3-206

3-206

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 8 MARS 2007 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la garantie à payer en cas de dépôt de plainte avec constitution de partie civile» (nº 3-2181)

Mme la présidente. - M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d'État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Wanneer een particulier of een onderneming een klacht met burgerlijkepartijstelling wenst in te dienen in handen van een onderzoeksrechter, dient hiervoor een waarborg te worden betaald.

Blijkbaar lopen de bedragen van deze waarborgen sterk uiteen, afhankelijk enerzijds van de vraag of de klager een particulier, dan wel een rechtspersoon is en anderzijds van het arrondissement waar de klacht wordt ingediend.

Hoeveel moet een particulier die een strafklacht met burgerlijkepartijstelling wenst in te dienen, aan waarborg betalen in de verschillende gerechtelijke arrondissementen?

Hoeveel moet een rechtspersoon die een strafklacht met burgerlijke partijstelling wenst in te dienen, aan waarborg betalen in de verschillende gerechtelijke arrondissementen?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Het principe van de provisie is vastgelegd in artikel 108 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. Dit artikel bepaalt dat wanneer een burgerlijke partij de strafvordering op gang brengt of overgaat tot rechtstreekse dagvaarding, ze de som die vermoedelijk nodig is voor de kosten van de rechtspleging, ter griffie dient neer te leggen. Een nieuwe som moet worden betaald, indien de eerste ontoereikend is geworden.

Deze provisie is inderdaad niet in alle arrondissementen even groot. Het is de onderzoeksrechter die hierover feitelijk en soeverein beslist op basis van de te verwachten kosten van de rechtspleging.

Aangezien deze gegevens niet systematisch worden bijgehouden, moet ik, om op de vraag te kunnen antwoorden, via de geëigende kanalen inlichtingen inwinnen bij alle onderzoeksrechters van de verschillende gerechtelijke arrondissementen. U begrijpt dat dit in het korte tijdsbestek waarin deze vraag beantwoord moet worden, onmogelijk is.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik zal de vraag opnieuw stellen, maar dan schriftelijk.