3-210

3-210

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 22 MAART 2007 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de vaststelling van het pensioen als zelfstandige na een schorsing van het pensioen wegens hervatting van een beroepsbezigheid» (nr. 3-2201)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Wanneer een zelfstandige met pensioen gaat, wordt zijn pensioen vastgesteld in functie van de gewerkte of gelijkgestelde periodes tijdens zijn loopbaan.

Het pensioen wordt berekend op basis van de pensioenloopbaan vóór het jaar waarin het `pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat', en die pensioenberekening is definitief. Als gevolg daarvan kan een gepensioneerde zelfstandige die na de ingangsdatum van zijn pensioen beslist om van zijn pensioen af te zien en opnieuw een beroepsbezigheid uit te oefenen, geen extra pensioenrechten opbouwen. Intussen heeft betrokkene wél volwaardige sociale bijdragen betaald en met zijn ervaring een bijdrage geleverd aan onze economie.

Op 5 december 2005 heb ik over die problematiek reeds een schriftelijke vraag gesteld. Volgens het antwoord van de minister in het Bulletin van Vragen en Antwoorden nummer 3-63 van 28 maart 2006 kan in de stelsels van de werknemers en van het overheidspersoneel een beroepsactiviteit die wordt aangevat na een volledige schorsing van het pensioenrecht, toch nog pensioenrechten opleveren. De minister repte wel met geen woord over de regeling in het stelsel van de zelfstandigen.

Bij navraag op de pensioendienst voor de zelfstandigen leerde ik evenwel dat de diensten op basis van de geldende pensioenwetgeving ingeval van hervatting van een beroepsbezigheid na een volledige schorsing van het pensioen het oorspronkelijk toegekende pensioen als definitief beschouwen en derhalve geen extra pensioenrechten toekennen. Dat gebeurt meer bepaald met toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen en met toepassing van artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, §1, 4º, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire unie.

Op 20 juli 2006 stelde ik opnieuw een vraag, nu specifiek over de regeling voor de zelfstandigen. Die vraag stelde ik zowel aan de minister van Middenstand als aan de minister van Pensioenen. De minister van Middenstand heeft geantwoord in het Bulletin van Vragen en Antwoorden nr. 3-73; de minister van Pensioenen heeft nog niet geantwoord. Mijn vraag nummer 3-5740 van 20 juli 2006 werd zonder antwoord gepubliceerd in Bulletin van Vragen en Antwoorden nummer 3-74.

In ieder geval bevestigde de minister van Middenstand dat, behalve in één specifiek geval, namelijk wanneer het pensioen door overschrijding van de grenzen inzake toegelaten activiteit met meer dan 15% van bij de initiële ingangsdatum wordt teruggevorderd, een hervatting van een beroepsbezigheid na schorsing van het pensioen geen extra pensioenrechten kan opleveren, en dat in tegenstelling tot de situatie in de pensioenregelingen voor werknemers en ambtenaren. Zij liet weten dat een `grondige analyse' zou worden uitgevoerd om de noodzaak van een eventuele hervorming ter zake te kunnen inschatten.

Zelfstandigen worden op dit vlak dus anders behandeld dan werknemers en ambtenaren. Eigenlijk is dat een vorm van discriminatie. Meer nog, wie vroeger nooit zelfstandige was, kan met een activiteit als zelfstandige wél nog pensioenrechten opbouwen. Daardoor ontstaat nog eens een discriminatie tussen zelfstandigen die vroeger al dan niet een zelfstandige activiteit hebben uitgeoefend.

Ik geef een voorbeeld. Een werknemer met een loopbaan van 40 jaar als werknemer, gaat op 60 jaar met pensioen. Als zijn pensioen wordt geschorst omdat hij een zelfstandige beroepsactiviteit wil aanvangen waarvan de inkomsten de toegelaten grens zullen overschrijden en hij later opnieuw zijn pensioen aanvraagt, dan zal hij voor de periode van schorsing van het pensioen waarin hij een zelfstandige activiteit uitoefende en volwaardige sociale bijdragen betaalde toch nog extra pensioen krijgen als zelfstandige, maar dan alleen onder die voorwaarde dat hij vroeger nooit zelfstandige is geweest. Want als hij vroeger zelfstandige geweest is en er voordien al eens een stukje zelfstandigenpensioen uitbetaald is, komt hij voor dat extra pensioen als zelfstandige niet meer in aanmerking omdat zijn pensioen als zelfstandige dan al `daadwerkelijk en voor de eerste maal' en bijgevolg definitief is vastgelegd.

Die situatie lijkt mij vanuit rechtvaardigheidsstandpunt volstrekt onaanvaardbaar.

Nu in onze samenleving de consensus groeit dat meer mensen moeten worden gestimuleerd om een beroepsbezigheid op te nemen, lijkt het mij raadzaam dat mijns inziens niet objectief verantwoordbare verschil in behandeling op te heffen. Zolang er nog beperkingen rusten op de toegelaten beroepsbezigheid van gepensioneerden - beperkingen die ik graag zo snel mogelijk opgeheven zou zien - zou de overheid mensen die bereid zijn hun pensioen op te geven om opnieuw te gaan werken, moeten belonen in plaats van bestraffen.

Mag ik daarom aan de minister vragen hoe hij dit verschil in behandeling kan verklaren?

Heeft de door de minister van Middenstand aangekondigde evaluatie reeds plaatsgevonden? En zo ja, wie was daarbij betrokken en wanneer zullen de resultaten van deze evaluatie beschikbaar zijn? Zo neen, wanneer wordt die analyse gepland?

Is de regering zinnens om die regeling aan te passen en binnen welke termijn mogen wij die aanpassing verwachten?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord. Artikel 249 van de programmawet van 27 december 2006 heeft in artikel 4, §3, eerste lid van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen de woorden `daadwerkelijk en voor de eerste maal' doen vervallen.

De nieuwe maatregel is van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2007 ingaan.

Door niet langer te verwijzen naar de eerste ingangsdatum van het pensioen kan bij een herberekening van het pensioen rekening worden gehouden met de kwartalen na de eerste effectieve ingangsdatum van het pensioen, waarvoor de zelfstandige bijdragen heeft betaald die het recht op pensioen kunnen openen, wanneer het pensioen werd geschorst ingevolge het uitoefenen van een niet toegelaten beroepsbezigheid als zelfstandige.

Bijgevolg worden de zelfstandigen op dit vlak voortaan op dezelfde wijze behandeld als de werknemers en de ambtenaren.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de staatssecretaris voor dit klaar en duidelijk antwoord. Het is een bewijs te meer dat zelfs specialisten in deze zaak hun weg niet meer vinden en dat de vele programmawetten en diverse bepalingen ons ertoe nopen vragen te stellen terwijl het probleem eigenlijk al opgelost is.