt inzake « positieve actie » dat een lidstaat specifieke maatregelen kan handhaven of aannemen om de nadelen verband houdende met ras of etnische afstamming te voorkomen of te compenseren, maar de richtlijn voorziet nergens dat « positieve actie » een rechtvaardiging zou zijn voor directe discriminatie.

Deze opstelling van de richtlijn is volkomen terecht : indien men poneert dat benadeling van een Belg van Turkse afkomst tegenover een Belg van Vlaamse afkomst verwerpelijk is, dan kan niet ingezien worden waarom een benadeling van een Belg van Vlaamse afkomst tegenover een Belg van Turkse afkomst minder verwerpelijk zou zijn. Er bestaat een zeer ruime consensus in de publieke opinie, en ook in de juridische wereld, dat datgene wat ooit werd verdedigd als « positieve discriminatie », in geen enkel geval « positief » is. Men kan dus acties opzetten, maar die mogen geenszins doorslaan naar discriminatie van de autochtone bevolking.

Het voorliggende wetsontwerp volgt echter een heel ander spoor dan de richtlijn, en stelt in het voorgestelde artikel 10 zonder meer dat een « positieve actie » nooit een vorm van directe discriminatie kan zijn. Aldus wordt een vrijbrief gegeven voor openlijke en manifeste discriminatie ten nadele van de autochtone bevolking en dit zowel in de publieke als de private sector, in onderwijs en overheidsapparaat.

Een dergelijke vrijbrief voor flagrante discriminatie is verwerpelijk. Er zal dan ook voorgesteld worden het voorgestelde artikel 10 volledig te schrappen, en bijgevolg moet ook de verwijzing naar het voorgestelde artikel 10 in het voorgestelde artikel 7 verdwijnen.

Amendement nr. 8 strekt ertoe § 2 van het ontworpen artikel 7 te doen vervallen.

Zoals aangehaald in de amendementen bij de ontworpen artikelen 1, 2, 3 en 4 organiseert het wetsontwerp door de opname van het begrip « nationaliteit » als beschermd en bijgevolg veelal verboden criterium, een veel verregaandere beperking van de fundamentele vrijheden dan door de ingeroepen Europese richtlijn en het ingeroepen internationale verdrag voorzien is.

De opname van het criterium « nationaliteit » in deze wet zorgt in het voorgestelde artikel 7 voor een hopeloze en onoplosbare begripsverwarring. Aangezien de richtlijn enkel gebruik maakt van ras en etnische afstamming, kan de richtlijn logisch bepalen dat indien iemand op basis van zijn ras of etnische afstamming ongunstiger behandeld wordt dan een ander in een vergelijkbare situatie, dit « directe discriminatie » is.

Doordat deze wet het legitieme criterium « nationaliteit » onzinnig opneemt bij de beschermde criteria, moet men vooreerst zijn toevlucht nemen tot een verwarrende opdeling tussen enerzijds « direct onderscheid'en anderzijds « directe discriminatie ».

Vervolgens dient men zijn toevlucht te nemen tot een bepaling als die van het ontworpen art 7, § 2, waar gesteld wordt : « elk direct onderscheid op grond van nationaliteit vormt een directe discriminatie, tenzij dit direct onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.'

Deze tekst is om meer dan één reden onaanvaardbaar in deze context. De tekst komt vooreerst uit de definitie in de richtlijn van « indirecte discriminatie », die dus te legitimeren valt; het wetsontwerp transplanteert dit naar de bepaling over directe discriminatie, die volgens de richtlijn niet te legitimeren valt.

Bovendien herinnert deze tekst aan de rechtspraak van het Arbitragehof, dat zeer delicaat afweegt of een onderscheid dat gemaakt wordt door een wetgevende norm aan deze criteria voldoet. Het wetsontwerp wil deze bepaling echter als wet opleggen aan de gewone burger : nu men vaststelt dat het Arbitragehof al vaak wetten vernietigt omdat zelfs de wetgever niet in staat is correct in te schatten wat een legitiem doel is en welke middelen proportioneel zijn, is het duidelijk dat dit voor de gewone burger helemaal onmogelijk wordt. Elke voorzienbaarheid valt weg; de vraag of men deze wet overtreedt is een loterij — waarbij de politieke kleur van de beoordelende magistraat het enige beslissende element wordt.

Mevrouw de T' Serclaes wijst erop dat in de Franse tekst van het laatste lid van artikel 7 de woorden « de la Union européenne » moeten worden vervangen door de woorden « de l'Union européenne ».

Artikel 8

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.

Artikel 9

Amendement nr. 9

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt het ontworpen artikel 9 te doen vervallen.

De indieners verwijzen hierbij naar de bespreking van de andere amendementen tot het schrappen van indirecte discriminatie.

Artikel 10

Amendement nr. 10

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt het ontworpen artikel 10 te doen vervallen.

De heer Ceder verwijst naar de verantwoording bij amendement nr. 7 op artikel 7.

Amendement nr. 31

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 31 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt in het ontworpen artikel 10, § 2, tweede gedachtestreepje, het woord « verdwijnen » te vervangen door de woorden « opheffen, voorkomen of compenseren ».

Het verdwijnen van alle ongelijkheden is utopisch en zal tot gevolg hebben dat vele positieve maatregelen tijdelijk definitief worden. Daarom ook kiezen de internationale rechtspraak en het Arbitragehof in zijn arrest voor een redelijke criterium, namelijk het opheffen, voorkomen of compenseren.

Inderdaad is het niet de bedoeling van de richtlijn alle ongelijkheden te laten verdwijnen, doch wel overeenkomstig artikel 1 « een kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling kan worden toegepast. Er is een groot verschil tussen het mogelijk maken van het toepassen van het beginsel van gelijke behandeling en het doen verdwijnen van ongelijkheden.

De minister antwoordt dat dit een uittreksel is uit een arrest van het Arbitragehof.

De heer Hugo Vandenberghe wijst erop dat de regering zelf een verschil maakt tussen « onderscheid » en discriminatie. Onderscheid betekent vaststellen van een ongelijkheid, wat niet noodzakelijk tot discriminatie leidt.

Indien niet elke ongelijkheid een discriminatie is, is het ook evident dat het doen verdwijnen van ongelijkheden niet hetzelfde is als het opheffen van discriminaties.

Spreker wijst er ook op dat de regimes die alle ongelijkheden poogden te doen verdwijnen, er nooit zijn in geslaagd.

Volgens de heer Mahoux is de de tekst duidelijk, vooral omdat men verwijst naar een doelstelling en niet onmiddellijk naar maatregelen.

De minister stipt aan dat er in de oorspronkelijk ontworpen tekst geen voorwaarden werden gepreciseerd. In het toenmalige ontwerp van memorie van toelichting werd verwezen naar de voorwaarden die het Arbitragehof stelt inzake maatregelen van positieve actie en naar de voorwaarden die het Hof van Justitie stelt. De Raad van State merkte op dat het beter was de voorwaarden expliciet in de tekst op te nemen.

De heer Hugo Vandenberghe meent dat in een ander arrest het Arbitragehof « opheffen, voorkomen en compenseren » verkiest boven « verdwijnen ». Spreker zal de precieze gegevens van dit arrest opzoeken en aan de commissie bezorgen.

De minister denkt dat de terminologie « opheffen, voorkomen en compenseren » veeleer uit het Europees recht is overgenomen. Er is immers een licht verschillende benadering door de Europese richtlijn en de Europese rechtspraak. Hier wordt ervoor geopteerd de voorwaarden zoals gestipuleerd door het Arbitragehof op te nemen in de tekst en in de memorie van toelichting eraan toe te voegen dat ook de voorwaarden gesteld door het Europees recht moeten worden nageleefd wanneer maatregelen van positieve actie zouden worden getroffen binnen het toepassingsgebied van de Europese richtlijnen.

Voor maatregelen van positieve actie in het algemeen moet een kader worden uitgetekend door de overheid. Daarbij zal, waar nodig, dus ook rekening moeten worden gehouden met de vereisten van het Europees recht.

Artikel 11

Amendement nr. 32

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 32 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt het ontworpen artikel 11 te doen vervallen.

Het is ongehoord dat de wetgever (of de regering) als enige een niet gerechtvaardigde discriminatie kan opleggen door een wet en zo haar eigen antidiscriminatiewetten ondergraaft « pour les besoins de la cause ».

De tweede paragraaf is totaal overbodig aangezien hier zoals in elke andere wet de hiërarchie der normen geldt, alsmede het adagium lex posteriori derogat legi priori en bovendien de interpretatie van de grondwetconformiteit in voorkomend geval toekomt aan het Arbitragehof, en de conformiteit met internationale toekomt aan de Europese commissie of enig Europees of internationaal hof door België erkend.

De heer Ceder beaamt dat artikel 11, § 2, niet uitdrukkelijk dient te worden opgenomen, maar verwijst toch naar andere wetten waarin ook wordt gesteld dat « deze wet geen afbreuk doet aan de Grondwet en het EVRM ».

Uiteraard zijn dit overbodige bepalingen.

Amendement nr. 11

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 11 (stuk Senaat, nr. 3-2362/2) in, teneinde het ontworpen artikel 11 aan te vullen als volgt :

« § 3. Het aanzetten tot en het bepleiten van een wetswijziging die er op gericht is om een onderscheid, zoals bedoeld in paragraaf 1, bij wet in te voeren, is op zichzelf niet verboden. »

In het voorgestelde art. 11, § 1, wordt gesteld dat er geen sprake is van discriminatie wanneer een onderscheid bij wet wordt geregeld. Dit houdt uiteraard in dat een dergelijk onderscheid door een nieuwe wet kan ingevoerd worden. Dit betekent op zijn beurt dat politici een dergelijke wet moeten kunnen nastreven en bepleiten, ook buiten het parlement. Ook burgers moeten aan dit publieke en politieke debat kunnen deelnemen. Het voorgestelde art. 22 stelt echter het aanzetten tot discriminatie strafbaar. Dit amendement strekt ertoe te verduidelijken dat politieke actie en politiek gekleurde woorden en geschriften die niet op directe wijze aanzetten tot het bedrijven van onwettelijke discriminatie, maar die door impliciete of expliciete vermelding, of gewoonweg door de politieke context, laten vermoeden dat in feite een wijziging van de bestaande wet wordt nagestreefd, niet strafbaar zijn.

We mogen immers niet bij « wetten van Meden en Perzen » terechtkomen waarbij wetten van vandaag de mogelijkheid of de voorwaarden wegnemen om morgen deze wetten te wijzigen.

De heer Hugo Vandenberghe besluit dat de heer Ceder uitgaat van de gedachte dat de persoon die de goedgekeurde wet zou betwisten of er een politieke actie tegen zou voeren, strafrechtelijk zou kunnen worden vervolgd wegens discriminatie.

