3-195

3-195

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 21 DÉCEMBRE 2006 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Question orale de Mme Fauzaya Talhaoui au vice-premier ministre et ministre de l'Intérieur et au ministre de la Fonction publique, de l'Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l'Égalité des chances sur «le manque de places d'accueil pour les mineurs d'âge non accompagnés» (nº 3-1343)

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Met Kerstmis is het de gewoonte om aan de zwakkeren in onze samenleving te denken. Deze keer wil ik speciale aandacht vragen voor de niet-begeleide minderjarigen, meer in het bijzonder voor het gebrek aan opvang voor hen. Er lopen niet-begeleide minderjarigen op straat rond. Meestal bedelen ze, of bedrijven ze criminaliteit.

Volgens de wet van 1 mei 2004 moet voor buitenlandse niet-begeleide minderjarigen door de federale dienst Voogdij een wettelijke voogd worden aangesteld. Deze voogd moet een duurzame oplossing zoeken voor de minderjarige die hij onder zijn hoede heeft. Daar nijpt nu echter het schoentje: de federale opvangcentra van Steenokkerzeel en Neder-over-Heembeek, maar vooral ook de specifieke opvangtehuizen, zitten vol en hebben zelfs een wachtlijst. Deze federale centra zijn er trouwens maar voor de eerste fase van het verblijf van niet-begeleide minderjarigen in ons land. Tijdelijk worden sommige jongeren dan maar in een crisisopvangcentrum ondergebracht maar daar mogen ze meestal maar een paar nachten verblijven. Deze jongeren komen dan op straat te staan, met alle gevolgen van dien: ze kunnen nergens terecht en ze verdwijnen in België of vluchten naar het buitenland. Deze situatie is onhoudbaar.

Deze jongeren kunnen geen tijdelijke verblijfsvergunning krijgen maar ook niet worden teruggewezen voor ze 18 jaar zijn, tenzij een vertrouwenspersoon zich over hen ontfermt. De voorbereiding op de repatriëring wordt aan de voogd toegewezen. Die kan hen niet terugsturen zonder middelen. Hij zit in een moeilijke situatie: hij moet de jongere onder zijn bescherming nemen en tegelijkertijd zou hij de jongere moeten voorbereiden op een repatriëring.

Met volle opvangtehuizen en geen opties of hulp in het vooruitzicht worden deze jongeren in het beste geval opnieuw opgepakt door de politie en opnieuw overgedragen aan de Dienst Voogdij. Zo komen we geen stap verder. Soms raken deze jongeren ook nog in de criminaliteit, als dader, maar meestal als slachtoffer.

De minister zou de Vlaamse en de Franstalige Gemeenschap die bevoegd zijn voor de opvangcapaciteiten voor deze doelgroep, al hebben aangesproken om hen op hun verantwoordelijkheid te wijzen en zou ze samenbrengen om deze problematiek te bespreken.

Hoeveel jongeren dwalen op dit moment in onze straten rond?

Hoe gaat de minister samen met de gemeenschappen dit probleem aanpakken?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Voor de niet-begeleide minderjarigen die in België aankomen en die een voogd krijgen toegewezen door de dienst Voogdij wordt in de nodige opvang voorzien in één van de twee observatie- en oriëntatiecentra, namelijk Neder-over-Heembeek en Steenokkerzeel.

Dagelijks zijn er een vijftiental plaatsen beschikbaar in deze OOC. Bovendien heeft mijn administratie de nodige maatregelen getroffen om in plaatsen te voorzien binnen het klassieke opvangnetwerk, mocht dit nodig zijn tijdens de kerstperiode. Dat zijn wel degelijk opvangplaatsen voor niet-begeleide minderjarigen. Gemiddeld beschikken we over een vijfhonderdtal plaatsen voor niet-begeleide minderjarigen.

Jaarlijks worden ongeveer 1500 jongeren opgevangen in de twee OOC's. Van daaruit worden zij doorverwezen naar andere aangepaste opvangstructuren.

