3-209

3-209

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 22 MAART 2007 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Themadebat: Het energiebeleid in België (Stuk 3-2041)

De voorzitter. - Aan de orde is het themadebat over het energiebeleid in België. Het debat bestaat uit drie delen:

Het Bureau heeft de spreektijd in het eerste deel vastgesteld op 5 à 10 minuten per fractie.

Ik geef het woord aan de heer Collas, corapporteur.

M. Berni Collas (MR), corapporteur. - Dans le courant de la législature 2003-2007, plusieurs propositions de loi et propositions de résolution sur la politique énergétique de la Belgique ont été déposées à la commission des Finances et des Affaires économiques.

Les propositions suivantes ont été déposées : nº 3-1201, nº 3-1272, nº 3-1554, nº 3-1759, nº 3-1178.

In dat kader werden een aantal commissievergaderingen en hoorzittingen georganiseerd, onder andere met de heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. Het verslag bevat de samenvattingen van de hoorzittingen. De volledige toespraken worden als bijlage bij het verslag op de webstek van de Senaat gepubliceerd.

Van 21 tot 23 februari 2007 is een delegatie van de Senaatscommissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden op werkbezoek in Finland geweest. Ze heeft contacten gehad met de exploitant van de twee Finse kerncentrales op het eiland Olkiluoto, waar ook een nieuwe centrale wordt gebouwd, met Greenpeace Finland, met de Radiation and Nuclear Safety Authority en ten slotte met VTT, het Technical Research Centre of Finland, om het aspect energiebesparing uit te diepen. Het verslag van het bezoek werd opgenomen in de inleiding.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Inzake energie komen verschillende uitdagingen op ons af. De energieprijzen zijn door de recente forse groei van de wereldeconomie fel gestegen. Grondstoffen raken op: aardolie en aardgasreserves op middellange termijn en uraniumreserves op lange termijn. Alleen steenkool is nog ruim voorradig. Er zijn de klimaatdoelstellingen en de opwarming van de aarde die samenhangt met het verbruik van energie voor transport, verwarming en elektriciteit. Er is de energieafhankelijkheid van mogelijk onbetrouwbare leveranciers. De werking van vooral de aardolie- en de aardgasmarkt, in combinatie met de monopoliepositie van SUEZ en zijn afgeschreven productieapparaat, verhindert de gezonde werking van de markt. Ook de eigendom en het beheer van de netten blijven knelpunten. Er is nood aan een coherent energie- en klimaatbeleid, waarvoor zowel Europese richtlijnen als federale en regionale normen gelden.

Onze partij is voorstander van een energiebeleid dat rekening houdt met verschillende doelstellingen waarover een eerlijk en open debat moet worden gevoerd.

Er moet een rationeel energiebeleid komen. Niets is zo goedkoop en zo goed voor het leefmilieu als de niet-verbruikte kilowatt.

Er is behoefte aan een betaalbare energiefactuur voor zowel de particulieren als de bedrijven. Daartoe moeten de markten efficiënt worden georganiseerd, zodat de laagst mogelijke prijzen gelden.

Er moet bijzondere aandacht uitgaan naar de bescherming van het leefmilieu. De keuze van de energiebronnen moet in overeenstemming zijn met het klimaatbeleid.

Er moet bevoorradingszekerheid zijn. Onze elektriciteitproductie mag niet voor 80% van gas afhankelijk worden. We zijn gewonnen voor een evenwichtige mix van energiedragers via betrouwbare leveranciers.

De overheid moet maatregelen nemen om de concurrentie bij de elektriciteitsproductie ten volle te laten werken, zodat de marktwerking positieve resultaten oplevert voor de verbruikers.

Het Vlaams Gewest moet instrumenten in handen krijgen om een coherent energiebeleid te voeren.

Hoe evalueren we het paarse energiebeleid?

Het regeerakkoord bevat talloze doelstellingen. Wat is daarvan terechtgekomen?

Voor de werking van de elektriciteits- en de gasmarkt verwijs ik naar de Pax Electrica I en II. Ze hebben nauwelijks een invloed gehad op de marktwerking en de Belgische industriële verbruiker heeft tot vandaag nog steeds een energiehandicap van ongeveer 20%.

De vervroegde uitstap uit de kernenergie, waartoe de vorige groenpaarse regering heeft beslist, houdt in dat de bestaande kerncentrales tussen 2015 en 2025 worden gesloten. Vandaag produceren die centrales 55% van onze elektriciteit en liggen er geen alternatieven voor het grijpen. Op een ogenblik dat het klimaatbeleid ons tot ernstige inspanningen noopt, zouden we wel eens op een blind avontuur kunnen afstevenen.

Zeer opvallend was het offensief van de federale regering naar aanleiding van de fusieoperatie tussen Gaz de France en SUEZ, waarbij ze zich tot eind 2009 heeft verbonden voor het behoud van fiscale stabiliteit.

Het regeerakkoord 2003 kondigde aan dat eind 2004 de eerste windmolens op zee operationeel zouden zijn. Op dit ogenblik draait er echter nog geen enkele zeewindmolen en blijkbaar zal dat ook niet vóór 2010 het geval zijn.

De Europese doelstelling om tegen 31 december 2005 2% biobrandstoffen te hebben, werd niet gehaald. Vandaag zijn er nog altijd nauwelijks biobrandstoffen op de markt. De aangekondigde verschuiving van de vaste kosten naar de variabele kosten inzake het vervoer, de ombudsdienst en de sociale elektriciteitstarieven werd niet of onvoldoende gerealiseerd, tenzij de regering daaromtrent in het weekend op de valreep een principiële beslissing heeft genomen.

Wat zijn onze krachtlijnen voor een ander energiebeleid?

Wat de vraagbeheersing betreft, is het duidelijk dat energiebesparing centraal staat. CD&V wil de energie-efficiëntie verhogen. De normen voor huishoudelijke apparaten als koelkasten, diepvriezers, wasautomaten en wasdrogers, alsook voor verwarmingsketels en airconditioningtoestellen moeten op Europees vlak continu worden aangescherpt. Met het recente energieprestatiedecreet werd inzake de normen voor verwarming en afkoeling van gebouwen al een belangrijke vooruitgang geboekt. De regering heeft afgelopen weekend een aantal maatregelen aangekondigd, maar wij menen dat die op Europees niveau moeten worden genomen, om concurrentievervalsing te voorkomen.

CD&V kiest voor verregaande energiebesparing onder impuls van de regionale overheden waarop het fiscale beleid van de federale overheid moet kunnen aansluiten. Het is wenselijk dat het tarievenbeleid ten opzichte van het distributienet naar de gewesten wordt overgeheveld zodat de openbare dienstverplichtingen die de gewesten opleggen en de tarifering van het distributienet goed op elkaar worden afgestemd.

Wat de aanbodsturing betreft, streven wij naar een mix van bronnen en betrouwbare leveranciers. We willen dus alle opties openhouden en zijn voorstander van duurzame energie, aardgas, aardolie, kernenergie en, als er voldoende technologische vooruitgang is, schone steenkool. De leveranciers moeten uit alle windstreken komen, want we willen zeker niet afhankelijk zijn van welke leverancier dan ook.

Het Vlaams Gewest wil 6% groene stroom tegen 2010. CD&V vraagt dat het aandeel groene stroom tegen 2015 verhoogd wordt tot 12%. De federale overheid is vooralsnog bevoegd voor het transmissienet en de Noordzee. Het zou verstandig zijn het groenestroombeleid, met inbegrip van de injectie, inzonderheid op het transmissienet, en de tarifering, die tot nog toe begrepen is in de transmissietarieven, en de ecologische openbare dienstverplichtingen als zodanig volledig over te laten aan de gewesten.

Kernenergie heeft nadelen, maar ook voordelen. We willen ons niet blind staren op de nadelen, maar ook de voordelen in ogenschouw nemen. Wij zijn noch nucleofoob, noch nucleofiel.

De argumenten die paars heeft aangehaald om de kerncentrales vervroegd te sluiten, zoals veiligheid, proliferatierisico en kernafval, zijn niet overtuigend omdat geen rekening wordt gehouden met de voordelen. De bestaande Belgische centrales zijn afgeschreven. Aangezien alleen nog de variabele kosten overblijven, kunnen de kerncentrales zeer goedkoop elektriciteit produceren. Bovendien is de productie klimaatvriendelijk omdat er geen CO2-uitstoot is.

De meerwaarde die gerealiseerd wordt door het langer openhouden van de kerncentrales moet worden aangewend voor maatschappelijke doelstellingen, waaronder milieudoelstellingen en meer in het bijzonder de ondersteuning van duurzame energie. Goed bestuur veronderstelt het nemen van verantwoorde beslissingen op korte, middellange en lange termijn. De studie van de Commissie 2030 die de paarse regering heeft besteld in verband met de energiebevoorrading op middellange en lange termijn, bevestigt overigens onze optie.

Het bevorderen van de marktwerking in de elektriciteits- en gassector is ook belangrijk om voor productie en handel een level playing field te organiseren. Het actuele gebrek aan investeringen in de Belgische energiesector, waardoor België nu bijna 10% van zijn elektriciteit moet invoeren, maakt duidelijk dat een betrouwbaar en voorzienbaar overheidsbeleid op lange termijn noodzakelijk is om investeringsbeslissingen mogelijk te maken.

Wij stellen volgende maatregelen voor.

CD&V wenst prioritair de marktwerking in de elektriciteitssector te bevorderen. Daartoe is het wenselijk dat een tranche van 2000 MW in de nucleaire activa door de dominante marktspeler wordt afgestaan aan andere marktspelers. Indien dit niet mogelijk is, moet een onafhankelijke groothandelaar worden aangesteld om de nucleaire productie en de productie van de steenkoolcentrales te verhandelen. De marge die de groothandelaar creëert, kan worden aangewend voor de financiering van milieudoelstellingen, met inbegrip van de ondersteuning van duurzame energie.

CD&V wenst dat bijkomende competitieve sites daadwerkelijk ter beschikking worden gesteld voor andere geïnteresseerde elektriciteitsproducenten in plaats van alleen maar voor de dominante speler.

CD&V kiest voor een overwegend publieke eigendom en een publiek beheer van de netten die van nature een monopolie vormen. Bedrijven uit de energiesector mogen aandelen verwerven, maar afzonderlijk of gezamenlijk geen meerderheid, ook geen blokkeringsminderheid en zelfs geen referentieaandeelhouderschap hebben.

CD&V wil de mededinging op het vlak van de import van aardgas en de groothandel in aardgas bevorderen. CD&V pleit voor het handhaven en verder uitbouwen van Zeebrugge als draaischijf en voor de uitbouw van een internationaal netwerk.

Wat energie en KMO's en industrie betreft, willen we erop wijzen dat de kwalitatieve aspecten van de levering voor vele KMO's en bedrijven belangrijk zijn. Betere kennis van het stroomafnameprofiel via digitale meters, zodat leveranciers aan de KMO's een grotere waaier aan tariefformules kunnen aanbieden, en evenwichtige regelingen bij stroomonderbrekingen zijn noodzakelijk.

We pleiten voor echte sociale tarieven. Het sociale tarief is erop gericht de energiefactuur van personen met een laag inkomen of van mensen die in een kwetsbare situatie verkeren te verlichten. Voor CD&V moet dat tarief automatisch worden toegekend en moet het goedkoper zijn dan de laagste commerciële energietarieven in het distributiegebied. Afgelopen weekend heeft de regering een principiële beslissing in die richting genomen, maar om tot een coherente aanpak te komen moeten de gewesten bevoegd worden voor het tariefbeleid in de distributie.

Voldoende en zekere nucleaire provisies zijn noodzakelijk. CD&V wenst dat er een sluitende regeling komt, zodat de nucleaire voorziening, met respect voor de Europese regelgeving, maximaal in België wordt verankerd en niet wordt aangewend om de begroting op te smukken. In ieder geval moet ook de aangroei van de provisie gegarandeerd worden en moet ze ruim voldoende zijn op het tijdstip van de ontmanteling van de kerncentrales. We vrezen dat met de regelingen in het wetsontwerp diverse bepalingen, waarover we gisteren in de commissie helaas niet met de minister hebben kunnen debatteren, een gat in het nucleair passief wordt geslagen.

CD&V pleit voor de oprichting van een BTW-compensatiefonds dat het verlies aan energiedividenden van de gemeenten effectief kan dekken. Het heeft als bijkomend voordeel dat de opbrengst op een objectieve wijze tussen de gemeenten wordt verdeeld. Daardoor worden de gemeenten aangezet tot een transparant bestuur omdat allerlei constructies, die nu worden opgezet om geen BTW te betalen, niet langer nodig zijn.

Tenslotte moet de consument beter worden beschermd. Het vrijmaken van de elektriciteits- en aardgasmarkt betekende voor de consument een omwenteling. Wat het meest opvalt, is dat veel consumenten nauwelijks gebruik maken van de keuzemogelijkheden die de markt hen biedt. De nieuwe marktsituatie is erg complex en vraagt veel terreinkennis. Een correcte prijsvergelijking kan enkel op basis van transparante prijsaanduidingen en een transparante energiefactuur. Daarom vraagt CD&V een vermelding van de all inclusive kostprijs per eenheid verbruikte energie, een uniforme energiefactuur, een verbod van agressieve verkooptechnieken, een garantie van vlotte en eenvoudige verandering van energieleverancier en het aanmoedigen van het gebruik van de dubbele tariefmeter en de slimme budgetmeter.

Mme Joëlle Kapompolé (PS). - Le développement durable, en ce compris les aspects liés à la responsabilité sociale des entreprises, aux investissements durables et aux placements éthiques, suscite un vif intérêt de la part des institutions supranationales, des chefs de gouvernement, des organisations non gouvernementales et des organismes financiers, des partis politiques, des entreprises, du monde syndical et des citoyens.

Force est de constater qu'au cours des dernières décennies, la conscience du caractère insoutenable d'une croissance infinie a dû céder la place à la notion de « développement durable ». Nos modes de production et de consommation exercent une pression intenable sur l'environnement. Les écosystèmes se dégradent, les ressources naturelles n'arrivent plus à se renouveler et le processus de réchauffement climatique est enclenché et perceptible.

Le PS estime que les pouvoirs publics fédéraux, les communautés et les régions doivent, d'une part, élaborer leur propre stratégie politique de développement durable et, d'autre part, édifier une stratégie nationale commune en faveur du développement durable. Il s'agit d'encourager l'État fédéral et les entités fédérés à réactiver la mise en oeuvre du premier volet de la stratégie nationale dans le respect des principes de complémentarité, d'interaction, de plus-value et de synergie.

Le PS souhaite également que la Belgique renforce son cadre institutionnel pour la réalisation de ses objectifs afin de l'inscrire dans la continuité de ce qui vient d'être fait avec la révision de la Constitution. Comme cela a déjà été rappelé lors de l'adoption de la proposition de révision de la Constitution sur le développement durable, les différentes composantes politiques doivent être intégrées. Les objectifs sociaux et écologiques ne doivent donc pas être considérés comme complémentaires ou distincts du développement économique.

Je voudrais maintenant m'attarder sur plusieurs enjeux majeurs aux yeux du PS et, tout d'abord, la sortie du nucléaire. Le PS tient à rappeler que l'énergie nucléaire présente plusieurs caractéristiques qui sont loin d'en faire une énergie durable. À l'instar des énergies fossiles, l'énergie nucléaire est limitée en quantité par la rareté de sa matière première. Comme cela a été rappelé lors de la visite de la commission des Finances et des Affaires économiques au centre d'enfouissement, l'énergie nucléaire génère des déchets pour lesquels il n'existe pas encore de solution satisfaisante. L'énergie nucléaire présente également une autre caractéristique propre aux énergies fossiles : elle ne renforce pas l'indépendance de la Belgique par rapport à l'approvisionnement en matière première. Enfin, selon plusieurs études, l'énergie nucléaire, contrairement à ce que l'on pense, génère également du CO2 dans les processus d'extraction et de conditionnement des matières premières.

Dans la mesure où les investissements que nécessite l'énergie nucléaire sont gigantesques par rapport à d'autres formes d'énergie, le PS estime qu'il est aujourd'hui indispensable d'orienter ces moyens vers des énergies véritablement durables.

Nous ne souhaitons donc pas revenir sur la loi relative à la sortie du nucléaire. La loi autorise déjà des mesures temporaires s'il s'avère que la sécurité d'approvisionnement est par exemple compromise. Or, rien n'indique actuellement que les conditions prévues dans cette clause d'exception sont satisfaites.