De heer Ceder preciseert dat zijn amendement vooral doelt op personen die ervoor zouden pleiten om een wettelijk onderscheid in te voeren tussen bepaalde categorieën van personen behorend tot een beschermd criterium.

Indien het toegelaten is bij wet een onderscheid in te voeren dat niet discriminatoir wordt genoemd, moet het ook toegelaten zijn een politiek debat te voeren in het publieke forum over de invoering van dergelijke wet.

Spreker haalt het voorbeeld aan van deeltijdse arbeid.

De heer Hugo Vandenberghe kan uit artikel 11 niet afleiden dat eventuele kritiek op de antidiscriminatiewet strafbaar zou zijn. Dit zou immers strijdig zijn met artikel 10 van het EVRM.

De heer Ceder meent dat het onderscheid in het politieke debat moeilijk te maken is. Indien een persoon een benadeling nastreeft van een bepaalde categorie van personen en enkel een wetswijziging nastreeft, wordt hier al te gauw aanzetten tot discriminatie uit afgeleid. In een politieke context moet strafbaarstelling zijn uitgesloten.

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens die duidelijk stelt dat het uitgesloten is strafrechtelijke maatregelen te nemen tot een politicus en tot zijn openbaar woordgebruik. Men kan politici niet criminaliseren omdat zij het oneens zijn met de meerderheid. Het is ondenkbaar dat kritiek op de wet als een misdrijf kan worden beschouwd.

De heer Ceder haalt de hypothese aan waarbij een politieke groep een onderscheid zou voorstaan in de sociale zekerheid tussen personen die al dan niet het staatsburgerschap hebben. Is dit op zichzelf strafbaar als een aanzet tot discriminatie ? Ook de burgers moeten aan dergelijk debat kunnen deelnemen.

De heer Hugo Vandenberghe meent dat het debat hierover in elk geval moet kunnen worden gevoerd. Men zou wel moeilijkheden kunnen krijgen wanneer men bijvoorbeeld in het debat over « burgers » en « slaven » zou spreken.

De heer Mahoux verwijst naar artikel 10 van het ontwerp. Indien de voorgestelde maatregelen zoals bijvoorbeeld een maatregel gekoppeld aan het staatsburgerschap, niet op een vastgestelde ongelijkheid gebaseerd zijn en kennelijk niet kunnen worden verantwoord, zijn ze dus een probleem voor de ontworpen wet.

De minister antwoordt dat de wet in zijn strafrechtelijke hoofdstuk voorziet in een misdrijf van aanzetting tot discriminatie. Dat misdrijf bestond reeds in de wet van 1981 en in die van 2003.

Het werd voor het Arbitragehof betwist op grond van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het Arbitragehof heeft het niet vernietigd, maar maakte op een aantal punten voorbehoud inzake de interpretatie ervan : het begrip discriminatie moet zo worden geïnterpreteerd dat er sprake is van speciaal bedrog, dat men ideeën moet uiten die kwetsen, choqueren of storen ... De voorgestelde hervorming blijft binnen die context en er wordt uitdrukkelijk naar het arrest van het Arbitragehof verwezen. De hervorming moet tevens worden geïnterpreteerd in het licht van andere onderrichtingen van het Arbitragehof, meer bepaald die welke voortvloeit uit een arrest van 7 februari 2001, inzake het beroep tot vernietiging van de wijzigingen van de wet betreffende de financiering van de politieke partijen. Het Hof bepaalt daar dat een politieke partij weliswaar voorstellen kan formuleren, maar dan binnen de limieten van het niet op losse schroeven zetten van de pijlers van de democratie, waaronder de strijd tegen racisme en xenofobie.

Volgens het Europees Hof is één van die pijlers ook het idee dat een onderscheid in behandeling, dat uitsluitend of hoofdzakelijk op de etnische afkomst van de individuen is gebaseerd, volstrekt onaanvaardbaar is in een democratische maatschappij.

Dat is het referentiekader waarmee de vervolgende overheden en de strafrechters moeten oordelen of er sprake is van een misdrijf zoals bepaald door de wet.

De heer Ceder verwijst naar zijn voorbeeld. Wat wordt in dit geval van de rechter verwacht ?

De heer Mahoux wijst erop dat wat de sociale zekerheid betreft, de algemene regel die is van de bijdrage, zonder onderscheid, los van de afgeleide rechten en de uitzondering van de wachttijd. Spreker denkt dat wanneer men binnen de context van een niet discriminerende maatregel een onderscheid maakt onder diegenen die bijdragen betalen, op grond van criteria zoals bedoeld in de wet, er uiteraard sprake is van discriminatie.

De heer Hugo Vandenberghe meent dat er een onderscheid is tussen het effectief invoeren van het onderscheid in de wet en het voeren van het debat hierover.

Spreker meent dat de vrijheid van mening niet legitiem moet zijn verantwoord. Het is een basisrecht dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden beperkt. Zo kan de wetgever negationisme en racisme strafbaar stellen.

Artikel 12

Amendement nr. 12

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt de woorden « indirecte discriminatie » te doen vervallen.

De dienst Wetsevaluatie van de Senaat stelt voor de streepjes te vervangen door 1º, 2º, 3º en 4º.

Dit kan worden beschouwd als een tekstverbetering.

Artikel 13

De heer Hugo Vandenberghe vraagt om welke nietigheid het hier gaat. Wordt een relatieve of een absolute nietigheid bedoeld ?

Tevens vindt spreker dat de woorden « bij voorbaat » verwarring zaaien. Deze woorden doen immers uitschijnen dat men afstand zou kunnen doen van de rechten die door deze wet worden gewaarborgd bij de inroeping van het middel. Dit is waarschijnlijk niet de bedoeling.

De minister antwoordt dat dit artikel uit de wet van 2003 afkomstig is. Dezelfde bepaling bevond zich reeds in de wet van 7 mei 1999 betreffende gelijke kansen voor vrouwen en mannen en zelfs in de wet Economische Heroriëntering van 1978.

Die bepaling voorziet in de nietigheid van de strijdige clausules in verband met de aard van openbare orde van de beschermingen die door die wet worden toegekend.

Artikel 14

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerkingen van de dienst Wetsevaluatie.

« 1) In § 2 de streepjes vervangen door 1º, 2º, 3º, 4º.

2) § 2, tweede lid, luidt momenteel als volgt :

« De in het eerste lid, eerste en tweede gedachtestreepje bedoelde met redenen omklede klacht, bestaat uit een gedateerde, ondertekende en bij ter post ter kennis gebrachte aangetekende brief waarin de grieven ten aanzien van de dader van de vermeende discriminatie worden uiteengezet. »

Omwille van de samenhang met de eerste suggestie, stellen we voor de woorden « in het eerste lid, eerste en tweede gedachtestreepje » te vervangen door de woorden « in het eerste lid, 1º en 2º ».

3) § 5 legt de bescherming van getuigen in de ontwerptekst vast naar analogie van de bescherming van getuigen volgens de nieuwe bepalingen tegen pesten die zijn ingevoegd in de wet van 4 augustus 1996. De vraag rijst of het niet aangewezen is beide definities volledig op elkaar af te stemmen, door die in het « antidiscriminatie-ontwerp » te baseren op die van de bepalingen over « pesterijen », behalve voor wat het optreden van de preventieadviseur betreft.

De definitie in het wetsontwerp ter bestrijding van discriminatie luidt dan als volgt :

« De in dit artikel bedoelde bescherming is eveneens van toepassing op de persoon die optreedt als getuige doordat hij, in het kader van het onderzoek van de in § 2 bedoelde klacht, in een ondertekend en gedateerd document de feiten die hij zelf heeft gezien of gehoord en die betrekking hebben op de toestand die het voorwerp is van de met redenen omklede klacht, ter kennis brengen brengt van de persoon bij wie de klacht wordt ingediend, of doordat hij optreedt als getuige in rechte ».

Het ontwerp voegt een § 6 in, die de rechter de mogelijkheid biedt op verzoek van de verweerder de termijn van twaalf maanden in te korten waarin de omkering van de bewijslast toepasselijk is (die eventueel wordt verlengd tot drie maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden).

Het zou nuttig zijn die bepaling te toetsen aan het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Die bepaling wijkt immers af van het beschermingsmechanisme dat werd ingesteld in de regeling tegen pesterijen, die voorziet in de omkering van de bewijslast (die eventueel wordt verlengd tot drie maanden nadat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden) maar de rechter niet de bevoegdheid verleent om de termijn in te korten, ofschoon de bepalingen hetzelfde doel hebben en vergelijkbare belangen beschermen. Op Europees niveau worden discriminatie en pesterijen met dezelfde instrumenten aangepakt. Bovendien bestaat er inzake de mogelijkheid voor de rechter om de termijn in te korten geen parallel in artikel 15 over de klachten die worden ingediend in het raam van arbeidsbetrekkingen. »

De minister antwoordt dat de mogelijkheid die de rechter wordt gegeven om de termijnen in te korten buiten de arbeidsrelaties er komt omdat in dit geval het aantal situaties veel onbepaalder is dan in arbeidsrelaties. Daarom heeft de rechter de mogelijkheid — en niet de verplichting — de bescherming, wanneer ze geen zin meer heeft, te beëindigen.

Artikel 15

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerkingen van de dienst Wetsevaluatie.

« 1) De §§ 1 en 2 zouden erbij winnen indien ze ingegeven waren door artikel 13, a) van het reeds vermelde ontwerp tegen pesterijen.

Het huidige ontwerp bepaalt immers :

« § 1 Wanneer een klacht wordt ingediend door of ten voordele van een persoon wegens een schending van deze wet op het vlak van de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, mag de werkgever geen nadelige maatregelen treffen ten aanzien van deze persoon, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nadelige maatregel onder meer begrepen : de beëindiging van de arbeidsbetrekking, de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden, of nadelige maatregel getroffen na de beëindiging van de arbeidsbetrekking. »

Het ontwerp tegen pesterijen van zijn kant bepaalt :

« De werkgever mag, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring, de arbeidsverhouding van de volgende werknemers niet beëindigen, en hij mag evenmin de arbeidsvoorwaarden van die werknemers op ongerechtvaardigde wijze eenzijdig wijzigen : (...) »

Paragraaf 2 bepaalt dus dat elke eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden nadelig is, terwijl het ontwerp tegen pesterijen het alleen heeft over ongerechtvaardigde eenzijdige wijzigingen. Een eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden is echter niet altijd nadelig voor de werknemer.

Ze is zelfs gerechtvaardigd, wanneer het er bijvoorbeeld om gaat de werknemer naar een andere dienst over te plaatsen, waar hij een vergelijkbare taak kan uitvoeren, terwijl hij ontkomt aan het discriminerend gedrag van zijn vorig diensthoofd.

