3-2025/2 | 3-2025/2 |
7 FEBRUARI 2007
I. INLEIDING
Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2764/1). Het werd op 18 januari 2007 eenparig aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het werd op 19 januari 2007 overgezonden aan de Senaat en op diezelfde dag geëvoceerd.
De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 31 januari 2007 in aanwezigheid van mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN MIDDENSTAND EN LANDBOUW
Mevrouw Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, wijst erop dat zelfstandigen sedert 1963 gedekt zijn tegen de grote risico's door de verplichte verzekering. Vanaf 2008 zullen alle zelfstandigen bovendien een algemene dekking genieten inzake geneeskundige verzorging.
Het zal dus 45 jaar hebben gevergd om voor al wie werkt — ongeacht of die loontrekkende of zelfstandige is — eindelijk te beschikken over eenzelfde ziekteverzekering. Dat is in ieder geval de uitdaging van het wetsontwerp dat de regering aan de commissieleden voorlegt : de integratie van de kleine risico's in de verplichte verzekering van de zelfstandigen.
In januari 2001 werden in het rapport-Cantillon de problemen in het licht gesteld die de huidige regeling inzake de vrije verzekering tegen kleine risico's met zich brengt en werd er geconcludeerd dat voor eenieder eenzelfde bescherming moest worden gerealiseerd door op korte termijn de « kleine risico's » op te nemen.
Wij weten dat die conclusie thans door de hele sector wordt gedeeld.
Voorliggend ontwerp beoogt deze doelstelling vanaf 1 januari 2008 te vervullen.
Dit ontwerp werd besproken met de belangrijkste organisaties die de zelfstandigen vertegenwoordigen. Het ontwerp heeft hun goedkeuring gekregen.
In de eerste plaats wil de minister eraan herinneren dat de regering een koninklijk besluit heeft genomen om de dekking « kleine risico's » gratis toe te kennen aan, enerzijds, de gepensioneerde zelfstandigen die de inkomensgarantie voor ouderen genieten en, anderzijds, gedurende 6 kwartalen, aan de personen die voor de eerste keer een zelfstandige activiteit in hoofdberoep opstarten. Deze eerste fase is op 1 juli 2006 in werking getreden.
De minister herinnert er eveneens aan dat er, in het kader van het Generatiepact, een nieuw systeem inzake de globale financiering van de gezondheidszorg op poten werd gezet. Het hoofddoel van dit systeem bestaat erin vanaf 1 januari 2008 de tussenkomsten vanuit het globale beheer in de kosten van de gezondheidszorg te beperken. En zodoende -en dit is belangrijker- de afhoudingen op de beroepsinkomens om de ziekteverzekering te financieren, te beperken. De wet werd vorige maand gestemd in de Kamer en betekent binnen de sociale zekerheid waarlijk een kleine omwenteling. Zelfs als die wet niet rechtstreeks met de integratie van de kleine risico's verbonden is, spreekt het voor zich dat het slechts voltooid zal zijn wanneer deze integratie daadwerkelijk tot stand zal komen. Op die manier zal de enige rekening werkelijkheid worden.
Voorts zullen ook het stelsel van de « meest gunstige » en de begrippen als « kleine risico's » en « grote risico's » verdwijnen.
Dit brengt ons tot het ontwerp van integratie van de kleine risico's op 1 januari 2008.
Dit ontwerp heeft een aantal doelstellingen :
— In eerste instantie gaat het er uiteraard om alle zelfstandigen tegen de kleine risico's te dekken door hen in de verplichte verzekering op te nemen.
— Het gaat er eveneens om hen toe te laten integraal gebruik te maken van zowel de maximumfactuur, alsook van het voorkeurstelsel.
— Verder gaat het erom de debatten betreffende de aansluitingsregels bij het « meest gunstige » stelsel weg te werken aangezien dit begrip zal verdwijnen.
— Voorts gaat het erom de regels inzake verzekerbaarheid te vereenvoudigen. In de praktijk zal iedere rechthebbende, ongeacht zijn statuut, om gedekt te zijn, rechtstreeks of onrechtstreeks, een certificaat van verzekerbaarheid aan het RIZIV moeten bezorgen.
— Ten slotte, gaat het erom de doorstorting van financiële reserves « vrije verzekering kleine risico's » van de ziekenfondsen aan hun leden te organiseren.
