3-1986/5 | 3-1986/5 |
22 DECEMBER 2006
INLEIDING
Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 27 november 2006 ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2773/1). Het werd door de Kamer aangenomen op 20 december 2006 en op diezelfde dag overgezonden aan de Senaat, die het wetsontwerp op 21 december 2006 heeft geëvoceerd.
De commissie voor de Sociale Aangelegenheden, die werd gevat door de artikelen 100 tot 261, 289 tot 343, 347 tot 350 et 361 tot 363, heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 13 en 21 december 2006 in aanwezigheid van mevrouw F. Van den Bossche, vice-eerste minister en minister van Begroting en van Consumentenzaken, mevrouw S. Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, van de heer B. Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen, van de heer P. Vanvelthoven, minister van Werk, van de heer Ch. Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, van de heer R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van mevrouw E. Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie.
Met toepassing van artikel 27, 1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie de bespreking van dit wetsontwerp aangevat vóór de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.
I. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN
1. Inleidende uiteenzetting van de heer R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, geeft aan dat de Titel « Sociale Zaken » van het ontwerp van programmawet 13 hoofdstukken bevat.
Daarenboven moeten 2 specifieke titels ook in aanmerking worden genomen, namelijk :
— de titel betreffende de oprichting van de Sociale informatie- en opsporingsdienst voor de bestrijding van de sociale fraude en illegale arbeid, de arrondissementscellen of SIOD;
— de titel betreffende de aard van de arbeidsrelaties.
De verschillende hoofdstukken van de Titel « Sociale Zaken » handelen over de volgende thema's :
1. verminderingen van socialezekerheidsbijdragen wat betreft de « jongerenvermindering » voorzien door het Generatiepact;
2. de alternatieve financiering van de sociale zekerheid;
3. het RIZIV en de Globale Beheren;
4. het Fonds voor de toekomst van de geneeskundige verzorging;
5. een bepaling tot uitvoering van het sociaal akkoord betreffende de federale gezondheidssectoren, gesloten in 2005 en betreffende de financiering van de 2e « pensioenpijler »;
6. het Asbestfonds;
7. de aanpassing van het dagbedrag van de minimale arbeidsongeschiktheidsuitkering;
8. de reglementering betreffende LIMOSA of de voorafgaande aangifte van tewerkstelling van buitenlandse werknemers die in België worden gedetacheerd;
9. de toekenning van een jaarlijkse toeslag inzake kinderbijslag, de zogenaamde « premie voor het nieuwe schooljaar »;
10. bepalingen betreffende de welvaartvastheid;
11. de onderwerping van het enkel vertrekvakantiegeld aan de gewone socialezekerheidsbijdragen;
12. het wetenschappelijk onderzoek;
En ten slotte,
13. kinderbijslag en sociale toeslagen.
Bovendien heeft de minister tijdens de bespreking in de Kamercommissie twee regeringsamendementen neergelegd.
Het eerste amendement heeft betrekking op de financiering van de Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en het tweede beoogt de rechtstreekse subsidiering vanuit het RIZIV van 2 overkoepelende organisaties die de patiënten vertegenwoordigen.
De minister beperkt zijn inleiding tot de meer gevoelige thema's.
Indien sommige leden verduidelijkingen omtrent andere bepalingen wensen, zullen deze tijdens de discussie aangebracht worden.
1. ALTERNATIEVE FINANCIERING :
Het gaat om de uitwerking van de budgettaire beslissingen die tijdens het conclaaf werden genomen over de alternatieve financiering van de sociale zekerheid.
Het hoofdstuk voorziet ook in nieuwe maatregelen waarbij de financieringsbronnen van de sociale zekerheid, namelijk de personenbelasting en de vennootschapsbelasting, worden verruimd.
Dit hoofdstuk bevat ook een bepaling om de discussies in het kader van het interprofessioneel akkoord betreffende de verhoging van het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI) vlotter te laten verlopen.
2. RIZIV EN GLOBALE BEHEREN :
Hoofdstuk III heeft tot doel het aanvullend bedrag 2007 van het provisiefonds voor geneesmiddelen van het RIZIV over te dragen naar het Globaal Beheer, zoals dit is in 2006 is gebeurd. Dit provisiefonds zal dus eind 2007 100 miljoen euro bevatten.
3. FONDS VOOR DE TOEKOMST VAN DE GENEESKUNDIGE VERZORGING :
Hoofdstuk IV stelt een nieuw fonds in : het « fonds voor de toekomst van de geneeskundige verzorging ». Het gaat dus om een financiële reserve, maar waarvan het gebruik wordt beperkt tot de nodige investeringen om het systeem van geneeskundige verzorging aan te passen aan de vergrijzing van de bevolking. Daarenboven mag deze reserve slechts vanaf 2012 worden gebruikt.
4. ASBESTFONDS :
Hoofdstuk 6 van de Titel Sociale Zaken voorziet in de oprichting van het Asbestfonds en bepaalt de basisregels voor de tegemoetkoming van dit Fonds.
De tekst die u wordt voorgelegd is het resultaat van talrijke raadplegingen zowel van de vertegenwoordigers van asbestslachtoffers als van de sociale partners.
De voorgestelde bepalingen zullen gelden zowel voor de werknemers en het overheidspersoneel, als beroepsslachtoffers schadeloos gesteld in het kader van de reglementering betreffende de beroepsziekten, als voor de volgende groepen;
— de zelfstandigen die niet genieten van een beschermingsregeling in het kader van de beroepsziekten;
— de « milieuslachtoffers »;
— en ten slotte de personen blootgesteld aan asbest ingevolge contacten, bijvoorbeeld personen die kledij van werknemers blootgesteld aan asbest hebben schoongemaakt.
Het Asbestfonds wordt opgericht bij het Fonds voor de beroepsziekten. Het Asbestfonds heeft geen rechtspersoonlijkheid en staat los van het Globaal Beheer van de sociale zekerheid.
Voor de financiering van het Asbestfonds zijn voornamelijk de 3 volgende bronnen voorzien :
1. een jaarlijkse dotatie van de Staat voor een bedrag van 10 miljoen per jaar.
2. bijdragen ten laste van de werkgevers.
De Koning zal bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepalen welke werkgevers de bijdragen moeten betalen, hoe deze bijdrage wordt berekend en vastgesteld en welke de nadere regels voor de inning ervan zullen zijn.
Het kan zowel om een veralgemeende bijdrage gaan, dus betaald door alle werkgevers die aan de sociale zekerheid zijn onderworpen, als om een doelgerichte bijdrage, namelijk ten laste van werkgevers in bepaalde sectoren of zelfs om een gemoduleerde bijdrage.
3. voor de financiering van de tegemoetkoming van het Asbestfonds ten gunste van zelfstandigen die het slachtoffer zijn van asbestose, zal de Koning kunnen voorzien in een financiering door middel van de sociale zekerheid voor zelfstandigen.
Asbestose is inderdaad een aandoening die bijna uitsluitend te maken heeft met de uitoefening van een beroep.
Uit de financieringsregeling kan men geen besluiten trekken met betrekking tot het toepassingsgebied van de tussenkomsten van het Asbestfonds ten gunste van de zelfstandige werknemers.
In een eerste fase zal het Asbestfonds een tegemoetkoming slechts toekennen in het kader van twee aandoeningen in verband met asbest, namelijk mesothelioom en asbestose.
Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zal de Koning het toepassingsgebied van de tegemoetkoming van het Asbestfonds kunnen uitbreiden tot andere aandoeningen te wijten aan een blootstelling aan asbest.
De aanvrager zal het bewijs van de blootstelling aan het asbestrisico in België moeten leveren.
Dit bewijs zal, uitgezonderd voor de mesothelioom, moeten worden geleverd ten opzichte van de criteria inzake blootstelling aan het asbestrisico of van de criteria inzake diagnose die door het FBZ worden vastgelegd.
De Koning zal specifieke criteria mogen vastleggen voor de toepassing van de tegemoetkoming van het Asbestfonds en deze criteria zouden kunnen verschillen naar gelang van het soort blootstelling aan het risico.
Het Asbestfonds zal een tegemoetkoming toekennen aan de slachtoffers en aan hun rechthebbenden.
De tegemoetkoming van het Fonds ten gunste van de slachtoffers zal een geïndexeerde maandelijkse rente zijn.
De tegemoetkoming ten gunste van de rechthebbenden zal in de vorm van een kapitaal worden uitgekeerd.
Het begrip rechthebbenden in het kader van het Asbestfonds is hetzelfde als dat van toepassing in het kader van de wetgeving « beroepsziekten ».
De tegemoetkoming van het Asbestfonds ten gunste van slachtoffers van een mesothelioom kan volledig worden gecumuleerd met een andere sociale uitkering die krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving voor dezelfde aandoening wordt toegekend.
Wat betreft de slachtoffers van asbestose en van andere aandoeningen die in de toekomst in aanmerking zouden komen voor een tegemoetkoming van het Asbestfonds, is een gedeeltelijke cumulatieregel voorzien.
In een bepaling is uitdrukkelijk voorzien dat de tegemoetkoming van het Asbestfonds niet in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van de inkomsten waarmee rekening wordt gehouden voor de toekenning van sociale uitkeringen.
Wat betreft de vorderingen tegen beslissingen van het FBZ inzake tegemoetkomingen van het Asbestfonds, voorziet het ontwerp de bevoegdheid van de arbeidsgerechten alsook de termijn binnen welke het beroep moet worden ingeleid.
Artikel 125 heeft betrekking op de immuniteit van de aansprakelijke persoon. In dit verband zou de minister de aandacht van de Commissie willen vestigen op de volgende elementen :
— in het kader van de reglementering « beroepsziekten », genieten de werkgevers van een immuniteit krachtens de zogenaamde « sociale vrede »; deze immuniteit geldt niet ingeval van opzettelijke fout;
— wat betreft de personen die geen « beroepsslachtoffers » van een mesothelioom of van asbestose zijn, zal de immuniteit van de aansprakelijke derde slechts gelden indien de volgende voorwaarden zijn vervuld :
— het Asbestfonds komt tegemoet ten gunste van de betrokkene en/of zijn rechthebbenden;
— de aansprakelijke derde is OFWEL een werkgever onderworpen aan de sociale zekerheid en die een bijdrage bestemd voor het Asbestfonds verschuldigd is OFWEL een zelfstandige werknemer voorzover de sociale zekerheid voor de zelfstandige werknemers effectief aan de financiering van het Asbestfonds deelneemt;
— de aansprakelijke derde heeft de ziekte niet opzettelijk veroorzaakt.
In de huidige stand van zaken van het ontwerp, is geen enkele immuniteitsregeling voorzien voor de andere ziekten waarvoor de Koning zou beslissen tot de uitbreiding van het toepassingsgebied voor de tegemoetkoming van het Asbestfonds
Wat betreft de datum van inwerkingtreding van de bepalingen betreffende het Asbestfonds,
— deze datum is vastgelegd op 1 april 2007, behalve wat betreft de aspecten « bijdragen van de werkgevers », « bijdragen van de zelfstandigen » en « immuniteit van de aansprakelijke derde »;
— deze 3 aspecten zullen in werking treden op de datum die door de Koning zal worden bepaald en de inwerkingtreding zal voor deze 3 aspecten gelijktijdig zijn.
5. VOORAFGAANDE AANGIFTE VOOR GEDETACHEERDE WERKNEMERS EN ZELFSTANDIGEN :
De bepalingen van hoofdstuk 8 hebben tot doel één van de begeleidende maatregelen die de regering heeft genomen in het kader van de openstelling van de grenzen bij de uitbreiding van de Europese Unie, uit te voeren.
In de sociale vaktaal spreekt men van de LIMOSA-maatregel.
Voordat een gedetacheerde werknemer op het Belgisch grondgebied wordt tewerkgesteld, moet zijn werkgever een LIMOSA-aangifte doen bij de RSZ.
Vooraleer de stage van een buitenlandse stagiair op het Belgisch grondgebied begint, is ook een LIMOSA-aangifte verplicht.
Ingeval van overschrijding van de oorspronkelijke duur van de detachering die door middel van de LIMOSA-aangifte werd medegedeeld, moet een nieuwe aangifte worden gedaan voor het einde van de oorspronkelijk medegedeelde periode.
Na de LIMOSA-aangifte wordt een ontvangstbewijs opgemaakt.
Indien de eindgebruiker of de opdrachtgever vaststelt dat een ontvangstbewijs hem niet kan worden voorgelegd voor een buitenlandse werknemer die in België is gedetacheerd, moet hij de RSZ daarvan onmiddellijk in kennis stellen door hem de identificatiegegevens van de betrokken personen mede te delen.
Indien de buitenlandse werkgever de LIMOSA-aangifte heeft gedaan, is hij tijdens een periode die door de Koning moet worden bepaald vrijgesteld van het opmaken van het arbeidsreglement en van bepaalde sociale documenten.
De wetgeving betreffende de administratieve boetes is aan de LIMOSA-reglementering aangepast.
Een soortgelijke reglementering voor gedetacheerde zelfstandigen in België is voorzien. In dit geval is het RSVZ de bestemmeling van de LIMOSA-aangifte.
Strafrechtelijke sancties zijn voorzien voor :
— de werkgever of de instelling of de zelfstandige die de LIMOSA-aangifte moet doen en die de wetgeving niet naleeft;
— de eindgebruiker die zijn verplichting niet is nagekomen om de RSZ of het RSVZ in te lichten wanneer het ontvangstbewijs van de LIMOSA-aangifte betreffende de werknemer of de zelfstandige hem niet kan worden bezorgd. Het niveau van de sanctie ligt lager dan ten opzichte van de buitenlandse werkgever.
Een gegevensbank betreffende alle LIMOSA-aangiften zal worden bijgehouden.
Ten slotte zal de wetgeving betreffende het Rijksregister van de natuurlijke personen worden aangepast opdat alle betrokken instanties (inspectiediensten maar ook bevoegde instanties om de arbeidsvergunningen af te leveren) de verblijfsituatie van de betrokken buitenlanders kunnen nagaan.
6. GEZINSBIJSLAG EN TOEKENNING VAN EEN JAARLIJKSE TOESLAG :
De bepalingen van hoofdstuk 9 van de Titel Sociale Zaken hebben betrekking op de zogenaamde « premie voor het nieuwe schooljaar ».
Afdeling 1 bevestigt de koninklijke besluiten die de toekenning van de premie voor het nieuwe schooljaar voor het jaar 2006 hebben geregeld.
Afdeling 2 heeft betrekking op de situatie die zal gelden vanaf het jaar 2007.
Vanaf 2007 zal een jaarlijkse toeslag van kinderbijslag worden uitbetaald samen met de kinderbijslag voor de maand juli ten gunste van de kinderen die ten minste 11 jaar oud zijn op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de toeslag is verschuldigd, en die de leeftijd van 17 jaar niet hebben bereikt op dezelfde datum.
Voor de kinderen die ten minste 5 jaar oud zijn en nog geen 11 jaar oud zijn op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de toeslag is verschuldigd, geldt de toekenning van de toeslag enkel voor het jaar 2007.
