3-210

3-210

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 22 MAART 2007 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de gedragscode bij en na optredens van politiediensten» (nr. 3-2215)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Met regelmaat komen er incidenten in het nieuws naar aanleiding van het optreden van politiediensten en interventieteams van de federale politie bij huiszoekingen, bij gerechtelijk onderzoek en bij arrestaties. Ik weet dat de minister zich niet uitspreekt over individuele gevallen en dat verwacht ik ook niet. Ik begin me wel vragen te stellen wanneer feiten zich herhaaldelijk voordoen.

Het is niet mijn bedoeling om te veralgemenen, maar ik word wel vaak aangesproken over een, al dan niet racistische, machocultuur die er bij sommige politiemensen heerst wanneer ze in contact komen met allochtonen.

Als de diensten fouten begaan, moeten er excuses volgen. Daarover zult u het met mij eens zijn. Vaak beperkt men zich bij de diensten echter tot de verklaring `dat er geen verdachte personen, producten of feiten gevonden zijn'. Zo'n uitspraak versterkt het dan ongegronde vermoeden dat `waar rook is ook vuur is'. Als daar hele families bij betrokken zijn, leidt dat tot reacties tegenover hun kinderen op school, bij hun contact met de buren, de kennissen, kortom: in hun nabije omgeving, de leefwereld waarin ze elke dag moeten functioneren.

Het is daarom wenselijk, en gewoonweg zeer terecht, dat politiediensten hun vergissingen toegeven. Verder vind ik het ook niet meer dan normaal dat ze zich zouden verontschuldigen voor de excessen van hun optreden en publiekelijk de familie van elke smet zouden bevrijden. Ook als agenten bij arrestaties of interventies denigrerende of racistische uitspraken hebben gedaan, moeten daar volgens mij openlijke en rechtstreekse excuses van de agent in kwestie op volgen.

Kan de minister het aantal klachten laten onderzoeken over een al te agressief of racistisch optreden en racistische uitspraken van politiemensen?

Heeft de minister plannen om de bedrijfscultuur bij interventieteams te laten doorlichten? Indien daaruit inderdaad blijkt dat er uitwassen zijn, is de minister dan bereid om aan te sturen op `change management'?

Wat zijn de geplogenheden als zou blijken dat de diensten, bij een inval of een arrestatie, zich grondig hebben vergist?

Is er een verplichting om officieel excuses aan te bieden? Wordt er aan nazorg gedaan om onschuldigen te helpen eventueel opgelopen trauma's verwerken?

Hoe worden interventies nadien geėvalueerd?

Is er kwaliteitsbewaking bij een interventie?

Wat wordt er gedaan om uitingen van racisme, vernederingen of een ongepaste houding te vermijden? Worden daar sancties aan verbonden?

Hoe wordt morele schade vergoed?

Wie is de organisatorisch verantwoordelijke voor het optreden van interventieteams?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het gaat hier om twee verschillende zaken, enerzijds het mogelijke racisme van politiemensen en anderzijds het mogelijke onvermogen van politiemensen die zich bij een optreden vergist hebben om zich daarvoor te verontschuldigen.

Goed gestructureerd cijfermateriaal is momenteel niet beschikbaar. De dienst intern toezicht van de federale politie telt voor het jaar 2006 drie klachten. Als er vreemdelingen bij een klacht betrokken zijn, gaat deze dienst steeds uit eigen beweging na of er sprake is van racisme, ook als de klacht niet daarover gaat.

Sinds 2002 functioneert binnen de Federale Politie een Dienst Gelijkheid en Diversiteit. Die ziet erop toe dat elke vorm van discriminatie wordt aangepakt, zowel ten aanzien van de bevolking als binnen de politieorganisatie zelf.

De politie streeft zo naar een wijziging van de gangbare politiecultuur ten voordele van een grotere openheid en aanvaarding van `het andere'.

Voor de realisatie van deze opdracht onderneemt de Dienst Gelijkheid en Diversiteit verschillende acties.