Un autre enjeu important est la réduction de la consommation énergétique. Le parc d'habitations belge est assez âgé et, en règle générale, assez mal isolé. Selon le plan d'action sur l'efficacité énergétique, publié de la Commission européenne, l'Europe continue à gaspiller 20% de son énergie par manque d'efficacité énergétique. Des mesures incitatives doivent donc être prises pour encourager les pouvoirs publics, les particuliers et les entreprises à réduire de manière significative leur consommation d'énergie.

C'est à l'initiative du PS qu'une partie, cent millions d'euros, du fonds de démantèlement des centrales nucléaires, le fonds Synatom a été mise à disposition pour permettre des prêts à des taux très préférentiels pour des travaux d'économies d'énergie (isolation, double vitrage, chaudière à condensation...) et pour le développement d'énergies alternatives (éolienne, biomasse...).

Les politiques environnementales ne sont pas idéologiquement neutres. Il faut évidemment réformer la fiscalité afin d'encourager les comportements positifs et pénaliser les comportements nocifs, mais pas de manière mécanique et simpliste. Il faut éviter de pénaliser les personnes les plus fragilisées de notre société.

Toute mesure allant dans le sens d'une meilleure prise en compte des enjeux environnementaux par la fiscalité doit être accompagnée de dispositifs parallèles afin de résorber la fracture écologique.

Les entreprises doivent impérativement intégrer le développement durable non seulement dans leur politique d'investissement mais également dans la manière dont elles exercent leur activité. À cet égard, une proposition socialiste vise à intégrer dans le rapport de gestion des entreprises les aspects environnementaux.

Le développement des énergies alternatives est un autre enjeu d'importance. En coordination avec les entités fédérées, le PS encourage le développement de projets d'envergure comme le développement de l'énergie éolienne en mer du Nord, sans oublier le développement du photovoltaïque ou des biocarburants.

Pour permettre notamment le développement des énergies renouvelables, il importe de diversifier autant que possible nos approvisionnements énergétiques tant en ce qui concerne les vecteurs énergétiques que les sources ou les chemins d'approvisionnement.

Une politique européenne commune de l'énergie est indispensable. Étant donné la dépendance croissante due aux importations d'énergie et aux risques géopolitiques qui y sont liés, l'Union européenne devra parler d'une seule voix tant face aux fournisseurs, la Russie ou l'OPEP, que face aux grands consommateurs que sont les États-Unis, la Chine ou l'Inde.

Une autre piste ne doit pas être oubliée : le développement et la recherche scientifique.

Dans tous les domaines, le PS souhaite le développement d'innovations en vue d'améliorer les performances énergétiques : dans la construction, l'automobile, l'électroménager, les transports publics, etc.

Parler de transports publics nous amène à un autre enjeu : la mobilité en phase avec les impératifs énergétiques. Outre le développement d'un transport en commun de qualité, il faut s'atteler à rendre nos modes de déplacement plus propres, utiliser beaucoup plus la voie d'eau et encourager l'intermodalité là où elle est possible.

En conclusion, chers collègues, je dirai que chacun d'entre nous doit fournir des efforts. Mais ces efforts doivent être adaptés aux situations personnelles et être proportionnels aux capacités de chacun.

Il importe de concilier défense de notre environnement et sécurité d'existence pour chacun. C'est non seulement possible, mais pour le PS ce défi représente une opportunité extraordinaire d'amélioration de notre qualité de vie et une chance pour la croissance économique et l'emploi.

M. Christian Brotcorne (CDH). - Je remercie d'abord les membres de la commission d'avoir permis l'organisation de ce débat, lequel concerne des défis importants qui attendent le monde politique, celui de l'entreprise et l'ensemble de nos concitoyens.

Pour le CDH, la politique énergétique doit atteindre trois objectifs majeurs. Le premier est que pareille politique doit s'inscrire dans le respect et le développement d'un environnement harmonieux et tenir compte des risques environnementaux majeurs, ce qui impose des efforts accrus en termes de réduction de gaz à effet de serre.

Ensuite, l'énergie doit être fournie à des prix compétitifs et accessibles permettant à notre économie de prospérer et aux ménages de faire face à leurs besoins. Enfin, les prix énergétiques doivent être stables, condition nécessaire pour permettre au monde industriel de prévoir des évolutions économiques pensées et concertées qui doivent s'inscrire dans une volonté d'indépendance énergétique. Cela nécessite de prendre des précautions pour garantir un approvisionnement en énergie bien réparti entre les sources d'énergie et les zones géographiques.

Parallèlement, la Belgique doit mieux réussir la libéralisation de son marché de l'électricité et du gaz, ce qui implique la mise en place de conditions d'une véritable concurrence sur le marché belge de ces deux sources d'énergie. Il faut permettre l'arrivée de nouveaux producteurs pour faire jouer la concurrence et favoriser une énergie plus respectueuse de l'environnement.

La mise en place d'une véritable politique énergétique comprend trois axes. Le premier est le respect de l'environnement et la lutte contre le réchauffement climatique. Pour le CDH, la diminution des gaz à effet de serre doit constituer un pilier de la politique énergétique de la Belgique. Le protocole de Kyoto nous impose notamment de réduire nos émissions de gaz à effet de serre de 7,5%, dans la période 2008-2012, par rapport aux émissions de 1990. Ces efforts ont été répartis entre les autorités fédérales et fédérées. Cependant, nous savons déjà que nous aurons des difficultés à atteindre cet objectif puisqu'à l'heure actuelle, nous ne respectons déjà pas nos engagements. Selon des estimations scientifiques, le risque est que l'émission de ces gaz augmente encore. On parle d'une augmentation de 1,2% en 2010 par rapport à 1990. Nous devons donc consentir de véritables efforts de manière urgente.

Il importe aussi de disposer de prix compétitifs et accessibles, pour nos ménages comme pour nos entreprises.

Tous les ménages doivent se chauffer, s'éclairer, se déplacer, se nourrir, ce qui implique le recours à une forme d'énergie. Nous ne pouvons pas accepter que toujours plus de personnes se retrouvent contraintes de faire des choix entre des besoins vitaux. L'énergie est un de ceux-ci. Elle doit être accessible à tous, en particulier aux personnes les plus défavorisées.

Cela vaut également pour le monde industriel qui, pour se développer et prospérer, doit disposer de prix énergétiques compétitifs.

Enfin, il faut renforcer la sécurité d'approvisionnement afin de bénéficier d'une stabilité des prix. À cet effet, il faut maintenir une certaine diversification dans les sources d'approvisionnement. Aujourd'hui, près de deux tiers de la consommation totale en énergie de l'Europe sont importés.

Si rien n'est entrepris, cette dépendance va s'accroître dans le futur. Dans un communiqué de presse du 14 février 2005, la CREG annonçait ce qui suit : « La dépendance croissante de l'Europe vis-à-vis des énergies importées amplifie le risque de rupture d'approvisionnement des centrales en combustible et accroît la sensibilité du prix de l'électricité aux fluctuations de prix du marché du gaz naturel ».

L'Union européenne se trouve également dans une situation de dépendance vis-à-vis du gaz naturel - en grande partie en provenance de Russie - laquelle dépasse les 50%.

Le CDH estime que ces trois objectifs doivent guider et orienter la politique énergétique de la Belgique. Celle-ci doit être définie d'urgence et comprendre un plan d'actions précis comprenant, tout d'abord, des actions amenant à réduire la consommation d'énergie.

Des études scientifiques montrent qu'il devrait être possible de réaliser des économies d'énergie, sans perte de prospérité, à hauteur de 20%. Ce chiffre, particulièrement important, montre le potentiel de la réduction de consommation d'énergie dans l'élaboration d'une politique énergétique d'avenir.

Durant la période 1990-2005, le secteur industriel et le secteur agricole ont connu une tendance à la baisse des émissions de gaz à effet de serre. Par contre, le secteur résidentiel et le secteur des transports ont connu des tendances à la hausse. Nous sommes d'avis qu'il faut orienter, en particulier dans le secteur des transports et le secteur des ménages, des politiques et des actions qui visent à réduire les consommations en énergie.

Il s'agit de conscientiser davantage les acteurs par rapport à l'impact énergétique de leurs actions afin d'éviter le gaspillage d'énergie et son utilisation irrationnelle. Cela passe, selon nous, par des actions sur l'efficacité énergétique des bâtiments. Comme l'a mentionné le professeur van Ypersele, le potentiel de réduction des émissions de gaz à effet de serre dans ce secteur est considérable : jusqu'à 25% de réduction.

Cela passe aussi par des actions sur les moyens de transport, telle qu'une fiscalité plus favorable aux voitures respectueuses de l'environnement. Des propositions de loi et de décret ont été déposées en ce sens par le CDH, tant à la Chambre qu'au Sénat, mais aussi à la Région wallonne. Des campagnes visant à promouvoir une utilisation rationnelle de l'énergie, le développement d'alternatives, notamment à l'usage individuel de la voiture, devraient également être mis en oeuvre.

Parallèlement, il faut développer massivement le renouvelable. La volonté du CDH est de donner une place prépondérante aux énergies renouvelables dans le cocktail énergétique de la Belgique. Il ne faut pas être frileux en cette matière, au contraire. Les contraintes climatiques, qui imposent des changements d'attitude dans le secteur de l'industrie, doivent être vécues comme des opportunités. Les perspectives d'emplois et le renforcement de PME locales, non délocalisables par définition, sont par ailleurs non négligeables. Une politique proactive doit être mise en place en instaurant, notamment, pour ces PME, des mécanismes de soutien financier public.

Il faut absolument poursuivre et intensifier la politique entamée en termes de biocarburants et continuer à développer les mécanismes de certificats verts.

Malheureusement, si ce renouvelable doit être développé, s'il doit devenir un pilier prépondérant de notre politique énergétique, nous savons aussi que, eu égard à l'état actuel de la technologie et à ce qu'est la Belgique, son potentiel reste limité à cause de la structure de notre pays, de la densité de sa population, de son relief, de ses conditions météorologiques, d'un territoire limité. Il n'empêche que le développement doit être soutenu afin de constituer un véritable approvisionnement énergétique d'envergure. Ainsi, des progrès doivent être accomplis dans le photovoltaïque, l'hydraulique, la cogénération. Ce sont des sources d'énergie alternatives intéressantes.

Enfin, j'en viens à l'énergie nucléaire. Nous savons qu'elle est qualifiée d'énergie propre puisqu'elle n'émet pas de gaz à effet de serre mais qu'elle présente d'autres inconvénients comme les risques liés à la sécurité ou le traitement des déchets générés. Notre pays s'est clairement prononcé en faveur de la sortie du nucléaire en 2015. Le CDH s'inscrit tout à fait dans la même logique. Nous nous demandons cependant si l'actuel gouvernement, comme le gouvernement précédent, a suffisamment mesuré la nécessité d'intensifier le développement des énergies alternatives au nucléaire pour que nous soyons prêts à tenir notre engagement en 2015, conformément aux trois principes que j'ai énumérés tout à l'heure, notamment la garantie de l'approvisionnement et sa sécurité. En effet, il ne faudrait pas que l'on en arrive à un confort moindre en la matière, je ne parle pas de la quantité de consommation mais du confort lié à la fourniture d'énergie. Pour éviter d'être confrontés à des difficultés d'approvisionnement, il est plus qu'urgent, s'il n'est pas déjà trop tard, de travailler sur des énergies alternatives, durables et renouvelables afin que la sortie du nucléaire soit possible dans les délais que nous nous sommes fixés politiquement.

Enfin, la politique énergétique de notre pays mérite certainement l'élaboration d'une stratégie à court, à moyen et à long terme. Nous devons préparer notre futur énergétique et sortir des énergies fossiles. Il faut un plan d'envergure, un plan ambitieux.

Chers collègues, le temps n'est-il pas venu de mettre sur pied une commission contre la dépendance aux énergies fossiles, comme l'a fait la Suède ? Cette commission, qui serait dotée d'attributions, de moyens et de pouvoirs étendus, serait composée de représentants du monde industriel, de consommateurs, d'experts de l'environnement, de la société civile, du monde académique, du monde politique dans toutes ses composantes fédérales et fédérées. Elle serait chargée d'élaborer un plan d'énergies alternatives aux énergies fossiles, d'étudier l'intégralité des options énergétiques afin que puissent être prises les orientations énergétiques qui répondent le mieux à la triple dimension que j'ai évoquée au début de mon intervention : lutte contre le réchauffement climatique, accessibilité de l'énergie, sécurité d'approvisionnement.

La Belgique a décidé de sortir du nucléaire à partir de 2015 mais les timides mesures prises par le gouvernement ne garantissent pas notre avenir énergétique.

Nous pouvons encore étudier d'autres pistes, par exemple le charbon dit « propre » qui, selon plusieurs scientifiques, offre un certain potentiel.

Nous devons aussi nous poser la question de l'utilisation correcte du fonds Synatom pour le développement d'une politique de réduction d'énergie garantissant que les réserves seront intégralement affectées au démantèlement des centrales.

Enfin, nous devons réussir la libéralisation du marché du gaz et de l'électricité et, donc, être particulièrement attentifs à ce qui se passe au niveau de GDF et de SUEZ. À cet égard, il faudra prendre d'importantes décisions politiques qui pèseront sur notre future stratégie énergétique.

De heer Bart Martens (SP.A-SPIRIT), corapporteur. - Als we de opwarming van het klimaat binnen beheersbare perken willen houden, onze afhankelijkheid van de eindige fossiele brandstoffen en splijtstoffen willen afbouwen, onze bevoorradingszekerheid willen veiligstellen en een energievoorziening willen tegen een aanvaardbare prijs voor mens, economie en milieu, moeten wij werk maken van de transitie naar een koolstofarme samenleving. Wij kunnen ons daartoe best inschrijven in de Europese energiestrategie die enkele weken geleden door de top van staatshoofden en regeringsleiders is overeengekomen en waarop werd afgesproken de uitstoot van broeikasgassen met 20 tot 30% te verminderen, de energievraag tegen 2020 met 20% terug te dringen en 20% van de vraag in te vullen met duurzame energiebronnen. Wij moeten ons in die strategie inschrijven. Binnen Europa moeten wij ons van de staart van het peloton opwerken naar de kop.

Waarom willen wij voorlopen in de ontwikkeling van schone technologieën en een duurzame energievoorziening? Allereerst omdat de sector van de duurzame energie, van de energie-efficiënte producten en diensten jaarlijks met meer dan 30% groeit. De vraag is dus niet of de sector zal leiden tot commerciële toepassingen op grote schaal, maar wel of onze bedrijven profijt zullen halen uit die groei. Wij willen die boot niet missen. Wij willen dat onze bedrijven hun graantje meepikken van de groei van de exportmarkten zodat, net als in Duitsland, Spanje en Denemarken, ook bij ons economische activiteiten en werkgelegenheid kunnen worden gecreëerd in de sector van de duurzame energie en de schone technologieën.

Ten tweede kunnen wij als voorloper onze afhankelijkheid van de wispelturige internationale energiemarkten afbouwen. Een vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen betekent ook een verbetering van onze luchtkwaliteit, die schadelijk is voor mens en milieu.

Ten slotte vinden wij het onze plicht die technologie te ontwikkelen die de opkomende economieën in staat stelt haasje-over te springen, meteen schoon te ontwikkelen, meteen een aantal stappen die wij in ons ontwikkelingsproces verkeerd hebben gezet, over te slaan. Als wij een duurzame, schone, decentrale, hernieuwbare energievoorzieningstechnologie kunnen ontwikkelen, kan dat een land als China in staat stellen het stadium van de grote vervuilende centrales met kilometerlange hoogspanningsleidingen en grote energieverliezen, over te slaan.

Als wij die schone technologie ontwikkelen en overdragen aan de opkomende economieën, kunnen zij op termijn ook bindende afspraken maken om mee te werken aan de strijd tegen de opwarming van de aarde.

In het transitieproces moeten we oog hebben voor de energievraag, die we serieus moeten terugdringen, en voor het energieaanbod, dat veel duurzamer moet worden ingevuld.