Uiterlijk op 1 januari 2008 zal bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad in het kader van dezelfde budgettaire weerslag moeten worden uitgemaakt :
— ofwel of de jaarlijkse toeslag ten gunste van deze categorieën van kinderen wordt behouden;
— ofwel of een andere toeslag bestemd voor dezelfde categorie of voor een andere categorie van kinderen wordt toegekend.
7. ONDERWERPING VAN HET ENKEL VERTREKVAKANTIEGELD AAN DE SOCIALEZEKERHEIDSBIJDRAGEN :
De bepalingen van hoofdstuk 11 hebben tot doel, zoals dit reeds het geval is voor arbeiders, het enkel vertrekvakantiegeld voor bedienden te onderwerpen aan socialezekerheidsbijdragen bij de uitbetaling ervan.
Een bijzondere regeling is evenwel voorzien voor de bedienden met een tijdelijke arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 24 juli 1987.
De voorgestelde bepalingen verduidelijken tevens de berekeningsbasis van het vertrekvakantiegeld en het moment waarop het wordt uitbetaald.
De bepalingen zijn van toepassing op het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006.
Voor het vakantiegeld betaald vóór 1 januari 2007 blijven de huidige bepalingen van toepassing.
Er zijn wijzigingsbepalingen voorzien voor de sociale documenten, de werkbonus en de structurele lastenvermindering.
8. WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK :
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben tot doel de indienstneming van nieuwe onderzoekers in de sector van het fundamenteel onderzoek in ruime mate te ondersteunen.
Het is de bedoeling sociale bijdragen, zowel van werknemers als van werkgevers, aan te wenden voor het scheppen van bijkomende betrekkingen voor onderzoekers.
Het concreet mechanisme werkt als volgt : de sociale bijdragen die voor het jaar 2005 worden gestort door het Fonds national de la recherche scientifique (afgekort FNRS) en door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek — Vlaanderen (afgekort FWO), namelijk 31 000 000 euro, zullen door de RSZ aan beide Fondsen worden teruggestort op basis van een verdeling die rekening houdt met het nettobedrag van de gestorte socialezekerheidsbijdragen.
Dit bedrag zal moeten worden aangewend voor het scheppen van bijkomende betrekkingen voor doctorandi of postdoctorandi, met 2006 als referentiejaar.
Deze structurele middelen zullen vervolgens jaarlijks worden geïndexeerd.
9. KINDERBIJSLAG EN SOCIALE TOESLAGEN :
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn een middel in de strijd tegen inactiviteitsvallen voor de gezinnen die recht hadden op gewaarborgde gezinsbijslag alsook voor de werklozen en invaliden die de sociale supplementen trokken en het werk als werknemer hervatten.
Een gelijkaardige bepaling ingeval van werkhervatting in de hoedanigheid van zelfstandige werknemer wordt in de kinderbijslagregeling van de zelfstandigen ingelast.
Voorts zijn er nog de twee specifieke titels.
10. SOCIALE INFORMATIE- EN OPSPORINGSDIENST :
Ingevolge de twee buitengewone ministerraden van Gembloux en Brussel werden verschillende instrumenten uitgewerkt voor de strijd tegen de sociale fraude, enerzijds, door zwartwerk minder aantrekkelijk te maken en, anderzijds, door de strijd tegen sociale fraude en illegale arbeid in al zijn vormen beter te coördineren.
Na drie jaar werking van de Federale Raad voor de strijd tegen de sociale fraude, is een hervorming nodig om de strijd tegen de sociale fraude, zowel wat de bijdragen als de uitkeringen betreft, op een nog meer operationele manier te coördineren. De hervorming loopt langs twee hoofdlijnen :
1. het betrekken van nieuwe partners bij de structuren met het oog op een betere samenwerking in de verschillende structuren.
In dat kader, oprichting van een echt beleidsondersteunend orgaan belast met het opmaken van een strategisch en operationeel plan : het directiecomité van het Federaal Aansturingsbureau;
2. een betere communicatie tussen de verschillende structuren, voor een betere doorstroming van informatie.
De Federale Raad wordt omgevormd tot een algemene vergadering waarin ook de sociale partners zetelen. Het is immers belangrijk dat alle actoren zouden kunnen deelnemen aan dit institutioneel platform, als echte denktank voor de strijd tegen de sociale fraude.
In het Federaal Aansturingsbureau, samengesteld uit vertegenwoordigers van de FOD Werkgelegenheid en Sociaal Overleg, van de FOD Sociale Zekerheid, van de RSZ en van de RVA, zullen ook vertegenwoordigers van de RKW, van het RIZIV en van de Rijksdienst voor pensioenen zetelen.
Dit Federaal Aansturingsbureau, dat door een mandaathouder wordt geleid, wordt het strategisch orgaan van de Sociale Informatie- en Opsporingsdienst.
Het omvat een directiecomité met als voornaamste opdracht het opmaken ieder jaar van een strategisch en operationeel plan voor de strijd tegen de sociale fraude inzake bijdragen en uitkeringen.
Dit strategisch en operationeel plan bestaat uit twee aparte luiken, het ene luik betreffende bijdragefraude, het andere voor uitkeringsfraude.
Een eerste strategisch plan werd reeds de Ministerraad voorgelegd en wordt uitgevoerd door de 4 voormelde inspectiediensten.
De huidige opdrachten van de arrondissementscellen worden bevestigd. Ze blijven voorgezeten door een arbeidsauditeur die de verbindingspersoon blijft tussen, enerzijds, het actieplan en de uitgewerkte richtlijnen en, anderzijds, de actoren op het terrein.
De regionale interventiegroep, die op het terrein reeds operationeel is, blijft eveneens voorgezeten door de arbeidsauditeur.
Dankzij deze nieuwe communicatiepiramide tussen, enerzijds, de regering en het Bureau en, anderzijds, de arrondissementscellen en de gewestelijke interventiegroep :
— zullen, enerzijds, de door de regering genomen beslissingen en de toe te passen richtlijnen op een meer doeltreffende en meer gestructureerde kunnen worden overgebracht;
— zullen, anderzijds, de actoren op het terrein hun informatie en de balans van hun acties aan de beleidsverantwoordelijken kunnen mededelen en aangeven welke nieuwe pistes eventueel door het Bureau moeten worden gevolgd.
11. AARD VAN DE ARBEIDSRELATIES :
De arbeidsrelaties worden gedefinieerd als zijnde de professionele samenwerkingen over het presteren van arbeid door een partij, als werknemer of als zelfstandige.
Alhoewel de meeste arbeidsrelaties doorgaans geen problemen stellen, bestaat er voor bepaalde arbeidsrelaties niettemin een echte onzekerheid bij de partijen, of wordt zelfs het ontstaan van het verschijnsel van de schijnzelfstandigen vastgesteld.
Dit verschijnsel van de schijnzelfstandigen heeft nadelige gevolgen zowel voor de werknemer, die niet kan genieten van de sociale bescherming als werknemer op het niveau van de sociale zekerheid en van het arbeidsrecht, als voor de economie omdat er daardoor concurrentievervalsing is.
Om dit fenomeen te bestrijden en meer rechtszekerheid te bieden heeft de regering :
— principes vastgelegd voor het bepalen van de algemene criteria waarmee rekening moet worden gehouden voor het omschrijven van een arbeidsrelatie,
— een procedure vastgelegd voor het bepalen van specifieke criteria voor sectoren die meer criteria nodig hebben;
— en een procedure van « sociale ruling » vastgelegd voor het verduidelijken van bepaalde relaties waarover de betrokken partijen twijfels hebben.
De artikelen die u worden voorgelegd stemmen overeen met de principes in Aanbeveling 198 van de Internationale Arbeidsorganisatie, die aldus tot doel heeft :
— te voorzien in een betere rechtszekerheid en bijgevolg in de effectieve bescherming van de werknemers;
— de economische groei, het scheppen van werkgelegenheid en behoorlijke arbeidsomstandigheden te bevorderen;
— eerlijke concurrentie te garanderen.
De regering beoogt een grotere rechtszekerheid voor de partijen en bijgevolg een doeltreffende bescherming van de werknemers, door duidelijk te bepalen welke criteria een onderscheid maken tussen het statuut van werknemer en het statuut van zelfstandigen, terwijl tevens de mogelijkheid wordt gelaten specifieke criteria vast te leggen in bepaalde sectoren.
— DE ALGEMENE CRITERIA :
Volgens de rechtspraak van hoven en rechtbanken zijn 4 algemene criteria mettertijd tot uiting gekomen, waarmee een arbeidsrelatie kan worden bepaald.
Deze criteria moeten worden beoordeeld in functie van de concrete uitvoering van de arbeidsrelatie. Het is wel degelijk de reële en concrete uitvoering van de arbeidsrelatie, die eventueel in een overeenkomst wordt beschreven, die moet worden onderzocht, en dit volgens de methode op basis van aanwijzingen die door hoven en rechtbanken wordt gebruikt.
Deze criteria zijn :
— De wil van de partijen;
De wil van de partijen is een algemeen criterium voor de beoordeling van de arbeidsrelatie. Deze wil moet evenwel reëel zijn en overeenstemmen met de concrete uitvoering van de arbeidsrelatie, overeenkomstig Aanbeveling nr. 198.
Bijgevolg, indien de wil van de partijen wordt geveinsd en/of indien de overeenkomstsluitende partij niet handelen volgens de bepalingen van de overeenkomst, moet de reële arbeidsrelatie de overhand hebben op de bepalingen van de schriftelijke overeenkomst.
— Het vrij organiseren van de werktijd :
Het gaat om het vrij organiseren van zijn tijdsbesteding, naar gelang van zijn beschikbaarheid en zijn eigen redenen.
— Het vrij organiseren van de arbeid :
Het gaat om de duidelijke omschrijving van de taken die moeten worden vervuld door de medecontractant, gekoppeld aan duidelijke instructies en de beslissingen van een hiërarchische overste, die aanwijzingen zijn van het bestaan van een band van ondergeschiktheid.
— Hiërarchische controle :
Het feit dat de betrokkene eventueel onderworpen is aan een hiërarchische controle en bijgevolg, indien nodig, interne sancties kan oplopen, moet worden beschouwd als een aanwijzing voor een arbeidsrelatie met een werknemer.
Het wetsontwerp bevat tevens een lijst met criteria die, apart beschouwd, niet volstaan om een arbeidsrelatie te definiëren. Het gaat onder andere om de verschillende formaliteiten voor registratie bij de Kruispuntbank van ondernemingen, op het gebied van BTW, enz.
Naast deze 4 algemene criteria werd een procedure voor het vastleggen van specifieke criteria voorzien, om sectoren die moeilijkheden hebben om de arbeidsrelaties op een passende manier te definiëren, meer rechtszekerheid te bieden.
Daartoe zal iedere van de bevoegde ministers de Normatieve Commissie kunnen vragen de procedure voor de raadpleging van de sociale partners te starten, en zal dit zelfs indien nodig kunnen vragen aan vertegenwoordigers van een beroep zoals bijvoorbeeld de Orde van de Advocaten.
Deze procedure kan lang of complex lijken, maar ze maakt het vooral mogelijk alle partners zowel in de Nationale Arbeidsraad als in de Hoge Raad van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen te raadplegen, en indien nodig, met de hulp van ambtenaren en gespecialiseerde deskundigen ter zake, de Koning een lijst voor te stellen met criteria die voor de specifieke sector van toepassing zouden zijn.
Ten slotte zal een commissie voor « sociale ruling » worden opgericht opdat partijen die twijfels hebben over de aard van hun arbeidsrelatie hun dossier kunnen voorleggen en een advies kunnen vragen aan de commissie. De zelfstandige starters zullen dit ook kunnen doen.
In een eerste fase zullen de partijen die reeds een arbeidsrelatie hebben zich ook tot deze commissie kunnen richten aangezien twijfel zou kunnen ontstaan na de uitvoering van deze artikelen of na de bekendmaking van een koninklijk besluit met specifieke criteria.
In dit welbepaald geval, indien de commissie oordeelt dat de arbeidsrelatie opnieuw moet worden gedefinieerd, zullen de partijen daarvoor geen sanctie oplopen.
Vervolgens gaat de minister over tot de toelichting van de bepalingen uit de programmawet die betrekking hebben op de volksgezondheid (Titel V van het wetsontwerp).
Afdeling 1 betreft de wetsbepalingen inzake de maximumfactuur voor chronisch zieken.
Afdeling 2 betreft het Omniostatuut.
Artikelen 198 tot 203 stellen de nodige wettelijke basis in voor de uitbreiding van het recht op voorkeursterugbetaling van geneeskundige verzorging tot alle economisch zwakkere personen.
Gelet op het feit dat de inkomsten van de potentiële kandidaten voor het OMNIO-statuut meer veranderlijk zijn, zal rekening worden gehouden met de inkomsten van 6 maanden vóór de aanvraag om de inkomsten op jaarbasis te evalueren.
De gelegenheid wordt ook te baat genomen om het RVV-statuut aan te passen opdat de echtgenoot of levenspartner van de personen die het recht op de verhoogde tegemoetkoming doet ontstaan, evenals zijn personen ten laste, ook van dit voordeel zouden kunnen genieten. Dit is logisch aangezien zijn inkomsten in aanmerking worden genomen om uit te maken of het huishouden de voorwaarde inzake maximuminkomen vervult.
Zodoende sluit men ook meer aan bij het OMNIO-statuut dat in de verhoogde tegemoetkoming voorziet voor alle leden van het huishouden (zoals geregistreerd in het Rijksregister van de natuurlijke personen) wanneer de gecumuleerde inkomsten minder dan het maximuminkomen bedragen.
De Koning zal de data van inwerkingtreding van deze bepalingen vastleggen. Het is de bedoeling de uitbreiding van het RVV-statuut tot de echtgenoot indien mogelijk op 1 januari 2007 in te voeren, terwijl het OMNIO-statuut op 1 april 2007 in werking zou treden.
Afdeling 4 bevat twee artikelen over de laboratoria voor klinische biologie.
Afdeling 5 voert de mogelijkheid in om een vergoeding toe te kennen aan de kandidaat-huisartsen. Tot op heden ontvingen alleen de stagemeesters een vergoeding.
Afdeling 6 betreft een vergoeding van de verplaatsingskosten voor de ouders van gehospitaliseerde kinderkankerpatiënten. Dit beantwoordt aan een zeer grote sociale nood.
Afdeling 7 betreft de beperking in 2007 van de administratiekosten die worden toegekend aan de verzekeringsinstellingen.
Afdeling 8 regelt de kwestie van de resterende bedragen van de fiscale maximumfactuur, veroorzaakt door de integratie van de fiscale maximumfactuur in de inkomensmaximumfactuur.
Afdeling 9 biedt de mogelijkheid aan het verzekeringscomité om overeenkomsten voor geïntegreerde zorg te sluiten.
Afdeling 10 geeft het RIZIV de mogelijkheid om hoog gekwalificeerd personeel aan te werven door middel van verkorte procedures.
Afdeling 11 — Verpleegkundige zorgverleners
Verder heeft de minister ernaar gestreefd dat er grote inspanningen worden geleverd in de sector van de thuisverpleging, zodat het remgeld voor bepaalde categorieën van forfaitaire honoraria die gelden voor patiënten die zwaar zorgbehoevend zijn, kan worden verminderd en dat het remgeld dat verband houdt met de verplaatsingskosten, dat palliatieve patiënten tot op heden nog steeds moeten betalen, kan worden afgeschaft.