Paragraaf 2 is overigens gedeeltelijk tautologisch. In de tekst van het ontwerp bevat de definitie van « nadelige maatregel » dat begrip zelf.

De minister antwoordt dat het idee van de bescherming tegen wraakmaatregelen die wordt ingesteld erop neerkomt dat men zo handelt dat in bepaalde omstandigheden na een klacht een daad die a priori in een arbeidsrelatie of in een andere maatschappelijke relatie toegestaan kan zijn, als verdacht wordt beschouwd omdat hij gemotiveerd kan zijn door het feit dat er eerder een klacht is ingediend door de persoon die hem stelt, met als gevolg het principe van de omkering.

De heer Hugo Vandenberghe onderstreept dat de vraag luidt waarom men dezelfde doelstelling in beide wetteksten verschillend heeft geformuleerd.

De minister antwoordt dat de bepalingen betreffende de bescherming tegen wraakmaatregelen in de voorliggende wetsontwerpen zo opgesteld zijn dat zij zo nauw mogelijk aansluiten bij de om te zetten Europese bepalingen.

De dienst Wetsevaluatie merkt tevens op dat § 3 er leesbaarder op zou worden indien de streepjes vervangen werden door de nummering 1º, 2º, 3º, 4º, 5º. Het tweede lid moet ook naar het derde gedachtestreepje verwijzen (klacht ingediend door een belangenvereniging). In dat geval moet het tweede lid van § 3 verwijzen naar de punten 1º, 2º en 3º van het vorige lid in plaats van naar het « eerste en tweede gedachtestreepje ».

3) In § 5 van de Franse tekst, is het aangewezen de eerste volzin te corrigeren door de woorden « au § 1er » te vervangen door de woorden « avec le § 1er ».

4) In het verlengde van wat voorafgaat is het aangewezen in de eerste zin van het tweede lid van § 5, het woord « ongerechtvaardigde » in te voegen tussen de woorden « zonder opzegging of van de » en de woorden « eenzijdige wijziging ». De zin wordt dus : « Het verzoek wordt gedaan bij een ter post aangetekende brief binnen dertig dagen volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging, van de beëindiging zonder opzegging of van de ongerechtvaardigde eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. »

5) In § 7 is er in de Nederlandse lezing onvoldoende eenvormigheid in de gebruikte termen : in 1º staat « rechtscollege » en in 3º « rechtsorgaan ». In het Frans staat er tweemaal « juridiction » (compétente).

De heer Hugo Vandenberghe verwijst ook naar de algemene opmerking van de dienst Wetsevaluatie betreffende de artikelen 14 en 15.

« Wat betekent « dader van de discriminatie » ? Gaat het om de natuurlijke persoon ? Om de rechtspersoon waarvoor hij handelt ? Om beide ? Wat gebeurt er wanneer de natuurlijke persoon niet kan worden geïdentificeerd ? Het antwoord op die vraag is belangrijk voor een goed begrip van de artikelen 14, § 2 (klacht op een ander terrein dan dat van de arbeidsbetrekkingen), 15, § 3 (klacht op het vlak van de arbeidsbetrekkingen) en 17 (veroordeling van de dader tot het betalen van een dwangsom). »

De minister antwoordt dat het zowel om natuurlijke personen als om rechtspersonen gaat, zoals in het huidige systeem.

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar het voorbeeld van een grote vennootschap waar de directeur discriminatoire maatregelen oplegt, en waar de afgevaardigd bestuurder zich absoluut niet bezighoudt met personeelszaken en arbeidsbetrekkingen.

Onder welke voorwaarden is de vennootschap strafrechtelijk aansprakelijk omwille van het feit dat een aangestelde een misdrijf pleegt.

En wat als men de persoon die het misdrijf pleegt niet kan aanwijzen, indien de uiteindelijke dader onbekend is.

De heer Mahoux verwijst naar de lange discussies die in het verleden hebben plaatsgevonden over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen, waarbij herhaaldelijk is gebleken dat wanneer de rechtstreekse dader van het misdrijf gekend was, dat niets afdeed van de aansprakelijkheid van de werkgever en van de vennootschap.

De heer Hugo Vandenberghe antwoordt dat er systemen bestaan die specifiek zijn voor het sociaal strafrecht.

De minister wijst erop dat het debat gaat over bepalingen die niet zijn opgenomen in het strafrechtelijk hoofdstuk van die wetten. Dat hoofdstuk, dat een beperkte uitzondering op de racismewet bevat, bestraft de discriminerende daden van individuen niet.

Het behoort niet tot de doelstellingen van de hervormingen een systeem in te stellen van strafrechtelijke aansprakelijkheid dat afwijkt van wat toepasselijk is krachtens het gemeen recht, op grond van de wetgeving betreffende de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen zoals ze door de rechtspraak wordt geïnterpreteerd.

Artikel 16

Amendement nr. 13

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt § 1, tweede lid, en § 2 te doen vervallen.

De gewone aansprakelijkheidsregels van het Burgerlijk Wetboek volstaan indien het slachtoffer van discriminatie een schadevergoeding wenst. Een systeem van forfaitaire schadeloosstelling dreigt te leiden tot misbruiken en tot een resem rechtszaken.

In Duitsland worden bedrijven belaagd door nepsollicitanten die erop uit zijn om afgewezen te worden, omdat ze recht hebben op een schadevergoeding van drie bruto maandsalarissen indien ze kunnen aantonen dat ze niet aangeworven zijn omwille van bijvoorbeeld hun geslacht, religie of huidskleur.

De heer Hugo Vandenberghe verwijst ook naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie.

In § 2, 1º en 2º is het niet onmiddellijk duidelijk waarom « of nadelige (in het Frans « ou désavantageux » wordt toegevoegd. Dat adjectief lijkt redundant met het woord « ongunstig » (in het Frans « défavorable »), dat eraan voorafgaat. »

Artikel 17

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie.

« In de Franse tekst heeft het woord « judiciaire » een eerste keer een hoofdletter en een tweede keer heeft het er geen. Het moet zonder hoofdletter worden geschreven. »

Dit is een zuivere tekstverbetering.

Artikel 18

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie.

« In § 5 wordt verwezen naar de gecoördineerde wetten van 12 juni 1973 op de Raad van State (in het Frans : « lois coordonnées du 12 juin 1973 »). De verwijzing is niet correct : het moet zijn « 12 januari 1973 » (in het Frans : « 12 janvier 1973 »). »

De commissie zal deze verbetering aanbrengen als tekstcorrectie.

Artikel 19

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie.

« In de Franse versie staat « fondée sur un critère protégé » (in het enkelvoud), terwijl in de Nederlandse versie « op grond van beschermde criteria » (in het meervoud) staat. Zou er in de Nederlandse tekst niet beter « op grond van een beschermd criterium » (in het enkelvoud) staan ? »

Amendement nr. 14

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), teneinde artikel 19 te doen vervallen.

Uit de formulering van het ontworpen artikel 19 onder de titel « strafrechtelijke bepalingen » blijkt dat het wetsontwerp een aantal niet-strafrechtelijke rechtsfiguren, zoals bepaald in richtlijn 2000/43/EG, wil transponeren naar een strafrechtelijke context.

Vooreerst is dit niet noodzakelijk en onwenselijk : de richtlijn bepaalt in artikel 15 inzake sancties dat deze « doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend » moeten zijn, maar geenszins dat dit een strafrechtelijke aanpak vereist. De voorziene ontslagbescherming, forfaitaire schadevergoeding, dwangsom en stakingsvordering kunnen ruimschoots volstaan.

Bovendien is de formulering onwettig, want strijdig met het beginsel van de voorzienbaarheid, zoals dit in een rechtsstaat moet gelden wanneer het over strafrecht gaat. Elke burger moet vooraf weten welke daad een misdrijf is en welke niet.

Dit voorgestelde artikel definieert als discriminatie in strafrechtelijke zin : de opzettelijke directe discriminatie. Directe discriminatie wordt echter in het voorgestelde artikel 4 veel vager gedefinieerd dan in de richtlijn; het gaat hier om een direct onderscheid op basis van een beschermd criterium dat niet gerechtvaardigd kan worden op grond van de bepalingen van titel II van de wet.

Titel II bepaalt dan dat een onderscheid op basis van nationaliteit enkel kan indien er een « legitiem » doel is en de middelen voor het bereiken van dat doel « passend » en « noodzakelijk » zijn.

Het gebruik van uiterst vage criteria als « legitiem », « passend » en « noodzakelijk » zorgt ervoor dat een burger onmogelijk nog kan weten welke daad een misdrijf is en welke niet; dit wordt volledig overgelaten aan de persoonlijke mening van de rechter. In een rechtsstaat is dit strijdig met het voorzienbaarheidsbeginsel zoals het voortvloeit uit het Europees verdrag voor de rechten van de mens, en zoals het herhaaldelijk bevestigd is door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg.

Deze opmerking is nog meer pertinent, wanneer men zelfs zoiets wil strafbaar stellen als « opzettelijke indirecte discriminatie ».

Dat dit wetsontwerp dit belangrijke beginsel van de voorzienbaarheid miskent is opmerkelijk, aangezien het ontwerp mede noodzakelijk werd door de eerdere vernietiging door het Arbitragehof van een deel van de eerste antidiscriminatiewet, net vanwege deze vaagheid.

Het wekt dan ook geen verwondering dat de Raad van State in haar advies bij dit wetsontwerp (NR. 40.689/AV, NR. 40.690/AV, NR. 40.691/AV) deze bepalingen uiterst streng heeft afgekeurd.

De Raad van State schreef :

« 34. Het bezwaar in de overweging B.55 van het Arbitragehof in het arrest steunt op de niet-verenigbaarheid met de vereiste van voorzienbaarheid die inherent is aan de strafwet. Het is niet duidelijk hoe de nieuwe tekst tegemoet komt aan de bezwaren van het Arbitragehof. De vraag blijft immers hoe opzettelijk kan worden aangezet tot een « ogenschijnlijk neutrale handelswijze ». Daarnaast blijft onduidelijk hoe opzettelijk kan worden aangezet tot een daad waarvan de discriminerende aard alleen tot uiting komt door de bijzondere benadeling die eruit kan voortvloeien. De voorzienbaarheid lijkt integendeel nog geringer te zijn dan in de bepaling zoals die door het Arbitragehof werd vernietigd. »

In het voormelde advies 39.682/1, van 31 januari 2006, daterend van na het arrest van het Arbitragehof, oordeelt de afdeling wetgeving van de Raad van State bovendien dat « inzonderheid [gelet] op het gegeven dat bij de beoordeling van de indirecte discriminatie een afweging van de proportionaliteit moet worden gemaakt(46), moet worden besloten dat de in artikel 11 van het voorstel gehanteerde omschrijving van het misdrijf, door louter te verwijzen naar het plegen van « discriminatie », niet voldoet aan het legaliteitsbeginsel ».

