3-198

3-198

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 11 JANUARI 2007 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęde situatie van nieuwe burgers van de Europese UnieĽ (nr. 3-1354)

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A-SPIRIT). - In Gent leven verschillende families die afkomstig zijn uit nieuwe EU-landen, voornamelijk Slowaakse Roma, in kraakpanden en andere onteigende of leegstaande huizen in stadsvernieuwingsprojecten. Deze huizen missen dikwijls de elementaire voorzieningen en ze staan meestal op het punt te worden gesloopt of verbouwd. Een verplichte ontruiming van de betrokken panden heeft enkel tot gevolg dat de bewoners gewoon verder trekken naar een volgend pand. Zoveel maanden later duikt hetzelfde probleem op in een andere wijk.

Het gaat om onderdanen van een nieuwe EU-lidstaat die hier in die hoedanigheid legaal verblijven. Op 1 mei 2004 traden Cyprus, TsjechiŽ, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slowakije en SloveniŽ toe tot de Europese Unie. Tijdens de toetredingsonderhandelingen werd evenwel een overgangsregeling afgesproken tussen de Europese Unie en die nieuwe lidstaten. Meer in het bijzonder werd het recht op vrij verkeer van werknemers voor de onderdanen van die nieuwe lidstaten in een aanvangsfase sterk aan banden gelegd. Concreet betekent dit dat onderdanen van die nieuwe EU-lidstaten in BelgiŽ niet zomaar mogen werken als werknemer en op basis van die arbeid niet automatisch recht hebben op een verblijfsvergunning. De totale overgangsperiode bedraagt maximum 7 jaar, te rekenen vanaf 1 mei 2004.

Voor personen die in BelgiŽ komen wonen en als zelfstandige of student werken, geldt geen overgangsperiode. Het is precies van deze mogelijkheid om een verblijfsvergunning als zelfstandige te krijgen dat Slowaken gebruik maken. Gezien hun beperkte kennis van het Nederlands en hun lage opleidingsgraad oefenen zij als zelfstandige een ongeschoolde activiteit uit, in het bijzonder krantendistributie of toiletuitbating. Voor deze twee activiteiten is immers geen ondernemingsnummer en geen attest bedrijfsbeheer vereist.

Uit de praktijk blijkt dat de betrokkenen met die beroepsactiviteit absoluut niet genoeg kunnen verdienen om in hun levensonderhoud te voorzien. Daar er geen federale regeling bestaat, kan het OCMW in de meeste gevallen geen steun toekennen.

Welke maatregelen zal de minister nemen om deze schrijnende situatie te verhelpen en het leed van de betrokkenen te verzachten. Wat zal hij specifiek ondernemen ten aanzien van de onderdanen van Slowakije en RoemeniŽ, waaruit de grootste groep van Roma afkomstig is?

Zal de minister deze situatie bespreken met zijn collega's in Slowakije en RoemeniŽ?

Welke initiatieven zal hij op Europees niveau nemen om de negatieve effecten van de huidige regelgeving tot een minimum te beperken?

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Wat de opvang van en de steun aan vreemdelingen betreft, verwijs ik mevrouw Pehlivan naar mijn collega van Maatschappelijke Integratie, die bevoegd is voor deze materie.

Wat het verblijfsrechtelijk aspect betreft, kan ik mededelen dat in de ministerraad van 21 december 2006 het ontwerp van wet tot wijziging van de vreemdelingenwet werd goedgekeurd. Dat ontwerp houdt de omzetting in van een Europese richtlijn inzake het verblijfsrecht van burgers van de Europese Unie en hun familieleden. Dat ontwerp wordt nog deze week bij de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend. In het ontwerp wordt bepaald dat een einde kan worden gemaakt aan het verblijfsrecht van een EU-onderdaan indien hij niet kan aantonen dat hij werk zoekt of een reŽle kans maakt om te worden aangeworven.

Aan het verblijfsrecht van EU-renteniers en -studenten kan tevens een einde worden gemaakt, indien zij een onredelijke belasting vormen voor ons systeem van sociale zekerheid. Door de wetswijziging kan men de instroom van Unie-onderdanen die louter aangetrokken zouden zijn door het niveau van ons systeem van sociale zekerheid wat afremmen.

In juli van vorig jaar heb ik mijn collega van Sociale Zaken gevraagd de nodige aandacht te besteden aan de problematiek van de georganiseerde schijnzelfstandigheid en streng op te treden bij eventuele misbruiken.

Vorig jaar heb ik tijdens een bezoek aan RoemeniŽ duidelijk te kennen gegeven dat er zal worden opgetreden tegen personen die misbruik trachten te maken van de Europese en de nationale verblijfsreglementering.

Op Europees niveau werden tal van initiatieven genomen en fondsen vrijgemaakt om het lot van de Romazigeuners in hun land van herkomst te verbeteren. Zo probeert men te voorkomen dat deze personen worden gedwongen om effectief te emigreren.

Ik kan niet ontkennen dat het vrij verkeer van personen een aantal ongewenste neveneffecten heeft. Hiertegen kan slechts worden opgetreden in het kader van de Europese reglementering en van de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie. De mogelijkheden waarover ik beschik zijn dus eerder beperkt.

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A-SPIRIT). - Ik begrijp dat op de bedoelde groepen bepaalde reglementen van toepassing zijn. Gelet op de situatie van die mensen, moet er meer druk worden uitgeoefend, zowel in Slowakije en als in RoemeniŽ. Het betreft een specifieke groep van EU-onderdanen, omdat ze zigeuner zijn, en in hun eigen land gediscrimineerd worden. in het kader van een democratisch rechtsstelsel. We kunnen niet dulden dat in sommige Europese landen bepaalde praktijken gehandhaafd worden. Die mensen komen hierheen omdat ze in die landen worden gediscrimineerd en de facto uitgesloten worden uit de maatschappij. Dit probleem moeten we aankaarten bij de ministers van Binnenlandse Zaken van die twee landen.