Zijn belangstelling voor deze sector brengt hem ertoe om via proefprojecten bovendien regelingen te treffen opdat zorgkundigen de thuisverplegingsteams kunnen versterken, zoals dit reeds gebeurt in ziekenhuizen en rustoorden.
Een gevolg van de vergrijzing van de bevolking is immers dat het werk van de thuisverplegers zowel kwalitatief als kwantitatief zwaarder wordt.
In die context is het van primordiaal belang dat de thuisverplegers :
— bij hun dagelijkse bezigheden geholpen kunnen worden door bekwame en specifiek voor de hun toebedeelde taken opgeleide zorgkundigen;
— hun tijd en hun deskundigheid zo goed mogelijk kunnen aanwenden, door activiteiten uit te oefenen waarbij hun deskundigheid noodzakelijk is.
Een proeffase, die binnen strikte toepassingsvoorwaarden moet worden uitgevoerd, moet het mogelijk maken de noodzakelijke regels die de veralgemening van de functie van zorgkundige in deze sector moeten omkaderen, uit te testen en te evalueren.
Het eerste deel van afdeling 12, dat aan geneesmiddelen is gewijd, zet de hervorming voort die bedoeld is om de beroepsbeoefenaars in het kader van de medisch begeleide voortplanting te responsabiliseren, terwijl ze tegelijkertijd meer therapeutische vrijheid krijgen.
Het forfaitsysteem wordt enerzijds uitgebreid tot de geneesmiddelen, zodat er niet systematisch wordt gegrepen naar de duurste geneesmiddelen, en anderzijds krijgt de patiënt tariefzekerheid en een maximumfactuur wat zijn persoonlijk aandeel in de kosten betreft.
Het tweede deel stelt de minister van begroting in staat om als « observator » in de CTG te zitten. Hij kan zo aan alle besprekingen deelnemen en beslissingen nemen op basis van informatie die eerder in het proces wordt verkregen. Zo kunnen er sneller beslissingen tot stand komen. De minister krijgt dan ook een termijn van 10 dagen om te beslissen en na die termijn wordt het stilzwijgen van de minister beschouwd als een impliciete akkoordbevinding.
Het derde deel legt een algemeen kader vast voor het beheer van zuurstof. Dit product, dat oorspronkelijk alleen onder de geneesmiddelenreglementering viel, is momenteel onderworpen aan verschillende reglementeringen die het moeilijk maken een algemeen overzicht te krijgen, meer bepaald met betrekking tot de gunstigste prijs voor dit middel.
Het vierde deel schept een wettelijke grondslag voor de permanente financiering van de registratie van de gegevens van het voorschrift betreffende behandelingen met vervangingsmiddelen op basis van methadon.
Het vijfde deel beantwoordt aan de behoefte van de gemeenschappen op het vlak van de cofinanciering van de vaccinatie door de federale regering, meer bepaald door een voorschottenregeling vanwege de federale instanties, om zo iedere onderbreking van de levering van vaccins te voorkomen.
Het zesde deel is een antwoord op een reeks vragen en kritiek die geformuleerd zijn met betrekking tot de reglementering inzake de aanbestedingen voor het « kiwi »model.
Hier wordt een belangrijke vereenvoudiging voorgesteld : alle wetsbepalingen die getroffen zijn na de bekendmaking van het besluit waarin de procedure voor de eerste aanbestedingen wordt uiteengezet, zijn niet meer onmiddellijk van toepassing maar zullen dit zijn volgens de voorwaarden en vanaf een tijdstip dat in een besluit worden vastgelegd.
Een tweede essentieel element is dat de inwerkingtreding van een aanbesteding met drie maanden wordt uitgesteld. De bedoeling hiervan is te voorkomen dat de « winnaar » van de aanbesteding zijn voorraad uitput in de eerste maanden na de inwerkingtreding vanwege het verschil tussen de zes maanden waarin hij beloofd heeft grote hoeveelheden te leveren en de inwerkingtreding van de aanbesteding, drie maanden eerder.
De wet vult ook de wet van 1994 aan door het tot nu toe onbestaande begrip onbeschikbaarheid op te nemen, terwijl het uit de handel nemen wel bestaat, wat grote financiële gevolgen kan hebben voor de patiënten, vooral in het kader van « kiwi ».
Onderafdeling zeven geeft apothekers de retributies terug die betaald werden terwijl zij voor de jaren 2005 en 2006 niet verschuldigd waren.
Onderafdeling acht, ten slotte, stelt voor 2007 de onmisbare heffingen voor de bedrijfswereld vast.
Naast de uitvoering van de regeringsbeslissing inzake heffingen, namelijk :
— de heffing van 8,73 %, of een vermindering met 1 %;
— het verhogen van de buffer tot 100 miljoen;
— de invoering van een « solidariteitsheffing » als volledige waarborg ter compensatie van een heel realistische vaststelling van technische ramingen.
Deze onderafdeling brengt een aantal nuttige verduidelijkingen aan in de wet van 10 juni 2006 tot hervorming van de heffingen.
Ook wordt de vrijstelling voor de zogenaamde « weesgeneesmiddelen » versoepeld. De wet biedt personen wier geneesmiddelen de kenmerken van weesgeneesmiddelen vertonen, maar die het statuut ervan nog niet aangevraagd hebben, de kans om dit te regelen door middel van een regularisatieprocedure van zes maanden. Daardoor zullen zij in 2007 de vrijstelling kunnen genieten.
Ten slotte heeft de regering bij wege van amendementen twee nieuwe hoofdstukken ingevoegd.
Het eerste amendement vult de titel Volksgezondheid met een hoofdstuk betreffende de financiering van de Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen aan (artikelen 241 en volgende).
Aan de ene kant, in afdeling 1, wordt in 2007 een uitzonderlijke contributie ingevoerd om de uitbouw en de opstart van het federaal agentschap te ondersteunen. Die contributie is met de industrie overlegd en het is op hun verzoek dat die uitzonderlijke contributie een gelijkaardige vorm als de inning van de « RIZIV » farmaceutische heffingen neemt.
Anderzijds wordt in afdeling 2 het koninklijk besluit van 23 februari 2005 door de wetgever bekrachtigd. Dit besluit heeft een stelsel van bijdragen ingevoerd overeenkomstig artikel 225 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en diverse bepalingen. Deze wet bepaalt dat een dergelijk besluit bekrachtigd moet worden.
Het tweede amendement (artikelen 245 en 246 van het ontwerp) biedt het RIZIV de mogelijkheid rechtstreeks subsidies toe te kennen aan twee representatieve patiëntenkoepels. Dit is een bevestiging en een bestendiging van een bestaande praktijk. De methode die nu gebruikt wordt, is echter die van een overeenkomst via deel B4 van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen.
Dank zij dit amendement zal de toekenning transparanter verlopen.
2. Inleidende uiteenzetting door de heer Ch. Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen.
De heer Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, merkt op dat het gedeelte « Maatschappelijke Integratie » van de programmawet één enkel onderwerp betreft, met name de welvaartvastheid van de laagste uitkeringen.
Er worden twee nieuwe artikelen in het Generatiepact ingevoegd.
Volgende toelagen zijn bedoeld :
— het leefloon;
— de sociale bijstand;
— vervangingsinkomen voor gehandicapten;
— IGO.
De integratietegemoetkoming voor gehandicapten en de toelage voor hulp aan bejaarden (voor hen enkel voor de verdeling van de enveloppe).
De welvaartsaanpassing van deze toelagen is de tegenhanger van de aanpassing voor de socialezekerheidstoelagen.
Over deze bepaling zijn de adviezen van de NAR en de Studiecommissie voor de vergrijzing gevraagd.
Het nieuwe systeem treedt in 2009 in voege. Voor het jaar 2009 zullen de middelen bestemd voor de welvaartvastheid minstens gelijk zijn aan de geschatte uitgave van een verhoging van 1 % van de betreffende uitkeringen.
Deze enveloppe zal verdeeld worden na het advies van de NAR, de Centrale Raad voor het bedrijfsleven, de Nationale Raad voor personen met een handicap en het Raadgevend Comité voor de pensioensector. De enveloppe zal over de betrokken toelagen worden verdeeld. Het gaat dus niet om een lineaire verhoging met 1 %, maar om een meer flexibel systeem waarover de sociale partners en de zonet opgesomde raadgevers hun mening kunnen geven.
De minister is bijzonder gelukkig over dit dispositief. Het is namelijk onontbeerlijk om de wettelijke basis te leggen voor de welvaartvastheid van de allerlaagste uitkeringen. Indien dit niet gebeurt worden we onmiskenbaar geconfronteerd met een te grote afstand tussen deze uitkeringen en de uitkeringen van de sociale zekerheid. Dit regime moet dus gezien worden als een wezenlijke maatregel in de strijd tegen de armoede waarvan de regering één van zijn prioriteiten heeft gemaakt.
3. Inleidende uiteenzetting door mevrouw S. Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw
Mevrouw Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, geeft een korte toelichting bij de bepalingen van Titel VI van het ontwerp van programmawet.
Hoofdstuk 1 van titel VI van de programmawet omvat wezenlijke verbeteringen inzake het rustpensioen der zelfstandigen :
In de eerste plaats beoogt artikel 247 het minimumpensioen van de zelfstandigen te verhogen. Zodoende voorziet artikel 247, analoog aan de 4 verhogingen die reeds tot 1 december 2007 door artikel 131bis, § 1quinquies van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioensregelingen worden voorzien, nu ook een nieuwe verhoging zodat het bedrag van het minimumpensioen der zelfstandigen niet meer onder de herwaardeerde drempel van de IGO zou liggen.
Artikel 248 verbetert de situatie van de sociaal verzekerden die hun verblijfplaats in het buitenland hebben.
Zodoende, zoals dit het geval is binnen het stelsel der loontrekkenden, voorziet deze bepaling dat het rustpensioen der zelfstandigen met een verblijfplaats in het buitenland, van kracht wordt op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zij de pensioenleeftijd bereiken ook al wordt deze aanvraag laattijdig ingediend.
Artikel 248 schrapt eveneens de regel volgens dewelke de pensioenen, waarvan het jaarlijkse bedrag kleiner is dan 99,16 euro (aan de index 118,47), niet worden toegekend.
De pensioenen, ongeacht het bedrag ervan, zullen desondanks worden betaald.
Ten slotte, maakt artikel 249 eveneens een einde aan een discriminatie tussen de loontrekkenden en de zelfstandigen.
Deze bepaling laat de zelfstandige gepensioneerde, die een beroepsactiviteit hervat buiten de grenzen van de toegelaten arbeid en mits hij sociale bijdragen aan volledig tarief betaalt tijdens de kwartalen na de effectieve aanvang van zijn pensioen, toe, zijn loopbaan aan te vullen of te verbeteren.
Hoofdstuk 2 van titel VI van het ontwerp van programmawet vermeldt met het oog op de rationalisering en vereenvoudiging zowel op administratief, alsook op financieel vlak (daling van de geldstroom), dat de levensverzekeringsondernemingen verplicht zijn om de gekapitaliseerde waarde van de rente, die gevormd wordt door de aanwending van een levensverzekeringscontract in het kader van het pensioenstelsel der zelfstandigen (ten laatste op 31 december 2007), aan het RSVZ te storten.
Het Rijksinstituut zal, vanaf het ogenblik van de overdracht, de betaling van de rente van de verzekerde of van diens weduwe voor haar rekening nemen.
Hoofdstuk 3 van titel VI richt het « Fonds voor de welvaart der zelfstandigen » op. Als het sociaal statuut der zelfstandigen een positief saldo bereikt, zal dit saldo aan het Fonds worden toegewezen.
Dit fonds wordt binnen het RSVZ opgericht en is bestemd om het hoofd te bieden aan de uitdagingen in de toekomst, en dit, met betrekking tot de financiering van de prestaties van het sociaal statuut der zelfstandigen.
In dit kader zal het onder meer dienen om de schok van de integratie van de kleine risico's op de verschuldigde sociale bijdragen te beperken.
4. Inleidende uiteenzetting door de heer P. Vanvelthoven, minister van Werk
De heer Vanvelthoven, minister van Werk, licht de bepalingen van Titel VII van het ontwerp toe.
Hoofdstuk 1
Opheffing van de Sociale Maribel
Dit hoofdstuk heft het begrotingsfonds Sociale Maribel op bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. De uitgaven voor dit fonds betreffen personeelskosten en werkingsmiddelen van de cel Sociale Maribel. Deze cel zorgt voor de administratieve afhandeling van de Sociale Maribel-regeling. De werkingsmiddelen van deze cel worden voortaan opgevoerd als vaste kredieten.
Hoofdstuk 2
Oprichting opleidingsfonds dienstencheques
Dit hoofdstuk voorziet in een mogelijkheid tot de terugbetaling van de kosten die de erkende ondernemingen gemaakt hebben met betrekking tot de opleidingsinspanningen voor hun werknemers die verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
De erkende ondernemingen kunnen bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg de terugbetaling vragen van die opleidingskosten. Na onderzoek van de aanvraag van de onderneming, zal deze federale overheidsdienst dan de opdracht tot terugbetaling geven aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, die dus zal optreden als terugbetalingsinstelling.
De Programmawet stelt nu nog dat hiervoor 7 miljoen euro voorzien wordt. Er zal echter een amendement ingediend worden dat dit bedrag verlaagt naar 3,7 miljoen euro. Met het verschil van 3,3 miljoen euro zal de regering reeds in 2007 de inruilwaarde van de dienstencheques verhogen op het ogenblik van de eerstvolgende indexoverschrijding. De regering heeft bij de begrotingsopmaak immers beslist om het opstarten van de sociale onderhandelingen (na de vaststelling van de loonnorm) mogelijk te maken door vanaf 2008 de inruilwaarde van de dienstencheques te verhogen. De regering bewijst met deze maatregel dat het menens is met dit voornemen door reeds een eerste aanzet te geven via een indexaanpassing bij de eerstvolgende overschrijding van de spilindex.
Hoofdstuk 3
Arbeidsongevallen
In navolging van beslissingen van de bijzondere Ministerraad van Oostende van 21 maart 2004 en het advies van de NAR van 21 september 2006 wordt het maximale loonplafond dat in aanmerking wordt genomen om de uitkeringen inzake arbeidsongevallen te berekenen vanaf 1 januari 2007 met 1 % verhoogd.
De regering diende in de Kamer ook een amendement in met betrekking tot de wijziging van het bedrag van de financiering van het opleidingsfonds inzake dienstencheques (artikel 258). De Ministerraad van 24 november 2006 heeft immers beslist om 3,3 miljoen euro te reserveren indien de spilindex van de openbare ambten en de sociale uitkeringen in 2007 overschreden zou worden.
5. Inleidende uiteenzetting van de heer B. Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen
De heer Tobback, minister van Leefmilieu en Pensioenen, verwijst naar de bepalingen van titel XI die betrekking hebben op de pensioenen.