Wat de energievraag betreft, moeten wij werk maken van veel zuiniger gebouwen, voertuigen en toestellen. We moeten in de eerste plaats oog hebben voor de bestaande gebouwen. Wij hebben wat dat betreft een slechte reputatie. De energieverliezen van het Belgische woningbestand zijn per vierkante meter de hoogste van de Europese Unie. De isolatiegraad van onze woningen is vergelijkbaar met die van een aantal landen rond de Middellandse Zee. Wij verliezen dus enorm veel energie in onze gebouwen, wat veel geld kost aan de verbruiker en een enorm impact heeft op het milieu. We moeten dus beginnen met de e-novatie van ons bestaande gebouwenbestand. Wij vinden het goed dat het federale Fonds ter reductie van de globale energiekost goedkope leningen zal verstrekken die via lokale entiteiten ter beschikking zullen worden gesteld voor het wegwerken van de energieverliezen. Op die manier kan het gebrek aan kapitaal geen hinderpaal zijn om de economisch rendabele maatregelen voor de vermindering van de verliezen in de gebouwen door te voeren.

De overheid moet het goede voorbeeld geven. De federale overheid heeft een goede stap gedaan met de oprichting van FEDESCO, dat als derde betaler investeringen voor de reductie van energieverlies in de bestaande overheidsgebouwen zal financieren. Die investeringen worden terugverdiend door de winst op de energiefactuur.

We moeten ook oog hebben voor de nieuwe gebouwen. Vandaag wordt immers het woningbestand gebouwd voor de komende 50 of 100 jaar. We moeten dan ook zeer strenge eisen voor energieprestaties opleggen. De minimumnormen, die door de gewesten worden vastgelegd, mogen voor ons systematisch worden aangescherpt. Ook moeten we vernieuwende isolatietechnologieën stimuleren.

Om die reden zijn we voorstander van de passiefhuisstandaard. Passiefhuizen zijn huizen die zo goed geïsoleerd zijn dat ze geen extra verwarmingsbronnen meer nodig hebben. Het verheugt ons dat een meerderheid in de Senaat ons voorstel om een belastingsvermindering voor passiefhuizen toe te kennen, heeft goedgekeurd.

Bouwen volgens de passiefhuisstandaard heeft ook een positief effect op de pensioenen. Eenmaal de initiële meerkost van een passiefwoning is afbetaald, blijft alleen de lagere energiefactuur over, een factuur die 75 tot 90% lager is dan de energiefactuur van een klassieke woning. Wie zijn passiefhuis heeft afbetaald heeft bijgevolg meer koopkracht.

Ook de energieverbruikende toestellen moeten zuiniger. De energievreters moeten van de markt worden geweerd. Europa zal normen voor elektrische apparaten moeten opleggen. Hopelijk volgt Europa het voorbeeld van Japan, waar de zuinigste apparaten binnen een bepaalde productcategorie de norm worden. Die norm wordt bovendien regelmatig scherper gesteld. Ook de federale overheid kan via fiscale maatregelen de energieverslindende toestellen van de markt weren. Uiteraard moeten de gewesten premies geven voor de aanschaf van zuinige apparaten zodat ook de minder gegoeden die toestellen kunnen aanschaffen.

Europa moet ook bindende afspraken maken met de automobielconstructeurs om zuinigere wagens te produceren, die maximaal 120 gram CO2 uitstoten. Europa heeft eerst een convenant op vrijwillige basis gesloten met de automobielconstructeurs. Jammer genoeg komt de sector de gemaakte afspraken niet na. Bindende normen zijn dan ook nodig.

België kan via fiscale maatregelen voor de bedrijfswagens het gebruik van zuinigere wagens stimuleren. Hopelijk wordt dat een hefboom om het volledige wagenpark zuiniger te maken. Bedrijfswagens komen na enkele jaren immers op de tweedehandsmarkt terecht.

Naast de zuinigheid van het wagenpark, moeten we ons vervoerssysteem zelf efficiënter maken. Daarom moeten we streven naar een betere bezettings- en beladingsgraad van onze voertuigen en het inzetten van zuinigere en schonere vervoersmiddelen, met een verschuiving van vervoer over de weg naar transport per spoor, binnenvaart en openbaar vervoer.

Om die redenen zijn we voorstander van de afschaffing van het eurovignet en de vervanging ervan door een kilometerheffing naar Duits model. Met een eurovignet kan men het best zoveel mogelijk kilometers afleggen om het te laten renderen, wat absoluut niet gedragssturend is. Wij willen de vaste forfaitaire heffing dan ook vervangen door een variabele taks in de vorm van een kilometerheffing.

Daarenboven moet niet het bezit van een personenwagen worden belast, maar het gebruik ervan. In die optiek moet de federale overheid samen met de gewesten onderzoeken hoe de jaarlijkse wegentaks kan worden afgeschaft en gecompenseerd door een accijnsverhoging, eventueel in afwachting van een slimmere kilometerheffing naar Nederlands model, waarbij op elk tijdstip de veroorzaakte maatschappelijke kosten aan de weggebruiker kunnen worden aangerekend.

Uiteraard mag ook het vliegverkeer, dat een steeds grotere CO2-uitstoot heeft, niet aan onze aandacht ontsnappen. Die moeten we aanpakken, bijvoorbeeld door het opnemen van de emissies van het vliegverkeer in het Europese CO2-emissiehandelssysteem.

Het energieaanbod moet duurzamer worden, in de eerste plaats door het verhogen van het aandeel hernieuwbare energie, niet alleen in de stroomvoorziening maar ook in de motorbrandstoffen. Op dit vlak werden federaal al heel wat maatregelen genomen waarop we willen voortbouwen.

Met betrekking tot de windmolens op zee werd voorzien in een Eliabijdrage in de interconnectiekosten, dus in de kosten om de offshore windmolenparken te verbinden met het net op het vasteland. Daarnaast werd een gegarandeerde minimumprijs vastgelegd voor de groene stroom die in die parken wordt opgewekt.

De opmerking van de heer Steverlynck dat vertraging is opgelopen bij de realisatie van het project, is terecht, maar deze vertraging is logisch. Het park op de Thorntonbank zal het eerste ter wereld zijn dat op die diepte wordt gerealiseerd, wat betekent dat de bedrijven die in C-Power participeren overal ter wereld een markt zien openen en een bijdrage kunnen leveren aan investeringen in duurzame energie.

Met andere woorden, het gaat niet louter om milieu- of energiebeleid, maar om een innovatiebeleid, waardoor de vooropgestelde timing inderdaad niet kan worden gehaald. Belangrijk is evenwel dat het park wordt gerealiseerd en dat we daarmee de nodige referenties opbouwen om de wereld te veroveren. Dan zal onze bijdrage aan de strijd tegen de opwarming van de aarde veel groter zijn dan wanneer we zouden hebben gekozen voor de gemakkelijkheidsoplossing van windmolenparken dichter bij de kust.

Een ander aspect in dit dossier is de fiscale aftrek voor investeringen in duurzame energie. Het verheugt ons dan ook dat de superministerraad van vorig weekend de fiscale aftrek voor onder meer zonnepalen aanzienlijk heeft verhoogd en dat de federale overheid haar voorbeeldfunctie ten volle wil opnemen door federale overheidsgebouwen uit te rusten met zonnepanelen.

De energie uit fossiele brandstoffen moet efficiënter worden opgewekt door het toepassen van de techniek van de warmtekrachtkoppeling. Wij willen geen beleid dat uitsluitend inzet op grote centrales, die de helft van hun energie in het milieu verloren zien gaan via de lelijke koeltorens, maar willen stroom opwekken op plaatsen waar een warmtebehoefte is, bijvoorbeeld om serres en gebouwen te verwarmen of stroom te leveren aan de industrie. Dat moet ook op microschaal gebeuren. Wij geloven immers in de techniek van de microwarmtekrachtkoppeling. Als die de opvolger kan worden voor de condensatieketel, dan kunnen gezinnen zelf hun stroom opwekken en hun overschotten op het net zetten of hun tekort van het net halen.

Wij geloven dus in een meer decentrale energievoorziening met een veelheid aan producenten, in tegenstelling tot het huidige systeem waarbij één of enkele producenten de markt monopoliseren.

Dat vraagt ook investeringen in de netten. Zowel de inschakeling van de grote duurzame energie, de offshore windmolenparken op de Noordzee, als de inschakeling van de decentrale kleinschalige stroomvoorzieningseenheden, de warmtekrachtkoppelingsinstallaties, vragen om een ander design van onze netten. Voor het hoogspanningsnet willen we ook een interconnectie van de offshore windmolenparken met die van Engeland, en straks met de waterkrachtcentrale van Scandinavië en misschien ook met de zonnecentrales in het zuiden van Europa. Daarin investeren is een opdracht voor Elia, de beheerder van ons hoogspanningsnet. Ook op de bodem van de Noordzee moeten we een hoogspanningsnet uitbouwen. De distributienetten moeten als smart grids, als intelligente netten worden ontworpen, zodat de vele kleine warmtekrachtkoppelingseenheden straks in een soort virtuele centrale kunnen worden aangestuurd.

Mijn laatste punt gaat over de organisatie van onze energiemarkten. Wij willen een echt positief investeringsklimaat dat nieuwe spelers aanzet tot investeren in nieuwe centrales. Dat vraagt enerzijds een investeringsstop voor dominante partijen en anderzijds een systeem waarbij virtuele productiecapaciteit wordt geveild, in een overgangsfase, tot de nieuwe spelers effectief met nieuwe centrales op onze markt zijn. Een sluitstuk daarbij is voor ons de `mottenballentaks', een heffing op afgeschreven steenkool- en kerncentrales waarvan de opbrengsten kunnen worden gebruikt om er investeringen in duurzame energie mee te financieren. Die `mottenballentaks' is nodig om een gelijkspeelveld te creëren zodat nieuwe spelers ook op onze markt kunnen komen, zonder risico op prijsmanipulatie door de heersende monopolist.

Ten slotte is een onafhankelijk beheer van de netten een absolute voorwaarde om de markt te kunnen openbreken. We willen ook dat de participatie van producenten en leveranciers in het beheer van de netten wordt afgebouwd en dat ze geen enkele invloed meer kunnen hebben op het strategische beheer en de strategische uitbouw van ons aardgas- en hoogspanningsnet.

De heer Luc Willems (VLD). - Ook ik wil het Bureau danken voor het organiseren van dit debat. In debatten over dergelijke thema's heeft de Senaat op langere termijn een belangrijke rol te spelen. In de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden hebben we heel wat werk verzet en dit debat vormt dan ook een mooi sluitstuk. Het geeft ons de gelegenheid op het einde van de regeerperiode nog eens de standpunten samen te brengen die na 10 juni ook een aanzet zullen vormen tot het politieke debat over de verdere toekomst van de energie in ons land.

Jarenlang verliepen het klimaat- en het energiedebat naast elkaar. Enerzijds werd de zoektocht naar hernieuwbare en duurzame energie niet ernstig genomen. Door de overvloed aan goedkope olie en de schijnbaar onbeperkte mogelijkheden van de nucleaire energie was er geen druk om te investeren in innovatie. Anderzijds was de klimaatverandering eerder een sciencefictionverhaal dan harde realiteit. Tot we onlangs konden vaststellen dat gletsjers smelten, dat de winter niet meer bestaat en dat de zomer natter wordt. De film An Inconvenient Truth bracht beide debatten samen tot één breed maatschappelijk debat over klimaatverandering en energiebeleid, dat sinds een paar maanden trouwens met sprongen vooruitgaat.

Iedereen raakt er stilaan van overtuigd dat door de te hoge uitstoot van CO2 en andere schadelijke gassen de zonnewarmte in de atmosfeer wordt vastgehouden, waardoor de temperatuur op aarde steeds toeneemt. In het begin konden we een Middellandsezeeklimaat in België nog aangenaam vinden, maar nu beginnen de echte gevolgen duidelijk te worden. Orkanen van categorie 4 en 5, zoals Katrina in de Verenigde Staten, tonen aan welke schade een verstoring van het milieu de mensheid kan berokkenen.

In heel wat dorpen die boven de malariagrens zijn gebouwd, onder meer in de Colombiaanse Andes, neemt malaria toe.

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie zal het aantal doden als gevolg van de opwarming van de aarde - door overstromingen, orkanen en malaria - de komende vijfentwintig jaar verdubbelen. Jaarlijks zullen er ongeveer 300.000 mensen overlijden als gevolg van de opwarming van de aarde.

Er moeten dus dringend maatregelen worden genomen. We moeten deze planeet leefbaar houden voor de komende generaties.

Uit een sterkte-zwakteanalyse van de Belgische energiemarkt komen zowel positieve als negatieve punten naar voren.

De gediversifieerde energiemix van ons land vormt een buffer tegen bedreigingen op het vlak van de bevoorradingszekerheid en prijsschommelingen op de internationale markt. Dat is positief. Nadelig is onze grote afhankelijkheid van het buitenland. Alleen het kleine aandeel duurzame energie wordt daadwerkelijk in ons land geproduceerd. Dat geldt ook gedeeltelijk voor kernenergie, al moet er natuurlijk worden bij vermeld dat we zelf geen uraniummijnen hebben. Voor de rest doen we niets anders dan fossiele brandstoffen invoeren. De vervanging van steenkool door aardgas verandert daar uiteraard niets aan. Wat de importafhankelijkheid betreft, scoort ons land in vergelijking met onze buurlanden zeer slecht.

Een derde belangrijk element zijn onze Kyotoverplichtingen en het vervolg dat daaraan zal worden gekoppeld. Tegen 2012 moet de uitstoot van broeikasgassen worden verminderd met 7,5% tegenover 1990. In de periode 1990-2003 is de uitstoot echter nog gestegen. Pas de jongste jaren is er een ommekeer. In totaal zullen we een inspanning moeten leveren van 12,4 miljoen ton CO2-equivalent. In dit kader valt het op dat ons land een vrij hoge energie-efficiëntie heeft, nochtans behoort onze energie-intensieve staal- en chemie-industrie al tot de wereldtop qua efficiëntie.

De kernenergie is de reden waarom ons land een vrij gediversifieerde energiemix heeft en ook relatief goed scoort inzake CO2-uitstoot door de energiesector. We moeten dus voorkomen dat kerncentrales worden vervangen door centrales gestookt met fossiele brandstoffen, zelfs als het om gas gaat. Dat verslechtert immers onze energiemix, verhoogt onze energieafhankelijkheid, en vermindert onze goede score inzake uitstoot van CO2. Voor de vervanging van deze fossiele centrales moet alles worden ingezet op de duurzame energiebronnen en de energiebesparing.

Op basis van deze analyse komen we tot de doestellingen van het Belgische energiebeleid: ten eerste, de bestrijding van de klimaatsverandering; ten tweede, het garanderen van de bevoorradingszekerheid; ten derde, een echte concurrentie op de elektriciteits- en gasmarkt om zo te zorgen voor betaalbare energieprijzen voor burgers en bedrijven.

Het energiebeleid moet transparant, coherent en efficiënt zijn en een rechtszeker kader creëren.

Op basis van deze overwegingen formuleert de VLD-fractie een aantal beleidslijnen.

De eerste en belangrijkste beleidslijn is het verminderen van de energievraag. Studies van onder andere het Fraunhofer-Institut stellen dat het mogelijk is tegen 2020 de energievraag met 5 tot 25% te verminderen. Een hele batterij maatregelen is hiervoor nodig, gaande van fiscale voordelen voor milieuvriendelijke auto's en het integreren van milieuvriendelijk rijgedrag in de opleiding tot productnormen, strengere normen bij nieuwbouw, het bevorderen van passiefhuizen en het mobiliseren van de bevolking, bijvoorbeeld door wedstrijden met voorstellen tot beperking van het energieverbruik te organiseren.

In plaats van de Kyotodoelstellingen te willen halen door ondernemingen extra reglementeringen op te leggen, moet een nieuwe, meer intelligente aanpak worden uitgedokterd die zowel de economie als de ecologie ten goede komt. Daarom stellen we voor de totale hoeveelheid CO2 die de ondernemingen in het land volgens de Kyotoafspraken mogen uitstoten, openbaar te veilen. Hiermee kopen en betalen ze dus het maximum aan CO2 dat ze elk jaar mogen uitstoten. Hierbij zou uiteraard een korting of vrijstelling moeten worden gegeven aan bedrijven die al belangrijke inspanningen hebben geleverd en die aan de top staan van de energie-efficiëntie, zoals de chemische ondernemingen. Daarmee geen rekening houden zou onrechtvaardig en vooral heel onverstandig zijn. De opbrengst van de veiling kan integraal terugvloeien naar de economie.

Ook inzake verkeer is heel wat mogelijk. Accijnzen en BTW die op iedere liter brandstof worden geheven, zijn al een vorm van groene fiscaliteit. In dezelfde lijn ligt het idee om de autobelasting op het vermogen te vervangen door een belasting op basis van de CO2-uitstoot.