De ter bespreking voorliggende tekst bestaat uit drie essentiële delen :
— het eerste heeft betrekking op de financiering van de maatregel (titel II);
— het tweede (titel III) bevat de wijzigingen in de bepalingen in verband met de verzekering geneeskundige verzorging en is hoofdzakelijk van technische aard;
— het derde bevat de aan te brengen wijzigingen in de wet betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen (titel IV).
In het deel over de « financiering » ging het er enerzijds om de meerkosten te bepalen die de integratie van de kleine risico's met zich zal brengen en anderzijds principes uit te werken van de financiering van de meerkosten.
De meerkosten zijn geraamd op grond van berekeningen van het RIZIV en er is overleg over gepleegd met de vertegenwoordigers van de zelfstandigenorganisaties.
Een eerste financieringsbron zou voortkomen uit de « recyclering » van de subsidies die thans worden verleend aan de diensten van vrijwillige ziekenfondsverzekering. Die bedragen vandaag ongeveer 60 miljoen euro. Die subsidies zullen worden aangepast volgens het totaal aantal rechthebbenden en worden omgezet in een aanvulling op de subsidie die momenteel al geldt in verband met het sociaal statuut der zelfstandigen.
Een tweede financiering zal voortkomen uit de overdracht van een huidige alternatieve financiering aan het RSZ. Die zal in de toekomst aan het RSVZ worden verleend. Het bedrag van die overdracht stemt overeen met de kosten voor geneeskundige verzorging die nu door het RSZ worden gedragen in het kader van de meest gunstige regeling, dat wil zeggen de algemene regeling, en die voortaan zullen worden gedragen door het RSVZ; beide regelingen zullen immers gelijkwaardig worden.
Voor de rest zal de financiering geschieden met de eigen financiële middelen van het sociaal statuut der zelfstandigen. Die middelen zullen met name moeten voortkomen uit een wijziging van de huidige structuur van de sociale bijdragen, en zelfs uit de invoering van nieuwe bijdragen ten laste van bepaalde gerechtigden. Daarbij is nu al onderverstaan dat de beroepsactieve zelfstandigen die al bij hun ziekenfonds of een verzekeringsinstelling gedekt zijn voor de kleine risico's, gemiddeld niet meer betalen dan in de huidige regeling, met uitsluiting van de meerkosten die worden veroorzaakt door de integrale winst van de maximumfactuur en de verhoogde tegemoetkoming bij verstrekking van zorgen binnen de categorie van de kleine risico's.
De rechthebbenden op de inkomensgarantie voor ouderen zullen het recht op een integrale dekking behouden. Zonder hiervoor een bijkomende bijdrage te betalen.
De starters zullen ook een gunstig stelsel behouden. Dit dankzij een verlaagde bijdrage of zelfs een vrijstelling van bijdrage gedurende de beginperiode van hun onderwerping.
De pensioengerechtigden zullen een specifieke bijdrage betalen die lager zal zijn dan de huidige bijdrage en die nog mettertijd zal afnemen.
De minister voegt eraan toe dat indien nodig een beroep kan worden gedaan op de middelen van het Fonds voor de welvaart der zelfstandigen.
Het tweede deel van het ontwerp, dat de wetgeving inzake de verplichte gezondheidszorgverzekering wijzigt, is voornamelijk gericht op een uitbreiding van het algemene stelsel voor zelfstandigen en op de opheffing van het specifieke stelsel.
De regels voor de verzekerbaarheid uit het algemene stelsel worden ook aangepast aan de specifieke situatie van zelfstandigen. Ook de mogelijkheid om kinderen ten laste van meerdere rechthebbenden in te schrijven, moest worden geregeld.
Ten slotte wijzigt het derde deel waar nodig de wetgeving inzake de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
Er wordt met name de problematiek in behandeld van de reserves van de ziekenfondsen, teneinde een concurrentieslag te voorkomen.
De minister is ervan overtuigd dat iedereen met het ontwerp instemt aangezien het een grote stap voorwaarts betekent in de sociale zekerheid voor zelfstandigen.