Hoofdstuk 1
Kapitalisatie
Het wettelijk kapitalisatiestelsel ingesteld bij de pensioeninstellingen die gefusioneerd zijn met de Rijksdienst voor pensioenen wordt thans afzonderlijk beheerd. De artikelen 289 tot 291 voorzien dat de rechten en plichten van het wettelijk kapitalisatiestelsel voortaan door het Globaal Beheer van de Sociale Zekerheid zullen kunnen overgenomen worden. Bijzondere modaliteiten met betrekking tot het beheer van de activa zullen moeten worden vastgesteld.
Tegen uiterlijk 31 december 2006 zal een storting (92 mio euro) gebeuren van het Globaal Beheer naar de Rijksdienst voor pensioenen om de kosten van het wettelijk kapitalisatiestelsel tijdens 2007 te dekken.
De wetgeving betreffende de wettelijke kapitalisatie zal worden gecoördineerd.
Artikel 292 voorziet in een indexering voor de renten uitbetaald door het wettelijk kapitalisatiestelsel, wat tot nu toe iet het geval was. De Koning kan de datum bepalen vanaf wanneer het bedrag van de periodiek uitbetaalde renten zal mee-evolueren met de pensioenen.
Hoofdstuk 2
Kleine pensioenen
Artikel 293 bepaalt dat vanaf 1 januari 2007 in principe pensioenen waarvan het bedrag kleiner is dan 99,16 euro per jaar, wel worden toegekend De thans geldende pensioenreglementering voor werknemers bepaalt dat deze pensioenen niet worden toegekend. Dit heeft tot gevolg dat personen met een zeer kleine loopbaan als werknemer, maar een belangrijke loopbaan in een ander pensioenstelsel, verstoken blijven van dit bedrag.
Om een einde te stellen aan deze toestand, die door velen als onbillijk wordt ervaren, zullen deze kleine pensioenen toegekend en uitbetaald worden.
De Koning kan de betalingswijze voor deze kleine pensioenen bepalen (vb. jaarlijkse betaling per jaar).
Hoofdstuk 3
Overdracht tussen pensioenstelsels
De artikelen 294 en 295 betreffen de overdrachten van bijdragen tussen de verschillende pensioeninstellingen (privé en openbare sector).
Tot op heden bestaat er geen wettelijke bepaling die stelt op welk moment deze overdracht moet plaatsvinden. Om een uniforme regeling te verkrijgen, wordt bepaald dat de overdracht pas kan plaatsvinden op het ogenblik dat het pensioen van belanghebbende daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat.
Dit laat ook toe om in de toekomst de budgettaire lasten op een objectieve manier evenredig te spreiden, zonder afhankelijk te zijn van het niet te voorspellen aantal jaarlijkse aanvragen.
Hoofdstuk 4
Administratieve vereenvoudiging en communicatie met de burger
Dit hoofdstuk betreft de kennisgeving van het pensioen en de coördinatie tussen zelfstandigenstelsel en werknemersstelsel. Het is de bedoeling om zowel voor de aanvraag van het pensioen als voor de uitbetaling te komen tot een eenmalige aanvraag en een eenmalige betaling die geldt voor al de stelsels waarin eventueel rechten werden opgebouwd.
De nodige schikkingen zullen worden getroffen om uiterlijk tegen 2010 een unieke en voor de sociaal verzekerde gezamenlijke kennisgeving te versturen.
In de aanvraag- en afhandelingsprocedure van de pensioendossiers wordt voortaan een onderscheid gemaakt tussen de behandelende instellingen en de verbindingsinstellingen.
De behandelende instellingen blijven instaan voor het onderzoek en de vaststelling van de pensioenrechten. De verbindingsinstelling staat in voor de ontvangst van de aanvraag en het doorsturen ervan naar de bevoegde pensioeninstellingen. In een latere fase staat de verbindingsinstelling, in voorkomend geval, in voor de mededeling van een gezamenlijke kennisgeving aan de sociaal verzekerde.
Hoofdstuk 5
Gewaarborgd inkomen voor bejaarden en inkomensgarantie voor ouderen
Om de controle op het verblijf op het Belgisch grondgebied efficiënter te organiseren wenst de Rijksdienst voor pensioenen een gestructureerde samenwerking uit te bouwen met de gemeenten.
Op die manier kan de controle klantvriendelijker en doeltreffender uitgevoerd worden teneinde misbruiken op het genot van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of een inkomensgarantie voor ouderen bij langdurig verblijf in het buitenland te voorkomen en uit te schakelen.
Gepensioneerden die in een home of rusthuis verblijven of gepensioneerden die nog betaald worden bij middel van een postassignatie worden niet geviseerd.
De samenwerking met onder andere de gemeenten moet toelaten om van deze contactmomenten meer dan een loutere administratieve controle te maken. Ook andere problemen (kwaliteit van de huisvesting, problemen inzake hygiëne en gezondheid, enz.) kunnen worden vastgesteld.
Hoofdstuk 6
Verlenging van bevoegdheden
De Koning wordt gemachtigd bij in Ministerraad overlegde besluiten alle nuttige maatregelen te treffen om alle of bepaalde van de wettelijke pensioenverplichtingen ten opzichte van het statutair personeel, met inbegrip van de overlevingspensioenen ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair en gewezen statutair personeel en de kost van de begrafenisvergoeding, over te dragen aan de Belgische Staat.
Hoofdstuk 7
Oprichting van een gegevensbank « Opbouw aanvullende pensioenen »
Deze artikelen betreffen de oprichting van een gegevensbank « opbouw aanvullende pensioenen » met de bedoeling zowel communicatie als controle beter te laten verlopen door alle informatie over opbouw van een aanvullend pensioen tijdens de loopbaan al te integreren in een geuniformiseerde databank.
Daardoor kan de fiscale begrenzing van de bijdragen voor de vorming van een aanvullend pensioen (de zogenaamde « 80 %-regel ») op een beter controleerbare wijze worden verzekerd en worden toegepast door de fiscale administratie. De CBFA kan haar controle op de conformiteit van aanvullende pensioenplannen met de sociale regels terzake, meer systematisch uitvoeren. Ook de informatieverplichtingen ten opzichte van de aangeslotenen en het wetenschappelijk onderzoek kunnen beter worden georganiseerd en gestructureerd.
Het beheer van de databank wordt toevertrouwd aan de VZW SIGeDIS. De gegevens die de VZW nodig heeft voor het verstrekken van een pensioenraming en een loopbaanoverzicht met betrekking tot de wettelijke pensioenen leunen sterk aan bij de gegevens die zullen worden opgenomen in de databank.
De mogelijkheid wordt gecreëerd om de informatieverplichtingen opgenomen in de WAP/WAPZ van de pensioeninstelling over te dragen aan SIGeDIS (pensioenfiche, historisch overzicht, vanaf 45 jaar minstens om de 5 jaar de te verwachten pensioenrente, raming van zijn toekomstige aanvullende pensioen te bekomen).
In de titel XIV « Diverse bepalingen » heeft Hoofdstuk 6 betrekking op leefmilieu. Deze artikelen hebben betrekking op de invoering van een retributie van 0,1 euro per gratis toegewezen emissierecht van een exploitantrekening in het nationaal register voor handel in emissierechten ter besteding voor administratieve en juridische kosten in het kader van de aankoop van emissierechten onder het Kyotoprotocol.
6. Inleidende uiteenzetting van mevrouw E. Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie
De staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie wijst erop dat artikel 347 een noodzakelijke aanpassing inhoudt als gevolg van de invoering in de begroting van de personeelsenveloppe van de Programmatorische federale overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling (POD DO). Hier is een personeelsplan aan verbonden. Het secretariaat van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling (ICDO) wordt overgeheveld naar de POD DO. Dit artikel moet dit regelen. Het is een logisch gevolg van de reeds genomen maatregelen en door de toekenning van de personeelsenveloppe bij de opmaak van de begroting.
II. ALGEMENE BESPREKING
1. Sociale Zaken
Mevrouw De Schamphelaere interpreteert de bepalingen in verband met de bijdragevermindering als een uitstel of een afstel van datgene wat in het Generatiepact was overeengekomen om jongeren een bijdragevermindering te geven.
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt dat de bijdragevermindering die in het Generatiepact was opgenomen, actueel van toepassing is. Enkel het aspect van de negatieve bijdrage is uitgesteld. Er was voorzien dat voor sommige categorieën van werknemers tot een negatieve bijdrage kon gegaan worden, waardoor de bijdragevermindering hoger zou zijn dan de verschuldigde bijdrage. Over de wijze waarop dat moet uitgevoerd worden is er onenigheid tussen de sociale partners. Aangezien er dit technisch uitvoeringsprobleem is, is het beter de wet terzake te wijzigen. In verband met artikel 101, wijst de minister erop dat het gaat om een rechtzetting van een fout.
Mevrouw De Schamphelaere merkt op dat de negatieve bijdragevermindering de meest kwestbare jongeren betreft, met name die met het kleinste loon.
Mevrouw De Schamphelaere vraagt naar de wettelijke bepalingen die hierop van toepassing zijn. Zij betreurt ook het gemis aan rechtszekerheid door het bestaan van verschillende systemen naast elkaar.
De minister wijst erop dat het systeem van de bijkomende lastenverlaging voor jongere werknemers uit het Generatiepact voorziet in een verlaging van de werkgeversbijdragen (artikelen 74 tot 78 van de wet van 23 december 2005). In dat kader is voor de werkgevers een specifiek stelsel ingevoerd, « negatieve bijdrage » genoemd, met betrekking tot jongeren met een startbaanovereenkomst, als bedoeld in artikel 27 van de wet van 24 december 1999, vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin ze 18 worden, op voorwaarde dat het gaat om een laaggeschoolde jongere, als bedoeld in artikel 24 van de wet van 24 december 1999.
Aangezien het systeem van de negatieve bijdrage niet op zeer korte termijn kan worden ingevoerd en opdat de werkgevers in aanmerking komen voor de tegenprestatie van de negatieve bijdrage, heeft het koninklijk besluit van 20 juli 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2006 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ter bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde of erg laaggeschoolde jongeren (Belgisch Staatsblad van 28 juli 2006, blz. 37104) gezorgd voor een wisseloplossing.
Die oplossing bestaat erin de betrokken jongere een loonactivering van 120 euro per maand te geven (artikel 5 van het genoemde koninklijk besluit) maar de toepassing van deze bepaling in de tijd te beperken tot december 2006.
Dat betekent dat een deel van het nettoloon van de werknemer (maximum 120 euro per maand) tot 31 december 2006 niet door de werkgever wordt betaald maar door de organen voor de betaling van de werkloosheidsuitkering.
Vanaf januari 2007 betaalt de werkgever dan het volledige nettoloon van de jonger werknemer.
Tot nog toe is geen beslissing genomen over een eventuele verlenging van deze oplossing.
Mevrouw De Schamphelaere vraagt of er zicht is op de besteding van het toekomstfonds. Of gaat het daarentegen om een bewaarsysteem om latere, conjuncturele tekorten in de ziekteverzekering op te vangen ? Zullen hier prioriteiten worden gesteld, zo bijvoorbeeld in het kader van de palliatieve zorgen ?
De minister antwoordt dat het Fonds opgericht wordt om, ten vroegste vanaf 2012, bij te dragen in de investeringen die nodig zijn om het systeem van de geneeskundige verzorging aan te passen aan de vergrijzing van de bevolking (artikel 111, tweede lid, van het ontwerp). Ook moet rekening worden gehouden met de akkoorden die werden gesloten naar aanleiding van het Generatiepact inzake nieuwe financieringsmiddelen.
De heer Beke heeft problemen met het oprichten van een veelheid aan fondsen. In een reguliere en structurele werking zou er voor de verschillende materies — pensioenen, ziekteverzekering, sociale zekerheid, en andere — een transparant en toekomstgericht mechanisme moeten bestaan waar het oprichten van een veelheid van fondsen niet noodzakelijk is om de indruk te geven dat er voor die verschillende sectoren een toekomstperspectief is.
De minister antwoordt dat men door het bestaan van een fonds weet wat men in de toekomst zal besteden aan de gezondheidszorg en dat er voor de toekomst mogelijkheden bestaan. Verder is er ook de reserve van het globaal beheer. De bedoeling is overschotten in de geneeskundige verzorging over te houden en die overschotten moeten naar het toekomstfonds gaan.
Ook mevrouw Van de Casteele meent dat het goed is dat men weet dat de overschotten binnen de sector blijven.
De heer Beke wijst er ten slotte op dat het, procentueel bekeken, om weinig geld gaat en vreest dat men daarmee in de toekomst niet ver zal geraken.
Mevrouw De Roeck herinnert eraan dat ook door het Vlaams gewest een Toekomstfonds werd opgericht, weliswaar met een gans andere intentie dan het Toekomstfonds waarvan sprake in voorliggend ontwerp. Er werd beslist om het geld van het Vlaamse fonds op een duurzame wijze te beleggen, zodat het rendeert voor het milieu, de mens en de sociale cohesie. Spreekster vraagt zich af of dit ook het geval zal zijn voor het federale Toekomstfonds.
De minister herinnert eraan dat het Toekomstfonds een zeer specifiek doel heeft, met name het aanleggen van een reserve voor de gezondheidszorg, en los staat van de andere fondsen die worden opgericht. De reglementering — die onder de bevoegdheden van de minister van Financiën behoort, laat de beleggingswijze gewenst door mevrouw De Roeck niet toe.
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, herinnert voorts aan de voorgeschiedenis van het ontwerp voor het Asbestfonds. Een eerste ontwerp werd doorgestuurd naar de Raad van State, dat een eerste advies gaf. Er was gelijktijdig een officieus overleg met de sociale partners en vertegenwoordigers van de slachtoffers. Op basis daarvan heeft men een tweede versie opgesteld, dat terug naar de Raad van State doorgestuurd is en tevens opgenomen is in de teksten neergelegd in de Kamer. Daar de Raad van State nog enkele opmerkingen had, is een nieuwe tekst met enkele wijzigingen neergelegd in de Kamer.
De sociale partners hebben echter gevraagd om zo veel mogelijk parallel te werken met de reglementering in verband met beroepsziekten. Dit heeft gevolgen voor de rechthebbenden. In de wetgeving voor beroepsziekten worden enkel de gehuwden in aanmerking genomen. Daarop is veel kritiek geuit, zowel in de Kamer als in de Senaat.
Op 20 december 2006 werd in de Kamer een akkoord bereikt tussen de meerderheid en een deel van de oppositie om de wet te laten zoals ze is. Maar in januari 2007 zal een wetsvoorstel komen, getekend door de meerderheidspartijen en de CD&V, om sommige wettelijk samenwonenden gelijk te stellen met gehuwden in de drie wetten, namelijk Asbestfonds, Beroepsziekten en Arbeidsongevallen. De bedoeling is de tekst eind januari 2007 goed te keuren in de plenaire vergadering.
Wat betreft de financiering door de werkgevers wordt de bijdrage gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage voor de inning, het tijdstip van doorstorting enz. Dit houdt ook in dat men voor de parameters rekening zal moeten houden met elementen die in aanmerking worden genomen in het kader van de Dmfa (multifunctionele aangifte). De werkgeversbijdrage is een geaffecteerde of toegewezen bijdrage (net zoals bijvoorbeeld de bijdragen bestemd voor de financiering van het stelsel « jaarlijkse vakantie » van de arbeiders of deze bestemd voor het Fonds Sluiting van de ondernemingen) : de opbrengsten gaan rechtstreeks naar het Asbestfonds.