Natuurlijk valt het voor dat jongeren het OOC vrijwillig verlaten en inderdaad op straat rondhangen. Als ze later naar het OOC terugkeren, worden ze natuurlijk opgevangen.

Met de Gemeenschappen bestaat er momenteel een akkoord over een opvangmodel in drie fasen. Over de verantwoordelijkheden en de verdere uitwerking van een dergelijk model wordt momenteel nog onderhandeld. Die onderhandelingen vinden plaats in een constructieve sfeer. Ik ben ervan overtuigd dat we het eens kunnen worden over een gemeenschappelijk model, weliswaar met ruimte voor de eigenheden van de verschillende partners. In de toekomst zullen we hierover dus een akkoord kunnen sluiten.

Fedasil heeft dus de nodige maatregelen getroffen om de opvang te garanderen van de jongeren die worden doorverwezen door de dienst voogdij. Mochten er niet voldoende plaatsen beschikbaar zijn in de OOC, dan zullen de jongeren in de andere opvangstructuren voor niet-begeleide minderjarigen worden opgevangen.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Ik zou die laatste bewering van de minister durven betwisten. In de grootsteden zien we de jongste tijd immers heel wat Romajongeren ronddwalen. Ook een heleboel meisjes maken deel uit van dat straatbeeld. De minister heeft er terecht op gewezen dat ze bijzonder kwetsbaar zijn en dat ze in verkeerde handen kunnen terechtkomen.

Als ik het goed begrepen heb, worden er jaarlijks 1500 jongeren in de opvangcentra opgevangen. Ik vrees echter dat het straatbeeld aantoont dat de overheid niet alle jongeren bereikt.

Hoeveel belanden er in het reguliere circuit van de Bijzondere Jeugdzorg en haar structuren? Voor mij is dat volstrekt onduidelijk. Worden jongeren in de Bijzondere Jeugdzorg langer en beter opgevangen dan in de crisisopvangcentra?

Het akkoord met de Gemeenschappen zou moeizaam maar zeker tot stand komen. Ik had echter graag de precieze timing gekend, want vooral in een periode waarin jongeren aan alle mogelijke risico's zijn blootgesteld, moet er voor opvang worden gezorgd. Het moeilijke verloop van de onderhandelingen kunnen niet als verontschuldiging worden ingeroepen. Zou de minister daarop nog even kunnen reageren?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De jonge Roma vormen een bijzondere categorie. Ze verblijven niet lang in onze centra. We hebben een speciaal akkoord afgesloten met een vzw in Brussel. De Romajongeren vertrouwen immers de autoriteiten niet, zeker niet de politie die hen naar de centra brengt, maar evenmin de psychologen en dokters die hen begeleiden. De betrokken vzw probeert hen bij een familie onder te brengen of ze in ieder geval onder de beste omstandigheden te plaatsen. Dat akkoord bestaat en werkt. Die groep jongeren blijft echter een moeilijke doelgroep. Men weet dat ze niet in de centra zullen blijven. Voor hen zijn er ook bijzondere bemiddelaars op het terrein ingezet.

Andere jongeren worden doorverwezen naar een voor hen geschikte opvangplaats. De oudsten kunnen alleen wonen in flats, waar ze onder toezicht staan. De jongsten worden in gezinnen opgevangen. Ze worden ook toegewezen aan de instellingen van de bijzondere jeugdzorg.

Er is dus een akkoord met de gemeenschappen. De contacten kunnen echter worden verdiept. Het akkoord werkt. De toestand kan niet worden vergeleken met de situatie van de daklozen. Voor hen is de winter bijzonder moeilijk. Voor de jongeren is de toestand anders.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Hoeveel voogden zijn er voor die jongeren?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik ken het juiste aantal niet, maar er zijn er voldoende. Ik kan de informatie over de vzw voor de Romajongeren bezorgen. Die vzw werkt zeer goed, al betreft het een moeilijk publiek. Er wordt altijd geprobeerd een opvang te vinden, maar soms verdwijnen die jongeren. Onze centra zijn geen gesloten centra.