De Raad van State is dus ronduit vernietigend : de voorliggende tekst komt niet tegemoet aan de eerdere bezwaren van het Arbitragehof, deze voorliggende tekst is nog slechter dan de eerder vernietigde passages van de oude antidiscriminatiewet, en in de zo belangrijke sector van het strafrecht wordt niet voldaan aan het legaliteitsbeginsel — de basis van de rechtsstaat.

Alleen de volledige schrapping van het voorgestelde artikel 19 kan hier een oplossing bieden en dit door in samenhang in het voorgestelde artikel 4 en elders het begrip « nationaliteit » te schrappen, en « discriminatie » strikt te definiëren zoals dit gebeurt in de richtlijn die men beweert te willen uitvoeren.

Artikel 20

Amendement nr. 15

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 15 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), teneinde het 1º en het 3º te doen vervallen, en in het 2º en het 4º de woorden « haat of » te schrappen.

De heer Mahoux wijst erop dat men hoe dan ook beter niet aanzet tot haat en discriminatie.

De heer Ceder meent dat de rechters een te ruime beoordelingsmarge hebben over het « aanzetten tot haat ».

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie.

« 1) Dat artikel vermeldt strafsancties, die telkens « zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen » toepasselijk zijn. Die straffen hebben dus een ruimer toepassingsgebied dan wat in het toepassingsgebied van de wet (hoofdstuk 3, art. 5) staat. Moet men, indien die zinsnede behouden blijft, het toepassingsgebied van de wet niet uitbreiden door de opsomming van de domeinen bedoeld in artikel 5, § 1, te laten voorafgaan door de woorden « onder meer » ?

2) Terloops wijzen we erop dat in de Franse tekst, bij punt 3º, een grammaticafout moet worden gecorrigeerd : « visées » is te vervangen door « visés ». »

Amendement nr. 33

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 33 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), teneinde het 2º van artikel 20 te doen vervallen.

Gevoel is niet steeds een slechte raadgever, maar is dat wel zeker bij het definiëren van strafbare handelingen. Want wat is eigenlijk strafbaar; dat is het moeten weten dat men met een bepaalde uitspraak, mening, analyse kan veroorzaken dat er bij deze of gene persoon « een haatgevoel » ontstaat. Is het dan de bedoeling om bij elke vervolging op deze grond een batterij psychologen en psychiaters klaar te houden die dit dan voor elk afzonderlijk geval moet uitklaren ?

Bovendien ontbreekt in deze bepaling, zoals trouwens voor alle strafrechtelijke bepalingen in deze wetten, de omschrijving van een bijzonder opzet, nochtans conditio sine qua non gesteld door het Arbitragehof en de Raad van State om tegemoet te komen aan het legaliteitsbeginsel in strafzaken en dus de Grondwet.

Bovendien verplicht geen enkel internationaal verdrag de strafrechtelijke sanctionering van dergelijke inbreuken.

Spreker meent dat men bepaalde gedragingen duidelijk aanzetten tot haat, maar dat men toch criteria zou moeten ontwikkelen om niet tot een subjectieve invulling van het begrip te komen.

In artikel 20 wordt het algemeen delict van aanzetten tot haat ingeschreven.

De heer Ceder verwijst naar de criteria in artikel 4.

De heer Hugo Vandenberghe antwoordt dat voorliggende bepaling geen bijzonder opzet vereist. De vraag rijst wanneer de strafbaarheidsnorm wordt toegepast.

Verder is er ook de verwijzing naar artikel 444 van het Strafwetboek.

Met betrekking tot de zinsnede (zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen), verduidelijkt de minister dat die misdrijven zijn opgenomen in de wet van 1981, die voorzag in misdrijven van algemeen strafrechtelijke aard, die zijn gedefinieerd, los van de toepassingsgebieden. Men wilde deze misdrijven dezelfde werkingssfeer geven als zij hadden de in de wet van 1981. Vandaar de reeds genoemde formulering.

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen de amendementen nrs. 16 tot en met 18 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2).

Amendement nr. 16

In de punten 1 en 3 van artikel 20 worden de woorden « en dit zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen » geschrapt.

Het is volstrekt onredelijk dat, waar bepaalde handelingen op zichzelf niet verboden zijn (ook niet wat de burgerrechtelijke bepalingen van deze wet betreft), het aanzetten tot deze handelingen niet alleen verboden maar zelfs strafbaar zou zijn. Het is bovendien zo dat het « aanzetten tot » steeds het uiten van een mening betreft.

In het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het duidelijk dat meningen nog aan minder beperkingen mogen onderhevig zijn dan handelingen en de voorwaarden van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voor de toelaatbaarheid van deze beperkingen strenger zijn dan voor het beperken van de handelingsvrijheid. Het kan dan ook niet dat in en Belgische wet het omgekeerde principe wordt gehuldigd.

Amendement nr. 17

In de punten 1 en 3 van het ontworpen artikel 20 worden de woorden « en dit zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen » vervangen door de woorden « op het vlak van de domeinen bedoeld in art 5,§ 1,1º en art5,§ 1, 5º ».

In de artikelen 24 en 25 wordt het bedrijven van discriminatie strafbaar gesteld. Het gaat hier enkel op discriminatie op de domeinen van de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn of op de arbeidsmarkt.

Het is volstrekt onredelijk dat, waar bepaalde handelingen op zichzelf niet strafbaar zijn het aanzetten tot deze handelingen wel strafbaar zou zijn. Het is bovendien zo dat het « aanzetten tot » steeds het uiten van een mening betreft. In het licht van de rechtspraak van het Hofis het duidelijk dat meningen nog aan minder beperkingen mogen onderhevig zijn dan handelingen en de voorwaarden van het Verdrag voor de toelaatbaarheid van deze beperkingen strenger zijn dan voor het beperken van de handelingsvrijheid. Het kan dan ook niet dat in en Belgische wet het omgekeerde principe wordt gehuldigd.

Amendement nr. 18

In het ontworpen artikel 20, 3º worden de woorden « of tot segregatie » geschrapt.

Het is niet duidelijk wat segregatie toevoegt aan het begrip discriminatie. Is er dan segregatie die niet discriminerend is ?

De heer Ceder wenst verder duidelijkheid over het feit of er ook een onderscheid bestaat tussen directe en indirecte segregatie, net zoals bij directe en indirecte discriminatie.

Verder vraagt spreker of de rechtvaardigheidsgronden van discriminatie ook gelden voor segregatie.

De minister antwoordt dat de term « segregatie » die afkomstig is uit het voornoemde verdrag, past in een context die met name verband houdt met apartheid. Het is een zelfstandig rechtsbegrip. Er is geen communautair rechtsysteem van directe of indirecte segregatie. De in de richtlijnen vastgestelde rechtvaardigingsgronden zijn evenmin van toepassing op het autonome begrip segregatie.

De heer Ceder haalt het voorbeeld aan van politici die pleiten voor legalisatie van soft drugs. Men gaat er toch ook niet van uit dat zij aanzetten tot druggebruik.

Hetzelfde geldt voor politici die pleiten voor hogere snelheidsdrempels. Men gaat er niet van uit dat zij aanzetten tot verkeersovertredingen.

De heer Mahoux verklaart dat wanneer de segregatiegrond rechtstreeks verband houdt met een van de in de wet opgesomde gronden, die verboden zijn, het gaat om directe en niet om indirecte segregatie.

De segregatie die verband houdt met hoofddeksels, zou dus gerechtvaardigd zijn door de redenen voor het dragen van die hoofddeksels, en dus door de redenen waarvoor de betrokken personen worden gediscrimineerd.

De minister wijst erop dat segregatie een georganiseerd systeem is van discriminatie.

De heer Ceder blijft erbij dat hij niet inziet in welke context segregatie niet discriminerend zou zijn.

Artikel 21

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie.

« Artikel 21 bestraft het verspreiden van denkbeelden die zijn gebaseerd op rassuperioriteit of rassenhaat (met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig tot duizend euro, of met een van die straffen alleen). Het bevat identieke straffen als in artikel 22, dat hem die tot een racistische groep of vereniging behoort straft.

Het is aangewezen in het licht van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel te verantwoorden waarom het wetsontwerp die identieke straffen invoert : het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat (artikel 21) veronderstelt een actieve daad, terwijl het behoren tot een racistische groep of vereniging (artikel 22) actief kan zijn, maar ook passief (bijvoorbeeld wanneer het lid niet aan de vergaderingen deelneemt). »

De minister antwoordt dat volgens haar lezing van artikel 22 het behoren tot een groepering niet kan worden beschouwd als een passieve houding. Een persoon die niet weet welke activiteit de groep waartoe hij behoort uitoefent kan natuurlijk niet vervolgd worden.

De heer Hugo Vandenberghe merkt op dat artikel 22 alleen betrekking heeft op het lid zijn van een groep of een vereniging.

De minister antwoordt dat het weinig waarschijnlijk is dat een lid van een vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie verkondigt, niet weet wat de activiteiten van die vereniging zijn.

In het strafrecht is het overigens niet ongebruikelijk dat twee verschillende gedragingen met dezelfde straffen bestraft worden. Het komt de strafwetgever toe de ernst van de gedragingen die hij wil bestraffen in categorieën onder te brengen.

Amendement nr. 34

De heer Hugo Vandenberghe dienst amendement nr. 34 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), dat ertoe strekt artikel 21 te doen vervallen.

Er moet immers niet meer, zoals in de bestaande tekst, worden aangetoond dat er ook « inhoudelijk » wordt aangezet tot haat, en er moet ook geen bijzonder opzet zijn, dus men moet niet meer bewijzen dat men willens en wetens aanzet tot racisme met de bedoeling te schaden. Dat volgt niet meer zozeer uit artikel 20, maar wel uit het nieuw artikel 21 antiracismewet, dat het louter verspreiden van « denkbeelden gegrond op rassensuperioriteit of rassenhaat » strafbaar stelt.

Zowel het Arbitragehof in zijn vernietigingsarrest als de Raad van State vereisten voor strafbaarstelling een bijzonder opzet.

Stuitend is bovendien dat deze bepaling is ingevoegd na het advies van de Raad van State over het voorontwerp, zodat aan de Raad de mogelijkheid werd ontnomen zich hierover uit te spreken.

Gevolg van deze bepaling is dat bijvoorbeeld historici die citaten publiceren die raciaal discrimineren, zich enkel daardoor aan vervolging blootstellen.

Ook ontbreekt volgens de Raad van State elke verantwoording van het verschil in strafrechtelijke aanpak tussen racistische feiten en feiten gepleegd tegen andere beschermde groepen zoals vrouwen en gehandicapten.

