3-2020/1

3-2020/1

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

12 JANUARI 2007


Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, teneinde criteria in te voeren waaraan een tegensprekelijk debat tussen de kamers van de erkenningscommissies van geneesheren-specialisten en de Hoge Raad moet voldoen

(Ingediend door de heer Jacques Brotchi)


TOELICHTING


Krachtens koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, moet de bevoegde erkenningscommissie voor kandidaat-geneesheren-specialisten oordelen of zij bekwaam zijn hun specialiteit zelfstandig uit te oefenen.

Voor elke geneeskundige specialiteit is een erkenningscommissie bevoegd die uit geneesheren-specialisten bestaat die het beroep uitoefenen dat de betreffende kandidaat wil uitoefenen.

De erkenningscommissies worden paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de universiteiten en vertegenwoordigers van de beroepsverenigingen. Ze evalueren de opleiding van de kandidaat en zijn bekwaamheid, op grond van verscheidene criteria die bij koninklijk en ministerieel besluit zijn vastgelegd. Daartoe behoren de looptijd van de opleiding, de opeenvolgende rapporten van de stagemeester, het aantal geneeskundige handelingen tijdens de stageperiode, enz.

Wanneer de erkenning geweigerd wordt, kan een kandidaat bij de Hoge Raad beroep aantekenen tegen de beslissing van de erkenningscommissie.

Het is dan de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort die, op grond van de adviezen van de erkenningscommissies en van de Hoge Raad, al dan niet de bekwaamheid van de kandidaat-geneesheer erkent om zijn specialiteit zelfstandig uit te oefenen.

Een geneesheer-specialist bekwaam verklaren om zijn specialiteit zelfstandig uit te oefenen is een zware verantwoordelijkheid. Helaas doet de huidige procedure problemen rijzen inzake communicatie tussen de drie beslissingsorganen, te weten de erkenningscommissie, de Hoge Raad en de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort.

In 2004 maakte de dagbladpers melding van vier gevallen van chirurgen die door hun gelijken onbekwaam werden bevonden, maar wier bekwaamheid om hun specialiteit uit te oefenen erkend was. In de medische pers werd het geval van twee radiologen vermeld. Na een grondiger onderzoek kwamen verscheidene soortgelijke gevallen aan het licht bij de anesthesisten, de gynaecologen, de psychiaters en de specialisten in intensieve zorg en reanimatie.

Van 1994 tot 2004 hebben elf van de veertien kandidaat-specialisten wier bekwaamheid om hun specialiteit zelfstandig uit te oefenen niet erkend werd door de erkenningskamer Heelkunde, een positief advies gekregen van de Hoge Raad. In gemiddeld tachtig procent van de gevallen worden de adviezen van de erkenningscommissie dus niet gevolgd.

We geven enkele concretere voorbeelden : twee kandidaat-chirurgen die tot viermaal toe gezakt waren voor de examens die op het einde van de opleiding georganiseerd worden, werden toch erkend. Een buitenlands arts aan wie de erkenningskamer een korte bijkomende opleiding vroeg om hier in België te werken, werd toch erkend met als argument dat hij paste « dans le quota fixé limitant le nombre de candidats à la spécialité ». Een andere had niet de helft van het aantal operaties verricht dat vereist is om chirurg te worden, maar zijn bekwaamheid werd toch erkend.

Blijkbaar houdt men dus onvoldoende rekening met de adviezen van de erkenningscommissies, hoewel zij het best in staat zijn om, in het veld, concreet te oordelen over de kwaliteiten van de kandidaat-geneesheren-specialisten (ze bestaan immers uit werkende geneesheren die dus steeds op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen in hun specialiteit).

De Hoge Raad daarentegen bestaat uit 28 huisartsen en 24 geneesheren-specialisten die vaak niet meer actief zijn. Het gevolg daarvan is dat de bekwaamheid van een kandidaat-chirurg beoordeeld wordt door een instantie van 52 geneesheren, waaronder slechts vier chirurgen, van wie sommigen de geneeskunde niet meer beoefenen.