Men kan zich afvragen waarom een gesloten lijst van aandoeningen verkozen is boven een open systeem, zoals die bestaat voor beroepsziekten. Dit stelt echter twee problemen. Enerzijds zijn, in het kader van de beroepsziekten, de aandoeningen met betrekking tot asbest voor beroepsslachtoffers enkel erkend binnen een gesloten lijst. Anderzijds, indien geopteerd zou zijn voor het open systeem is er het probleem van het bewijs, dat door het slachtoffer moet geleverd worden en dit is een bijna onmogelijke opgave. Het open systeem zou beletten dat de tussenkomst van het Asbestfonds op heel korte termijn na indiening van de aanvraag wordt toegekend en gestort.
In de Kamer werd de vraag gesteld waarom de tegemoetkoming ten gunste van de slachtoffers niet in de vorm van een kapitaal werd uitgekeerd. De minister zegt dat men coherentie tracht te hebben ten aanzien van de wetgeving betreffende beroepsziekten, waar dat eveneens niet voorzien is.
De tussenkomsten van het Fonds zijn automatisch geïndexeerd.
Daarnaast is er het probleem van cumulatie. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen mesothelioom en de andere aandoeningen. Bij mesothelioom is er volledige cumulatie met een andere uitkering mogelijk. Een gepensioneerd beroepsslachtoffer bijvoorbeeld, getroffen door mesothelioom, behoudt zijn rustpensioen en bekomt de tussenkomst van het Fonds voor Beroepsziekten in het kader van een definitieve volledige arbeidsongeschiktheid en van het Asbestfonds. Een slachtoffer van het leefmilieu zal eventueel kunnen cumuleren met het RIZIV. Voor de andere aandoeningen is een gedeeltelijke cumulatie toegelaten, die moet uitgewerkt worden door de Koning. Wat betreft de berekeningswijze, zal het gaan om een forfaitaire vermindering.
De tussenkomst van het Asbestfonds wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van het gezinsinkomen in het kader van de regel « Sociale wetgeving ». De lijst in artikel 122 is exemplarisch. Men zal logischerwijze iedere reglementering moeten aanpassen zodat de reglementering duidelijk en overzichtelijk is. Bijgevolg zal men onder andere de reglementeringen in verband met het leefloon, de tegemoetkomingen voor personen met een handicap en de inkomensgarantie voor ouderen moeten aanpassen.
Door het feit dat in de wetgeving over beroepsziekten geen verjaringstermijn bestaat, is er ook hier geen verjaringstermijn voorzien. De termijn om in beroep te gaan voor de arbeidsrechten is de termijn die geldt voor het Fonds voor de beroepsziekten, namelijk drie maand.
De heer Vankrunkelsven betreurt dat het Asbestfonds wordt opgericht door middel van een programmawet, daar waar tal van wetsvoorstellen het pad hebben geëffend. Het ware wenselijker geweest om de parlementaire initiatieven terzake te erkennen en een van deze wetsvoorstellen als basis voor de verdere bespreking te nemen en, desgevallend na amendering, goed te keuren.
Het fonds zal worden gefinancierd door een bijdrage van de overheid, enerzijds, en anderzijds door de bedrijven die een risico hebben betekend en die zullen worden bepaald bij koninklijk besluit. Heeft dit gevolg voor de aansprakelijkheid van deze bedrijven ? Worden zij geëxonereerd van zodra zij hun bijdrage in het fonds hebben gestort ?
Ook mevrouw Van de Casteele betreurt dat de problematiek van de vergoeding van asbestslachtoffers op een drafje moet worden besproken, terwijl toch heel wat vragen blijven over de voorgestelde regeling. Zo wordt onder meer voorzien dat een slachtoffer, of zijn nabestaanden, 50 000 euro zouden krijgen, hetzij via de uitbetaling van een rente, hetzij via de storting van dit bedrag aan de nabestaanden. Wanneer men dit bedrag vergelijkt met sommige andere uitgekeerde bedragen, bijvoorbeeld als ontslagpremie in het kader van een herstructurering, dan zijn de verhoudingen compleet zoek. Het fonds voor asbestslachtoffers zou in totaal 10 miljoen euro kunnen uitbetalen. Verschillende slachtoffers, die hebben geijverd voor de oprichting van dit fonds en hun hoop hadden gesteld op dit initiatief, beweren dat hier eerder een stap achteruit dan een stap vooruit wordt gezet.
Mevrouw De Schamphelaere betreurt eveneens dat het parlement hier voor een onmogelijke opdracht wordt geplaatst om omvangrijke ontwerpen, die door de regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers dan nog eens werden geamendeerd, in een ijltempo af te handelen, terwijl het hier gaat om een problematiek met een grote maatschappelijke dimensie. Tal van actoren — men denke aan de slachtoffers, de sociale zekerheid, patiëntenverenigingen — zijn hier betrokken. Bovendien stelt de Raad van State dat deze aangelegenheid de bijstand aan personen betreft, wat een gemeenschapsbevoegdheid is.
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, verwijst naar de antwoorden die hij heeft verstrekt op vragen die werden gesteld in de Kamercommissie voor de Sociale Zaken (stuk Kamer, nr. 51-2773/025, blz. 55 en volgende).
Hij bevestigt dat de betrokken bedrijven worden vrijgesteld van aansprakelijkheid wanneer zij hun bijdragen in het fonds betalen. Hij voegt hieraan wel toe dat, waar de bijdrage van de overheid duidelijk is omschreven, men in het ongewisse tast over de bijdragen van de bedrijven, waarvan men de omvang niet kent.
Hij preciseert verder dat het fonds zal worden gefinancierd via 3 kanalen. Vooreerst zal de federale overheid 10 miljoen in het fonds storten. Daarnaast zullen ook de werkgevers en de zelfstandigen een bijdrage betalen. De bijdrage van de werkgevers is minstens gelijk aan die van de overheid en kan hiervan een meervoud worden. Maar liefst 32 verschillende sectoren uit de private sector zijn betrokken bij de problematiek van het asbest. Ook de lokale besturen zijn betrokken en men beschikt hiervoor over statistieken van het Fonds voor Beroepsziekten. Voor de andere componenten van de openbare sector beschikt men echter over geen enkel gegeven, hoewel de verzekeringssector toch melding maakt van bepaalde gevallen. Men zal dan ook eerst moeten nagaan welke werkgevers moeten bijdragen : gaat het om alle werkgevers die zijn onderworpen aan de sociale zekerheid, al dan niet met een modulering in functie van de sector ? Moet de sector Fabrication de fibre-ciment et d'articles en fibre-ciment (NACE-code 2665) of de bouwsector (NACE-codes 4521, 4525, 4531, 4533, 4542) bijvoorbeeld niet meer bijdragen dan andere sectoren ? Moet men moduleren in functie van het aantal gevallen per jaar ? De onderhandelingen hierover moeten nog plaatsvinden; op dit ogenblik worden zoveel als mogelijk gegevens verzameld.
De heer Vankrunkelsven merkt op dat er reeds lange tijd wetenschappelijk bewijs voorhanden was over de schadelijke gevolgen van het gebruik van asbest. Niettemin hebben verschillende bedrijven dit naast zich neergelegd. De voorgestelde regeling voorziet nu een immuniteit voor bedrijven die het fonds voor asbestslachtoffers mede spijzen. Spreker vraagt zich af of toch geen uitzondering moet worden gemaakt wanneer kan worden aangetoond dat een bedrijf het bestaande risico heeft veronachtzaamd, zodat zij verantwoordelijk kunnen worden gesteld ? Dreigt de voorgestelde regeling in de toekomst niet als ongewenst effect te hebben dat bedrijven die hun bijdrage betalen zich niets meer zullen aantrekken van preventie inzake asbest ?
De minister antwoordt dat de vrijstelling voor slachtoffers van beroepsziekten, dit wil zeggen schadeloos gesteld in het kader van de beroepsziekten een verworven recht is krachtens deze wetgeving. Het zou geen zin hebben niet te bepalen dat de immuniteit voor het gedeelte Asbestfonds voor die slachtoffers niet vaststaat. Men mag evenwel niet uit het oog verliezen dat de reglementering inzake beroepsziekten uitdrukkelijk bepaalt dat de immuniteit niet van toepassing is indien de werkgever met opzet de ziekte heeft veroorzaakt, doch dat het slachtoffer het bewijs moet leveren behalve in het geval waarin een derde verantwoordelijk is en het slachtoffer heeft blijven blootstellen aan asbest terwijl de overheid hem een waarschuwing over dat asbest heeft gegeven of die een invloed heeft op de blootstelling aan asbest, waaraan die derde geen gevolg heeft gegeven of die hij niet strikt heeft opgevolgd binnen de gestelde termijnen. Die regeling staat vermeld in § 2 van artikel 125. Men mag niet uit het oog verliezen dat de immuniteit in het kader van het Asbestfonds met uitzondering voor de slachtoffers van beroepsziekten alleen van toepassing is bij mesothelioom of asbestose en op voorwaarde dat de derde verantwoordelijke ofwel een werkgever is die in het kader van de cofinanciering van het Asbestfonds bijdrageplichtig is, ofwel een zelfstandige is van zodra de zelfstandigensector deel zal nemen aan de cofinanciering van dat fonds. In zoverre het slachtoffer van de blootstelling aan het risico van asbest niet aan het fonds gevraagd heeft op te treden, blijft de civielrechtelijke procedure openstaan maar zoals eenieder weet is de afloop van een dergelijke procedure allesbehalve zeker en laat ze lang op zich wachten.
De heer Vankrunkelsven is van oordeel dat de term « opzettelijk » in de Nederlandse tekst op een zeer ruime manier geïnterpreteerd kan worden.
Mevrouw Van de Casteele wijst erop dat men de volgende passage in de tekst moet lezen. Die houdt een toelichting in van wat voorafgaat.
De minister wijst erop dat als opzettelijk wordt beschouwd het voortzetten van een blootstelling aan asbest. Volgens hem slaan de woorden « opzettelijk » en « intentionnellement » op een toestand waarin een bedrijfshoofd zeer goed weet dat het ziekterisico verbonden aan de blootstelling aan asbest zeer groot is. Het gaat dus om een vorm van opzet. Het is dan nog alleen de vraag wanneer dat bedrijfshoofd kennis krijgt van dat risico. Men mag ervan uitgaan dat dit samenvalt met het tijdstip waarop de eerste vragen gerezen zijn in de Verenigde Staten en de eerste metingen zijn uitgevoerd in Zwitserland. De minister geeft toe dat de formulering van het wetsontwerp nogal strikt is, maar wijst erop dat men het tweede lid van § 2 van dit artikel 125 niet uit het oog mag verliezen. Het verslag van de Commissie voor de sociale zaken van de Kamer (stuk Kamer, nr. 51-2773/25) neemt de integrale tekst over van het advies van 16 juli 2005 van de Nationale Arbeidsraad betreffende de immuniteit inzake asbest. Het tweede lid van de tweede paragraaf stelt dat het slachtoffer niets hoeft te bewijzen, tenzij dat de inspectie een bevel heeft gegeven en dat de derde dit niet heeft opgevolgd. Het eerste lid is ruimer maar houdt in dat het slachtoffer dat moedwilligheid inroept ook de bewijslast heeft.
De heer Vankrunkelsven geeft aan dat hij alleen bezorgd is over het woord « opzettelijk ». Hij weet hoe advocaten tewerk gaan. Zij kunnen dit woord zeer restrictief interpreteren. Het is een nogal gevaarlijk woord. Spreker vraagt zich af of het geval waarin men weet dat een activiteit risico's kan inhouden voor de werknemers, ook kan worden inbegrepen.
De minister antwoordt bevestigend.
Mevrouw De Schamphelaere herinnert eraan dat er opmerkingen zijn gemaakt, meer bepaald door de Vlaamse Kankerliga. Volgens de Liga zijn er nog andere types kanker dan die welke worden genoemd, die door contact met asbest kunnen worden veroorzaakt. Dit geldt bijvoorbeeld voor longkanker. Dit geeft aanleiding tot een zekere discriminatie, zonder dan nog te spreken over het verschil tussen slachtoffers van mesothelioom, die hun rente kunnen cumuleren met andere vergoedingen, en de andere kankerpatiënten, die dit niet kunnen. En toch gaat het om dezelfde ziekteoorzaak en dezelfde ziekte.
De minister verduidelijkt dat larynxkanker en longkanker in artikel 118 worden genoemd in het kader van de aandoeningen die de Koning uiteindelijk kan erkennen. Om die erkenning te krijgen, moet men aan specifieke criteria beantwoorden. Het Fonds voor de beroepsziekten maakt trouwens een verschil tussen het mesothelioom en de andere kankers, ook wat de graad van tijdelijke of definitieve arbeidsongeschiktheid betreft. Het zal altijd mogelijk zijn de regels inzake de cumulatie aan te passen en te veranderen. Men kan, om een wettekst in te dienen, niet wachten tot alles over deze stoffen en de ziekten die ze veroorzaken gekend en uiteengezet is en alle erkenningscriteria reeds vastgelegd en niet meer bespreekbaar zijn. Deskundigen hebben hier al genoeg over gediscussieerd ? Men weet bijvoorbeeld dat blootstelling bij kinderen veel meer gevolgen heeft dan bij een oudere persoon.
Mevrouw Van de Casteele benadrukt dat de dagen van iemand die aan mesothelioom lijdt geteld zijn en dat de cumulatie in ieder geval niet dezelfde is als bijvoorbeeld voor een persoon die een trombose heeft. Men dient deze ziekte grondig te blijven analyseren.
Mevrouw Van de Casteele juicht de gelijkschakeling van gehuwden en wettelijk samenwonenden toe, en stelt voor dat het luik arbeidsongevallen eerst in de Senaat zou worden behandeld, aangezien terzake reeds een wetsvoorstel is ingediend.
De minister meent dat het aangewezen is de drie materies in één enkel wetsvoorstel te regelen.
Mevrouw De Schamphelaere wijst erop dat moet worden vermeden dat de nieuwe tekst nieuwe discriminaties zou vervatten.
Mevrouw Van de Casteele merkt op dat uit overleg gebleken is dat de verzekeringssector bereid is in dezelfde richting mee te gaan.
De voorzitter vraagt of de toestand van de asbestslachtoffers zal verbeteren wanneer het Fonds eenmaal bestaat. Bij de huidige stand van zaken moeten zij hun kosten terugvorderen via het RIZIV middels een gerechtelijke procedure. Om schadeloos te worden gesteld of om schadevergoeding te krijgen moeten zij in dat geval bewijzen dat er een fout bestaat of een oorzakelijk verband. Spreekster vraagt zich af of de toekomstige schadeloosstelling omvangrijker zal zijn. Een jaarlijks bedrag van 10 miljoen euro is immers niet zeer groot. De voorzitster vraagt dan ook hoeveel het RIZIV thans aan de asbestslachtoffers stort en/of die tegemoetkoming opgenomen is in dat bedrag van 10 miljoen euro. Zij vraagt of reeds werd verrekend hoeveel asbestslachtoffers er zijn en hoeveel die ontvangen. Er komen steeds meer gevallen aan het licht. Het gaat om personen die reeds lang geleden besmet zijn geraakt.