III. BESPREKING
A. Vragen van de leden
Mevrouw Van de Casteele vraagt zich af op welke wijze de kostprijs van de maatregelen die vervat zijn in voorliggend wetsontwerp — die volgens de toelichting wordt geraamd op 439 900 000 euros — werd berekend. Welke zijn de parameters die werden gehanteerd voor deze berekening ? Over hoeveel zelfstandigen gaat het ? Is men enkel uitgegaan van de gemiddelde kostprijs van de zelfstandigen die zich nu reeds vrijwillig hebben verzekerd tegen kleine risico's ? Dit zou een vertekend beeld kunnen geven want het zijn vooral de zelfstandigen die voor zichzelf een bepaald risico inschatten en weten dat zij op termijn kosten zullen hebben die zich vrijwillig verzekeren. De gemiddelde kostprijs zou op die manier hoger kunnen zijn dan wanneer men het totaal aantal zelfstandigen als uitgangspunt zou hebben genomen.
Is in dit bedrag ook de verhoogde kost voor de maximumfactuur mee opgenomen ? Men weet immers niet goed hoe de algemene kosten voor de maximumfactuur zullen evolueren. De vraag naar opname in de maximumfactuur van steeds meer kosten wordt gesteld. Uit cijfers blijkt immers dat patiënten steeds meer ziektekosten zélf moeten betalen. Het is dan ook moeilijk om de kost van de toepassing van de maximumfactuur specifiek in te schatten voor de zelfstandigen.
Mevrouw Van de Casteele verklaart uitdrukkelijk voorstander te zijn van de voorgestelde regeling, die sommige zelfstandigen tegen zichzelf beschermt. Al te vaak wachten sommigen onder hen om zich vrijwillig te verzekeren voor kleine risico's totdat het te laat is. Het is dan ook een goede zaak dat zij op dezelfde wijze worden verzekerd als de werknemers. Dit neemt niet weg dat ook de globale kostprijs onder controle moet worden gehouden.
Aan de Koning wordt een ruime delegatie verleend om te bepalen wat de bijdrage is van de zelfstandigen zélf aan deze verzekering. Heeft de minister een idee over de hoegrootheid van deze bijdrage ? Zullen de koninklijke besluiten nog kunnen worden genomen vóór de parlementsverkiezingen van 10 juni 2007 ?
Voorgestelde maatregelen hebben ook als gevolg dat de administratiekosten van de ziekenfondsen worden verhoogd met 11 410 000 euros voor het extra werk dat zij voor de zelfstandigen moeten uitvoeren. Op welke wijze is deze kost geraamd ? Gaat het om een eenmalige verhoging van de administratiekosten of is deze verhoging recurrent ?
De regeling is niet van toepassing op startende zelfstandigen, die het nu reeds moeilijk hebben om alle sociale bijdragen te betalen zonder dat de kleine risico's daarin inbegrepen zijn, en evenmin op de gepensioneerde zelfstandigen die genieten van een inkomensgarantie voor ouderen. Men mag echter de vrij grote groep van zelfstandigen die steeds een laag inkomen hebben gehad en nu slechts een laag pensioen ontvangen maar geen beroep doen op de inkomensgarantie voor oudere niet uit het oog verliezen. Wordt hun bijdrage berekend op een percentage van hun inkomen ?
Mevrouw De Schamphelaere staat zeer positief ten opzichte van het regeringsontwerp, dat een ernstige stap vooruit zet naar de integratie van het sociaal zekerheidsstatuut van zelfstandigen. Dit is niet enkel een goede zaak voor de zelfstandigen, maar voor de arbeidsmarkt in het algemeen, waar steeds meer flexibiliteit wordt gevraagd. De verschillende regimes op het vlak van sociale zekerheid maken de overstap van de ene categorie naar de andere vandaag zeer moeilijk en het is toe te juichen dat beide statuten naar mekaar toe groeien.
De heer Seminara meent dat voorliggend wetsontwerp leidt tot fundamentele verworvenheden voor de zelfstandigen, in het bijzonder voor de zwaksten onder hen. Het gaat hier om een kwestie van sociaal evenwicht en er zal nauwlettend op worden toegezien dat de solidariteit voldoende groot zal zijn in de uitvoeringsbesluiten die zullen worden uitgevaardigd. Het sociaal statuut der zelfstandigheden is het slachtoffer van zijn eigen complexiteit, die het gevolg is van zijn historiek. Het is belangrijk dat de bijdragen die de zelfstandigen moeten betalen voor de integratie van de kleine risico's in de ziekteverzekering geplafonneerd worden om geen scheeftrekkingen te organiseren.
