(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
De cruciale rol die huisartsen spelen in de volksgezondheid, wordt algemeen erkend. Hun inkomen is echter, zeker in vergelijking met hun Europese collega's, minder rooskleurig. Daar komt de toenemende werkdruk nog eens bovenop. Dit leidt tot de bekende wrevel.
Het beroep van huisarts dient nochtans geherwaardeerd te worden. Dat kan onder meer via de structuur van de groepspraktijk die de volgende voordelen combineert :
— er bestaat een grote consensus, en niet alleen om budgettaire redenen, om de eerstelijnszorg prioritair te stellen;
— daarnaast is er de vaststelling dat de medische wetenschap een enorme vlucht heeft genomen. Artsen moeten hemel en aarde bewegen om op de hoogte te blijven van de razendsnelle vooruitgang in de geneeskunde. Die voortdurende bijscholing kan alleen als er tijd voor vrij gemaakt wordt, of als men zich meer toelegt op bepaalde medische sectoren;
— niet onbelangrijk is ook het feit dat 75 % van de geneeskundestudenten vrouwen zijn. Onderzoek wijst dan weer uit dat vrouwelijke huisartsen vaker deeltijds willen werken dan hun mannelijke collega's;
— indien patiënten hoe langer hoe meer voor een vaste huisarts kiezen en hiermee een vertrouwensrelatie aangaan, zullen zij ook minder snel een specialist consulteren, wat de last op de financiering van de gezondheidszorgen zal doen afnemen;
— de kansen voor artsen van allochtone origine op een stageplaats worden ruimer. Heel wat jonge artsen van allochtone oorsprong schrijven tientallen artsen aan voor een stageplaats. De meeste artsen weigeren en bedenken voor deze weigering de gekste redenen, zoals uit een praktijkonderzoek bleek. In een groepspraktijk is het makkelijker plaats te geven aan een stagecollega van een andere origine en zo wordt er gewerkt aan het wegwerken van een discriminatie.
Een groepspraktijk biedt dus een antwoord op meerdere problemen waarmee de huisartsen thans geconfronteerd worden. Uiteraard behoudt een arts zijn vrijheid om al dan niet met collega's nauw samen te werken, maar misschien wordt de groepspraktijk op termijn wel de enige leefbare werkvorm voor de huisarts.
In dit verband stel ik mijn vragen die ik op 5 december 2005 reeds indiende, doch die tot op heden onbeantwoord zijn gebleven (Vragen en Antwoorden, Senaat, 2005-2006, nr. 3-58, blz. 5197) :
1. Geeft de geachte minister in zijn huidige beleid al aandacht aan de groepspraktijk ? Wat doet hij nu reeds om deze vorm van geneeskunde te promoten ?
2. Is hij van plan om in de toekomst bijkomende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat huisartsen gemotiveerd worden om in een groepspraktijk te stappen ?