Eenzelfde logica kunnen we volgen voor de CO2-uitstoot waarvoor de gezinnen aansprakelijk zijn. Premier Verhofstadt heeft onlangs het idee gelanceerd om een nieuwe fiscaliteit te koppelen aan het kadastraal inkomen. Nu heeft een kleine stadswoning vaak een hoger kadastraal inkomen dan een villa op het platteland. We moeten komen tot een fiscaliteit die rekening houdt met de CO2-uitstoot van de woning.

Een tweede belangrijke beleidslijn betreft het verhogen van het aandeel duurzame energie. Dit moet op een kostenefficiënte manier gebeuren. Een element hiervan is het internationaal uitwisselbaar maken van groenestroomcertificaten. Bedrijven als SUEZ-Electrabel en Nuon beschikken over heel wat duurzame productiecapaciteit in het buitenland. Het zou dus goed zijn de uitwisseling van groene stroomcertificaten op internationaal vlak mogelijk te maken. Jammer genoeg loopt dit op Belgisch niveau al mank, omdat de gewesten elkaars systemen van groenestroomcertificaten niet erkennen. Hier is dus ook werk aan de winkel in eigen land.

De VLD-fractie opteert in het algemeen veeleer voor ambitieuze consumptiedoelstellingen dan voor - vaak onrealistische - productiedoelstellingen. Dit is volgens ons de aangewezen benadering om op de meest kostenefficiënte manier hetzelfde resultaat te bereiken voor de CO2-uitstoot op Europees en wereldniveau.

Onze derde beleidslijn betreft het onderzoek naar nieuwe en alternatieve energiebronnen en -technieken. We hebben onlangs in Finland een bezoek gebracht aan diverse topinstellingen op vlak van technologie en innovatie, die duidelijk maken dat investeringen in die sector ook de economie ten goede komen. Vorig jaar heeft Finland dankzij een zeer progressief en voluntaristisch innovatiebeleid een sterke groei gekend.

Ik kom nu tot de structurering van de energiemarkt. De minister heeft heel wat inspanningen geleverd om de monopolistische en verticaal gestructureerde energiemarkt te doorbreken en te proberen de principes van de vrije, open en geliberaliseerde energiemarkt stap voor stap ingang te doen vinden. Er moet nog een lange weg worden afgelegd op dat vlak. We moeten ervoor zorgen dat de nieuwe spelers op de markt kunnen komen. De verregaande standpunten van minister Verwilghen op het vlak van concurrentiebeleid en openheid van de energiemarkt werden deze week ook ingenomen door de Europese Commissaris, Neelie Kroes.

En zo beland ik bij de Europese energiepolitiek. De maatregelen die de Europese Unie op de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 heeft afgesproken, zijn grensverleggend, maar ook realistisch. Ons land moet die doelstellingen ten volle ondersteunen. Die doelstellingen zijn: een vermindering van de CO2-uitstoot met 20% ten opzichte van 1990; een toename van het aandeel van de vernieuwbare energie in de energiemix van de lidstaten met 20% en een energiebesparing in Europa van 20%.

Halen we op die manier de Kyotodoelstellingen? Hoe garanderen we de energiebevoorrading? Die twee vragen zijn op het eerste gezicht misschien niet te verzoenen.

De prijs van energie zal blijven stijgen. De vraag naar energie zal blijven toenemen indien we laten betijen en geen maatregelen nemen. Energie dreigt bovendien steeds vaker te worden ingezet als een politiek instrument. Europa - en dus ook België - energieonafhankelijk maken is het enige goede antwoord op deze uitdaging. Daartoe zal het niet volstaan om her en der een windmolenpark neer te zetten. Ingrijpender beslissingen en meer investeringen zijn nodig.

De vraag blijft of we het zonder nucleaire energie kunnen klaren. Het is onbetwistbaar dat met een grote hoeveelheid megawatts afkomstig uit kerncentrales de Kyotodoelstellingen gemakkelijker haalbaar zijn, terwijl we tegelijkertijd onze energieonafhankelijkheid verhogen.

Weegt dat voordeel echter op tegen het kernafval dat kerncentrales achterlaten? Een groot voordeel van de uitstap uit de nucleaire energie, waarover enkele jaren geleden is beslist, is dat ons land gedwongen werd om na te denken over energie-efficiëntie en alternatieven. Vóór de beslissing tot kernuitstap was er geen druk om te zoeken naar alternatieven. Bij ons bezoek aan Finland hebben we kunnen zien met welke enorme kernafvalproblemen we de toekomstige generaties opzadelen. De relatief lage kostprijs van nucleaire energie weegt niet op tegen de kost van de opslag van kernafval.

Fundamenteel onderzoek in de nucleaire sector blijft nodig, al was het maar om oplossingen te zoeken voor het bestaande afval. Het is zeker geen optie om de huidige centrales te laten bestaan. We steunen dan ook de nucleaire uitstap. We wachten de resultaten van de studie van de commissie Energie 2030 af. Aan de hand van die resultaten zullen we zien hoe we de voluntaristische doelstellingen die we hebben gesteld, kunnen realiseren en hoe we voor de bevoorrading van ons land kunnen blijven zorgen. Als we de druk op de ketel houden en blijven zoeken naar energie- efficiëntie en naar alternatieven, zullen we er op lange termijn voor helpen zorgen dat ons land, een kleine speler op deze grote wereldbol, een bijdrage levert in de klimaatbeheersing.

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - We trappen een open deur in als we stellen dat een stabiele energievoorziening de motor is van een goed draaiende economie. Door de complexiteit van de energieproblematiek is de energiebevoorrading een internationale en multidisciplinaire aangelegenheid met een groot aantal interacties. Onze energievoorziening onderging de afgelopen decennia belangrijke wijzigingen en staat voor grote uitdagingen. De wijzigingen betroffen in de eerste plaats de liberalisering van de energiemarkten en toenemende vraag naar energie. Met de liberalisering en de diversificatie van de energiemix groeit de decentralisering van de energieproductie.

De uitdagingen hebben betrekking op de onlosmakelijke verwevenheid van onze energievoorziening met het klimaatdebat en met het Kyotoprotocol. Daarnaast heeft de regering-Verhofstadt I politieke keuzes gemaakt die niet getuigen van pragmatisme, maar veeleer gebaseerd zijn op ecologisch fundamentalisme. Ook moet het Belgische beleid ingepast worden in het Europese energiebeleid zoals wordt verwoord in het groenboek van de Europese Commissie.

De Belgische feiten spreken voor zichzelf: in 2004 bestond de energiemix in België voor 37% uit olie, voor 27% uit gas, voor 22% uit kernenergie, voor 11% uit vaste brandstoffen en voor 2% uit duurzame energie. De binnenlandse productie is beperkt tot kernenergie, die 55% van de elektriciteit levert, en een groeiend aandeel duurzame energie. De totale elektriciteitsproductie is in de periode 1990-2004 met 21% gestegen. Volgens cijfers van de Europese Commissie wordt 33% van de energie verbruikt door de industrie, 27% door de huishoudens, 27% voor transport en 13% voor handel.

In het basisscenario met kernenergieuitstap van het voorlopige rapport van de commissie Energie 2030 wordt tussen 2000 en 2030 een stijging van de energievraag met 10% verwacht. Dat basisscenario zou nagenoeg een verdubbeling van de koolstofintensiteit tot gevolg hebben.

De Europese Commissie schuift van haar kant voor de ontwikkelde landen tegen 2020 een CO2-reductiedoelstelling van 20% ten opzichte van 1990 naar voren. Tegen 2050 dient de wereldwijde uitstoot met 50% te worden verminderd, wat voor de ontwikkelde landen een vermindering van hun uitstoot met 60 tot 80% betekent.

Het Vlaams Belang stelt een aantal uitgangspunten voor ons energiebeleid voorop.

Onze energievoorziening is nu in zeer grote mate afhankelijk van geïmporteerde fossiele brandstoffen zoals olie, uranium, gas en steenkool. Wegens het strategische belang van een stabiele energievoorziening voor onze economie willen wij daarom streven naar een zo groot mogelijke zelfvoorziening.

Vanuit milieuoogpunt pleit het Vlaams Belang voor een pragmatische benadering van het energievraagstuk. Onze energievoorziening moet gegarandeerd blijven tegen concurrentiële voorwaarden terwijl onze economie tegelijkertijd gericht overschakelt naar een koolstofarme en meer duurzame energievoorziening.

Om tegelijkertijd aan de huidige en toekomstige Kyotonormen te voldoen pleiten wij voor investeringen in energiebesparing, in duurzame energie en in waterstoftechnologie als energietechnologie van de toekomst. Nagenoeg alle berekeningen van experts, studiebureaus en bevoegde commissies wijzen er echter op dat het huidig geschatte potentieel aan duurzame energie in België hoogstens 20% van de vraag kan dekken.

Het Vlaams Belang wil de uitstap uit kernenergie uitstellen tot er voldoende alternatieven zijn. De geplande uitstap uit kernenergie is geen realistische maatregel omdat de randvoorwaarden waaronder daartoe werd beslist, er anno 2007 totaal anders uitzien. In tegenstelling tot de situatie begin 2003, toen de uitstap uit kernenergie door de Senaat werd goedgekeurd, zijn vandaag de strengere streefcijfers van het post-Kyotoprotocol bekend en heeft de EU in haar groenboek het Europese energiebeleid op lange termijn vastgelegd. Ook heeft Nederland beslist de kerncentrale van Borssele in Zeeuws-Vlaanderen twintig jaar langer open te houden en bouwen de Finnen één, misschien zelfs twee, nieuwe nucleaire centrales.

Door de gefaseerde uitstap uit kernenergie dreigt onze energie op de lange termijn onbetaalbaar te worden, omdat vroeg of laat de externe kosten mee in de prijs van koolstofhoudende energiedragers zullen moeten worden verrekend. Dure energie zal ons verder afhankelijk maken van de invoer van goedkopere energie uit het buitenland, die dan wel afkomstig is uit kerncentrales. Dat is de kwadratuur van de cirkel: het sluiten van onze centrales, het te grabbel gooien van onze moeizaam opgebouwde nucleaire kennis, het op straat zetten van mensen om nadien over te gaan tot import van kernenergie uit Frankrijk. Dat is voor het Vlaams Belang onaanvaardbaar.

Het Vlaams Belang wil dat Vlaanderen meezit aan de Europese onderhandelingstafels. Ons energiebeleid wordt deels bepaald door het federale, deels door het gewestelijke niveau. In dit opzicht zijn wij voorstander van het verder defederaliseren van het energiebeleid. Vlaanderen moet de bevoegdheid krijgen over de resterende federale bevoegdheidsdomeinen inzake energie, onder meer alle aspecten die verband houden met regulering. Het SCK en zijn aanverwante nucleaire bedrijven en activiteiten moeten onder Vlaams beheer komen. Vlaanderen moet kunnen deelnemen aan de onderhandelingen over de Europese energiepolitiek.

Op basis van deze gegevens stellen wij een aantal praktische stappen voor.

In de eerste plaats moet de uitstap uit kernenergie ongedaan worden gemaakt. Een technologie die nauwelijks CO2 voortbrengt en die tegelijk op grote schaal beschikbaar, bruikbaar en betaalbaar is, moet behouden blijven.

We blijven ook voorstander van een zo divers mogelijk elektriciteitspark in Vlaanderen. Kernenergie is in België goed voor 55% van de elektriciteitsproductie. We kunnen dus niet zonder. Op het ogenblik wordt reeds ongeveer 6 TWh ingevoerd uit Frankrijk. Het jaarlijks energieverbruik is in Vlaanderen in de periode 1990-2003 jaarlijks met 2,76% gestegen. We moeten tegen 2025 31% meer energie leveren. Alleen al de extra productie van deze hoeveelheid energie is een uitdaging. Als deze groei kan worden opgevangen door de bouw van gascentrales, warmtekrachtkoppeling en groene stroom, zal dit reeds een groot succes zijn.

Het is onrealistisch te denken dat naast deze groei ook nog de vervanging van 43 TWh nucleair geproduceerde elektriciteit kan worden opgevangen door bijvoorbeeld groene stroom. We moeten ten minste een status-quo van het aantal kerncentrales nastreven.

Wij zijn niet blind voor de nadelen van nucleaire energie. Er is inderdaad een eeuwenlange gecontroleerde opslag van hoogradioactief afval vereist, maar de Zweedse en Finse voorbeelden tonen aan dat hiervoor een duurzame oplossing te vinden moet zijn. Bovendien is het duidelijk dat nucleaire stroom samen met groene stroom de laagste externe milieukostprijs heeft. Als we fossiele brandstoffen gebruiken in plaats van nucleaire energie halen we de Kyotonorm nooit. Het is echter onduidelijk hoe dit te rijmen valt met de Vlaamse en Belgische klimaatdoelstellingen.

Als tweede stap willen we de uitverkoop van deze strategische sector aan het buitenland stopzetten. Onze fractie verzet zich tegen de kolonisering van onze energiesector door buitenlandse concerns. Het Vlaams Belang wil harde garanties om deze vorm van kolonisering en erosie van Vlaamse zelfredzaamheid tegen te gaan. We kanten ons niet tegen internationale spelers op de Vlaamse - en bij uitbreiding Europese - markt, maar we zijn absoluut gekant tegen de overname van strategische sectoren door Franse superbedrijven met politieke inslag. We pleiten dus voor de verankering van strategische sectoren zoals de energiesector.

Het is natuurlijk niet omdat het Vlaams Belang op korte en middellange termijn kiest voor het vrijwaren van de nucleaire energie, dat wij iets hebben tegen duurzame, hernieuwbare energie. Integendeel! De duurzame energiebronnen spelen een belangrijke rol in het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen, bieden een diversificatie van onze energiebronnen, zorgen voor werkgelegenheid en bieden kansen voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën. Duurzame energie levert zogenaamde groene stroom en groene warmte. De producenten van elektriciteit met duurzame energie ontvangen van de VREG groenestroomcertificaten. Deze dienen om tegen 2010 het beoogde cijfer van 6% groene stroom te behalen, overeenkomstig de Europese richtlijn over duurzame energiebronnen.

Op het gebied van duurzame energie hinkt Vlaanderen achterop in vergelijking met de buurlanden. Daarom pleiten wij voor meer inspanningen om duurzame energiebronnen aan te boren. De slaagkansen van het ITER-kernfusieproject in Zuid-Frankrijk zijn twijfelachtig, zelfs op lange termijn. Het Vlaams Belang ziet meer mogelijkheden in de verdere ontwikkeling van de waterstoftechnologie, kleine windturbines en fotovoltaïsche technologie.

Windenergie is ook voor ons een belangrijk gegeven, maar niet om het even waar. Het effect van windturbines als alternatieve energiebron is groter in een natuurlijke omgeving. De ruimtelijke concentratie dient alleszins in stedelijke gebieden en kernen van het buitengebied te geschieden. Het Vlaams Belang vraagt daarom een bundeling of opstelling van windturbines in grote industriezones en in het havengebied. Ook moeten er meer offshore windenergieparken overwogen worden op mogelijke sites die tot nog toe werden uitgesloten, zoals de Wenduinebank en de vlakte van de Raan.

Een veelgeciteerde oplossing voor de vraag naar voertuigbrandstoffen is de omschakeling naar biobrandstoffen en ruimer beschouwd, de omschakeling van een petroleumeconomie naar een biogebaseerde economie met de zogenaamde witte biotechnologie. Biobrandstoffen kennen sinds een aantal jaren een hoge vlucht, voornamelijk in Brazilië en de VS.

De biobrandstoffenrichtlijn 2003/30/EG verplicht de EU-lidstaten om tegen 2010 5,75% biobrandstoffen te mengen met de brandstoffen aan de pomp. Ook in Vlaanderen is er een toekomst voor biobrandstoffen. De stijgende vraag naar granen en suiker biedt mogelijkheden voor onze landbouw. Er zijn fabrieken om biobrandstoffen te produceren in aanbouw.

Volgens een recent onderzoek van het Vlaams Instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek (viWTA) is het beschikbare landbouwareaal om biodiesel te produceren echter te klein. Tegen 2010 zou onze landbouw 260.000 niet beschikbare hectaren moeten voorzien voor de productie van koolzaad, terwijl de arealen voor de productie van bio-ethanol wel voorhanden zijn. Vlaanderen zal voor zijn duurzame grondstoffen aangewezen zijn op invoer uit de buurlanden of Oost-Europa.