De minister wijst erop dat de cofinanciering wordt uitgevoerd door de werkgever en dat de immuniteit in het voordeel uitvalt van de derde verantwoordelijke, dwz de werkgever, die meewerkt aan de financiering. De immuniteit speelt voor de slachtoffers van beroepsziekten, de slachtoffers van milieuhinder — op voorwaarde dat er een cofinanciering is — en voor de zogenaamde collaterale slachtoffers, nog steeds wanneer het om cofinanciering gaat. Daarover handelt artikel 125.
Wat de gevallen van discriminatie betreft wijst spreker erop dat de wet pas op 1 april in werking treedt en dat er dus geen enkel risico bestaat. De gelijkstelling moet dus plaatsvinden, zowel in het kader van het Asbestfonds als in dat van het Fonds voor de beroepsziekten. Gebeurt dat niet, dan ontstaat er een nieuwe vorm van discriminatie. Zo bedraagt de tegemoetkoming van het Fonds voor de beroepsziekten bijvoorbeeld gemiddeld 75 000 euro per slachtoffer van mesothelioom. Dat bedrag dekt de aan het slachtoffer toegekende vergoedingen die in de tijd beperkt zijn en jammer genoeg niet lang worden toegekend, alsook de terugbetaling van de verzorgingskosten door het Fonds voor de beroepsziekten, een vergoeding, begrafeniskosten, enz. alsook een rente voor de weduwe of de weduwnaar die gemiddeld 40 000 euro bedraagt. Er zou een vorm van discriminatie ontstaan zijn wanneer men had beslist dat de overlevende wettelijk samenwonende gelijk gesteld werd met de overlevende echtgenoot in het kader van het Asbestfonds maar niet in het kader van het Fonds voor de beroepsziekten. Aangezien het gaat om het slachtoffer van een beroepsziekte is er automatisch sprake van een immuniteit. Daar komt nog bij dat het verschil aanzienlijk zou zijn indien alleen het Asbestfonds zou optreden.
Volgens de minister voorziet artikel 121, tweede lid, duidelijk in een volledige cumulatie voor mesothelioom en een gedeeltelijke cumulatie voor asbestose en andere aandoeningen die op de lijst van de Koning zullen staan. In beide gevallen (asbestose en andere aandoeningen), wordt de regel van de gedeeltelijke cumulatie alleen toegepast als de andere tegemoetkoming wordt toegekend voor dezelfde aandoening. Als het slachtoffer een uitkering krijgt, wordt de regel van de gedeeltelijke cumulatie niet toegepast, maar is er sprake van volledige cumulatie. Met andere woorden, de gedeeltelijke cumulatie veronderstelt dat de tegemoetkoming in het kader van een van de op limitatieve wijze in artikel 121, tweede lid, opgesomde regelgevingen wordt toegekend voor dezelfde ziekte als die welke aan de basis ligt van de tegemoetkoming door het Asbestfonds.
Bij de toepassing van de cumulatieregel wordt geen rekening gehouden met de tegemoetkoming inzake gezondheidszorg toegekend in het kader van bijvoorbeeld de RIZIV-en/of beroepsziektenwetgeving. Daarvan wordt abstractie gemaakt.
Op de vraag of de betrokken personen hetzelfde bedrag zullen krijgen als zij een gerechtelijke procedure doorlopen, antwoordt spreker dat hij ondanks alle opzoekingen niets heeft gevonden over de Belgische rechtbanken. Frankrijk gaat daarentegen veel verder. Het Hof van Cassatie heeft daar een ander concept aanvaard, waarin de fout onmiddellijk wordt erkend, wat niet het geval is in België. Er moet dus een keuze worden gemaakt. Niemand weet nu al wat de tegemoetkoming van het Asbestfonds zal zijn. Men probeert nu een schatting te maken van het aantal slachtoffers dat zal worden vergoed. Met betrekking tot mesothelioom zijn er een honderdtal gevallen per jaar ten laste van het Fonds van de beroepsziekten. Deze mensen komen automatisch in aanmerking. Vervolgens moet een schatting worden gemaakt van het aantal milieuslachtoffers en zijdelingse slachtoffers. Er wordt gedacht aan een marge van 250 tot 400 personen.
De minister vraagt zich af of men van de werkgevers een bijdrage van tien miljoen euro of een meervoud daarvan moet vragen. Die vraag blijft open. De immuniteit verlenen voor een bedrag van tien miljoen euro heeft geen enkele zin. Het ligt in de bedoeling onderhandelingen te voeren met alle werkgevers samen. De ministers zijn evenwel nog niet tot een beslissing gekomen. Volgens de onderzochte hypothesen zouden de werkgevers een bedrag van 75 000 euro moeten betalen vermenigvuldigd met het geraamde aantal milieuslachtoffers. Voor het ogenblik worden er een aantal ramingen opgesteld die rekening houden met het verschil in arbeidsongeschiktheid tussen mesothelioom en asbestose.
De minister deelt mee dat hoofdstuk VII, dat handelt over het dagbedrag van de minimum invaliditeitsuitkering, de uitvoering vormt van een deel van het akkoord dat in september 2006 tot stand is gekomen tussen de sociale partners. Hoofdstuk X regelt de procedures.
Mevrouw Van de Casteele wijst erop dat hoofdstuk VIII, dat handelt over de voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, het zogeheten LIMOSA-systeem, tot doel heeft de landsgrenzen een beetje vlotter open te stellen zodra de administratieve formaliteiten afgewikkeld zijn.
De minister antwoordt dat enkele maanden geleden de beslissing is gevallen om de grenzen te openen doch dat er ook verscheidene voorwaarden werden aan verbonden. Één daarvan is LIMOSA, dit wil zeggen de registratie van alle arbeiders of werknemers of zelfstandigen of zelfs gedetacheerde buitenlandse stagiairs, over wie geen enkele informatie beschikbaar is. Aan die voorwaarde is voldaan zodra de uitvoeringsbesluiten in werking zullen treden, dit is op 1 april 2007.
Een tweede voorwaarde betreft de hoofdelijke aansprakelijkheid van de Belgische gebruiker, met andere woorden de persoon die een beroep doet op een onderneming werknemers tewerkstelt met het statuut van gedetacheerden, alsook de zelfstandige buitenlandse werknemer die in het kader van een detachement naar België komt om er werken uit te voeren bij een gebruiker in België. De hoofdelijke aansprakelijkheid heeft betrekking op de inachtneming van de loon- en werkvoorwaarden die de Belgische wet voorschrijft. In verband met deze voorwaarde, die onder de bevoegdheid valt van de minister van Werk, is tot op heden door de regering geen wetsontwerp goedgekeurd.
De derde voorwaarde heeft te maken met het vorderingsrecht dat aan de Belgische organisaties die de werkgevers en de werknemers vertegen-woordigen wordt gegeven, om via gerechtelijke weg de buitenlandse werkgever ertoe te kunnen verplichten de werk- en loonvoorwaarden die in België gelden, toe te passen. Volgens de minister ligt het bedoelde wetsontwerp momenteel ter bespreking in het Parlement.
De vierde voorwaarde die door de regering is gesteld, heeft te maken met de coördinatie tussen de Belgische inspectiediensten. Deze voorwaarde wordt vervuld door het huidige ontwerp, door de titel houdende oprichting van de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst, die ook aan het onderzoek van uw commissie is voorgelegd.
Dit ontwerp gaat dus alleen over LIMOSA en de oprichting van de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst.
Mevrouw De Schamphelaere vindt dat deze voorafgaande melding een verbetering betekent, omdat ze een beter overzicht mogelijk maakt. Wanneer men een werfcontrole uitvoert, gaat men dus na of de Poolse of Tsjechische werknemers wel aangegeven zijn. Er wordt dan contact genomen, via internet, met het registratieorgaan. De voorafgaande melding lost het probleem van de valse zelfstandigen echter niet op.
De minister van Sociale Zaken legt de toestand van het huidig Europees recht uit. Men kan met terugwerkende kracht een detacheringsdocument bekomen en dit zelfs na jaren en tijdens een gerechtelijke procedure.
In het kader van LIMOSA kan de Belgische werkgever echter vervolgd worden door een Belgische rechtbank indien de buitenlandse werknemer die op zijn werf werkt en die gedetacheerd is geen ontvangstbewijs van LIMOSA kan tonen.
In de huidige periode krijgt men de detacheringsdocumenten enkel in papieren versie en slechts in heel uitzonderlijke gevallen (2 landen) langs elektronische weg. Men probeert deze documenten op te slaan in een gegevensbank.
De Belgische gebruiker is, in het kader van dit ontwerp, verantwoordelijk voor de verifiëring van de inschrijving van de buitenlandse werknemer bij LIMOSA. Als deze niet ingeschreven is, moet hij dit melden. Artikel 157 voorziet een hoge boete bij schending van deze verplichting.
Indien de Belgische sociale inspectie vaststelt dat de buitenlandse (bijvoorbeeld Poolse) werknemer ten aanzien van de Belgische wetgeving moet beschouwd worden als een schijnzelfstandige zal de Belgische sociale inspectie moeten vragen aan hun Poolse collega's na te kijken of een persoon werkzaam in België geen schijnzelfstandige is ten aanzien van de Poolse wetgeving.
LIMOSA bestaat in vier talen (Nederlands, Frans, Duits en Engels) en is dus klantenvriendelijk ten aanzien van de buitenlandse werkgevers of zelfstandigen.
Bovendien is het zo dat LIMOSA al voorgesteld werd naar aanleiding van symposia gehouden met de inspectiediensten van de andere Europese landen.
Een informatiecampagne wordt ook uitgevoerd in het buitenland en dit langs onze ambassades en consulaten maar ook rechtstreeks bij de buitenlandse werkgevers- en werknemersorganisaties.
Mevrouw De Schamphelaere merkt op dat er ook verder dan LIMOSA moet gezocht worden naar de achtergrond en het statuut van een werknemer.
De minister van Sociale Zaken antwoordt dat LIMOSA een beeld geeft over de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten maar niet over de correctheid van het sociaal statuut noch over de effectieve aangifte bij de buitenlandse sociale zekerheidsinstelling of over de effectieve uitbetaling van de verschuldigde bijdragen bij die instelling.
Mevrouw Van de Casteele vraagt hoever men staat op Europees niveau qua uitwisseling van gegevens.
De minister van Sociale Zaken antwoordt dat men op korte termijn moet bekomen dat de uitwisseling van gegevens uitsluitend langs electronische weg verricht wordt.
Bovendien moet men vaststellen dat in België er een centraal aanknopingspunt voor LIMOSA, voor detacheringen is maar dit is niet de toestand in alle andere europese landen. B.v. in Frankrijk bestaat er geen centraal aanknopingspunt en moeten onze diensten vaststellen dat zij niet alle detacheringdocumenten ontvangen. Het blijft echter een moeilijke opdracht dit te realiseren binnen de gehele Europese Unie.
Mevrouw Van de Casteele vraagt of de regering de grenzen gaat openstellen voor de « oude nieuwe » lidstaten en voor de nieuwe lidstaten die vanaf 1 januari 2007 zullen toetreden mits de noodzakelijke informatie over migrerende werknemers wordt doorgegeven.
De minister van Sociale Zaken verklaart niet gekant te zijn tegen het openstellen van de grenzen zodra de vier voorwaarden voldaan zijn die de regering stelt en waarvan hierboven sprake is (LIMOSA — hoofdelijke aansprakelijkheid — invoering van de Sris en vorderingsrecht). Bovendien moet men erop toezien dat er een aangepaste uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de verschillende lidstaten van de Unie.
2. Volksgezondheid
De heer Vankrunkelsven stelt vast dat de Commissie Terugbetaling Geneesmiddelen een « waakhond » krijgt in de persoon van de minister van Begroting. Mogelijk kan dit conflicten voorkomen, maar de voorgestelde procedure komt spreker eigenaardig over. In principe heeft de minister van Begroting immers 10 dagen de tijd om zijn standpunt kenbaar te maken, en wordt een stilzwijgend akkoord vermoed indien er geen standpunt wordt bekendgemaakt. De minister van Sociale Zaken kan echter advies vragen binnen een kortere termijn en in dat geval wordt, bij stilzwijgen van de minister van Begroting, géén instemming vermoed, maar wordt integendeel een weigering verondersteld. Spreker begrijpt deze laatste regeling als een dreiging van de minister van Begroting om hem geen sneller advies te vragen dan binnen de 10 dagen.
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt dat de voorgestelde regeling werd geïnspireerd door de huidige praktijk, waaruit blijkt dat de verkorte termijn vooral wordt aangevraagd voor ingewikkelde dossiers en de minister van Begroting aldus voor een onmogelijke opdracht wordt geplaatst. Als « compensatie » voor de toepassing van de verkorte termijn wordt het vermoeden van stilzwijgende goedkeuring nu omgedraaid.
Mevrouw De Schamphelaere verwijst naar de bepalingen in verband met de zorgkundigen in de thuisverpleging. In Vlaanderen is deze thuiszorg redelijk goed uitgebouwd en is er een goede wisselwerking tussen de verpleegkundigen die aan huis komen en de diensten voor gezinshulp. Voorliggend ontwerp wil echter nu, vanuit het federale niveau, stimulansen geven aan de thuiszorg in het zuiden van het land. Daarmee dreigen goede initiatieven in Vlaanderen aan de kant te worden geschoven en toont men weinig respect voor de exclusieve bevoegdheidsverdeling op het vlak van de thuiszorg, waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn.
Mevrouw Van de Casteele verwijst naar verschillende conflicten met klinische laboratoria, die vaak werden uitgevochten voor de rechtbank. Vaak dienden zij hoge bedragen te betalen. Volgens spreekster hebben de laboratoria in Vlaanderen dit op een meer plichtsgetrouwe wijze gedaan dan de labo's in het zuiden van het land en zijn er daar dan ook meer achterstallige bedragen in te vorderen. De door artikel 206 van het ontwerp voorgestelde regeling inzake dadingen lijkt dan ook eerder de Waalse laboratoria te helpen. De labo's die hun plicht hebben gedaan, lijken de dupe te zijn van deze regeling. Zijn hierover concrete cijfers beschikbaar ?
De minister antwoordt ontkennend. Er is geen regionale opsplitsing gemaakt. Dit zou ook geen zin hebben omdat de prestaties die door de labo's werden verricht betrekking hadden op ziekenhuizen in het ganse land.
Mevrouw Van de Casteele herinnert eraan dat, door een vorige programmawet, de ganse behandeling en de aflevering van geneesmiddelen voor een fertiliteitsbehandeling werd overgedragen naar de fertiliteitscentra van de ziekenhuizen. Omwille van technische redenen moeten de forfaits worden gestort aan de ziekenhuizen. Er wordt ook de mogelijkheid voorzien om een remgeld te innen. Spreekster zegt niet te begrijpen waarom. Is de reden dat de ziekenhuisapotheken aan de ambulante patiënten geen remgeld kunnen rekenen voor de geneesmiddelen die daar worden afgeleverd ? Is er een andere reden ?