Het Arbitragehof zal wellicht vaststellen dat dit onderscheid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

De minister antwoordt dat de bepaling aan de Raad van State is voorgelegd. De Raad heeft geen bezwaren geformuleerd maar heeft daarentegen een deel van zijn advies dat niet negatief is aan die bepaling gewijd.

De heer Hugo Vandenberghe vraagt hoe het zit met de historische citaten (tekst van Plato of Aristoteles, teksten uit de eerste eeuwen betreffende de slavernij, ...). Vanaf wanneer worden dergelijke citaten strafrechtelijk vervolgbaar ?

De minister antwoordt dat de betrokken strafbaarstelling ontleend is aan het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Dit soort gedrag is in het Belgisch recht enkel strafbaar wanneer een bijzonder opzet is aangetoond en het de bedoeling is aan te zetten tot haat of discriminatie ten opzichte van een bepaalde groep van personen in voorkomend geval door een bepaald ras. Men kan een vergelijking maken met de wetgeving die het negeren of minimaliseren bestraft van de genocide die gepleegd is door het Duitse Nazi-regime en die aan het Arbitragehof werd voorgelegd. Het Hof heeft geoordeeld dat strafrechtelijke vervolging aanvaardbaar was wanneer de meningen werden verkondigd met de duidelijke bedoeling aan te zetten tot antisemitisme en tot haat jegens de slachtoffers van de shoah. Het onschuldig wetenschappelijk onderzoek dat niet is ingegeven door deze doelstelling daarentegen moet nog steeds gevoerd kunnen worden op basis van de vrije meningsuiting en de wetenschappelijke vrijheid. Deze redenering werd hier in essentie gevolgd en daarenboven werd gepreciseerd dat bij de bestraffing zoals ze georganiseerd is, rekening moet worden gehouden met het in artikel 25, tweede lid, van de Grondwet, vermeld principe van de getrapte verantwoordelijkheid. Het is op die basis dat de strafrechter keuzes zal moeten maken.

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens. Politieke discussie moet slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden aan het strafrecht worden onderworpen.

Afwijkingen zijn bijvoorbeeld inbreuken op de racismewetgeving of het negationisme.

Voorliggende bepaling lijkt een ruimer toepassingsgebied te hebben dan dat van de wet op het racisme. Indien het toepassingsgebied hetzelfde is, vraagt spreker zich af waarom dit hier dient te worden herhaald.

Spreker oppert dat men het geheel moet bekijken en dat een enkel arrest de wet niet vormt.

Het Europees hof voor de rechten van de mens heeft duidelijk gesteld dat strafrecht in de politieke strijd niet in aangewezen. Men mag het politiek discours niet minimaliseren, zoniet kunnen politieke meerderheidsposities worden opgedrongen.

Afwijkingen moeten echt uitzonderlijk zijn, zoals regelgeving met betrekking tot racisme of holocaust.

Is voorliggende bepaling wel proportioneel gezien het legaleitsbeginsel in strafzaken.

De heer Ceder vindt dat de regering zich niet steeds moet verschuilen achter het verdrag van New York.

De racismewetgeving bestaalt reeds 26 jaar en is ook onderhevig aan evoluties. Bovendien heeft België voorbehoud geformuleerd op het vlak van de vrijheid van meningsuiting.

Nergens in voorliggende bepaling is er sprake van bijzonder opzet. Waarom vervangt men « verspreiden » niet door « verdedigen » of « verkondigen » ?

Amendement nr. 19

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 19 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), teneinde artikel 21 te doen vervallen.

Discriminatiedeskundige Jogchum Vrielinck verwoordde de bezwaren tegen deze wet in een artikel in Samenleving en politiek van maart 2007 beter dan ondergetekenden dat kunnen. Hij noemde artikel 21 van dit ontwerp zonder meer « revolutionair ». Over zijn tekst schreef journalist John De Wit van de Gazet van Antwerpen op 27 maart volgend samenvattend artikel :

« Wordt het verspreiden van de ideeën van Plato, de Koran, Voltaire en Montesquieu binnenkort strafbaar ? Volgens discriminatiedeskundige Jogchum Vrielink alvast wél omdat de nieuwe antidiscriminatiewet, die donderdag door de Kamer wordt goedgekeurd, een wel erg verregaande bepaling bevat, die deze literatuur buiten de wet stelt.

In het jongste nummer van Samenleving en Politiek, een tijdschrift dat aanleunt bij de sp.a, heeft discriminatiedeskundige Jogchum Vrielink (auteur van het standaardwerk : Handboek voor Discriminatierecht) ernstige vragen bij de nieuwe strafbaarstelling van het « verspreiden van denkbeelden die gegrond zijn op rassensuperioriteit ». Het gaat om artikel 21 van de nieuwe antiracismewet.

Volgens Vrielink kunnen nu wel erg veel boeken verboden worden, want er worden bij dit nieuwe misdrijf geen verdere vereisten gesteld aan de bedoeling van de dader, de gevolgen voor de samenleving of voor de slachtoffers. Bij de verspreiding van dit soort ideeën moet de dader niet meer aanzetten tot haat, hij moet niet willen beledigen, hij moet alleen maar de geviseerde ideeën verspreiden.

Niet alleen de verspreiding van Hitlers Mein Kampf wordt strafbaar (dat is trouwens al zo op andere gronden), maar ook die van talloze filosofen : Plato, Kant, Nietzsche, pater De Las Casas (die in de renaissance vond dat Indianen een ziel hadden, maar « negers » niet), een reeks founding fathers van de democratie zoals Voltaire en Montesquieu en uiteindelijk bijna alle denkers uit de negentiende eeuw, toen het evolutionisme van de rassen centraal stond in de wetenschap. Ook Het Oude Testament, de Thora en de Koran komen in het vizier van de strafrechter.

Boeken die uittreksels uit die werken bevatten om ze aan te klagen, vallen eveneens onder de wet. Zoals bijvoorbeeld Karl Poppers The Open Society and its enemies, waarvan de vertaling in het Nederlands uitgerekend net donderdag wordt voorgesteld door premier Verhofstadt in Antwerpen (Elzenveld, 20.00 uur).

Volgens Vrielink voert men noch min noch meer de censuur opnieuw in.

Nu zal men zeggen : al deze filosofen worden niet bedoeld met de wet. Dat is inderdaad zo, maar het punt blijft dat de formulering vervolging van die filosofen wél mogelijk maakt. Zodat altijd een zwaard van Damocles boven de hoofden van de verspreiders blijft hangen. En dat leidt tot willekeur bij de vervolgingen en zoiets kan in een democratische samenleving niet. Volgens Vrielink wordt de dooddoener dat « de vrijheid van meningsuiting niet absoluut is » een soort van carte blanche die om het even welke beperking rechtvaardigt in het kader van de strijd tegen racisme.

De regering beweert in haar memorie van toelichting op de nieuwe antidiscriminatiewet, dat ze deze nieuwe strafbaarstelling moet invoeren van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR). Dat verdrag werd in België goedgekeurd door de wet van 9 juli 1975.

Vrielink zegt dat de regering ongelijk heeft. Uitgerekend op het bewuste artikel dat nu wordt ingevoerd, maakte de toenmalige regering een voorbehoud. Ze ging er niet mee akkoord omdat het haaks op de vrijheid van meningsuiting stond. Liefst 19 andere staten maakten een soortgelijk voorbehoud, het artikel werd bijna nergens ingevoerd.

Volgens Vrielink is het dus absoluut niet nodig om deze nieuwe strafbaarstelling in te voeren, omdat men al « aanzetten tot haat, discriminatie en geweld » strafbaar heeft gemaakt.

De auteur vreest ook dat het nieuwe artikel 21 de toets van het Arbitragehof niet zal doorstaan. Wie het loutere « verspreiden van ideeën die gegrond zijn op rassuperioriteit of rassenhaat » strafbaar stelt, gaat aanmerkelijk verder dan wie « zijn voornemen tot haat of discriminatie bekend maakt » bestraft. Het Arbitragehof vernietigde die laatste strafbaarstelling.

Dit laatste misdrijf was vooral populair in de jaren zeventig, toen nogal wat cafés bordjes met daarop Interdit aux Nord-Africains voor hun ramen zetten. De bordjes werden strafbaar gemaakt, maar het Arbitragehof vernietigde die strafbaarstelling (tenminste in de antidiscriminatiewet) omdat ze botste met de vrijheid van meningsuiting. Zo'n bordje geeft volgens het Arbitragehof slechts aan dat je die allochtonen wil weigeren, niét dat je het ook effectief zal doen. Je kan immers nog van mening veranderen, vond het Hof.

Vrielink vreest dat het strafbaar maken van het loutere « verspreiden van ideeën  zeker kan sneuvelen bij het Arbitragehof, omdat dat Hof eerder al vond dat dit soort bordjes niet strafbaar mag worden gesteld. Vrielink besluit dat de vrijheid van meningsuiting door de nieuwe antidiscriminatiewet véél te zwaar wordt ingeperkt.

Opmerkelijk blijft bovendien dat het verspreiden van de idee van rassensuperioriteit strafbaar wordt, maar niet het verspreiden van ideeën over de inferioriteit van vrouwen, homo's of gehandicapten. De antidiscriminatiewet voert in deze zin zelfs nieuwe discriminaties in. 

Er zijn tegen dit voorgestelde artikel twee enorme bezwaren.

Ten eerste zijn de begrippen veel te vaag en te open om een beperking op de vrijheid van mening te organiseren. Wat racisme is voor de ene mens is gezond verstand voor de andere. Het minst wat kan gezegd worden, is dat de meningen in de maatschappij over wat racisme is, in hoeverre het toelaatbaar is en hoe en of er strijd moet tegen worden geleverd, zeer verdeeld zijn. Ook rechters zijn mensen. We mogen hen niet in een positie plaatsen waarin ze gedwongen worden om begrippen uit de strafwet in te vullen, louter of vooral, aan de hand van hun persoonlijke levensbeschouwelijke, ideologische en politieke opvattingen. En langs de kant van de rechtsonderhorige geldt dat burgers perfect moeten kunnen voorspellen wanneer ze strafbare meningen verkondigen. Ze mogen daarbij niet afhankelijk worden van de speling van het lot of, meer bepaald, van de toevalligheid van de persoonlijke opinie van de rechters die over hun daden of meningen moeten oordelen.

De verschillende vonnissen en arresten in toepassing van de huidige racismewet — die deze bepaling nog niet eens bevat — vertonen grote verschillen in interpretatie. Deze verschillen duiken zelfs op binnen dezelfde rechtszaak.