B. Antwoorden van de minister
Mevrouw Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, herinnert eraan dat bij de totstandkoming van dit ontwerp, heel wat overleg werd gepleegd met verschillende organisaties en actoren die op het terrein worden geconfronteerd met de integratie van de kleine risico's. Met hen werd ook de globale kost besproken en berekend voor het sociaal statuut van de zelfstandigen en voor de ziekteverzekering van het stelsel van de werknemers. Het is immers niet de bedoeling om te raken aan het financieel evenwicht van het sociaal statuut der zelfstandigen en evenmin om de extra kosten van de integratie van de kleine risico's te laten betalen door de werknemers. Bij dit alles werd zowel rekening gehouden met de kosten van de maximumfactuur en met het stelsel van de « meest gunstige », die samen 19 700 000 euros bedragen. Dit alles werd verrekend in de globale kostprijs.
Om de evenwichten in de verschillende stelsels te garanderen, heeft de regering beslist om in de begroting voor 2007 reeds de stijging met 4,5 % van de gezondheidszorg ook voor zelfstandigen te integreren. Wanneer de regering later zou beslissen om dit groeipatroon te verhogen, zal zij hiervoor ook de nodige financiële middelen moeten ter beschikking stellen. Daarmee komt de regering tegemoet aan de wens van eenieder in ons land, met name om de bijdragen op arbeid niet verder te verhogen, eerder integendeel. Een eventuele extra groei van de ziekteverzekering zal aldus op een alternatieve manier moeten gefinancierd worden. Dit gebeurt overigens nu reeds : als gevolg van het Generatiepact wordt een gedeelte van de opbrengsten van de roerende voorheffing aangewend om de sociale zekerheid te financieren.
De minister herinnert er overigens aan dat een aantal kosten in het sociaal statuut der zelfstandigen reeds op alternatieve wijze werd gefinancierd, zoals bijvoorbeeld de gratis integratie van de zelfstandigen in het stelsel van de inkomensgarantie voor ouderen per 1 juli 2006 voor enerzijds de startende en anderzijds de gepensioneerde zelfstandigen. De kostprijs van deze maatregelen bedraagt 37 000 000 euros en hiervoor werd reeds een financiering gevonden. Met dit alles werd rekening gehouden in het becijferen van de globale kostprijs van de integratie van de kleine risico's voor zelfstandigen. De alternatieve financiering, die in totaal reeds 60 000 000 euros bedraagt, wordt nu verhoogd om een gedeelte van de globale kostprijs van voorliggend wetsontwerp te kunnen dekken.
De financiering van het overige gedeelte zal gebeuren door een bijdrage van de zelfstandigen zélf. De minister erkent dat de delegatie aan de Koning hiervoor inderdaad zeer ruim werd opgevat. Op deze wijze kan snel werk worden gemaakt van de concrete uitvoering van dit wetsontwerp. Het is de bedoeling dat de koninklijke besluiten nog tijdens deze legislatuur zouden worden uitgevaardigd, met het oog op de inwerkingtreding van de integratie van de kleine risico's per 1 januari 2008. Vanzelfsprekend zal hierover overleg worden gepleegd met de verschillende organisaties van zelfstandigen, die reeds op de hoogte zijn van het te financieren bedrag.
De bijdrageregeling van de zelfstandigen zal worden uitgewerkt met inachtname van enkele principes. Zo zal bijzondere aandacht worden geschonken aan de situatie van de gepensioneerde zelfstandigen. Mogelijk zal ook rekening worden gehouden met de zwakke positie van andere categorieën van zelfstandigen. De bijdragen zullen ook hoger liggen voor die zelfstandigen die zich vandaag nog niet vrijwillig hebben verzekerd — zo'n 20 %. Zij genieten immers op vandaag niet van de maximumfactuur of van het stelsel van de « meest begunstigde » maar dragen ook niets bij. Vermits ook zij in de toekomst zullen geďntegreerd worden zullen zij ook moeten bijdragen. Voor anderen, zoals bijvoorbeeld gepensioneerde zelfstandigen die soms tot meer dan 1 000 euros betalen voor de kleine risico's, zal het nieuwe stelsel minder duur zijn. Het is de bedoeling dat, gemiddeld gesproken, de bijdragen van de zelfstandigen niet hoger zullen zijn dan vandaag.