Opgemerkt zij ook dat de Hoge Raad, wanneer hij van de beslissingen van de erkenningscommissies afwijkt, zijn beslissingen niet motiveert in het licht van de overwegingen van de erkenningscommissies. In de grote meerderheid van de gevallen zijn de beslissingen van de Hoge Raad overigens gewoon niet geldig gemotiveerd. Dat is duidelijk strijdig met het algemene beginsel van deugdelijk bestuur en meer bepaald met de artikelen 6, § 5, 1º, en 32, § 2, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, die eisen dat die beroepsinstantie uitspraak doet « bij een met redenen omklede beraadslaging ».

Naar aanleiding van een vraag om uitleg van de indiener van dit voorstel aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid op 28 oktober 2005, zei de minister « open te staan voor de voorstellen van de erkenningscommissie, vooral voor de voorstellen om de communicatie met de beroepskamer te verbeteren. Zo zouden de specialisten die actief zijn in de betrokken discipline kunnen deelnemen aan de beraadslaging in beroep, op uitdrukkelijke voorwaarde dat ze niet hebben deelgenomen aan de beraadslaging in eerste aanleg ».

Dit wetsvoorstel sluit aan bij die doelstelling om de communicatie tussen de beslissingsorganen te verbeteren.

COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN

Artikelen 2A en 3

De artikelen 2A en 3 voorzien respectievelijk in de aanwijzing van twee juristen in de Hoge Raad en in de aanwijzing van een jurist in elke erkenningscommissie, om die instanties te begeleiden bij de motivering van hun beslissingen.

Artikel 2B

Artikel 2B bepaalt dat de leden van de Hoge Raad hun respectieve disciplines actief moeten beoefenen, zoals dat ook voor de leden van de erkenningscommissies geldt.

Zij moeten immers op de hoogte zijn van de recente ontwikkelingen van de geneeskunde, om in staat te zijn te oordelen of een kandidaat-specialist over de vereiste bekwaamheid beschikt om zijn beroep zelfstandig uit te oefenen en om het uit te oefenen overeenkomstig de criteria van uitmuntendheid die België vooropstelt voor zijn gezondheidswerkers.

Het gaat om de kwaliteit van onze gezondheidszorg. De Hoge Raad moet daarom uit leden bestaan die bij hun discipline betrokken zijn, wat niet kan zonder dat ze hun beroep actief uitoefenen.

Artikel 4

Krachtens koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, moeten de kandidaat-geneesheren-specialisten erkenning verkrijgen van een erkenningscommissie voordat hun bekwaamheid om hun specialiteit zelfstandig uit te oefenen erkend kan worden.

Voor elke geneeskundige specialiteit is er een erkenningscommissie bestaande uit geneesheren-specialisten die het beroep uitoefenen dat ook de betreffende kandidaat wil uitoefenen.

Krachtens artikel 5, § 4, worden de erkenningscriteria voor elke specialiteit vastgelegd door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, op voorstel van de Hoge Raad.

Er zijn twee gevallen waarin het advies van de Hoge Raad kan worden gevraagd na een beslissing van de erkenningscommissie :

(i) wanneer de erkenningscommissie de erkenning weigert, omdat ze meent dat door de kandidaat-specialist niet is voldaan aan een of ander criterium, kan deze laatste bij de Hoge Raad beroep aantekenen tegen deze beslissing;

(ii) wanneer de minister meent het advies van de erkenningscommissie niet te kunnen volgen, vraagt hij het advies van de Hoge Raad. Die geeft zijn advies aan de minister, die in laatste instantie beslist of de kandidaat-geneesheer al dan niet bekwaam is om zijn specialiteit zelfstandig uit te oefenen.

Er is geen tegensprekelijk debat tussen de erkenningscommissies en de Hoge Raad die in beroep beslist.

Het gebeurt vaak dat de adviezen van de erkenningscommissies niet worden gevolgd, terwijl ze voor 100 % uit specialisten bestaan die hun beroep dagdagelijks uitoefenen. Zij zijn het best geplaatst om, in het veld, de kwaliteiten van de kandidaat-geneesheren-specialisten concreet te beoordelen.