Vergelijk bijvoorbeeld, inzake het proces tegen het Vlaams Blok, de mening van de drie rechters van eerste aanleg te Brussel, met de zeer persoonlijke en politiek gekleurde meningen van de drie rechters in het hof van beroep te Gent. Dergelijke onnauwkeurigheid en willekeur is onaanvaardbaar in om het even welke wet, maar des te meer in het kader van de strafwet en de inperking van de vrijheid van meningsuiting.

De regering beperkt zich bij de toelichting bij dit voorgestelde artikel door te verwijzen naar het verdrag van New York van 1965. Als verantwoording is dit ruimschoots onvoldoende. België diende immers, net als verschillende andere ondertekende staten, een « toelichting  of voorbehoud in met een verwijzing naar de vrijheid van meningsuiting. Naar dat voorbehoud werd trouwens bij de totstandkoming van de oorspronkelijke antiracismewet verschillende malen verwezen.

Het is bovendien zo dat verschillende staten (ook zelfs staten die het voorbehoud niet hebben gemaakt) geen enkele strafbepaling hebben opgenomen over het verspreiden van ideeën. Volgens specialist Vrielink is het strafbaar stellen van meningen zelfs uitzonderlijk. Geen van de betreffende staten wordt op de vingers getikt door het bevoegde VN-comité.

Ten tweede is de afwezigheid van een bijzonder opzet onaanvaardbaar. Korte tijd geleden werd een boekhandelaar, die een SS-pamflet had gereproduceerd en verkocht, vrijgesproken. Terecht. Er was immers nergens aangetoond dat de man de bedoeling had om aan te zetten tot racisme. Hij verspreidde wetens en willens het pamflet en de ideeën erin vervat, zonder de bedoeling om om het even wie tot om het even wat aan te zetten, tenzij historische nieuwsgierigheid.

Onder het regime van het voorliggende artikel 21 had de man niet kunnen vrijgesproken worden.

Evenmin de boekhandelaar die Mein Kampf verkoopt of om het even welk historisch werk (ook de geschriften van Marx getuigen bijvoorbeeld vaak van rassenhaat), omdat aan de rechter niet wordt gevraagd om te onderzoeken of de beschuldigde ook effectief de bedoeling heeft om aan te zetten tot rassenhaat. Het loutere feit dat hij deze op schrift gestelde ideeën verspreidt, volstaat.

De heer Hugo Vandenberghe blijft erbij dat voorliggende tekst voldoende duidelijk is. Spreker verwijst naar artikel 444 van het Strafwetboek.

Deze bepaling is te vergaand.

Spreker verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie. Er bestaan strafbepalingen ter zake. Ofwel herneemt men deze specifieke incriminaties, ofwel heeft men de bedoeling verder te gaan.

Spreker kan zich niet van de indruk ontdoen dat hier verder wil gaan en wijst op het gevaar van de tussenkomst van het strafrecht in een politiek debat.

Het antwoord van de regering beperkt zich vaak tot one liners, wat de discussie vervuilt. Er moeten duidelijke waarborgen worden ingebouwd.

De minister verwijst naar het advies van de Raad van State :  Meer in het algemeen dient te worden opgemerkt dat artikel 21 van het voorontwerp kan worden verantwoord in de mate dat de toepassing ervan gebeurt in overeenstemming met de artikelen van de Grondwet en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens over de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. 

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de discussie in de vorige legislatuur met betrekking tot godsdienstvrijheid. Uiteraard moeten grondwettelijke vrijheden en het EVRM worden gerespecteerd. Niettemin rijst de vraag welke de specifieke, objectieve elementen zijn die de constitutieve bestanddelen vormen voor het misdrijf.

De heer Mahoux herinnert eraan dat de toestand in 2003 gedeblokkeerd is geraakt over het religieuze thema omdat men in de tekst de naleving van de grondwettelijke regels heeft opgenomen.

Het is dus zeer nuttig in dergelijke aangelegenheden te herinneren aan de Europese regelgeving en normen.

De heer Hugo Vandenberghe meent dat deze verwijzing niet nuttig is. De vraag rijst naar de voorspelbaarheid van de norm die wordt toegepast.

Artikel 22

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen de amendementen nrs. 20 tot 23 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2).

Amendement nr. 20

« Het ontworpen artikel 22 doen vervallen ».

Het ontworpen artikel 22 stelt een persoon strafbaar die behoort tot of  zijn medewerking verleent aan  een groep of vereniging die discriminatie of segregatie  verkondigt ».

Ten eerste moet vastgesteld worden dat ook hier de definitie van « discriminatie  van het grootste belang is. Opnieuw moet hier vastgesteld worden dat het wetsontwerp nodeloos verder gaat dan de richtlijn en het verdrag voorschrijven, door zinloos het begrip  nationaliteit  als beschermd en vaak verboden criterium op te nemen. Het volstrekt legitieme nationalistische discours, volgens hetwelk een nationale staat als eerste opdracht heeft te zorgen voor de eigen nationale onderdanen, wordt daardoor volkomen ten onrechte vermengd met het begrip  rassendiscriminatie  zoals gedefinieerd in het Internationale verdrag, waarbij het gebruik van ras of etnische afkomst wordt verworpen als basis voor nadelige behandeling, maar nationaliteit als criterium expliciet niet wordt geviseerd. Een nationalistische vereniging, die ijvert voor de belangen van de personen die de nationaliteit van het eigen land hebben, wordt volkomen onterecht gecriminaliseerd, zoals met de veroordeling op basis van deze bepaling van de partij Vlaams Blok te Gent gebleken is.

Ten tweede moge eraan herinnerd worden dat de richtlijn hoegenaamd geen strafrechtelijke aanpak voorschrijft : de richtlijn bepaalt in artikel 15 inzake sancties dat deze  doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend  moeten zijn, maar geenszins dat dit een strafrechtelijke aanpak vereist. Er kan dan ook niet ingezien worden waarom ten aanzien van een groep of vereniging die in de fout gaat, forfaitaire schadevergoeding, dwangsom en stakingsvordering niet kunnen volstaan.

Er is geen enkele noodzaak om leden van een vereniging of groep die aanzet tot discriminatie, of zij die er medewerking aan verlenen, strafbaar te stellen voor het loutere feit van dit lidmaatschap of deze medewerking. Op zijn minst zijn er onvoldoende redenen om het fundamentele recht op vereniging hiervoor aan te tasten. De gewone regels inzake daderschap, mededaderschap, medeplichtigheid en bendevorming (ook het geven van een opdracht wordt trouwens in deze wet opgenomen) volstaan ruimschoots om het aanzetten tot discriminatie in groepsverband aan te pakken.

Een verwijzing naar het VN-verdrag tot uitbanning van rassendiscriminatie kan ook niet volstaan. Ten eerste is het zo dat België een voorbehoud (of « toelichting », of hoe men het ook wil noemen) bij dit verdrag heeft aangetekend. Bij dit voorbehoud wordt het recht van vereniging uitdrukkelijk vernoemd. Verschillende andere landen tekenden een gelijkaardig voorbehoud aan. Ten tweede hebben slechts weinige landen die partij zijn bij het verdrag een verbod op lidmaatschap aan bepaalde verenigingen opgenomen in het interne recht zonder dat zij door het betrokken VN-comité op de vingers werden getikt. België moet zich bijgevolg niet heiliger dan de anderen verklaren, zeker niet wanneer het VN-verdrag als excuus wordt gebruikt om dissidente partijen te verbieden.

Amendement nr. 21

« In het ontworpen artikel 22 de woorden  of segregatie  doen vervallen. »

Het is niet duidelijk wat segregatie toevoegt aan het begrip discriminatie. Is er dan segregatie die niet discriminerend is ?

Amendement nr. 22

« Het ontworpen artikel 22 aanvullen als volgt : « terwijl hij weet dat zijn lidmaatschap of medewerking bijdraagt tot het aanzetten tot discriminatie. »

De strafbaarstelling in artikel 22 is enorm uitgebreid. Elke vorm van medewerking wordt geviseerd, ook al heeft de medewerker of het lid zelf geen enkele slechte bedoeling. Een paar voorbeelden kunnen dit illustreren. Een fotokopiewinkel, die, wetens en willens, een van zijn apparaten ter beschikking stelt van een in het artikel bedoelde groep of vereniging is strafbaar, ook al hebben de gekopieerde teksten geen enkele racistische inhoud. Een uitbater van een zaal is strafbaar indien hij deze zaal ter beschikking van een dergelijke groep stelt, ook al heeft de activiteit niets te maken met het aanzetten tot racisme. Een taxichauffeur die (wetens en willens) een leider van de bedoelde groep of vereniging naar een meeting voert, ook al heeft deze meeting niets te maken met het aanzetten tot racisme, is strafbaar. Nergens wordt vereist dat er een bijzonder opzet is van de betrokken medewerker om medewerking te verlenen aan het aanzetten tot discriminatie. Indien de betrokken vereniging de vorm aanneemt van een politieke partij, zijn er potentieel tienduizenden daders, die, volledig naar willekeur van de in artikel 32 genoemde verenigingen, voor de rechtbank kunnen gebracht en bestraft worden. Dergelijke draconische strafbaarstelling is volstrekt onnodig. Het aanpakken van daders, opdrachtgevers, medeplichtigen, enz. volstaat ruimschoots om ongewenste fenomenen aan te pakken. Indien men toch volhardt in artikel 22, dient er op zijn minst een voorwaarde van bijzonder opzet aan toegevoegd te worden.

In artikel 140 § 1 van de wet op de terroristische misdrijven wordt het volgende bepaald :

« Iedere persoon die deelneemt aan enige activiteit van een terroristische groep, zij het ook door het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan een terroristische groep of door het in enigerlei vorm financieren van enige activiteit van een terroristische groep, terwijl hij weet dat zijn deelname bijdraagt tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf door de terroristische groep, wordt gestraft met ... »

Er wordt met andere woorden geëist dat de betrokkene goed weet waarmee hij bezig is. Het kan moeilijk aangenomen worden dat het aanzetten tot discriminatie een ernstiger misdrijf is dan het plegen van terroristische activiteiten. Bijgevolg is het ook niet te verklaren waarom de medewerking aan een groep die discriminatie verkondigt veel ruimer (en draconischer) moet strafbaar gesteld worden dan de medewerking aan een racistische groep.

Dit amendement strekt ertoe deze manifeste discriminatie weg te werken en de bijkomende voorwaarde van de terrorismewet ook op dit artikel toe te passen.

Amendement nr. 23

« In het ontworpen artikel 22 de woorden « discriminatie en segregatie wegens een van de beschermde criteria verkondigt » vervangen door de woorden « aanzet tot discriminatie of segregatie op grond van een van de beschermde criteria . »

In het voorgestelde artikel 20 wordt het  aanzetten tot  geviseerd. In het ontworpen artikel 22 gebruikt men het begrip  verkondigen. Is er een verschil tussen beide begrippen ? Zo ja, wat verantwoordt het verschil ?

