3-206

3-206

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 8 MARS 2007 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l'Emploi sur «la validité d'une clause d'écolage fixée par un règlement» (nº 3-2166)

M. le président. - M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d'État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik verwijs naar mijn voorgaande vraag inzake het scholingsbeding. Ik dien bij verder onderzoek van het door de Minister op 15 februari 2007 gegeven antwoord spijtig genoeg vast te stellen dat dit antwoord meer vragen oproept dan dat het antwoorden biedt.

De wet houdende diverse bepalingen van 27 december 2006 bepaalt dat sommige scholingsbedingen als onbestaande worden beschouwd, onder meer wanneer aan de werknemer een vorming wordt gegeven die voortvloeit uit een wettelijke of reglementaire bepaling om het beroep te mogen uitoefenen.

In zijn antwoord van 15 februari 2007 stelt de minister dat het mogelijk is een geldig scholingsbeding af te sluiten voor een wettelijk of reglementair opgelegde opleiding, indien de werknemer initieel niet voor die bepaalde `functie' werd aangeworven.

Bij nalezing van de wetgeving kan men dit onderscheid echter niet uit de wettekst afleiden. De wet stelt immers zonder meer dat het scholingsbeding geacht wordt onbestaande te zijn `wanneer de aan de werknemer gegeven vorming voortvloeit uit een wettelijke of reglementaire bepaling om het beroep waarvoor de werknemer werd aangeworven uit te oefenen'.

Het beroep waarvoor bijvoorbeeld een piloot wordt aangeworven is piloot. De piloot zal gedurende zijn carrière verschillende `functies' uitoefenen zoals bijvoorbeeld tweede piloot dan wel gezagvoerder of piloot op verschillende types vliegtuigen. Bij een dergelijke functiewijziging behoort een scholing.

De wetgever maakt niet de nuancering die de Minister blijkbaar maakt, namelijk dat als men binnen hetzelfde beroep van functie verandert, men een geldig scholingsbeding moet afsluiten.

De wet stelt mijns inziens duidelijk dat indien men bijvoorbeeld wordt aangeworven als piloot, geen enkele reglementair bepaalde opleiding het voorwerp kan uitmaken van een scholingsbeding, of het nu een opleiding zou betreffen van gezagvoerder of tweede piloot dan wel een opleiding op één type vliegtuig dan wel het andere type vliegtuig. Het betreft immers allemaal reglementair bepaalde opleidingen binnen een bepaald `beroep', namelijk het beroep van piloot.

Op welke basis dient men een onderscheid te maken binnen verschillende functies die kunnen worden uitgeoefend door één beroepsgroep? De wet maakt immers dit onderscheid niet.

Kan de Minister in voorkomend geval het criterium aangeven op grond waarvan in de rechtspraktijk een onderscheid moet worden gemaakt tussen een beroep of een functie?

Begrijp ik het antwoord van de Minister verkeerd en kan geen enkele reglementair bepaalde opleiding het voorwerp uitmaken van een scholingsbeding? Gaat de Minister akkoord met deze laatste zienswijze?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De wet houdende diverse bepalingen van 27 december 2006 heeft het scholingsbeding geregeld. Deze bepalingen werden ingevoegd in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Dit is een belangrijk gegeven, aangezien dit betekent dat de bepalingen inzake het scholingsbeding moeten begrepen worden in de context van de wet op de arbeidsovereenkomsten.

De arbeidsovereenkomst is een overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarbij partijen een aantal zaken overeenkomen waaronder het voorwerp van hun overeenkomst. Tot de elementen waaraan partijen in de praktijk doorgaans heel wat aandacht besteden behoren: de omschrijving van de taak, de opdracht, het takenpakket, een functiebeschrijving, het beroep. Het woordgebruik doet weinig ter zake. Wat van belang is, is wat partijen zijn overeengekomen en hoe precies zij dit hebben gedaan. Het is in die context dat partijen in voorkomend geval een scholingsbeding kunnen sluiten.

Het nieuwe artikel 22bis omschrijft het scholingsbeding als het beding waarbij de werknemer, die gedurende de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst een opleiding volgt op kosten van de werkgever, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de opleidingskosten terug te betalen ingeval hij de onderneming verlaat voor het einde van de overeengekomen periode.

Paragraaf 4 van hetzelfde artikel voegt hieraan toe dat een scholingsbeding onbestaande is `wanneer de aan de werknemer gegeven opleiding voortvloeit uit een wettelijke of reglementaire bepaling om het beroep waarvoor de werknemer werd aangeworven uit te oefenen'. Van belang zijn hier de woorden `het beroep waarvoor de werknemer werd aangeworven' waarmee wordt verwezen naar de invulling die door partijen zelf in hun arbeidsovereenkomst is gegeven.

Wat partijen zijn overeengekomen zal belangrijk zijn om na te gaan of er al dan niet geldig een scholingsbeding kan zijn. Zo zal bijvoorbeeld een werkgever die met zijn werknemer overeenkomt om een bepaalde taak uit te oefenen wetende dat deze werknemer niet de wettelijk vereiste opleiding heeft genoten, geen geldig scholingsbeding kunnen sluiten naar aanleiding van het volgen van die opleiding, nodig om de arbeidsovereenkomst uit te oefenen zoals overeengekomen.