Er is een intern netwerk van contactpersonen diversiteit. De doelstelling is om via die contactpersonen een cultuurwijziging te realiseren bij alle personeelsleden van de geļntegreerde politie. Sinds enkele maanden neemt het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding deel aan de werkzaamheden van dat netwerk.

Door middel van campagnes, affiches, interne publicaties, informatie-uitwisseling en samenwerking met andere diensten wordt er ook naar gestreefd om het personeel voor de verschillende aspecten van diversiteit te sensibiliseren.

Het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding heeft ten behoeve van de politie een vormingspakket `diversiteit' ontwikkeld. Momenteel wordt bovendien de eerste hand gelegd aan een opleiding `diversiteit' ten behoeve van het management van de politie.

De rekrutering van Belgen van vreemde herkomst moet zowel intern als in het belang van de dienstverlening ten aanzien van de bevolking de openheid voor andere culturen verhogen.

Ten slotte, en niet in het minst, hebben de vragen over racisme en discriminatie bijzondere aandacht gekregen in de deontologische code van de politiediensten die in 2006 is uitgevaardigd. Daarin wordt de aandacht gevestigd op het respect in de omgang van de politie met mensen, ook met delinquenten, en op het onvoorwaardelijke verbod van discriminatie, partijdigheid en willekeur.

Elke politiechef, federaal én lokaal moet in het bijzonder aandacht besteden aan coaching, begeleiding en omkadering van de personeelsleden. Afwijkend gedrag moet onmiddellijk gecorrigeerd worden. De chefs moeten ervoor waken dat in elk korps een bedrijfscultuur groeit waar uitwassen van welke aard ook uitgesloten zijn en politiemensen duidelijk weten wat not done is.

De manier waarop een huiszoekingsbevel of een aanhoudingsbevel technische ten uitvoer wordt gelegd, hangt af van een risicoanalyse van de situatie. Hoe goed de operatie ook wordt voorbereid, toch kunnen er nog elementen zijn die niet te voorzien zijn of kan de tijd ontbreken om zich grondig voor te bereiden of om bepaalde inlichtingen nog in te winnen.

Een professionele politieorganisatie moet evenwel in staat zijn om haar optreden kritisch te evalueren en, zo nodig, niet alleen te leren uit de fouten maar ook verontschuldigingen aan te bieden in geval van een onaanvaardbare ernstige vergissing van politieambtenaren.

Elke interventie maakt het voorwerp uit van een goede debriefing. Dat is a fortiori het geval als de interventie verkeerd gelopen is.

De politie moet ook nagaan in welke mate ze herstellend kan optreden, zeker tegenover mensen die te goeder trouw zijn. Ook dat maakt deel uit van slachtofferbejegening. De politie moet inderdaad het nodige doen om psychologische bijstand te verlenen.

De vraag naar schadevergoeding wordt niet uit de weg gegaan. De rechtspersonen in wiens opdracht de politie werkt kunnen burgerlijk aansprakelijk zijn en een fout van een politieambtenaar kan aanleiding geven tot schadevergoeding, in de gevallen en volgens de modaliteiten die de Wet op het Politieambt bepaalt.

Tenslotte spelen de omkadering en de gezagsuitoefening binnen de politie een rol. Politie inspecteurs ageren niet in het wilde weg. Er is een interne hiėrarchie en er is het toezicht en het gezag van de politieoverheden, zoals de procureurs des Konings. Elke interventie past in een kader, waarin ook de functionele hiėrarchie een rol speelt.

Er is dus niet alleen de individuele verantwoordelijkheid van elke politieambtenaar afzonderlijk. Er is ook de verantwoordelijkheid van degenen die voor de omkadering, de voorbereiding, de inzet van middelen moeten instaan, met name de hoofdinspecteurs en de commissarissen, elk op hun niveau. Er moet steeds een verantwoordelijke officier zijn. Ook hoger is er nog een verantwoordelijkheid namelijk die van het algemene kader waarin gewerkt moet worden. De eindverantwoordelijkheid berust bij de leidinggevend magistraat overeenkomstig het wetboek van Strafvordering en de Wet op het Politieambt.