Artikel 229 biedt een wettelijke basis voor de tussenkomst van de kosten verbonden aan de registratie van de behandeling met vervangingsmiddelen. Gaat het over de registratie in de centra die vervangingsmiddelen afleveren ?
3. Maatschappelijke Integratie
Mevrouw De Roeck herinnert eraan dat men het er op Europees vlak over eens is dat voor een alleenstaande een inkomen van 770 euro per maand de minimumgrens is om uit de armoede te blijven. Wanneer nu de laagste inkomens welvaartsvast worden gemaakt, zoals wordt voorgesteld in voorliggend ontwerp, betekent dit dan dat deze ondergrens voor eenieder wordt bereikt ?
De heer Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt dat door de systematische verhoging van het leefloon en het welvaartsvast maken ervan, de kloof steeds kleiner wordt. Dit neemt niet weg dat de kloof blijft bestaan en dat de inhaalbeweging niet mag stoppen.
4. Middenstand
In verband met de verhoging van het minimumpensioen voor zelfstandigen vraagt de heer Beke waarom dit niet gekoppeld wordt aan de IGO. Het is immers de bedoeling dat het hetzelfde niveau bereikt, maar dit wordt in deze wet niet geconsolideerd, waardoor men elk jaar weer afhankelijk is van een politieke beslissing.
Mevrouw Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, vindt het zeer belangrijk dat beide pensioenen op eenzelfde niveau staan. De regering heeft zich akkoord verklaard met dit principe. Er moet echter ook rekening gehouden worden met de budgettaire factor. Het budget van 2007 laat een verhoging toe, maar er is nog geen zekerheid voor het budget van 2008. De minister geeft er de voorkeur aan af te wachten en zekerheid te hebben over het beschikbare budget, maar verzekert dat het de bedoeling is om tot een gelijkschakeling met de IGO te komen. Afhankelijk van het beschikbare budget kan dit door één enkele verhoging of moet het worden gespreid over twee verhogingen.
Mevrouw De Schamphelaere wenst te weten of er retro-activiteit voorzien is voor de aanvragen uit het buitenland. Wat betreft het Fonds voor de welvaart vraagt ze zich af of de overschotten niet onmiddellijk kunnen worden gebruikt voor de gelijkschakeling van de kinderbijslag voor het eerste kind.
Wat betreft de aanvragen uit het buitenland verduidelijkt de minister dat er geen retro-activiteit is voorzien. Inzake het Fonds voor de welvaart bestaat er geen lijst met maatregelen die worden bekostigd met de gelden van het Fonds. Er is trouwens reeds een verhoging voorzien voor het eerste kind van de zelfstandigen.
Mevrouw De Schamphelaere vraagt zich af waarom een belangrijk hoofdstuk, zoals de problematiek van de aard van de arbeidsverhoudingen, in de arbeidswet in een programmawet wordt behandeld ? Mag er geen debat gevoerd worden of moet er een limietdatum gehaald worden ? Zij zou graag over voldoende tijd beschikken om dit thema de aandacht te schenken dat het verdient. Graag zou zij ook weten of deze bepalingen internationaal ingebed zijn. Zijn er adviezen van internationale arbeidsorganisaties ?
Mevrouw Van de Casteele volgt de omgekeerde redenering : nu er eindelijk een akkoord is wenst zij dit zo snel mogelijk goedgekeurd te zien. Er is voldoende advies ingewonnen en de goedkeuring is zeer belangrijk.
5. Werk
Mevrouw Geerts betreurt dat het opleidingsfonds inzake dienstencheques, dat reeds lang in het vooruitzicht wordt gesteld, nu opeens over minder middelen zal blijken te beschikken dan aanvankelijk was aangekondigd. Dit laat bijzonder weinig marge.
De heer Vanvelthoven, minister van Werk, herinnert eraan dat er veel reactie is gekomen op de verlaging van de inruilwaarde van 21 naar 20 euro. De sector verwachtte dat alleszins de indexsprong, die in het najaar van 2006 werd verwacht, toch zou worden gerespecteerd voor wat de betaling van de lonen van de poetsvrouwen betreft. De regering heeft dit absoluut willen garanderen, maar dit heeft als gevolg gehad dat de budget voor het opleidingsfonds geslonken is.
Mevrouw Van de Casteele meent dat de tot nog toe genomen maatregelen slechts een pleister op een houten been zijn. Om het systeem van de dienstencheques haalbaar te houden, zullen wellicht andere maatregelen nodig zijn. Het gaat hier immers om een dienst aan hardwerkende gezinnen en aan bejaarden en men dient zich te bezinnen over de toekomst daarvan. In het buitenland is geen enkel systeem zo genereus als het onze. Weliswaar bestaan ook daar vormen van fiscale aftrekbaarheid, maar zonder dat de overheid zelf hiervoor bijdraagt per uur geleverde dienst.
6. Pensioenen
Mevrouw de Schamphelaere zou graag weten hoe ver het staat met de informatieverwerking en automatisering die de minister hier aankondigt. Het gaat immers om een gigantische operatie met veel praktische implicaties inzake samenwerking en het samenbrengen van de informatiestromen vooraleer. Zijn er ook garanties voorzien om de privacy te verzekeren ?
Volgens de heer Tobback, minister van Leefmilieu en Pensioenen, is het de bedoeling om alles voor de werknemers in orde te hebben tegen het jaar 2010, dus binnen drie jaar. De privacy wordt zeker gegarandeerd, in de eerste plaats doordat de gegevensstroom via de kruispuntbank van de Sociale zekerheid loopt, waardoor dezelfde garanties gelden als voor deze kruispuntbank. Bovendien is het de bedoeling om de toegang mogelijk te maken met behulp van de elektronische identiteitskaart. Eenmaal iedereen deze heeft, kunnen zij toegang verkrijgen via een terminal en hun individuele pin-code.
In een tweede fase zullen de zelfstandigen volgen en ten slotte de ambtenaren. Zij komen als laatsten aan de beurt omdat de berekening van hun pensioen fundamenteel anders is. Het ambtenarenpensioen wordt berekend op basis van de laatste vijf jaren en zolang deze jaren niet gekend zijn, is het moeilijk om voorspellingen te maken. Dit systeem heeft er ook steeds toe geleid dat het niet noodzakelijk werd geacht individuele loopbaangegevens van ambtenaren bij te houden.
7. Duurzame ontwikkeling
De heer Cornil verheugt zich over de vereenvoudiging van de structuren van de dienst Duurzame ontwikkeling, wat de concrete realisatie van de doelstellingen ongetwijfeld ten goede zal komen.
IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
1. Titel IV — Sociale Zaken
Artikel 170
Amendement nr. 40
Mevrouw De Schamphelaere dient amendement nr. 40 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2) dat erop gericht is de gezinsbijslagen aan te passen aan de variërende kost verbonden aan de leeftijd en opleidingsrichting van de kinderen. De overheid moet een duidelijk beleid voeren. Ofwel kent zij een substantiële verhoging van de kinderbijslag toe zonder dan een eenmalige premie toe te kennen in het begin van het jaar, ofwel een vergoeding voor de kosten van het onderwijs dat dan moet aangepast zijn aan alle leerlingen van het middelbaar onderwijs.
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt dat de regering deze premie aan het begin van het schooljaar toekent om de ouders te helpen de hoge kosten van die periode op te vangen.
Men moet er rekening mee houden dat de bedragen van de kinderbijslag al lang niet meer zijn aangepast.
De leeftijdscategorieën komen niet helemaal overeen met de schoolcycli. Die schoolcycli hoeven dus niet in aanmerking te worden genomen voor het vaststellen van de bedragen van de kinderbijslag, des te meer daar het gegeven niet beschikbaar is op het ogenblik van de betaling van de toeslag waarvan sprake is in het artikel. Het recht van het kind blijft hypothetisch als het niet wordt verbonden aan het statuut van de ouders. Men heeft bijvoorbeeld de werklozen die werk hadden gevonden, toegestaan om de verhoogde kinderbijslag te houden, om de werkloosheidsval te ontlopen.
De dertiende maand van de kinderbijslag is een tijd geleden afgeschaft om begrotingsredenen.
Mevrouw Van de Casteele, voorzitter, verklaart dat de VLD bereid is de kwestie te bespreken, maar dat er toch nadelen zijn aan de mogelijkheden die de minister voorstelt. Vanuit een historisch perspectief is de kinderbijslag ingevoerd om voor de werkgever het verschil weg te werken tussen werknemers met en werknemers zonder kinderen. De werkgevers stonden immers onder druk om de werknemers met kinderen beter te betalen, vooral wanneer het om kroostrijke gezinnen ging.
Spreekster wijst erop dat er werkloosheidsvallen worden gecreëerd omdat men steeds meer gaat focussen op statuten en inkomenscategorieën zodat de personen die net niet aan de gestelde voorwaarden beantwoorden uit de boot vallen.
Het bijsturen van de inkomensongelijkheid moet vooral komen van de kant van de fiscaliteit.
Het toekennen van de eenmalige premie aan de ouders in het begin van het schooljaar moet tegemoetkomen aan de extra kostenlast van dat ogenblik.
Artikel 183
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, wijst erop dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers een amendement van mevr. D'Hondt werd aangenomen op artikel 183, 3º. Het meerderheidsamendement werd hier ingetrokken ten voordele van het aangenomen amendement.
2. Titel V — Volksgezondheid
Artikel 197 van het ontwerp van programmawet verleent de Koning een ruime bevoegdheid om te voorzien in bijkomende tegemoetkomingen. De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, verduidelijkt dat dit artikel de Koning twee grote bevoegdheden verleent. In eerste instantie wordt er een lijst opgemaakt van chronische aandoeningen, die aanleiding geven tot verhoogde terugbetalingen. In bepaalde sectoren zal de terugbetaling voor deze chronische aandoeningen niet verzekerd zijn. Een aantal niet-terugbetaalde geneesmiddelen zouden op deze manier in rekening kunnen worden gebracht. De minister heeft aan de betrokken groepen gevraagd om voorstellen te doen. Bepaalde huidziekten leiden bijvoorbeeld tot hoge kosten voor verbandmateriaal; het Sjögren-syndroom vraagt om zeer veel artificiële tranen om in de ogen te druppelen; andere aandoeningen leiden tot chronische pijn die alleen kan worden verlicht met niet-terugbetaalde pijnstillers.
Het tweede deel van artikel 197 heeft betrekking op contraceptie bij jongeren. Er zijn reeds maatregelen getroffen om contraceptie toegankelijk of zelfs gratis te maken voor jongeren onder de twintig. Deze maatregelen worden door het voorliggende wetsontwerp definitief gemaakt.
Men stelt immers vast dat er inzake contraceptie bij jongeren nog veel werk aan de winkel is. De jongeren zijn erg slecht voorgelicht. Zo denkt 40 % onder hen dat de pil bescherming biedt tegen SOA's. Het is dus essentieel, wanneer men contraceptie aanbiedt, om ook correcte informatie te geven over bescherming tegen SOA's. Ook stelt men vast dat zeer jonge meisjes abortus ondergaan. Het is dus zeer belangrijk om de pil voor deze jonge meisjes verkrijgbaar te maken, aangezien het erop lijkt dat zelfs een minieme kostprijs een bepalende invloed heeft op de toegankelijkheid van contraceptie.
Mevrouw De Schamphelaere wijst op de gekende cijfers van het evaluatierapport zwangerschapsafbreking die aantonen dat het aantal abortussen nog steeds in stijgende lijn gaat en dat jonge meisjes steeds vaker een abortus laten uitvoeren. Zij meent echter dat alles wat met preventie, relatie en opvoeding te maken heeft, in eerste instantie een gemeenschapsmaterie is. In de pers heeft zij gelezen dat 500 000 condooms werden uitgedeeld aan middelbare scholen. Zij maakt hierbij de bedenking in welke mate ouders en scholen, nochtans de eerste betrokkenen, nog zelf kunnen beslissen op welk ogenblik zij voorlichting geven ? Zij heeft sterk de indruk dat dit momenteel door de overheid wordt beslist. Het is algemeen geweten dat door de opkomst van SOA's, en zeker door aids, teveel werd gefocust op preventie van aids en te weinig op vruchtbaarheidsbewustzijn. Jongens en meisjes moeten er zich van bewust worden dat er een combinatie moet opgebouwd worden van pil en condoom om op elk gebied veilig te zijn.
Mevrouw Geerts meent dat het geen goed idee zou zijn om voorlichting vooral aan ouders over te laten. Zelfs in gezinnen waar dit zonder enig probleem bespreekbaar is, heeft het thuisfront niet steeds de vinger aan de pols van de opgroeiende kinderen en evolueren de kinderen soms sneller dan hun ouders beseffen.
De heer Beke stelt vast dat volgens de minister de kostprijs van de pil een meebepalende factor is in het zich al dan niet aanschaffen van de pil. Zijn er studies die dit verband aantonen ?
De minister wijst op de studie die werd gebruikt voor de beslissing van 2001 in de interministeriële conferentie van de ministers van volksgezondheid. Er werd toen besloten een globale aanpak te volgen inzake contraceptie. Uiteraard zou de preventie ook de nadruk leggen op het feit dat verschillende methodes kunne gehanteerd worden inzake contraceptie. Vruchtbaarheidspreventie is het meest gebaat bij het gebruik van de pil, terwijl soa's beter voorkomen worden door het gebruik van een condoom. Toen is er besloten dat, indien er een actie zou ondernomen worden op het gebied van contraceptie, er ook over zou gewaakt worden dat jongeren correcte informatie zouden krijgen over de preventie van soa's. Het gaat dus niet over een herverdeling van bevoegdheden, maar over het uitvoeren van de afgesproken globale aanpak.
Mevrouw Van de Casteele vraagt zich af of het in het kader van deze aanpak niet beter is jongeren aan te moedigen betrouwbare condooms te gebruiken. Jongeren die de pil gebruiken moeten er zich ook nog van bewust worden dat zij zich moeten beschermen tegen soa's. Is dit wel de juiste aanpak ? Wat betreft de kostprijs van de pil wil de senator er op wijzen dat er veel verschillende pillen zijn met een heel verschillende kostprijs, waardoor sommige pillen bijna kosteloos zijn maar andere zeer specifieke pillen, bijvoorbeeld pillen van de tweede generatie of tegen acné, zeer duur kunnen zijn. Zij hoopt deze materie grondiger te kunnen behandelen bij de bespreking van het rapport over de zwangerschapsafbrekingen, die gepland is na de kerstvakantie. Verder heeft zij een vraag over de chronisch zieken. De minister kondigt aan dat hij voor een aantal chronische ziekten een lijst zal opstellen. Specialisten zullen beslissen welke ziekten in aanmerking komen. Zij stelt vast dat dit een zeer moeilijk oefening is en verwijst ter illustratie naar de discussie over het chronisch vermoeidheidssyndroom. Kan dit op een lijst komen ? Een tweede klein aspect betreft de opname van de speciale wondverbanden in de maximumfactuur, wat aangekondigd en beloofd werd door de minister. Dit heeft nu vertraging opgelopen, waardoor er ongerustheid bestaat dat het niet zal kunnen van start gaan op 1 januari 2007.