Op planetair niveau is er ook veel te weinig landbouwcapaciteit om tegelijkertijd aan de vraag naar voedsel en aan biobrandstof te voldoen. Daarenboven zou men ook elektriciteitscentrales kunnen aandrijven met biobrandstoffen om groene stroom te produceren. Deze zouden echter gigantisch veel biobrandstof verbruiken: om een centrale aan te drijven die 10% van het Nederlandse stroomverbruik levert, zou de totale Europese biodieselcapaciteit vereist zijn.

Het Vlaams Belang pleit voor een optimale bevoorradingszekerheid en efficiënte noodplannen. Bevoorradingszekerheid is van strategisch belang voor een groot aantal sectoren. Door de toegenomen liberalisering en marktgestuurde energievoorziening staat de bevoorradingszekerheid onder druk.

De rol van de overheid in de energiemarkt moet beperkt blijven tot die van goede huisvader en niet tot die van overdreven regelaar.

Voor het Vlaams Belang ligt het bevorderen van duurzaam energiegebruik - los van de vraag of het Kyotoprotocol een zinvolle oefening is - voor de hand, omdat de fossiele bronnen eindig zijn, de vraag naar energie steeds toeneemt en omdat fossiele brandstoffen vaak afkomstig zijn uit politiek onstabiele landen. Het pleiten voor energiebesparingen en tegen verspilling ligt volledig in de lijn van onze algemene milieustandpunten: conservatisme en duurzaamheid kan men bijna letterlijk vertalen en interpreteren als `bewaren voor het nageslacht'.

Minder energie verbruiken is de beste Kyoto-inspanning. Het energiebeleid hangt samen met het klimaatdebat. De uitstoot van CO2 is voornamelijk afkomstig van verwarming, transport en elektriciteitscentrales die met fossiele brandstoffen aangedreven worden. Om minder CO2 uit te stoten kan men bijgevolg in de eerste plaats minder energie verbruiken.

Om de vraag naar steeds duurdere energie in te dijken zijn er twee mogelijkheden: minder energie verbruiken en andere energiebronnen benutten. Het Vlaams Belang staat achter de initiatieven van de Vlaamse overheid inzake rationeel energiegebruik (REG), die erop gericht zijn om onnodige verspilling van energie tegen te gaan. Er bestaan talrijke mogelijkheden voor particulieren, verenigingen, bedrijven en overheden om energie te besparen. De verwarming van gebouwen staat in voor ongeveer 22% van de totale CO2-uitstoot. Er bestaan nog grote mogelijkheden in het meer rationeel omgaan met energie in alle sectoren.

De recente maatregel van de Australische overheid om vanaf 2010 gloeilampen te verbieden is maar een klein voorbeeld van wat op wetgevend vlak mogelijk is. Andere mogelijkheden bevinden zich in productnormering in transportvoertuigen en elektrische apparaten, strengere isolatienormen, hergebruik van warmteafvalstromen, gebruik van warmtekrachtkoppeling en warmtepompen in industriële processen en gebouwen. De initiatieven voor de bouw van passiefhuizen zullen op onze steun kunnen rekenen. We hebben een wetsvoorstel ingediend om het BTW-tarief voor de bouw van passiefhuizen te verminderen van 21 naar 6%.

M. Berni Collas (MR). - J'ai le plaisir d'intervenir au nom de mon groupe sur la première partie de notre débat, la partie générale. Je vous annonce que mes collègues Roelants du Vivier, Brotchi et Annane prendront tout à l'heure la parole pour la deuxième partie sur les thèmes de l'énergie renouvelable, de la recherche et développement, des biocarburants et de l'énergie, de l'environnement et du climat.

L'énergie est un sujet très vaste, un dossier aux implications nombreuses et qui concerne tout le monde. La politique ne peut donc faire l'économie d'une réflexion en profondeur sur ce thème. Cette réflexion doit permettre de déterminer les objectifs d'une politique énergétique responsable et les moyens de les atteindre. La problématique de l'énergie comporte deux grands aspects, l'offre (approvisionnement) et la demande (consommation). Tout le monde s'accorde à le dire, il faut tendre vers une moindre consommation et trouver les sources d'énergie assurant une sécurité d'approvisionnement sans faille. Mais nous tenons à rappeler que toute mesure politique concernant un de ces deux aspects doit tenir compte des impacts économiques, environnementaux et sociaux qu'elle est susceptible de générer.

La meilleure énergie, c'est celle qu'on ne consomme pas. Cette phrase, citée à de nombreuses reprises au cours des auditions qui ont eu lieu dans le cadre de la commission des Finances et des Affaires économiques du Sénat, résume bien l'objectif premier d'une politique énergétique responsable. Il faut donc agir sur la demande pour faire baisser la consommation d'énergie. Le potentiel est énorme, Bart Martens l'a encore souligné.

Quant à Luc Willems, il a fait référence au Fraunhofer-Institut.

Mais on ne peut, sous prétexte de diminuer la consommation d'énergie, entraver le développement économique ou nuire à la compétitivité de nos entreprises. Des mesures irréfléchies, trop contraignantes et prises au seul niveau belge pourraient handicaper nos entreprises et entraîner des délocalisations et des pertes d'emplois. Il faut préférer les mesures incitatives conduisant à une réduction de la consommation.

Le gouvernement fédéral a, tout au long des deux dernières législatures, montré la voie à suivre dans ce domaine avec une politique fiscale adéquate. Le ministre des Finances a pris de nombreux incitants en faveur des investissements économiseurs d'énergie dans les habitations. Ils permettent aux ménages de diminuer leur facture énergétique. La marge de manoeuvre demeure élevée dans ce domaine.

C'est dans cet esprit que la commission des Finances et des Affaires économiques du Sénat a adopté hier une proposition de loi visant à offrir une réduction fiscale aux bâtisseurs de maisons passives. Ce type de construction est un concentré d'efficacité énergétique. Il suffit en effet de la puissance de deux ampoules de 100 watts pour chauffer une pièce de 20 m2. Le ministre des Finances soutient cette proposition que nous voterons cet après-midi et dont nous espérons qu'elle pourra connaître rapidement une issue aussi favorable à la Chambre.

Il faudrait, selon nous, davantage mettre à disposition des citoyens l'information utile pour guider leurs choix de consommation. Il est important de les sensibiliser aux comportements qu'ils peuvent adopter afin de réduire leur impact énergétique. Les régions et les communes font encore trop peu pour informer les consommateurs sur les incitants et les primes auxquels ils peuvent prétendre. Il faut développer la présence de conseillers en énergie au niveau communal et augmenter l'efficacité et la visibilité des guichets communaux et régionaux de l'énergie.

Nous devons encourager l'utilisation rationnelle de l'énergie et l'efficacité énergétique auprès des particuliers mais aussi dans les secteurs privé et public.

Dans le secteur privé, il faut continuer à sensibiliser l'industrie à la nécessité de poursuivre sur la voie des économies d'énergie. J'ai eu l'occasion, la semaine dernière, de m'entretenir avec un responsable d'un grand groupe sidérurgique. Il me disait que la production d'une tonne d'acier engendrait l'émission de deux tonnes de CO2.

Il me signalait que via la séparation du CO2 et du CO, la réinjection du CO dans le processus de fabrication et l'enfouissement ou la séquestration du CO2, on pourrait envisager à terme une émission de CO2 par tonne d'acier produite de quelque 600 à 700 kilos. Il y a donc de réelles perspectives.

Les entreprises doivent aussi jouer un rôle moteur dans le développement de la filière de la construction et de la rénovation énergétiques en Belgique. Pour être crédibles dans leur démarche de sensibilisation, les pouvoirs publics doivent montrer l'exemple. Il faudra réaliser un cadastre énergétique du patrimoine immobilier public et prévoir un audit énergétique des bâtiments publics, certainement des plus énergivores. Les logements sociaux, qui constituent 8% du logement en Belgique, doivent aussi faire l'objet d'une attention toute particulière. Leur rénovation et la construction de nouveaux complexes doivent faire l'objet d'un cahier des charges précis en matière de consommation d'énergie.

Je saisis cette occasion pour rappeler que les Régions wallonne et bruxelloise accusent un retard important dans la transposition de la directive européenne relative à la performance énergétique des bâtiments, qui devait entrer en vigueur en janvier 2006.

Le Conseil européen du 15 février 2007 a demandé aux États membres de faire bon usage de leurs plans d'action nationaux en faveur de l'efficacité énergétique.

Dans ce cadre, l'amélioration de cette efficacité doit aussi attirer l'attention de nos chercheurs. En dehors des investissements économiseurs d'énergie et des changements de comportement induits par les politiques incitatives, il faut stimuler la recherche sur les technologies améliorant l'efficacité énergétique. Pour rappel, le potentiel communautaire d'économie d'énergie est estimé dans le Livre vert de la Commission sur l'efficacité énergétique à 20% de la consommation par rapport aux projections pour l'année 2020.

Quels que soient les efforts fournis par les entreprises, les ménages et les pouvoirs publics pour réaliser des économies d'énergie, il reste nécessaire de mettre en oeuvre une politique d'approvisionnement responsable. Cette politique doit passer le triple filtre du développement durable, de la compétitivité et de la sécurité d'approvisionnement. Autrement dit, chacun de ces aspects doit nous guider dans le choix du mix énergétique optimal.

Les énergies renouvelables ne peuvent pas être oubliées dans le cadre d'une politique énergétique soucieuse de l'environnement, bien au contraire. Toutefois, pour en assurer un développement optimal et respectueux de l'environnement, il faut avant tout connaître le potentiel de nos régions dans ce type d'énergie. Je renvoie à cet égard à l'intervention de M. Roelants du Vivier qui aura lieu tout à l'heure.

Enfin, une part encore importante de notre énergie provient des dernières centrales électriques au charbon. Si celles-ci sont extrêmement productrices de CO2, elles restent toutefois indispensables à moyen terme. Pour atteindre l'objectif de développement durable, il faut conditionner le maintien en activité de ces centrales au développement des techniques de capture de CO2.

Il faut viser le mix énergétique judicieux en Belgique et ailleurs. Pour déterminer le meilleur mix énergétique, il est nécessaire de connaître l'impact économique global du recours aux différentes formes d'énergie. Il faut intégrer tous les coûts, qu'ils soient économiques ou environnementaux, qu'ils soient passés, présents ou à venir. Les coûts à venir, c'est par exemple le financement du démantèlement des centrales nucléaire, mais c'est aussi, à terme, celui du démontage des éoliennes et de la remise en état des zones qui les ont accueillies.

Seule une libéralisation aboutie et correctement encadrée conduira à des effets bénéfiques sur les prix. Il est nécessaire d'assurer l'existence d'une pression concurrentielle suffisante sur les différents segments de marché libéralisés.

Il faut donc poursuivre les efforts pour une meilleure intégration des marchés avec nos voisins, particulièrement la France, en augmentant encore de manière importante les capacités d'interconnexion aux frontières.

Un marché libéralisé doit profiter à tous. Nous devons maintenir la tarification sociale de l'énergie, mais, dans un but de responsabilisation, chacun doit connaître le vrai prix de l'énergie qu'il consomme.

La facture énergétique doit être un outil pour sensibiliser les ménages à la consommation énergétique.

Il faut des actions d'information et de sensibilisation aux économies d'énergie permettant aux ménages de réduire le budget consacré à leur consommation énergétique.

L'information doit être disponible à tous les niveaux de pouvoir, et particulièrement au niveau le plus proche du citoyen.

Mme Isabelle Durant (ECOLO). - Alors que les verts insistent depuis vingt-cinq ans sur l'importance des questions énergétiques, l'intérêt mérité dont elles bénéficient aujourd'hui et la belle unanimité qui se dégage à cette tribune ne sont apparus que récemment. Les défis énergétiques et climatiques ne sont évidemment pas identiques mais ils présentent néanmoins des points communs aussi nombreux qu'importants.

Les événements se sont précipités, en particulier au cours des six derniers mois. Parallèlement à la hausse des prix pétroliers, quatre faits liés au climat ont joué un rôle considérable à cet égard, et les débats sur le dérèglement climatique ont eu pour effet de faire figurer les questions énergétiques à l'agenda politique, non seulement dans cette institution mais un peu partout dans le monde :

Le nouveau rapport du GIEC de février 2007 démontre à quel point la communauté scientifique unanime ne laisse aucune place au doute : le dérèglement du climat est une réalité. Le prochain GIEC qui se tiendra début avril ne fera vraisemblablement que confirmer ces conclusions ;

Le rapport de Nicholas Stern, ancien vice-président de la Banque mondiale, sur le coût économique du réchauffement climatique prévoit que si l'on ne fait rien, le coût de ce dérèglement pourrait bien s'élever à 10% du PIB mondial en 2010, ce qui est évidemment considérable.

Le documentaire d'Al Gore a permis de sensibiliser la classe politique, même si certains s'y sont rendus en hélicoptère.

Enfin, l'hiver exceptionnellement doux que nous avons connu et le printemps précoce sont autant de signes des changements climatiques dont nous mesurons tous l'importance.

Je voudrais à présent présenter six points prioritaires qui me paraissent essentiels.

Tout d'abord, le fait qu'économie et écologie ne sont pas opposées. Il fut un temps - pas si lointain - où à chaque fois qu'une mesure écologique était avancée, certains étaient considérés comme les fossoyeurs de l'emploi. On mettait à dessein économie et écologie toujours en contradiction pour démontrer à quel point l'écologie coûtait au social et à l'emploi.

Au contraire, il n'y a pas de contradiction entre économie et écologie. De nombreux chefs d'entreprises investissent à présent dans l'efficacité énergétique, dans les énergies renouvelables ainsi que dans la recherche de nouveaux matériaux et de nouvelles technologies. Il est important de rappeler ce message.

Les grands défis climatiques nous offrent, ainsi qu'à nos chefs d'entreprises, d'immenses opportunités. La révolution énergétique a commencé et les entreprises qui investissent aujourd'hui seront évidemment celles qui seront productives, intéressantes et compétitives et ce sont elles qui en recueilleront bientôt les fruits.

J'en viens à présent au social et à l'écologie.

Je constate que certains responsables politiques présentent aujourd'hui les choses comme si une politique énergétique et climatique moderne constituait une menace majeure sur le plan social. Certains parlent même d'une écologie de droite et d'une écologie de gauche.

Or, tant dans notre pays que sur la scène internationale, ce sont précisément et toujours les pauvres qui sont victimes des tendances actuelles dans le domaine de l'énergie et du climat ; ils bénéficieront de nouvelles opportunités si nous prenons ce problème à bras-le-corps. Par exemple, si les logements sociaux étaient des habitations passives, la facture énergétique des résidents diminuerait considérablement.

Au niveau mondial, nous risquons de connaître un scénario dans lequel un milliard et demi d'êtres humains s'approprieront les matières premières et l'énergie au détriment des quatre milliards et demi d'êtres humains restants. Est-ce là un comportement social ? Sans parler des dizaines de millions de réfugiés environnementaux que l'on dénombre déjà aujourd'hui et des centaines de millions d'autres qui ne manqueront pas de s'y ajouter si nous n'apportons pas rapidement une réponse à la menace de crise climatique mondiale. Une politique énergétique et climatique radicale est donc, par définition, une politique sociale. Mieux encore : il ne peut y avoir de justice sociale sans une approche écologique.

J'en viens à la finitude des matières premières. Vingt-cinq ans après le premier rapport du Club de Rome, nous prenons enfin conscience que notre monde a des limites, que le pétrole, le gaz et d'autres sources d'énergie ne sont pas inépuisables, à l'exception, évidemment, des énergies renouvelables, et que, pour certaines sources d'énergie, le tarissement approche à très grands pas. La question est de savoir comment nous pouvons au plus vite et au mieux faire la transition vers un monde qui ne gaspille plus son capital. Nous n'avons pas d'autre choix que de suivre cette voie et il ne fait aucun doute que les dix à quinze années à venir seront d'une importance capitale à cet égard.

Des pays comme la Suède s'investissent pleinement dans la préparation d'une ère post-fossile. Nous en sommes encore loin. Non seulement cela épargnera à terme aux Suédois bien de l'argent et des tracas mais cela leur permettra surtout de donner à leur industrie plusieurs longueurs d'avance sur les nôtres.

Parlons maintenant de la dimension éthique. Au Mexique, le prix des tortillas a récemment augmenté en raison de la hausse des prix mondiaux des céréales due à la demande croissante émanant du secteur des biocombustibles. Continuerons-nous, en Occident, à vouloir maintenir notre « automobilité » à tout prix, en allant au besoin jusqu'à « consumer » dans nos voitures la nourriture des pauvres ? Ce comportement n'est pas éthique.