De heer Ceder vraagt waarom men hier plots het woord « verkondigt » gebruikt. De minister verwijst naar het verdrag van New York. Waarom gebruikt men dan in artikel 20 een andere terminologie ? Kent het begrip in voorliggend artikel een engere toepassing ?

Artikel 23

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie.

« 1) Het ontwerp bepaalt in artikel 23, eerste en tweede lid :

« Met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar wordt gestraft ieder openbaar officier of ambtenaar, iedere drager of agent van het openbaar gezag of van de openbare macht die in de uitoefening van zijn ambt een persoon discrimineert wegens een van de beschermde criteria.

Dezelfde straffen worden toegepast wanneer de feiten begaan zijn jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan, wegens een van de beschermde criteria. »

Die bepaling straft ambtenaren die zich schuldig maken aan discriminatie zwaarder dan ambtenaren die zich schuldig maken aan pesterijen of geweld op het werk, terwijl het om vergelijkbare problemen gaat, die elkaar gedeeltelijk overlappen en door het Europees recht gezamenlijk worden aangepakt.

We moeten er hierbij op wijzen dat de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers, die sinds 2002 belangrijke maatregelen tegen pesterijen bevat, in artikel 81, 1º het volgende bepaalt :

« Onverminderd de bepalingen van de artikelen 82 tot 87 worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van 50 tot 1 000 EUR of met één van die straffen alleen :

1º de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, die de bepalingen van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan hebben overtreden;

2º (...) »

Het klopt dat het Arbitragehof reeds herhaaldelijk heeft geoordeeld dat de vaststelling van de ernst van een misdrijf en van de zwaarwichtigheid waarmee dat misdrijf kan worden bestraft, tot het opportuniteitsoordeel van de wetgever behoort. Niettemin acht het Hof zich bevoegd om na te gaan of de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling tussen vergelijkbare misdrijven. Het is misschien niet overbodig na te gaan of artikel 5 wat dat betreft alle waarborgen biedt.

Het is overigens vreemd dat die bepaling niet in een alternatieve strafsanctie voorziet in de vorm van geldboeten, wat voor de andere strafbepalingen van de ontworpen wet wel het geval is.

2) Het vierde lid behoort te worden gecorrigeerd. In zijn huidige lezing is dat lid gedeeltelijk redundant. Het luidt als volgt :

« Indien de openbare officieren of ambtenaren die beticht worden de bovengenoemde daden van willekeur bevolen, toegelaten of vergemakkelijkt te hebben, en indien zij beweren dat hun handtekening bij verrassing is verkregen, zijn zij verplicht de daad in voorkomend geval te doen ophouden en de schuldige aan te geven; anders worden zij zelf vervolgd ».

Met de bepaling dat ambtenaren verplicht zijn de schuldige aan te geven, voegt dit artikel niets toe aan de algemene regel die in artikel 29 van het Wetboek van strafvordering staat.

3) Het vijfde lid is op zijn beurt redundant met artikel 194 van het Strafwetboek, waarin reeds staat dat valsheid in geschriften en gebruik ervan voor ambtenaren met opsluiting van 10 tot 15 jaar bestraft wordt. »

De minister antwoordt dat de twee genoemde misdrijven en de voorziene straffen worden behouden zoals die thans bestaan.

Er bestaat evenwel een niveau inzake straftoemeting omdat in het eerste geval het strafbare gedrag slaat op de betrekkingen tussen een ambtenaar en de gebruikers van een overheidsdienst en men bijgevolg weet dat een ambtenaar in het kader van zijn betrekkingen met het publiek meer bepaald onderworpen is aan een aantal verplichtingen. In het andere geval gaat het om pesterijen binnen een werkorganisatie.

Artikelen 24 en 25

Deze artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen.

Artikel 26

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie.

« Die bepaling straft personen die zich schuldig maken aan discriminatie zwaarder dan hen die zich schuldig maken aan pesterijen of geweld op het werk, terwijl het om vergelijkbare problemen gaat, die elkaar bovendien gedeeltelijk overlappen.

Artikel 88bis van de wet van 4 augustus 1996 bepaalt immers :

« Onverminderd het bepaalde in de artikelen 269 tot 272 van het Strafwetboek worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met een geldboete van 26 tot 500 EUR of met één van die straffen alleen de personen die binnen de door het bevoegde rechtscollege krachtens artikel 32decies, vastgestelde termijn geen einde hebben gemaakt aan het geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk. .

Het ontworpen artikel 26 van zijn kant luidt :

« Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft zij die zich niet voegen naar een vonnis of een arrest dat, als gevolg van een vordering tot staking, overeenkomstig artikel 18 werd gewezen. 

Het is aangewezen dat de wetgever dat verschil in behandeling toetst aan het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. 

Artikel 27

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie.

« Het is aangewezen in het Frans de woorden « d'infraction aux... » te vervangen door de woorden « d'application des ... » (in het Nederlands « In geval van toepassing ... » in plaats van « In geval van inbreuk ... »). »

Artikel 28

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie.

« Rekening houdend met de rechtspraak van het Arbitragehof, is het aangewezen dat de wetgever dat verschil in behandeling toetst aan het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel.

Dat artikel luidt immers als volgt : « Alle bepalingen van het boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de in deze wet bedoelde misdrijven ». Het neemt dus zonder beperking de toepassing van de verzachtende omstandigheden en die van het hoofdstuk over de deelneming in zijn regeling op.

De toepassing ervan geldt evenwel niet onder dezelfde voorwaarden voor personen die zich schuldig maken aan pesterijen of geweld op het werk (wet van 4 augustus 1996), terwijl het om vergelijkbare problemen gaat die elkaar bovendien gedeeltelijk overlappen (zie hoger). Het bedrag van de geldboete mag immers niet lager zijn dan 40 % van de minimumbedragen waarvan in die wet sprake is. 

Amendement nr. 35

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 35 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), teneinde artikel 28 te doen vervallen.

De Raad van State acht deze bepaling manifest ongrondwettig. Ter verantwoording van de schrapping citeert indiener dan ook uit het advies terzake.

« De afdeling Wetgeving van de Raad van State is dan ook van mening dat ze de volgende opmerking, die ze in haar advies 32.967/2 heeft gemaakt, kan herhalen :

« Een dermate moeilijke kwestie [als de nadere regels betreffende de praktijktests], waarbij grondwettelijke beginselen op de helling kunnen komen te staan, mag niet overgelaten worden aan de Koning maar moet, althans wat de essentiële principes ervan betreft, geregeld worden door de wetgever zelf die moet zoeken naar een billijk evenwicht tussen de bevordering van de gelijkheid en de niet-discriminatie (artikelen 10 en 11 van de Grondwet) en de eerbiediging van de overige fundamentele rechten en vrijheden, en aldus ervoor moet zorgen dat tegen de  praktijktests  niet kan worden ingebracht dat ze gepaard gaan met uitlokking of deloyale handelingen. »

Het wettelijkheidsvereiste waaraan aldus herinnerd is en dat niet alleen impliceert dat de mogelijkheid om aan de Koning ter zake bevoegdheden op te dragen beperkt is maar eveneens dat de wettekst duidelijk en nauwkeurig moet worden gesteld, geldt voor alle procedés die het mogelijk maken de bewijslast om te keren.

In de hiervoor, onder punt 4, in herinnering gebrachte bepalingen van de pertinente richtlijnen inzake verdeling van de bewijslast betreffende discriminerende handelingen wordt aan de lidstaten de zorg opgedragen om daartoe een regeling op te zetten; uiteraard dienen ze zich bij die gelegenheid te houden aan de grondbeginselen van hun rechtsorde wat die kwesties betreft, met inbegrip van het wettelijkheidsbeginsel.

De redactie van de voorliggende amendementen lijkt op dat punt niet afdoende te zijn. Zo worden de gegevens die in de paragrafen 2 en 3 van de bepalingen die voorgesteld worden om te bepalen welke feiten het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden alleen bij wijze van voorbeeld opgesomd.

Daarenboven dienen begrippen zoals « een bepaald patroon van ongunstige behandeling, « verschillende, los van elkaar staande ... meldingen », « referentiepersoon », « algemene statistieken », « feiten van algemene bekendheid » en « elementair statistisch materiaal » in de tekst zelf verduidelijkt te worden.

Ten slotte voorzien de bepalingen die bij de amendementen worden voorgesteld weliswaar niet meer in het aanwenden van praktijktests, zodat er op het eerste gezicht mee kan worden volstaan te constateren dat de opdracht van bevoegdheid aan de Koning in verband met de nadere regels die daarop betrekking hebben, weggelaten wordt, toch kan evenwel, onder voorbehoud van hetgeen hiervoor opgemerkt is, niet uitgesloten worden dat dit procedé wordt aangewend in bepaalde algemene formules van de paragrafen 2 en 3.

Zulks blijkt niet aanvaard te kunnen worden, gelet op het wettelijkheidsbeginsel waaraan hiervoor is herinnerd : voor de beoordeling van de geldigheid van de gebruikte procedés zou er immers geen wettelijk kader meer bestaan, aangezien de wetgever zelf daarvoor een kader moet scheppen. Zulks geldt des te meer daar de gebezigde begrippen nog veel minder duidelijk zijn dan het begrip praktijktest.

De vraag rijst of deze omkering van de bewijslast op grond van de eliminatie van andere factoren, ook buiten de context van de gelijke beloning kan worden toegepast. In het geval twee werknemers gelijkwaardig werk verrichten, dan is het inderdaad redelijk te verwachten dat ze gelijk beloond worden.

Indien dit niet het geval is, kan redelijkerwijze een discriminatie worden vermoed. In andere gevallen, met name die waarbij een keuze moet worden gemaakt tussen verschillende betrokken personen, zoals bijvoorbeeld bij aanwerving, promotie, ontslag, of bij de verkoop en verhuur van een goed, is het niet redelijk om uit het loutere verschil van behandeling een vermoeden van discriminatie af te leiden. De werkgever, verkoper, verhuurder en dergelijke worden er in een aantal gevallen immers door de aard van de handeling zelf toe gebracht een onderscheid te maken.

Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat de wetgever een preciezer kader zou moeten scheppen voor de mechanismen tot invoering van de omkering van de bewijslast, zoals ze in de amendementen worden voorgesteld. »

Ook citeert de Raad terecht de mogelijkheid die de lidstaten hebben om de bewijslast niet om te keren, indien zij in hun wetgeving voorzien dat een rechter of een andere bevoegde instantie de feiten kan onderzoeken (art. 8 richtlijn 2000/43). En dat doet de wetgever ook, door in artikel 34 te bepalen dat onverminderd de bevoegdheden van officieren van gerechtelijke politie, de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht houden op de naleving van de wet. De omkering van de bewijslast is dus in deze optiek totaal geen Europese verplichting meer, maar wel een ideologische keuze die het voor de beschuldigde volgens de Raad van State moeilijk tot onmogelijk maakt het tegenbewijs te leveren, en dit is strijdig met de rechten van verdediging en de wapengelijkheid. De formule van de regering is er een voor de organisatie van paranoia, individuele afrekeningen en eigenrichting.