De minister antwoordt dat het inderdaad de bedoeling is een lijst op te stellen van chronische ziekten maar zullen echter ook mogelijkheden bestaan buiten de lijst. Het dossier van de opname van de chronische wondverbanden heeft inderdaad vertraging opgelopen en zal nauwlettend gevolgd worden.
Artikel 210
Amendement nr. 33
De heer Beke en mevrouw de Schamphelaere dienen amendement nr. 33 in (stuk Senaat 3-1986/2) dat er toe strekt artikel 210 te doen vervallen.
De heer Beke meent dat, alhoewel het een goed idee is om de ouders van kinderen die langdurig in het ziekenhuis liggen financieel te ondersteunen, het vergoeden van de verplaatsingskosten al een afgeleide is van een medische prestatie en de maximumfactuur al een vangnet is voor kosten voor –19 jarigen.
De beperking tot de langdurige en periodieke ziekenhuisopname die het gevolg is van een oncologische aandoening roept echter vragen op. Het is gevaarlijk om deze ene categorie te bevoordelen ten opzichte van andere categorieën, zoals de ouders van een kind dat langdurig in coma ligt door bijvoorbeeld een verkeersongeval of de ouders van een palliatieve patiënt. De indieners van het amendement zijn van mening dat hier geen objectief verschil is en dat er dus ook geen verschil in behandeling mogelijk is.
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, merkt op dat deze pathologie jammer genoeg vaak het overlijden van de patiënt met zich meebrengt. De aanwezigheid van de ouders aan het ziekbed van hun kind is bijzonder belangrijk. De mutualiteiten hebben gewezen op het feit dat verplaatsingskosten één van de grote uitgavenposten zijn van ouders die geconfronteerd worden met een kind dat lijdt aan kanker. Dit artikel wil een eerste duidelijk signaal geven aan deze ouders. Niets sluit uit dat in de toekomst nog andere gevallen van deze regeling kunnen profiteren. Je moet echter ergens beginnen.
Alhoewel de heer Beke de redenering van de minister kan volgen, wijst hij er op dat het pijnlijk kan zijn voor ouders van kinderen die met een andere zwaar probleem in het ziekenhuis zijn opgenomen. Hij vreest dat de publieke opinie zeker vragen zal hebben bij de beslissing van de minister.
Artikel 217
Amendement nr. 34
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 34 in (stuk Senaat 3-1986/2) dat er toe strekt om in artikel 217, na het woord « thuisverpleging », de woorden « en/of gezinszorg » in te voegen.
De heer Beke licht toe dat de meeste diensten van thuisverpleging momenteel nog geen zorgkundigen te werk stellen, maar dat doen wel al de diensten voor gezinszorg. Vandaar dat de diensten voor gezinszorg ook in deze wet dienen opgenomen te worden.
Volgens de minister mag er niet uit het oog verloren worden dat het niet gaat om familiale hulp, bijvoorbeeld in het huishouden, maar om zorghulp onder het toezicht van verpleegkundigen. Op 12 januari 2006 is een koninklijk besluit van kracht geworden dat zorgkundigen in staat stelt prestaties te leveren in rust- en verzorgingshuizen. Er was een consensus over dat dit een goede manier was om de verpleegkundigen te ontlasten. Het voorliggende artikel tracht hetzelfde te bereiken voor de thuiszorg.
Mevrouw Van de Casteele merkt op dat er nog geen groot aanbod van zorgkundigen op het terrein zou zijn. Verder vestigt zij de aandacht op het feit dat er inzake thuiszorg in ons land twee soorten systemen zijn. Allereerst zijn er de diensten voor thuiszorg, die werknemers tewerkstellen. In de tweede plaats zijn er de zelfstandige thuisverplegers. Af en toe worden de diensten bevoordeeld waardoor de zelfstandigen zich wat stiefmoederlijk behandeld voelen. Zij wijten dit trouwens ook aan het feit dat zij nog steeds niet evenredig vertegenwoordigd zijn in de commissie tussen het RIZIV en de verpleegkundigen. Zij is er vooral over bezorgd dat de nieuwe bepaling geen discriminatie tussen beide categorieën in het leven zal roepen.
De minister benadrukt dat de nieuwe regeling niet enkel de diensten betreft, maar ook de zelfstandigen. Beiden kunnen toetreden tot het nieuwe systeem, dat er op gericht is een kwaliteitsgarantie te bieden. Hij stelt duidelijk dat hij geen onderscheid wenst te maken tussen beide groepen.
Amendement nr. 35
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 35 in (stuk Senaat 3-1986/2) dat ertoe strekt de leden 2 tot 8 van artikel 217 te vervangen door één lid, handelend over de aanrekening op de begroting van het Instituut van de uitgaven die gepaard gaan met de zorgkundigen.
De heer Beke meent dat het beter is dit allemaal op te nemen in een uitvoerend koninklijk besluit.
Volgens de minister waren er inderdaad twee manieren om dit op te lossen. Hij heeft voor een andere optie gekozen dan de heer Beke voorstelt.
Amendement nr. 36
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 36 in (stuk Senaat 3-1986/2) dat ertoe strekt in artikel 56, § 5, eerste lid, de woorden « de minister » te vervangen door de woorden « het Verzekeringscomité onder de door de Koning bepaalde voorwaarden ».
De heer Beke verklaart dat het de bedoeling is dat deze experimenten door het Verzekeringscomité worden gecontracteerd op basis van een koninklijk besluit waarin zowel het voorwerp van de studie als de gestelde voorwaarden aan contracterende universiteiten, als aan deelnemende diensten thuisverpleging worden opgenomen.
Het kan niet zijn dat de minister de volledige bevoegdheid krijgt om naar eigen willekeur te handelen. Zij wensen hierbij de maximale transparantie van toezicht en controle door het Verzekeringscomité.
Volgens de minister is het niet de gewoonte dat aan een adviescomité de mogelijkheid van bepaalde keuzes wordt gedelegeerd. Hier is het de bedoeling dat de minister zelf kan bepalen.
Mevrouw Van de Casteele wijst er op dat het de taak van het parlement is om de minister te controleren, en niet de taak van het verzekeringscomité.
Artikel 220
De heer Beke merkt op dat de er inzake de gonadotrofines naar een forfaitarisering wordt gegaan. Hij zou graag weten waarom deze regeling gewijzigd wordt, wetende dat de voorgaande bepaling nog niet operationeel is gemaakt.
Mevrouw Van de Casteele vraagt of het probleem zich niet stelde in de vorige bepaling, die reeds een forfaitarisering voorziet maar die over het hoofd had gezien dat via de ziekenhuizen het remgeld niet kan geregeld worden voor een ambulante patiënt.
Minister Demotte zegt dat het de bedoeling is een coherent pakket te maken dat de laboratoriumkosten en het remgeld op de geneesmiddelen bevat.
Artikel 224
Amendement nr. 37
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 37 in (stuk Senaat 3-1986/2) dat ertoe strekt de laatste zin van de voorgestelde tekst weg te laten.
De heer Beke verwijst naar de algemene bespreking over deze aangelegenheid. Bij een verkorte reactietermijn (minder dan 10 dagen) wordt het stilzwijgen van de minister immers beschouwd als een weigering. Dat is de omgekeerde werkwijze van de te volgen procedure als de minister 10 dagen tijd heeft. Dergelijke werkwijze kan voor verwarring zorgen en daarom pleiten de indieners van het amendement voor eenzelfde te volgen procedure, ongeacht de termijn.
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt dat de voorgestelde regeling werd geïnspireerd door de huidige praktijk, waaruit blijkt dat de verkorte termijn vooral wordt aangevraagd voor ingewikkelde dossiers en de minister van Begroting aldus voor een onmogelijke opdracht wordt geplaatst. Als « compensatie » voor de toepassing van de verkorte termijn wordt het vermoeden van stilzwijgende goedkeuring nu omgedraaid.
Artikel 228
Amendement nr. 38
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 38 in (stuk Senaat 3-1986/2) dat ertoe strekt de datum van inwerkingtreding van de voorgestelde regeling inzake de zuurstoftherapie vast te leggen op 1 januari 2008. Om te vermijden dat de inwerkingtreding lang op zich laat wachten, stellen de indieners 1 januari 2008 voor, aangezien tegen 31 december 2007 de lijst van vergoedbare medische zuurstof en van de vergoedbare medische hulpmiddelen die gebruikt worden in het kader van zuurstoftherapie, klaar moet zijn.
De minister merkt op dat hij de inwerkingtreding vastlegt op een door de Koning te bepalen datum omwille van een technische reden. Indien deze bepalingen in werking treden op een vastgelegde datum ontstaan er immers grote problemen indien de noodzakelijke lijsten, procedures, enz. niet klaar zouden zijn. Door de Koning de datum te laten bepalen wordt dit vermeden.
Artikel 240
Mevrouw Van de Casteele vraagt waarom de federale overheid alleen subsidies kan toekennen aan artsen en niet aan andere sectoren van de zorgverlening zoals bijvoorbeeld apothekers, ...
De minister antwoordt dat artikel 240 eigenlijk geen nieuwe bepaling is maar dat alle middelen die aan wetenschappelijke verenigingen kunnen worden toegekend in één rubriek worden samengebracht.
Mevrouw Van de Casteele hoopt dat in de toekomst vergelijkbare bepalingen zullen worden ingevoerd voor andere zorgverleningsectoren, zoals apothekers, kinesitherapeuten, tandartsen, ... die ook steun verdienen voor hun inspanningen; dat een vergoeding welkom zou zijn, zonder dat het bedrag daarvan hetzelfde moet zijn als dat van de artsen.
3. Titel VI — Middenstand
Met betrekking tot de artikelen 247 tot 254, verduidelijkt mevrouw Van de Casteele dat drie ministers bevoegd zijn : mevrouw Laruelle, de heer Demotte en de heer Vanvelthoven.
De heer Beke vraagt of de Kamer wijzigingen heeft aangebracht in deze artikelen. Mevrouw Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, verklaart dat er geen echte wijzigingen zijn aangebracht. De meerderheid heeft wel een subamendement aangenomen op artikel 247.
Mevrouw De Schamphelaere wijst erop dat daarin wordt gevraagd om de bedragen aan elkaar te koppelen. Het is een goed idee om de pensioenen van de zelfstandigen in verband te brengen met de inkomensgarantie, maar in feite is dit een holle formule, aangezien het aan de Koning wordt overgelaten om een beslissing te nemen en vervolgens aan de Ministerraad om na te gaan of er genoeg middelen beschikbaar zijn. Het door de CD&V-fractie ingediende amendement stelt een meer juridisch afdwingbaar verband vast.
De minister antwoordt dat de middelen voor 2007 beschikbaar zijn en dat de bedragen dus kunnen worden gekoppeld. Voor 2008 kunnen 62 miljoen euro in het fonds worden gestort. Zij begrijpt wel dat de zelfstandigen liever een maatregel zonder voorbehoud had gezien, maar de regering moet zich ervan vergewissen dat de nodige middelen beschikbaar zijn.
Mevrouw De Schamphelaere antwoordt dat haar fractie niet echt voorstander is van deze maatregel en dat zij niet veel verwacht van de begrotingscontrole. De begroting 2008 is immers gebaseerd op niet-haalbare schattingen. Zij denkt bijvoorbeeld aan de BTW op de gemeentelijke diensten, aan het akkoord over de ambtenarenpensioenen en aan de verkoop van openbare gebouwen.
Artikel 247
Amendement nr. 39
De heer Beke en mevrouw de Schamphelaere dienen amendement nr. 39 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), dat ertoe strekt het laatste lid van artikel 247 te vervangen.
Mevrouw de Schamphelaere verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement.
Mevrouw Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, verklaart bereid te zijn om hierover te debatteren, maar om budgettaire redenen is het onmogelijk om nu al het bedrag van het gewaarborgd minimumpensioen voor zelfstandigen te verbinden aan de inkomensgarantie voor ouderen.
Mevrouw de Schamphelaere merkt op dat als men denkt dat dit vandaag niet kan, het volgend jaar waarschijnlijk ook niet zal kunnen.
4. Titel XII — Strijd tegen de sociale fraude
Mevrouw de Schamphelaere merkt op dat er een officiële vraag is tot controle van het comité P op de verregaande bevoegdheden van onderzoek en opsporing van de inspectiediensten. Hoe staat de minister van Sociale Zaken hiertegen ?
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt dat hierover nog geen discussie is gevoerd. Men weet immers niet zeker of de door het Comité P gewenste controle slaat op de SIOD of op de inspectiediensten als dusdanig. Daarenboven moet men er rekening mee houden dat het Sectoraal Comité Sociale Zekerheid ingericht in het kader van de bescherming van de privé-levenssfeer toelating moet geven voor toegang tot de databanken met persoonlijke gegevens. In dit kader bepaalt ook het Sectoraal Comité de toegangsvoorwaarden en de controlemechanismen waarin moet voorzien worden. Hij geeft het voorbeeld van de toegang tot de DmfA die de inspectiediensten vragen. De toegang tot de schriftelijke verklaringen van sociale zekerheid was geen probleem, maar bij het instellen van de DmfA (de vervanging van de papierversie van de verklaring door een elektronische versie) hebben de inspectiediensten die moeten toezien op de naleving van de socialezekerheidswetten de toestemming van het Sectoraal Comité moeten vragen om de toegang te verkrijgen, en werd deze toestemming pas na twee jaar gegeven.
Er moet een alomvattend debat gevoerd worden binnen de regering en met de inspectiediensten omtrent de vraag van Comité P.
5. Titel XIII — Aard van de arbeidsrelaties
Mevrouw de Schamphelaere stipt aan dat Titel XIII van het ontwerp van programmawet belangrijke bepalingen inhoudt betreffende de problematiek van de oneigenlijke zelfstandigen en zij betreurt dat men die niet uitvoeriger kan bespreken.
Mevrouw Van de Casteele antwoordt dat de commissie hierover reeds meermaals met de bevoegde minister heeft kunnen discussiëren ter gelegenheid van de bespreking van wetsvoorstellen die in de Senaat zijn ingediend. De commissie was op de hoogte van het ontwerp van de minister, dat het resultaat is van een compromis tussen werknemers en werkgevers en dus weinig ruimte laat voor wijzigingen. Het feit dat deze bepalingen opgenomen worden in de programmawet zorgt ervoor dat zij tijdig in werking kunnen treden. In dit geval is het gebruik van de programmawet techniek dus volkomen gerechtvaardigd.
V. STEMMINGEN
De amendementen nrs. 33 tot en met 40 worden verworpen met 11 tegen 1 stem.
Het geheel van de aan de commissie toegewezen artikelen wordt aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.
De commissie heeft enkele louter taalkundige en technische correcties aangebracht aan artikel 329, § 2, laatste lid, en § 3, aan artikel 334, § 3, aan artikel 335, tweede lid en aan artikel 340, § 6.
Dit verslag is goedgekeurd met eenparigheid van de 11 aanwezige leden
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Christel GEERTS. | Annemie VAN de CASTEELE. |
De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden wetsontwerp (stuk Kamer, nr. 51-2773/31 - 2006/2007)