Nous devons donc instaurer au plus vite un système de labels pour les biocarburants, au niveau européen voire mondial. Si ces carburants sont produits à partir de déchets ou de plantes non comestibles et si nous respectons certains critères écologiques - par exemple, des biocarburants sans OGM -, ils pourront jouer un rôle important dans l'approvisionnement énergétique au cours des années à venir. Mais on ne saurait laisser au seul marché libre le soin d'en décider, car on s'exposerait alors à des dysfonctionnements. Il est urgent de réglementer ce domaine.

J'en viens à la question de la guerre et de la paix. Nous le constatons aujourd'hui en Irak et ailleurs dans le monde : l'accès à l'énergie devient de plus en plus l'enjeu de grands conflits internationaux. Il est illusoire de croire qu'une majorité de la population mondiale acceptera de continuer à vivre dans la misère énergétique alors qu'une minorité gaspille l'énergie. C'est une situation qui ne pourra mener qu'à des conflits majeurs. Les habitants de Kinshasa ou de Pékin n'ont pas moins le droit que nous de disposer des matières premières et de l'énergie. Cette dimension internationale est une raison de plus pour oeuvrer pleinement et de manière proactive à la mise en place d'une « révolution énergétique durable », sous la forme d'une transition accélérée vers une utilisation durable de l'énergie.

La politique énergétique doit être liée à la démocratie. Il semble y avoir tant au niveau belge qu'au niveau européen ou international un déficit démocratique permanent et structurel dans le domaine de la politique énergétique. Nous l'avons encore constaté récemment lors du Conseil des ministres européen qui a vu le blocage des propositions de la Commission européenne visant à s'attaquer à l'oligopole de fait dans le secteur européen de l'électricité, plusieurs membres du Conseil ayant estimé que les intérêts des grandes entreprises énergétiques et de leurs actionnaires étaient plus importants que l'intérêt général.

Nous en avons un exemple dans notre propre pays où le gouvernement actuel a réduit le pouvoir de la CREG, de son comité de direction et de son conseil général, au profit des actionnaires de la multinationale SUEZ-Electrabel. Il a même promis à cette dernière de ne plus prendre aucune mesure réglementaire ou fiscale avant 2009 ! Ce faisant, il fait taire sa propre conscience et montre très clairement que les intérêts privés d'une certaine catégorie d'actionnaires priment sur l'intérêt général.

À terme, de nouveaux développements dans le secteur énergétique devraient permettre au consommateur et au citoyen de peser davantage sur la politique énergétique. En effet, les énergies renouvelables telles que l'électricité produite par cellules photovoltaïques, réduiront sensiblement la dépendance du citoyen vis-à-vis des grands conglomérats. Par conséquent, réguler le marché de l'énergie de manière à permettre une percée significative des énergies renouvelables, constitue aussi un projet qui renforce la démocratie.

Je voudrais à présent m'attarder quelque peu sur deux « échappatoires » et en dénoncer les dangers.

La première échappatoire est l'énergie nucléaire. Après soixante ans de recherche et d'exploitation, les problèmes sont toujours les mêmes et aucune solution ne pointe à l'horizon.

Le problème des déchets nucléaires n'est toujours pas résolu. Allons-nous enfouir des déchets hautement radioactifs pour une durée de 230.000 ans ? Ce n'est pas acceptable sur le plan éthique. La sécurité n'est toujours pas assurée. Sinon, pourquoi les compagnies d'assurances privées refuseraient-elles de couvrir les dommages potentiels en cas d'accident dans une centrale nucléaire ?

Sur le plan international, la prolifération des armes nucléaires demeure l'un des soucis majeurs. Le dossier iranien est un exemple parmi d'autres. Les services de sécurité du monde entier s'arrachent les cheveux pour trouver la formule qui permettrait d'éviter des attentats au moyen d'une bombe dite sale. Et nous continuerions à prétendre que conserver une industrie nucléaire n'est pas si dangereux !

Enfin, le coût de l'énergie nucléaire reste élevé. Le Bureau fédéral du plan a très clairement souligné que la construction d'une nouvelle centrale nucléaire ne pourrait se faire sans un cofinancement de la part du contribuable.

À en croire certains, le nucléaire serait en train de renaître. Quelle hérésie ! Certes, on parle beaucoup de l'énergie nucléaire, mais les nouveaux projets en Europe sont pratiquement inexistants et les investissements dans le reste du monde restent aussi très limités. Si le nucléaire s'avérait être la recette miracle et la solution la plus intéressante économiquement, le secteur privé ne devrait-il pas s'y engouffrer ? Or, ce n'est absolument pas le cas. Nous ne devons donc plus opter aujourd'hui pour les réponses du passé. En outre, ceux qui, dans notre pays, plaident à l'heure actuelle pour une prolongation de la durée de vie des centrales nucléaires, créent un climat d'instabilité et hypothèquent les investissements dans le domaine des économies d'énergie et dans celui des énergies renouvelables.

La deuxième échappatoire est la Carbon Capture and Storage : cette méthode utilisée dans les centrales au charbon consiste avant tout à capter et à stocker les émissions de CO2, de manière à ce que nous puissions continuer à consommer du charbon pour assurer notre approvisionnement en énergie. Mais cette technologie n'est pas du tout prête. De plus, un tel procédé est énergivore et diminuera encore le rendement énergétique de nos centrales au charbon, qui perdent déjà actuellement énormément d'énergie en raison des déperditions de chaleur. En outre, les risques de libération du CO2 entreposé dans le sous-sol suscitent les plus grandes interrogations. Mieux vaut dès lors faire preuve d'une extrême prudence avant d'explorer cette piste et plutôt privilégier les économies d'énergie et les sources d'énergie renouvelables.

En conclusion, je rappelle que nous avons lancé un grand plan national d'action pour le climat auquel nous vous appelons tous, toutes les forces politiques, associatives, syndicales. Ce plan de douze ans couvrant trois législatures concernerait l'ensemble des aspects et des domaines. L'État y montrerait l'exemple dans l'emploi durable, l'autonomie énergétique, l'habitat, la mobilité, l'alimentation et l'agriculture en rendant les choix écologiques moins chers et en imposant autrement. Ce plan en dix mesures permettrait en douze ans de réussir la transition écologique vers un autre modèle. C'est urgent. Il faut cesser de tergiverser.

Je regrette d'ailleurs que nous soyons si peu nombreux dans l'hémicycle aujourd'hui pour un débat d'une telle importance. J'espère que l'absence de nombreux collègues ne sera pas de nature à mettre en danger les choix que nous devrons faire. Nous n'avons plus dix ans à perdre.

M. Philippe Mahoux (PS). - Nous lisons attentivement les comptes rendus, madame Durant.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Als minister van Energie stel ik het ten zeerste op prijs dat de Senaat een energiedebat organiseert. Het bewijs is daarmee geleverd dat de Senaat op een serene en open wijze over de energieproblemen kan discussiëren.

Ik geef toe dat de voorgestelde oplossingen uiteenlopen. Niettemin is een onderstroom voelbaar van richtingen die men, over de politieke families heen, wil inslaan.

Energie is uitgegroeid tot een uiterst belangrijke aangelegenheid binnen onze maatschappij. Bij wijze van boutade heb ik ooit gezegd dat we eens een dag van de energie moeten organiseren zonder energievoorziening. Naast de energiebesparing zou daardoor ook de bewustwording van het belang van de energie worden aangescherpt. Incidenten zoals de stroomonderbreking in Brabant toen een hoogspanningspyloon afknapte of de stroompanne in Duitsland nadat een schip een brug had beschadigd, tonen aan dat energie een centrale rol speelt in het dagelijkse leven.

Ik zal de problematiek internationaal en dan vooral vanuit Europees oogpunt benaderen. Als de nu 27 ministers bevoegd voor Energie elkaar ontmoeten, blijkt dat de problemen voor ons allemaal dezelfde zijn en dat er jammer genoeg geen mirakeloplossingen of silver bullets bestaan.

Naar aanleiding van dit debat is mij ook duidelijk geworden dat het energiedebat en het klimaatdebat moeten samenlopen. Nochtans was ik in de Senaat alleen uitgenodigd. Er is echter ook een minister bevoegd voor Leefmilieu. Misschien moeten we ons afvragen of het niet raadzaam zou zijn energie en klimatologie in één bevoegdheidsportefeuille onder te brengen waardoor de multidisciplinaire aanpak kan worden beklemtoond.

J'en viens aux conclusions de la présidence du Conseil européen formulées à Bruxelles les 8 et 9 mars derniers. Elles me confortent une fois de plus dans les convictions que j'avais en créant la commission 2030 à l'entame de mon mandat de ministre de l'Énergie en 2004, à savoir que la Belgique doit mener un débat serein sur les orientations à donner à sa politique énergétique et tenter de développer une politique à plus long terme que les dix ans prévus. Au lieu de l'horizon de 2030, il serait peut-être préférable d'envisager l'horizon 2050.

Je rappelle la mission de la commission 2030. Celle-ci doit nous aider à positionner notre politique énergétique d'ici 2030, compte tenu du cadre législatif en vigueur et d'une prémisse bien définie, celle de disposer d'un approvisionnement en énergie à un prix acceptable en respectant l'environnement et sans affecter notre compétitivité. Cette fameuse prémisse est encore accentuée aujourd'hui par la nécessité d'agir effectivement et rapidement face aux changements climatiques, la production et la consommation d'énergie étant les principales sources de gaz à effet de serre. Une approche intégrée de la politique climatique et énergétique s'impose pour y parvenir.

L'Europe souligne à juste titre que les politiques énergétiques et climatiques doivent se soutenir mutuellement. Partant de ce principe et dans un esprit de solidarité entre les États membres où chacun peut choisir son mix énergétique et a la pleine souveraineté en ce qui concerne les sources d'énergie primaire, trois objectifs doivent être poursuivis. Le premier consiste à assurer davantage de continuité dans l'approvisionnement en énergie ; le deuxième à garantir la compétitivité des économies européennes et la disponibilité d'une énergie à un prix abordable ; le troisième à promouvoir la durabilité environnementale et à lutter contre les changements climatiques.

Après avoir entendu les points de vue des groupes parlementaires, je vais tenter de vous donner un aperçu, le plus global possible, de la situation telle qu'elle se présente réellement en Belgique et des principaux défis auxquels nous devrons faire face dans les prochains mois si nous voulons atteindre les objectifs que je viens d'énumérer.

De vrijmaking van de Belgische gas- en elektriciteitsmarkt is pas mogelijk als de ontvlechting tussen de producenten enerzijds en de netbeheerders anderzijds effectief wordt gerealiseerd. Dat geldt zowel voor gas als voor elektriciteit. Alleen via een echte ontvlechting kunnen de doelstellingen voor een objectieve en niet-discriminatoire toegang tot het net en voor nieuwe investeringen in het net worden gehaald. Op de Europese Raad voor energie van februari 2007 heb ik die ontvlechting voorgesteld als een eigendomsontbundeling. Ze is voor België des te belangrijk omdat in België één en dezelfde privégroep een dominante positie bekleedt in de elektriciteitsproductie en in de invoer en de levering van aardgas. Bovendien heeft de groep ook een vinger in de pap bij de twee netbeheerders.

Talrijke studies tonen aan dat de verticale integratie van Electrabel een drempel voor toetreding vormt. Toch ontbreekt tot op heden de politieke moed om hierover een debat te voeren en hiervan werk te maken.

Nieuwe investeringen in het netwerk moeten worden gestimuleerd. De papiermolen om de nodige vergunningen voor investeringen te verkrijgen moet opnieuw worden gecentraliseerd. Het huidige systeem is te versnipperd; net als voor grote wegenwerken moeten de krachten voor investeringsprojecten van Elia en Fluxys kunnen worden gebundeld. Per investeringsproject moet een coördinatiegroep met vertegenwoordigers van de federale en gewestelijke beleidsniveaus worden opgericht. Zo kan een passend antwoord worden gegeven op de maatschappelijke vraag naar tijdige en correcte informatie over de projecten. Bovendien wordt daardoor de samenwerking tussen de diverse bevoegde administraties geoptimaliseerd.

Persoonlijk vraag ik me af of het niet beter is een homogeen bevoegdheidspakket voor energiemaatregelen te creëren. We kunnen van mening verschillen over de vraag op welk niveau dat pakket het best wordt gesitueerd. Het debat zou ons alleszins in staat stellen het dossier te stroomlijnen.

Er is ook nood aan een krachtenbundeling met betrekking tot de certificaten voor groene stroom onshore en offshore. In het huidige beleid staat het eigen succes centraal. Als we de Kyotodoelstellingen willen halen en duurzame energie tegen een aanvaardbare prijs echte slaagkansen willen bieden, dan moeten de federale en de gewestelijke beleidsniveaus samen een oplossing uitwerken die voor alle partijen aanvaardbaar is en die onze positie kan versterken.

Een goed functionerende eengemaakte groothandelsmarkt heeft voordelen. Op elektriciteitsvlak hebben België, Nederland en Frankrijk een groothandelsmarkt opgericht. Waarschijnlijk zullen Duitsland en Luxemburg tot het systeem toetreden. Niet alleen wordt de markt hierdoor meer liquide, ook de interconnectie wordt daardoor mogelijk, dat wil zeggen de aansluiting van de netten in de verschillende landen volgens een systeem waarbij de bevoorrading in de nieuw gecreëerde regio wordt gegarandeerd. Ook op dat vlak is vooruitgang mogelijk.

En matière de sécurité d'approvisionnement, sans vouloir anticiper sur les conclusions de la commission 2030, il ne serait pas raisonnable de se contenter de limiter le débat à une discussion « pour ou contre le nucléaire ».

Le programme indicatif des moyens de production d'électricité pour la période 2005-2014 montre que, si les premières centrales nucléaires sont fermées en 2015 et remplacées exclusivement par des centrales au gaz, la production d'électricité en Belgique proviendra pour plus de 50% de ces centrales. Une telle évolution nécessite d'énormes investissements dans ces unités de production et dans l'infrastructure de transport, mais signifie aussi une dépendance accélérée et accrue aux importations de gaz naturel. Si l'on décide d'accroître le nombre de centrales au gaz, on augmente les émissions de CO2 alors que, d'ici 2010, la Belgique doit diminuer ses émissions de 7,5%. De plus, l'Europe nous impose de réduire nos émissions de gaz à effets de serre d'environ 20% par rapport à 1990 d'ici 2020.

Cette option a également des conséquences géopolitiques. Non seulement, les réserves de gaz et de pétrole sont limitées dans le temps, mais leur disponibilité est souvent teintée de facteurs géopolitiques. Pensons au pétrole du Moyen Orient et au gaz en provenance de Russie.

Ne pas opter pour les centrales au gaz mais, exclusivement, pour des importations en provenance de France et des Pays-Bas affaiblirait la Belgique sur le plan économique. Il s'ensuivrait une hausse des prix de l'énergie pour l'industrie et pour les ménages. N'oublions pas que la France et les Pays-Bas disposent d'un parc de production nucléaire. Leur politique est diamétralement opposée à celle de notre pays. Je citerai, par exemple, la construction d'une nouvelle centrale en France, le recrutement d'ingénieurs disposant de connaissances nucléaires par le groupe SUEZ et le maintien en service de la centrale de Borssele.

Importer cette électricité reviendrait indirectement à soutenir l'énergie nucléaire alors que la Belgique perdrait son savoir-faire, sa compétitivité et peut-être aussi son emploi.

Des importations en provenance d'Allemagne pourraient être envisagées dans un avenir proche au vu des pourparlers menés dans le cadre du forum pentalatéral sur l'énergie. Malheureusement, à défaut de connexions avec le Royaume Uni, l'approvisionnement de la Belgique à court et à moyen termes ne sera pas possible avec ce pays. Enfin, gardons à l'esprit que les importations massives d'électricité affectent la stabilité du réseau de transport et, partant, menace le système de sécurité et d'approvisionnement. En outre, elles nécessiteraient un renforcement considérable et onéreux en ce qui concerne les interconnexions.

Er kan ook worden geopteerd voor het gebruik van uitsluitend duurzame energie of lokale productie-eenheden.

Deze mogelijkheid, vaak voorgesteld als alternatief en mirakeloplossing, biedt enorme vooruitzichten. Zelf geloof ik in deze sector. Men kan immers alleen maar waardering opbrengen voor wat die sector in korte tijd heeft gerealiseerd.

Desalniettemin is een radicale en uitsluitende keuze voor duurzame energie niet zonder gevaar. De gevolgen ervan kunnen zich ook snel laten gevoelen, niet alleen in ons land maar ook internationaal.

