Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-71

ZITTING 2005-2006

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid

Vraag nr. 3-5146 van de heer Ceder d.d. 22 mei 2006 (N.) :
Wetenschappelijk onderzoek. — Uitgaven. — Toepassing van de besluiten van de Europese top in Barcelona.

Op de Europese top van Barcelona in maart 2002 werd beslist het aandeel van de uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek op te trekken van het Europees gemiddelde van 1,9 % van het BBP tot 3 %. Dit zou gerealiseerd moeten worden tegen het jaar 2010. …ťn derde van dat bedrag zou van de overheid moeten komen, twee derden van de privť-sector. Overeenkomstig het actieplan van de Europese Commissie, dat gepubliceerd werd op 4 juni 2003, zou iedere lidstaat de kredieten voor onderzoek tot 1 % van het BBP moeten optrekken. In BelgiŽ bedroeg het aandeel van de gezamenlijke overheden voor onderzoek en ontwikkeling in de begrotingskredieten van 2004 nochtans slechts 0,64 % van het BBP. De kredieten van de Federale Staat zijn zelfs gedaald, van 686,8 miljoen euro in de aangepaste begroting van 2004 tot slechts 623,9 miljoen euro in de begroting van 2005. Zonder een beduidende stijging van de kredieten zal de Europese doelstelling voor het jaar 2010 niet worden gehaald.

Zal BelgiŽ de afspraken van de Europese top van Barcelona nakomen ? Als dat niet tegen 2010 gebeurt, welke streefdatum wordt dan wel vooropgesteld ? Welke maatregelen heeft de geachte minister reeds genomen om de kredieten voor wetenschappelijk onderzoek op te trekken tot de vooropgestelde 1 % van het BBP ?

Antwoord : 1. BelgiŽ zal, net als de meeste Europese landen, de doelstelling van 3 % van het BBP voor O&O niet halen.

Een geringere inbreng van de ondernemingen (in 2002 en 2003) in de O&O-uitgaven stuurde de gemaakte veeleer optimistische prognoses in de war. Voor de jaren 2004 en 2005 wordt evenwel op een lichte opleving gehoopt.

Wat de overheidssector betreft, zullen de O&O-investeringen aanzienlijker zijn aangezien het BBP van BelgiŽ fors toeneemt zonder het land daarom echter in staat te stellen de 3 % doelstelling te bereiken.

De tweede doelstelling van Barcelona die verband houdt met de sleutel voor de financiering van de O&O-activiteiten van 2/3 voor de privťsector en 1/3 voor de overheidssector is, van zijn kant, sinds talrijke jaren bereikt. De privťsector (met inbegrip van de in het buitenland gevestigde ondernemingen) neemt in 2003 immers voor bijna 70 % de financiering van O&O voor zijn rekening (laatste jaar waarvan O&O-statistieken voorhanden zijn).

Op het ruimere niveau van de Europese Unie (EU) bekeken, hebben twee factoren met name (negatieve) gevolgen op de O&O-intensiteit.

Het gaat om de hersenvlucht (brain drain of emigratie van hooggekwalificeerde arbeidskrachten) naar efficiŽntere en goed betalende werkomgevingen en de economische globalisering. Multinationals kunnen meer dan andere ondernemingen op internationaal niveau mensen in dienst nemen, met als logisch gevolg een toename van het (niet-permanente) verkeer van personen. Deze ondernemingen kunnen hun onderzoekscapaciteit ook naar andere plaatsen in de wereld overbrengen (gunstige beloning van het onderzoekspotentieel in opkomende landen; concurrerend aantrekkingsbeleid tussen de lidstaten van de EU).

2. Zoals de High level group 3 % er terecht op heeft gewezen, komt het er vooral op aan middelen ter beschikking te stellen om een echte dynamiek naar de kenniseconomie te bewerkstelligen, via overdrachten van technologieŽn, samenwerkingsverbanden tussen de overheids- en de privťsector het meer aantrekken van gekwalificeerde migranten (brain gain), dit alles zo nodig in het meer algemene kader van het ontwikkelingsbeleid dat BelgiŽ voert.

3. Een groot aantal van de aanbevelingen die de High level group 3 % heeft gedaan worden nu al toegepast of zijn op de goede weg, zoals de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing, het ideeŽnfonds, de jonge innoverende ondernemingen, het Handvest van de onderzoeker, de innovatiepremies, enz.

De begrotingskredieten voor O&O bedragen op dit ogenblik 0,58 % van het BBP. Ook al onderschrijft BelgiŽ uiteraard de 1 %-doelstelling die in het actieplan van de Europese Commissie wordt aanbevolen, toch is het niet denkbaar dat ons land met de huidige begroting zijn bijdrage binnen de gestelde termijn kan verdubbelen.

Een efficiŽnte intensivering van de algemene inspanning inzake O&O vergt overigens tijd, overleg en samenwerking tussen de institutionele actoren. Gevolg gevend aan de High level group 3 %, pleit ik voor de oprichting van een echte ę Belgische onderzoeksruimte Ľ die, naar het evenbeeld van de ę Europese onderzoeksruimte Ľ het mogelijk zal maken het maximum te halen uit het potentieel van alle actoren. Voor de federale overheid zou in dit opzet een hoofdrol moeten zijn weggelegd.

Er moeten niet alleen voldoende begrotingskredieten worden vrijgemaakt, maar terzelfder tijd moet de overheid voor een hefboom-en aanzwengeleffect zorgen voor de betrokken actoren (ondernemingen, centra, onderzoekers, enzovoort) door een klimaat tot stand te brengen waarin innovaties en de groei van O&O-activiteiten gedijen.