De minister antwoordt dat de Europese richtlijnen ons verplichten de deling of de omkering van de bewijslast in ons recht op te nemen . Dat geldt voor ongeacht welke nationale autoriteiten, ook voor de rechters.

Bovendien is het algemeen bekend dat de positie van het slachtoffer van discriminatie altijd ongunstig is tenzij men dat slachtoffer enigszins helpt zijn rechten te laten gelden.

Voorts is het zo dat de Raad van State zijn advies heeft uitgebracht zonder rekening te houden met de werkzaamheden van de commissie die alle onduidelijke begrippen tot klaarheid heeft gebracht en die gewezen heeft op hun verwijzing naar de Europese rechtspraak.

Begrippen zoals daar zijn « een bepaald patroon van ongunstige behandeling », « elementair statistisch materiaal » of « intrinsiek verdacht criterium van onderscheid » vinden toepassing in de buitenlandse en nationale rechtsspraak en zijn afkomstig uit de geschillen die voor het Hof van Justitie worden gebracht.

Men houdt het met opzet bij een soepele en flexibele regeling om te voorkomen dat een beperkende en gedetailleerde lijst contraproductief werkt ten opzichte van de beoogde maatregel.

De minister wijst erop dat in ons rechtsstelsel het bewijs vrij is en dat wat betreft de deling van de bewijslast het systeem in twee stadia verloopt : in eerste instantie legt men aan de rechter een aantal feitelijke elementen voor (feiten, algemene statistieken, ...) en beoordeelt die rechter hun ontvankelijkheid. Vervolgens keert de rechter zich tot de persoon die geacht wordt discriminerend gehandeld te hebben en vraagt hem om welke positieve redenen hij een verantwoord onderscheid heeft gemaakt volgens een gewettigd doel.

Die regel bestaat al sedert 2003 en heeft nog niet geleid tot een verveelvoudiging van het aantal geschillen voor de rechtbank.

De Raad van State beweert ten onrechte dat het Arbitragehof hier en daar ongrondwettige aspecten in die bepalingen zou hebben gevonden.

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de Raad van State waarbij de richtlijnen en de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie die door de regeringen worden aangevoerd, niet pertinent worden geacht.

Artikel 29

Amendement nr. 24

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 24 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), teneinde artikel 29 te doen vervallen.

Er is geen reden om in deze problematiek speciale regels inzake bewijslast en bewijsvoering in te voeren. De gewone regels kunnen volstaan. In het bijzonder wordt in dit ontwerp de bewijslast te gemakkelijk omgekeerd. Tevens is de open mogelijkheid tot het gebruik van praktijktests vanuit het standpunt van de rechtsstaat niet aanvaardbaar.

Artikel 30

Amendement nr. 25

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 25 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), teneinde artikel 30 te doen vervallen.

Er is geen reden om in deze problematiek speciale regels inzake bewijslast en bewijsvoering in te voeren. De gewone regels kunnen volstaan. In het bijzonder wordt in dit ontwerp de bewijslast te gemakkelijk omgekeerd. Tevens is de open mogelijkheid tot het gebruik van praktijktests vanuit het standpunt van de rechtsstaat niet aanvaardbaar.

Artikel 31

Amendement nr. 26

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 26 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), teneinde artikel 31 aan te vullen als volgt :

« Lidmaatschap van de beheerraad van het Centrum is onverenigbaar met een politiek mandaat, met lidmaatschap van een kabinet, met lidmaatschap van een politieke partij of een bezoldigde of onbezoldigde functie in eender welk door de overheid betaald of gesubsidieerd initiatief. 

Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding is een door de overheid ruim gefinancierd en massaal van personeel voorziene instelling die geacht wordt neutraal en onafhankelijk toe te zien op de naleving van de racismewet.

Sedert de oprichting ervan is dit Centrum er nooit in geslaagd deze neutraliteit waar te maken. De oorzaak hiervan is dat de beheerraad openlijk bevolkt is met medewerkers van regering, ministers en politieke partijen.

De beheerraad wijzigt nogal vaak in samenstelling, maar ten tijde van de vervolging van de partij Vlaams Blok werd er schaamteloos in gezeteld door VLD-politicus Stefan ECTOR, door Spirit-boegbeeld Vic ANCIAUX, door CD&V-kamerlid Nahima LANJRI, door SP.a-politicus Tarik FRAIHI, door politicus EL MOUDEN, en zelfs door de adjunct-kabinetschef van de minister van Buitenlandse Zaken.

Het Centrum was en is dan ook nog steeds in de eerste plaats een instelling die de oppositie viseert.

Indien in Rusland of de VS een overheidsinstelling actief zou zijn, bestuurd door vertegenwoordigers van de regering met als doel de oppositie aan te vallen, dan zou men terecht spreken van ondemocratische praktijken, machtsmisbruik en een aantasting van de fundamentele rechten en vrijheden. In eigen land moet dezelfde conclusie getrokken worden.

De bepaling in de wet inzake het CGKR, die stelt dat de beheerraad neutraal moet zijn, wordt systematisch met voeten getreden. Het is dan ook noodzakelijk een meer gedetailleerde verbodsbepaling in deze wet op te nemen.

Artikel 32

Amendement nr. 27

De heer Ceder en mevrouw Van dermeersch dienen amendement nr. 27 in (stuk Senaat, nr. 3-2362/2), teneinde artikel 32 te doen vervallen.

Het ontworpen artikel 32 organiseert datgene wat juristen terecht kritisch hebben genoemd, de privatisering van de strafvervolging.

In een democratische rechtsstaat is het principieel het openbaar ministerie dat beoordeelt of het instellen van strafvervolging juridisch mogelijk en maatschappelijk opportuun is.

Met het uitbesteden van het recht om deze beoordeling te maken, dient niet lichtzinnig omgesprongen te worden. Niet alleen worden mensen aldus lichtzinnig voor de rechtbank gesleept en zo verplicht om juridische kosten te maken, ook zorgen de daarop volgende vrijspraken voor een uitholling van het draagvlak van de bestreden wet.

De praktijk in België leert dat de privatisering van de strafvervolging tot onaanvaardbare ontsporingen leidt.

De vervolging tegen de politieke partij Vlaams Blok werd opgestart door de Liga voor Mensenrechten, een door extreem-links gekaapte club die de mogelijkheid tot toetreding van leden op een compleet ondemocratische manier vergrendeld heeft. Nadat het Vlaams Blok tweemaal werd vrijgesproken, vond men te Gent enkele uitgezochte rechters om de klus te klaren. De veroordeling leidde tot een grote overwinning van de partij Vlaams Belang in 2004, wellicht niet het gewenste effect dat de opstellers van de racismewet voor ogen hadden.

Wie zeker over geen enkele autoriteit beschikt om een geprivatiseerde strafvervolging op te starten, dat zijn de Belgische vakbonden. Op een volstrekt ondemocratische manier organiseren zij een monopolie van syndicale bijstand en adviesverlening en monopoliseren zij de sociale verkiezingen; bovendien sluiten zij op manifest discriminerende wijze mensen uit, die bij verkiezingen deelnemen op de kieslijst van hun keuze, indien hun politieke mening de vakbond niet bevalt.

Schrapping van dit hele voorgestelde artikel is dan ook gerechtvaardigd.

De minister antwoordt dat het ook hier gaat om een eis van de Europese Unie.

De heer Ceder meent dat België ook enige inspraak heeft. Het is al te makkelijk zich te verschuilen achter de Europese regelgeving.

De minister antwoordt dat hij positief vindt dat op Europees niveau het beginsel van de deling van de bewijslast is ingevoerd..

V. STEMMINGEN

De amendementen nrs. 1 tot 4 en 6 tot 13 van de heer Ceder en mevrouw Van dermeersch worden verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Amendement nr. 5 van de heer Ceder en mevrouw Van dermeersch wordt verworpen met 11 tegen 2 stemmen.

De amendementen nrs. 14 tot 18 en 20 tot 27 van de heer Ceder en mevrouw Van dermeersch worden verworpen met 11 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.

Amendement nr. 19 van de heer Ceder en mevrouw Van dermeersch wordt verworpen met 11 tegen 3 stemmen.

Amendement nr. 28 van de heer Hugo Vandenberghe wordt verworpen met 10 tegen 2 stemmen.

De amendementen nrs. 29 tot 32 van de heer Hugo Vandenberghe worden verworpen met 11 tegen 2 stemmen.

De amendementen nrs. 33 en 35 van de heer Hugo Vandenberghe worden verworpen met 11 tegen 3 stemmen.

Amendement nr. 34 vervalt.

VI. TEKSTVERBETERINGEN

De commissie brengt volgende tekstcorrecties aan die evenwel niets aan de inhoud van het wetsontwerp wijzigen :

Algemene opmerking

Om dezelfde terminologie te gebruiken als in de richtlijnen 2000/43/EG, 2000/78/EG en 2002/73/EG, en om coherent te blijven met andere bepalingen van hetzelfde wetsontwerp, blijkt het aangewezen in de Franse tekst de woorden « sur base de l'un [des critères protégés] » te vervangen door « fondée sur l'un [des critères protégés] ». Deze wijziging betreft de artikelen 3 en 22.

Art. 15

In artikel 15, § 7, 3º, het woord « rechtsorgaan » wordt vervangen door het woord « rechtscollege ».

Art. 17

Het woord « novies » wordt vervangen door het woord « nonies ».

Art. 18

In § 5 wordt verwezen naar de gecoördineerde wetten van 12 juni 1973 op de Raad van State (in het Frans : « lois coordonnnées du 12 juin 1973 »). Deze verwijzing is niet correct : het moet zijn « 12 januari 1973 » (in het Frans : « 12 janvier 1973 »).

VI. EINDSTEMMING

Het verbeterde wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 11 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.


Dit verslag wordt goedgekeurd met eenparigheid van de 12 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitter,
Philippe MAHOUX.
Fauzaya TALHAOUI.
Hugo VANDENBERGHE.

Onder voorbehoud van de hierboven vermelde technische berbeteringen, is de door de commissie aangenomen tekst dezelfde als de door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerptekst (stuk Kamer, nr. 51-2720/11)


(1) Parl. St., Senaat, BZ 1999, nr. 2-12/1, blz. 4; 2001-2002, nr. 2-12/5, blz. 99, 121.

(2) Arrest 157/2004, B.35.