C. Replieken van de leden
Mevrouw Van de Casteele vindt het opmerkelijk dat een zelfstandige met een klein pensioen wel een bijdrage zal moeten betalen, daar waar iemand die door een beroep te doen op de inkomensgarantie voor ouderen hetzelfde inkomen verwerft, dit niet hoeft te doen. Dit lijkt spreekster niet erg rechtvaardig.
Overigens stelt zij vast dat de verschillende stelsels voor zelfstandigen en voor werknemers naast mekaar blijven bestaan. Op termijn dient gestreefd te worden naar één ziekteverzekeringssysteem waarin zowel werknemers als zelfstandigen worden ondergebracht. Het gaat hier immers om risico's die voor iedereen dezelfde zijn, los van zijn statuut. Deze samensmelting zal afhangen van de financiering van de sociale zekerheid. Nu reeds wordt een deel ervan via algemene middelen gefinancierd; wat spreekster betreft mag de gezondheidszorg in het algemeen uit algemene middelen worden gefinancierd, ongeacht het sociaal statuut, ook al vrezen sommigen dat dit de voorbode kan zijn voor een splitsing van de gezondheidszorg.
D. Replieken van de minister
Mevrouw Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, verklaart dat de bijdrage van de gepensioneerden zeer gevoelig is en het voorwerp heeft uitgemaakt van vele besprekingen en overleg. Vele gepensioneerde zelfstandigen hebben het immers moeilijk om zich in te dekken tegen de kleine risico's omdat ze hiervoor een bijdrage moeten betalen die niet in verhouding staat tot hun uitkering maar tot hun leeftijd. Zij betalen dan ook de hoogste bijdrage voor de verzekering tegen kleine risico's.
Men kan evenwel geen regeling treffen waarbij de gepensioneerden helemaal niets zouden betalen. In dat geval zouden de actieve zelfstandigen volledig de kosten moeten dragen voor de integratie van de kleine risico's. Vandaar het politiek akkoord om aan de gepensioneerde zelfstandigen een bijdrage te vragen die degressief is in de tijd. Dit toont aan dat de regering wel degelijk rekening wil houden met de vaak precaire toestand waarin de gepensioneerde zelfstandigen zich bevinden.
Bovendien mag men niet vergeten dat de regering reeds inspanningen heeft geleverd op het vlak van de verhoging van de pensioenen van de zelfstandigen en voor hun sociale zekerheid in het algemeen.
Zelfs al zou er één globaal stelsel van sociale zekerheid komen — waar de minister op zich niet tegen is — dan nog zouden er specifieke verschillen blijven bestaan in de sociale bescherming van werknemers en zelfstandigen die niet noodzakelijk onverantwoord zouden zijn. De minister meent dat de minima zeker zouden gelijk geschakeld moeten worden en dat moet verhinderd worden dat zelfstandigen door hiaten in het stelsel in een precaire situatie terecht komen, maar het zou ontbetaalbaar zijn om alle uitkeringen en vergoedingen op dezelfde hoogte te plaatsen.
Zij herinnert er overigens aan dat het sociale zekerheidsstelsel voor zelfstandigen nu reeds het meest solidaire is van allemaal. De invaliditeitsuitkeringen zijn bijvoorbeeld dezelfde, ongeacht het inkomen van de betrokken zelfstandigen, anders dan bij de werknemers waar deze uitkeringen proportioneel in verhouding tot het inkomen wordt berekend. De minister vindt dit op zich geen probleem, maar meent dat die uitkering wel voldoende hoog moet zijn. Mogelijk kan een stap naar de volledige integratie van de stelsels van werknemers en zelfstandigen worden gezet door deze proportionaliteit op te heffen in het stelsel van de werknemers.
IV. STEMMINGEN
Het wetsontwerp nr. 3-2025 wordt aangenomen met eenparigheid van de 10 aanwezige leden.
Dit verslag is goedgekeurd met eenparigheid van de 9 aanwezige leden.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Christel GEERTS. | Annemie VAN de CASTEELE. |
De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (stuk Kamer, nr. 51-2764/005)