Er moet ook worden onderstreept dat de beslissingen in beroep van de Hoge Raad meestal niet geldig gemotiveerd zijn. En wanneer dat toch het geval is, motiveert de Hoge Raad zijn beslissing niet in het licht van de overwegingen van de erkenningscommissies.

De wet bepaalt evenwel dat elke bestuurshandeling die uitgaat van een bestuur duidelijk, nauwkeurig en concreet gemotiveerd moet worden. Overeenkomstig het algemene beginsel van deugdelijk bestuur, moet elke administratieve beslissing gepaard gaan met een motivering. Tevens vereisen de artikelen 6, § 5, 1º, en 32, § 2, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, dat die beroepsinstantie uitspraak doet « bij een met redenen omklede beraadslaging ».

Dit artikel strekt ertoe elk van de kamers ertoe te verplichten hun beslissingen geldig met redenen te omkleden en een echt tegensprekelijk debat tussen beide beslissingsniveaus tot stand te brengen.

Paragraaf 1 voorziet in de mogelijkheid voor de erkenningscommissies om geneesheren-specialisten aan te wijzen die aan hun beraadslaging zullen deelnemen. De Hoge Raad zal een beroep op hen moeten doen indien bij hem beroep wordt aangetekend. Zij kunnen de leden van de Hoge Raad uitleg geven over de actuele ontwikkelingen van hun specialiteit en hen hun deskundige mening geven over de kwaliteit van de opleiding van de betreffende kandidaat.

Paragraaf 2 geeft de erkenningscommissie de mogelijkheid één van haar leden aan te wijzen om het dossier voor de Hoge Raad uiteen te zetten, om de communicatie tussen de erkenningscommissie en de Hoge Raad nog te verbeteren. Dat lid mag natuurlijk niet aan de debatten of de beraadslaging deelnemen.

Paragraaf 3 bepaalt uitdrukkelijk dat de Hoge Raad verplicht is zijn beslissing geldig te motiveren, of het nu om een zaak ten gronde of over de vorm gaat.

Jacques BROTCHI.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Dit wetsvoorstel regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, gewijzigd bij koninklijk besluit van 16 maart 1999, wordt gewijzigd als volgt :

A. het eerste lid wordt aangevuld met een 9º, luidend als volgt :

« 9º twee juristen »;

B. tussen het eerste lid en het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt het volgende lid ingevoegd :

« De leden bedoeld in het eerste lid beoefenen actief hun respectieve disciplines en volgen een voortgezette opleiding. ».

Art. 3

Artikel 7, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit wordt aangevuld met een 3º, luidend als volgt :

« 3º een jurist. ».

Art. 4

Artikel 32 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen als volgt :

« § 1. Elke kamer van een erkenningscommissie wijst vier geneesheren aan, die erkend zijn in de specialiteit waarvoor ze bevoegd is en die die discipline actief beoefenen. Die geneesheren worden door de minister benoemd voor een termijn van zes jaar die kan worden hernieuwd.

Wanneer de bevoegde kamer van de Hoge Raad uitspraak moet doen met toepassing van de artikelen 29 en 30, verzoekt ze de vier geneesheren bedoeld in het eerste lid, om als stemgerechtigden deel te nemen aan haar beraadslaging. Minstens één lid van de bevoegde kamer van de Hoge Raad dat in die specialiteit erkend is, wanneer er een voorhanden is, moet aan de beraadslaging deelnemen.

§ 2. De kamer van de erkenningscommissie die het advies heeft gegeven waartegen een procedure is ingeleid met toepassing van de artikelen 29 en 30 wijst één van haar leden aan, dat moet worden gehoord door de bevoegde kamer van de Hoge Raad, om de redenen uiteen te zetten die hebben geleid tot het bedoelde advies.

§ 3. De bevoegde kamer van de Hoge Raad doet uitspraak binnen zestig dagen na de datum waarop de zaak met toepassing van de artikelen 29 en 30 bij haar aanhangig werd gemaakt. Haar advies moet met redenen omkleed zijn en aangeven waarom beslist werd af te wijken van het advies van de kamer van de erkenningscommissie over de specifieke criteria in verband met het stageplan, de opleiding en/of de erkenning. ».

Art. 5

Deze wet treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

6 december 2006.

Jacques BROTCHI.