Zoals alle Europese netten, is het onze uitgebouwd als een geïntegreerd net, dat werkt op basis van drie premissen: waar is de vraag, waar gebeurt de productie en hoe wordt de energie vervoerd naar de eindgebruiker.

Misschien moet worden gewerkt aan een ander concept. Alleen moet men daarbij voor ogen houden dat dit tijd in beslag zal nemen en overleg op internationaal niveau noodzaakt. We moeten hierover dan ook goede afspraken maken en het historisch systeem langzaam verlaten, wat dus niet middels een tabula rasa kan gebeuren.

De noodzakelijke investeringen zullen worden doorberekend in de nettarieven, wat een weerslag heeft op de energiefactuur.

De beschikbaarheid van duurzame energie is beperkt door klimatologische omstandigheden. De werkingsgraad van windenergie op de Noordzee zou 30% energie opleveren, maar voor de overige energie moeten we andere centrales bouwen.

Naast de klimatologische omstandigheden leggen ook geografische factoren ons beperkingen op. Wind en zon vereisen een grote oppervlakte, maar België is nu eenmaal niet zo groot en kent een specifieke ruimtelijke ordening met een hoge bevolkingsdichtheid en specifieke industrieën.

Ik wil niet worden geconfronteerd met het fameuze NIMBY-syndroom - not in my backyard - noch met het BANANA-syndroom, de afkorting voor build absolutely nothing anywhere near anyone.

Daarenboven is het mogelijk dat de bevoorrading van de basisgrondstof voor problemen kan zorgen. De biomassa is zonder enige twijfel een goede energievector, maar signalen wijzen erop dat een voldoende voorraad koolzaad of biomassa niet evident is in België en dat dit een impact heeft op de wereldmarkt.

De vraag is dus of we ons moeten baseren op een systeem van uitsluitend duurzame energie, zonder een afdoend antwoord op bepaalde vragen.

Ik stel vast dat het meer dan vijftien jaar geleden is dat nog een ernstig energiedebat werd georganiseerd in het Parlement en dat de belangstelling niet overdonderend is. De sprekers waren veelal specialisten die zich terecht willen profileren en ook de pers besteedt hieraan niet veel aandacht. Nochtans gaat het over een probleem dat iedereen fundamenteel noemt voor onze toekomst.

Le nucléaire pose des questions essentielles surtout en ce qui concerne le traitement des déchets. Il serait inacceptable que nous laissions à nos enfants une société davantage polluée que celle que nous avons reçue. Quelle que soit l'option choisie, si le nucléaire est jugé nécessaire, il ne pourra être utilisé que si nous possédons suffisamment de garanties concernant le traitement et le stockage des déchets nucléaires. Sur ce point, des questions subsistent, même si la science et la technique ont considérablement progressé et qu'une partie de la masse des déchets peut certainement être stockée en toute sécurité. Je suis convaincu, à l'instar du Premier ministre, qu'il faut tenter d'accéder plus rapidement aux réacteurs de quatrième génération pour résoudre le principal problème posé par l'énergie nucléaire. De même, nous resterons dans le cadre de la stratégie de Lisbonne où nous mettrons la recherche et le développement au service de la société.

Il a également été question de stocker les émissions de CO2. La recherche et le développement peuvent apporter des solutions à cet égard, mais peut-être pas à bref délai. D'une part, la technique permettra-t-elle de procéder à un tel stockage ? Les milieux scientifiques sont hésitants. D'autre part, ne serait-ce pas aller à l'encontre de l'argument et de l'objectif qui imposent à chacun de maîtriser sa consommation d'énergie ?

Ik sluit af. In mijn uiteenzetting wilde ik de feiten en de dilemma's waarmee België wordt geconfronteerd op een rij zetten. We zullen rekening moeten houden met de Europese doelstellingen: continuïteit in de energiebevoorrading, het waarborgen van het concurrentievermogen van de Europese economieën, beschikbaarheid van betaalbare energie en het bevorderen van de milieuduurzaamheid en het bestrijden van de klimaatverandering. Dat zijn bijzonder grote uitdagingen waarvoor geen eenvoudige oplossingen bestaan. Ik heb dan ook de studie 2030 besteld, opdat iedereen zich bewust zou zijn van de gevolgen van de verschillende keuzes die België kan maken. Ik lanceer meteen ook een oproep om daarover opnieuw een sereen en wetenschappelijk onderbouwd debat te voeren. Ik verheel niet dat ik de lichtzinnigheid waarmee daarover in bepaalde omstandigheden werd gediscussieerd, onverantwoord vond. Ik wacht op de eindconclusies van de studie om mijn standpunt als minister van Energie te bepalen. Ik kan u alvast zeggen dat ik me alleen zal laten leiden door wetenschappelijk onderbouwde argumenten die me waarborgen dat we in 2030 voldoende energie zullen hebben om aan de vraag te voldoen, dat deze energie ook betaalbaar zal zijn en dat ze geen hypotheek zal leggen op ons milieu, ons klimaat en onze toekomst.

Energie-efficiëntie is wellicht de eerste uitdaging die we zullen moeten aangaan. Dat geldt niet alleen voor de industrie en de dienstensector, maar ook voor de huisgezinnen. Zij moeten veel meer inspanningen leveren dan ze tot op heden deden. Brochures en tips, infolijnen en dagelijkse reclamespotjes dragen ongetwijfeld bij tot de bewustwording en zullen mensen aanzetten tot inspanningen, maar we kunnen nog veel verder gaan. Er werden mooie mogelijkheden aangereikt die echt invloed zullen hebben. Ik denk aan de publieke sector en de overheidsgebouwen, ook van de gewesten. Allemaal moeten we ons afvragen of we wel goed bezig zijn, bijvoorbeeld in de manier waarop we straat- en sfeerverlichting aanbrengen. Is de energieprestatie van kantoren, openbare gebouwen, instellingen zoals de luchthaven van Zaventem wel goed en moeten we niet meer inspanningen doen? Het antwoord hierop is zeer duidelijk ja.

Het energiebeleid is een lange reis die we moeten maken en waarop we ons goed moeten voorbereiden. Die voorbereiding moeten we onbevangen aanvatten, maar we moeten ook de risico's afwegen. De aanzet die de Senaat vandaag gaf, heeft ons ongetwijfeld, hoe verschillend onze standpunten soms ook zijn, dichter bij één gezamenlijke oplossing gebracht, waarvan we hopen dat ze wie na ons komt niet met onoverkomelijke problemen opzadelt.

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

Mme Jihane Annane (MR). - Nous avons entendu les positions des uns et des autres, ainsi que celle du ministre. Au-delà de tous les clivages politiques, je me réjouis de cette unanimité et je ne le dis pas, comme Mme Durant, avec ironie.

Ce matin, nous nous sommes réunis pour débattre de la politique de l'énergie. Cela démontre la complexité du dossier et ses implications diverses.

Notre politique doit rester inscrite dans une approche européenne de cette question devenue incontournable, mais encore, plus largement, présenter une dimension internationale.

Parler de la question énergétique, c'est aborder deux volets, l'offre et la demande, l'approvisionnement et la consommation. Ce qui nous occupe est intrinsèquement lié à la question environnementale et au rôle que l'énergie a joué dans l'évolution climatique. À cet égard, je partage l'avis du ministre quant à la nécessité de réfléchir sur les compétences énergie, climat, environnement et sur leur interaction.

Il n'est plus besoin de recherche scientifique pour démontrer que le réchauffement climatique existe. Cette vérité, même si elle dérange, est désormais acquise. L'engagement politique pris par les États membres lors du Conseil européen des 8 et 9 mars l'atteste. Ils se sont engagés à réduire leurs émissions de gaz à effet de serre de 20% d'ici à 2020 par rapport à 1990. Ce pourcentage pourrait s'élever à 30% s'ils parviennent à convaincre les États-Unis et des économies majeures comme l'Inde et la Chine de faire des efforts comparables dans le cadre d'un accord mondial. Par ailleurs, l'Union européenne a décidé d'économiser 20% de la consommation totale d'énergie d'ici à 2020, d'atteindre une part de 20% pour les énergies renouvelables et de 10% pour les biocarburants.

Nous voici donc, citoyens du XXIème siècle, confrontés, non pas malgré nous, au défi des changements climatiques. L'objectif planétaire est de limiter à deux degrés l'augmentation des températures au cours de ce siècle. Une manière d'y parvenir serait de limiter la consommation d'énergie, de développer des énergies renouvelables et alternatives moins polluantes. Ce dernier aspect est au coeur du débat !

Les énergies renouvelables sont chères mais leur coût à long terme ne sera pas forcément plus élevé que le prix du pétrole aujourd'hui. Et certainement moins élevé que le prix de l'inaction ! La volonté d'agir affichée par tous se traduira-t-elle réellement par des mesures fortes dans tous les pays ? J'en doute car, avant même de définir une répartition des contributions aux objectifs européens, certains États membres estiment fournir déjà des efforts suffisants.

Le coût du développement d'énergies renouvelables suscite donc encore quelques réticences. Or, « le problème du coût des énergies renouvelables serait plutôt lié à l'instabilité des prix » comme l'explique si justement le professeur Stiglitz que nous avons reçu dernièrement. « Le Moyen Orient est capable de produire du pétrole à 20 dollars, voire à 10 dollars le baril. Un baril à 10 dollars ferait peser un risque énorme sur ceux qui investissent dans les énergies renouvelables, lesquelles ne sont concurrentielles qu'à raison d'un baril de pétrole à 30 dollars ! Dès lors, encourager la substitution des énergies fossiles doit passer par un système de prix minimum garanti pour les autres types d'énergie. »

M. Collas a fait allusion à la nécessité de prendre des mesures incitatives qui ne doivent pas nuire au développement économique ou à la compétitivité de nos entreprises. Certaines industries pourraient connaître, à la suite de mesures restreignant les émissions de CO2, des coûts supplémentaires qui les désavantageraient par rapport aux industries localisées dans des pays moins regardants. Les économies des pays qui entament une action contre le réchauffement climatique pourraient s'en trouver défavorisées.

Cette réflexion m'amène à soulever la question d'un engagement mondial.

L'engagement louable et historique de l'Union européenne serait annihilé par une absence de réaction des grands pays en voie d'industrialisation, comme l'Inde, la Chine et le Brésil, et des pays en voie de développement.

S'il est vrai que les pays anciennement industrialisés restent historiquement et aujourd'hui les principaux responsables des émissions de gaz à effet de serre, l'avenir de cette question va de plus en plus se jouer dans les pays en voie de développement, d'une part parce que leurs émissions représenteront d'ici à 2020-2030 la majorité du total mondial, d'autre part parce que le développement influence directement les types de production et de consommation dans l'ensemble du monde.

L'engagement de l'Union européenne n'aura donc de sens que si elle parvient à convaincre les pays émergents et les pays en voie de développement de leur rôle capital dans la lutte contre le réchauffement climatique, d'autant que ces pays seront les premières victimes des bouleversements climatiques garantis par l'absence de détermination planétaire.

Par cette intervention, chers collègues, je souhaitais démontrer, si besoin en était encore, le lien étroit existant entre énergie et changements climatiques. En réponse à notre engagement européen et, espérons-le, dans le cadre d'un accord international, notre politique énergétique ne pourra faire l'économie de ses corollaires environnementaux.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De belangrijkste doelstellingen van Europa, namelijk de bevoorradingszekerheid, de duurzaamheid en de betaalbaarheid via de competitiviteit, zijn ook de onze.

Het was evenwel ontluisterend van de minister te vernemen dat er onvoldoende politieke wil is om het debat over de interne elektriciteits- en de gasmarkt ten gronde te voeren. In de Pax Electrica wordt gesteld dat er een blokkeringminderheid moet zijn van Electrabel-SUEZ en Elia. We moeten vaststellen dat de regering hier heeft gefaald want deze voorziening is vooralsnog niet gerealiseerd.

De minister had het over de kernenergie, meer bepaald over de afvalproblematiek. Er is inderdaad een probleem, maar het langer openhouden van de kerncentrales leidt maar tot een beperkte verhoging van het afval. Het grootste deel van de afval zal komen van de ontmanteling van de kerncentrales. We moeten daar rekening mee houden. Wat is het risico van het voortijdig sluiten van deze kerncentrales ten opzichte van het risico van onvoldoende energie op een bepaald moment? De vierde generatie energiebronnen zullen maar tegen 2040 een kans maken. Het sluiten van de kerncentrales zal veel sneller gebeuren en er zal dan geen alternatief zijn.

Ook inzake duurzame energie moeten we realistisch zijn. De minister heeft iets nieuws aangehaald, namelijk de BANANA-theorie. De zeewindmolens zijn er echter nog altijd niet. Men gaat ze bouwen, heel ver op zee. Blijkbaar situeren de grote problemen zich voornamelijk op het vlak van bouw- en milieuvergunningen. De overheid komt blijkbaar te laat met het afleveren van de nodige vergunningen. Is dat des te meer het bewijs dat het Not in My Backyard- en het BANANA-syndroom een belangrijke rol spelen?

We moeten blijven streven naar een goede mix van energiebronnen om de drie aangehaalde doelstellingen te realiseren; 2015 is immers heel kortbij. Duurzame energie moet verder worden gepromoot en ook moeten meer inspanningen gedaan worden om energie te besparen. Om dit op korte termijn te realiseren hanteert men best een goede korf van verschillende energie-instrumenten.

M. Jacques Brotchi (MR). - Je parlerai essentiellement de recherche et de développement des biocarburants en Belgique.

Comme l'a rappelé mon collègue, M. Collas, la défiscalisation a été nécessaire pour un développement des biocarburants à grande échelle. Ceux-ci produisent moins de gaz à effet de serre que le pétrole ; ils sont abondants et disponibles au niveau national. Leur utilisation nous permettrait de réaliser plus de 20% de l'effort de réduction des gaz à effet de serre, comme prévu dans les objectifs de l'Union européenne pour 2020. Les biocarburants produisent non seulement moins de gaz à effet de serre que le pétrole mais également que le gaz. C'est un élément fort important.

Parmi les biocarburants techniquement au point, on distingue trois grandes filières : l'huile végétale pure issue de graines oléagineuses, le biodiesel issu de la transformation d'huile végétale et l'éthanol issu de la fermentation de sucre ou d'amidon. Actuellement, le bioéthanol et le biodiesel peuvent être utilisés dans des mélanges à faible teneur en biocarburant, avec des carburants classiques, dans tous les véhicules et peuvent être distribués par l'infrastructure existante.

La Belgique aura déjà, avant 2010, la capacité suffisante de produire 10% de biocarburant grâce aux nouvelles usines actuellement en construction.

Cependant, il convient d'aller encore plus loin et de développer à terme des bioraffineries - c'est-à-dire des industries équivalentes aux raffineries pétrolières mais dont la matière première est issue de la biomasse - qui permettront de produire, outre les biocarburants, un large panel de produits valorisables dans différents secteurs : pharmaceutique, chimique, énergétique, etc. Le développement de ces produits permettra de maximiser le bilan énergétique, c'est-à-dire de produire plus d'énergies renouvelables pour la même quantité d'énergie fossile utilisée dans le processus et de maximiser la réduction des émissions de CO2. Il est donc nécessaire qu'une recherche adéquate soit soutenue dans ce domaine.

Par ailleurs, des recherches prometteuses visent le développement d'autres biocarburants, issus de sources ligno-cellulosiques ou de bois, comme la paille, les copeaux de bois, etc. Mais ces matériaux riches en fibres ne peuvent être convertis en biocarburants liquides que par des procédés techniques avancés dont la plupart sont encore sous-développés, faute de financement.

En Belgique, plusieurs évolutions technologiques sont observées et attendues, dans le domaine de la biomasse énergie, comme l'incorporation d'éthanol dans le diesel, le développement de biocarburants issus de sources ligno-cellulosiques ou la conversion des moteurs à l'utilisation d'huile végétale pure, etc.

La poursuite de la recherche et du développement est donc primordiale, pour se préparer à l'utilisation à grande échelle des biocarburants concurrentiels en termes de coût. Il faut parallèlement développer un partenariat étroit entre tous les acteurs concernés - le gouvernement, les unités de recherche et les entreprises - afin de promouvoir les meilleures pratiques et faciliter l'investissement à long terme du secteur privé.

En outre, le développement des biocarburants contribue à stimuler l'innovation et à maintenir la position concurrentielle de la Belgique, et plus globalement de l'Europe, dans le secteur des sources d'énergie renouvelables. C'est pourquoi je tenais à rappeler aujourd'hui l'importance de susciter des projets de recherche et de développement dans les programmes de soutien aux universités et aux industries.

M. François Roelants du Vivier (MR). - Mon intervention portera surtout sur les énergies renouvelables et en particulier sur l'énergie solaire et éolienne.

Je voudrais partir de ce que disait Schumacher il y a à peu près trente-cinq ans : « Small is beautiful ». Il disait cela en pensant aux risques que pouvait amener la concentration de la production dans l'économie globale. Je me demande toutefois si Schumacher ne se trompait pas en défendant cette idée dans le domaine qu'il connaissait le mieux, c'est-à-dire le secteur énergétique.

Lorsqu'il s'agit d'énergies alternatives, serait-il inconvenant de dire « Big is beautiful » ? La question est en effet celle des économies d'échelle. En concentrant des miroirs solaires ou des champs d'éoliennes sur de larges surfaces, on peut produire davantage d'un coup. Les Américains, qui sont souvent décriés - parfois avec raison - en ce qui concerne leur politique énergétique, sont en train de construire une centrale solaire de 62 MW dans le désert du Nevada, ce qui n'est pas négligeable.

Quand on dit « big », il s'agit peut-être de la centrale mais il peut aussi s'agir du matériau, de l'instrument lui-même. En ce qui concerne l'éolien, je pense par exemple aux turbines. Actuellement, la société Siemens construit des turbines éoliennes de 3,6 MW. C'est considérable. Lorsqu'on sait que les coûts fixes d'un champ d'éoliennes, en mer du Nord par exemple, sont quasiment identiques qu'il s'agisse de dix éoliennes ou de cent, on imagine bien l'avantage que peut représenter un parc de cent éoliennes à 3,6 MW l'unité, soit au total 360 MW, ce qui est déjà un beau résultat, même par rapport aux centrales traditionnelles au gaz-charbon ou nucléaires.

Que l'on ne se méprenne toutefois pas, je n'ai pas dit que « Big is beautiful » implique de renoncer à ce que les particuliers participent à l'effort en plaçant, par exemple, des panneaux solaires sur le toit de leur maison ou une éolienne. Les petits ruisseaux font les grandes rivières ! Cependant, si on se limite à cette évolution, on risque de se confiner dans une espèce de rêve rousseauiste marginal. Les énergies renouvelables valent mieux que cela.

En réalité, les deux approches sont complémentaires. Plus les énergies alternatives - et singulièrement l'éolien et le solaire - seront appliquées à une large échelle, plus les matériaux et les composants verront leur prix se réduire pour les simples particuliers.

Évidemment, le temps qui s'écoule avant que l'investissement devienne rentable peut être un problème pour le particulier. Ainsi, douze ans se sont écoulés avant que les panneaux solaires que j'ai fait placer sur le toit de ma maison ne me fournissent gratuitement de l'eau chaude. Mon choix découlait de mon idéal mais n'était pas rationnel sur le plan économique. En revanche, l'investisseur industriel dispose d'un budget qui n'est nullement comparable à un budget familial. Sa situation est donc toute différente.

Ce que je cherche à démontrer à travers l'axiome « Big is beautiful » en ce qui concerne les énergies renouvelables, c'est que la part qu'on leur assigne dans les conclusions du Sommet européen (10% en 2020 et 10% de biodiesel) pourrait être accrue dans une logique industrielle. C'est la voie de l'avenir ! C'est donc sur l'innovation technologique, qui est le moteur de la croissance de nos sociétés, qu'il faut insister, que ce soit dans le domaine des économies d'énergie, de l'efficacité énergétique ou des énergies renouvelables.

Seuls des efforts accrus d'innovation permettront de rencontrer les nécessaires besoins énergétiques de nos pays et du monde, ainsi que de lutter contre le réchauffement global qui est déjà amorcé.

Je veux bien m'indigner sur le décalage existant entre les consommations énergétiques du Nord et du Sud de la planète, mais je préfère me concentrer sur les solutions et l'encouragement de nouveaux développements industriels dans le domaine des énergies renouvelables, car c'est vraiment dans ce secteur que la Belgique peut apporter une valeur ajoutée.

De heer Luc Willems (VLD). - De minister heeft verschillende heel interessante elementen naar voren gebracht.

Hij pleit er bijvoorbeeld voor om op federaal vlak een link te leggen tussen het klimaat- en het energiebeleid, zaken die jarenlang apart werden behandeld. Tijdens ons bezoek aan Finland, waar ik vandaag al herhaaldelijk naar heb verwezen, zagen we dat er daar een zeer eenvoudige beslissingsstructuur bestond voor zowel het energiebeleid als het technologiebeleid en dat men er de kiespeters op diverse overlegfora samenbrengt. Daaraan dankt Finland zeker voor een deel zijn recente succes. Ik stel daarom voor dat ook de Senaat energie en duurzame ontwikkeling in eenzelfde commissie samenbrengt zodat ze niet meer van elkaar kunnen worden gescheiden. Vermoedelijk zal de volgende regering in dezelfde lijn klimaat- en energiebeleid onder de bevoegdheid van eenzelfde minister samenbrengen.

Ik onthoud uit de uiteenzetting van de minister ook zijn sterk pleidooi voor de volledige ontkoppeling van energieproducenten en netwerkexploitanten. Collega Steverlynck verbaast zich over dat voorstel. Eigenlijk moeten we vaststellen dat er de voorbije jaren al heel wat inspanningen zijn gedaan om een einde te maken aan een situatie waarbij de energiepolitiek jarenlang in handen was van lokale mandatarissen. Nu heb ik helemaal niets tegen lokale mandatarissen, maar zij hebben wel een monopoliepositie laten uitbouwen en de verticale integratie in het leven geroepen, alleen omdat de gemeenten daar een dividend mee konden opstrijken. Daardoor hebben we later die onzalige discussie over de Eliaheffing moeten voeren. Op die leest hebben de lokale mandatarissen het energiebeleid jarenlang geschoeid.

Als jong en naïef kamerlid heb ik de minister van Economie eens willen interpelleren over de vraag waarom hij de derdegeneratiestatuten in de energiedistributie niet voorlegde aan de Raad voor de mededinging. Ik heb die interpellatie ingetrokken - voor de enige keer in heel mijn loopbaan als parlementslid - onder druk van de lokale mandatarissen. Zij vonden het not done dat hun werk in de energie-intercommunales doorkruist werd door parlementsleden en door de Raad voor de mededinging. We moeten in alle nederigheid erkennen dat de partijen dat jarenlang hebben laten gebeuren. Het is dan ook opmerkelijk en lovenswaardig dat de minister over dit heikele punt een duidelijk standpunt inneemt. Ik hoop dat dit de komende jaren navolging vindt. Ik volg ook met veel respect hoe Europees commissaris Neelie Kroes, die bij haar aantreden beschouwd werd als de grootste affairiste van de Europese Commissie, zich vandaag afzet tegen de concerns en probeert het algemeen belang voorop te stellen.

We moeten gericht zijn op het algemeen belang en bijgevolg ontvlechting nastreven. Ik feliciteer de minister dan ook voor zijn uitspraak. Ik hoop dat, mede onder druk van het debat over het klimaatbeleid, politici inzien dat de topprioriteit in het energiebeleid er de komende jaren niet in mag bestaan ervoor te zorgen dat er winst wordt gemaakt, ofwel door de lokale mandataris op gemeentelijk vlak, ofwel door de grote concerns.

Uit persoonlijke naam en als voorzitter van de commissie dank ik de minister voor zijn inspanning in de voorbije jaren om een degelijk energiedebat te voeren, ook in de senaatscommissie. Ik dank ook de aanwezige collega's voor hun inspanning om dit debat op een hoog niveau te tillen. Aan de geringe belangstelling van de overige collega's kunnen we weinig verhelpen. De inhoud van het debat zal dan toch vereeuwigd worden in de parlementaire stukken.

De heer Bart Martens (SP.A-SPIRIT). - De minister heeft een boude uitspraak gedaan over eigendomsontvlechting. Volgens de minister ontbreekt de politieke moed om méér te realiseren. We moeten verder gaan dan de engagementen die SUEZ heeft aangegaan in de Pax Electrica. Collega Steverlynck heeft gelijk te stellen dat we eerder kunnen spreken over een Farce Electrica dan van een Pax Electrica als zelfs de engagementen uit de Pax Electrica niet worden nagekomen.

De SP.A heeft geen probleem om verder te gaan. Dat hoeft voor ons niet te gebeuren via vrijwillige canapéafspraken of de gentlemen's agreement uit de Pax Electrica. Er kunnen ook regels worden opgelegd. We hebben in ons wetsvoorstel concrete maatregelen voorgesteld om werk te maken van de eigendomsontvlechting. We willen werk maken van een onafhankelijk beheer van de netten en van een goed bestuur, want dat is noodzakelijk voor een goede marktwerking. Het gebrek aan politieke moed is dus zeker niet aan de SP.A toe te schrijven.

Naast de eigendomsontvlechting moet de bestuurscultuur van het netwerkbeheer worden aangepakt. Bij Elia is het bestuur veel beter dan bij Fluxys, maar het is toch niet aanvaardbaar dat een topman van Electrabel van de ene dag op de andere een topman van Fluxys wordt. In de ons omringende landen is zoiets onmogelijk. Als een kaderlid van de beheersmaatschappij van het hoogspanningsnet in Frankrijk naar EDF overstapt, wordt hij eerst naar een buitenlandse entiteit van EDF gestuurd, om geen belangenvermenging of een zweem daarvan te kunnen veroorzaken. Het zou goed zijn mochten we ook in België zulke gedragsregels afspreken, zodat het onafhankelijk beheer van onze netten kan worden gegarandeerd.

De Europese lidstaten hebben een verschillende benadering van de kernenergie. Sommige, zoals Duitsland, stappen af van de kernenergie, andere, zoals Finland, gaan net een centrale bijbouwen. We hebben een leerrijke reis naar Finland ondernomen. De omstandigheden waarin de bouw van een nieuwe centrale de politieke steun van de meerderheid heeft verkregen, zijn anders dan bij ons. In Finland is plaats om ver van de bewoonde wereld, op 30 kilometer van een stedelijk centrum, een kerncentrale te bouwen. In de ondergrond bevindt zich een massieve steenlaag waar nooit tektonische activiteiten zijn opgetreden. In die omstandigheden heeft Finland een beslissing genomen over de berging van radioactief afval. De context waarin het debat in Finland is gevoerd, is dus helemaal anders dan bij ons.

Ik ben het met de minister eens dat de vervanging van alle kerncentrales door, bijvoorbeeld, aardgascentrales zou leiden tot een enorme toename van de CO2-uitstoot, maar op termijn willen we de kerncentrales toch vervangen door een waaier van investeringen in duurzame energie zoals wind- en zonne-energie, biomassa, getijdencentrales en, vooral ook, in warmtekrachtkoppeling. Door aardoliegestookte centrales te vervangen door warmtekrachtkoppelingscentrales op aardgas kan de CO2-uitstoot overigens wel degelijk worden verminderd.

We opteren dus voor investeringen in een waaier van technologieën in plaats van ons heil te zoeken in die ene silver bullet waarnaar de minister verwijst.

Onze strategische afhankelijkheid van aardgas mogen we niet te pessimistisch afschilderen. Voor onze motorbrandstof zijn we nu volledig afhankelijk van aardolie en ook voor de verwarming van onze gebouwen zijn we tot nader order nagenoeg volledig afhankelijk van fossiele brandstoffen.

Verder ligt ons land op een Europees knooppunt van aardgasleidingen. De LNG-terminals bieden ons de mogelijkheid om vloeibaar aardgas van over heel de wereld in te voeren. Onze situatie is dus veel benijdenswaardiger dan die van vele andere Europese lidstaten. In Finland wordt bijvoorbeeld alle aardgas via een pijpleiding uit Rusland aangevoerd. Finland kan geen aardgas uit andere regio's van de wereld aanvoeren en is dus volledig overgeleverd aan de goodwill van de Russen.

Ik ben het met de minister eens dat we verder moeten kijken dan de tijdshorizon van indicatieve programma's zoals het 2030-programma. Die programma's antwoorden op de vraag welke productiemiddelen moeten worden ingezet om de bevoorradingszekerheid op korte of middellange termijn te waarborgen. Uitdagingen zoals de klimaatopwarming dienen we echter op lange termijn aan te gaan.

Toch heb ik ook de verschillende kritische reviews bij het tussentijds rapport van de commissie-D'haeseleer grondig bekeken. De Nationale Bank van België is bijzonder kritisch vooral dan voor de gevolgde methodologie. Ze betreurt dat de elektriciteitssector uit de energiesector werd geïsoleerd, dat er te weinig rekening werd gehouden met de Europese context en dat de in aanmerking genomen scenario's te weinig de reductie van de energievraag als uitgangspunt nemen.

We zouden de oefening dus beter from scratch overdoen. Door het tussentijdse rapport alleen wat op te smukken krijgen we tegen juni nooit een geloofwaardig eindrapport.

De minister heeft verwezen naar onderzoek en ontwikkeling inzake kerncentrales van de vierde generatie. Voor mij niet gelaten, maar het stoort me wel dat in het verleden verhoudingsgewijs veel minder onderzoeksgeld besteed werd aan duurzame energie en aan energie-efficiëntie. Tot vandaag wordt ook het Europese onderzoeksgeld verhoudingsgewijs veel meer toegespitst op centrales van de vierde generatie dan op duurzame energie.

Duurzame energie is nochtans de ene vogel in de hand die kan leiden tot grote toepassingen. De sector kent nu al een enorme groei.

De reactoren van de vierde generatie zijn de tien vogels in de lucht, die in het beste geval pas binnen twintig jaar tot commerciële toepassingen kunnen leiden.

Ik ga ermee akkoord dat er meer wordt geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling, maar dan wel op een meer evenwichtige manier en met meer aandacht voor duurzame energie en energie-efficiëntie.

M. Berni Collas (MR). - À la suite de ce débat, les partis de la majorité vont déposer une résolution basée sur un large consensus.

Les avis divergent cependant quelque peu à propos de la problématique de la sortie du nucléaire. Importer de l'électricité produite sur la base de centrales nucléaires à l'étranger n'est pas la solution mais plutôt un leurre.

Je me demande cependant si nous pourrons valoriser le savoir-faire énorme dont notre pays dispose en matière de recherche nucléaire. J'espère que nous pourrons poursuivre la promotion de ces recherches à l'échelon national et international et encourager la poursuite de la recherche scientifique sur le traitement des déchets radioactifs de type B et C.

Cela étant, des sommes énormes ont été investies dans le domaine de la recherche atomique, avec EURATOM. Ne faudrait-il pas un EURONEW et un programme européen favorisant la recherche en matière d'énergies renouvelables, comme l'ont évoqué plusieurs interlocuteurs ?

Il faudra encourager ce type d'énergies pour faire face à nos besoins futurs, si nous voulons prendre en compte la problématique des changements climatiques et réduire les émissions de CO2 dans le cadre du protocole de Kyoto.

M. Marc Verwilghen, ministre de l'Économie, de l'Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique. - Je voudrais saluer les interventions intéressantes des trois sénateurs du MR qui allaient dans le sens des interventions précédentes.

België heeft de eigendomsontvlechting sterk gesteund in de Europese Raad Energie. Grote landen met heel grote producenten zijn het daar echter niet mee eens. Het verheugt mij dan ook dat de Europese commissaris dezelfde koers volgt als de onze.

Ik ken de stelling van de heer Martens en ik apprecieer die ook, temeer daar we op dat gebied bijna geestesgenoten zijn, maar ik ken in elke fractie mensen die deze eigendomsontvlechting niet gunstig gezind zijn. Die mensen nemen soms zeer belangrijke sleutelposities in. We moeten absoluut van die houding af, anders zullen we nooit een open vrije markt krijgen.

Ik heb nota genomen van het feit dat men zegt dat we moeten opletten met windenergie, omdat hier nogal wat achterstand is opgelopen. Op het terrein zie ik echter dat de bedrijven, ook de netbeheerder waarmee ze moeten afspreken, rond de tafel zitten en proberen vooruitgang te boeken. Ik hoop dat we, ondanks de tijd die we verloren hebben, nu recht op ons doel kunnen afgaan. Daarvoor moeten we al het mogelijke doen.

Ik meen dat men binnen Europa beseft dat we strategische gasvoorraden moeten aanleggen, zoals we dat ook al doen voor olie. België is daarvoor goed geplaatst, we hebben de hub, maar soms hebben we ook mogelijkheden om te stockeren. We moeten die mogelijkheden dan ook ten volle onderzoeken en er gebruik van maken.

-Het debat is gesloten.