3-1988/5 | 3-1988/5 |
21 DECEMBER 2006
I. INLEIDING
Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 27 november 2006 ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2760/1). Het werd door de Kamer aangenomen op 20 december 2006 en op diezelfde dag overgezonden aan de Senaat, die het wetsontwerp op 21 december 2006 heeft geëvoceerd.
De commissie voor de Sociale Aangelegenheden, waarbij de artikelen 4, 34 tot 39, 76 tot 81 en 86 tot 275 aanhangig zijn gemaakt, heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 13 en 21 december 2006 in aanwezigheid van mevrouw F. Van den Bossche, vice-eerste minister en minister van Begroting en van Consumentenzaken, van mevrouw S. Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, van de heer B. Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen, van de heer P. Vanvelthoven, minister van Werk, van de heer Ch. Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, van de heer R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van mevrouw E. Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie.
Met toepassing van artikel 27, 1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie de bespreking van dit wetsontwerp aangevat vóór de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.
II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN
1. Inleidende uiteenzetting door mevrouw F. Van den Bossche, vice-eerste minister en minister van Begroting en van Consumentenzaken
Mevrouw Van den Bossche, vice-eerste minister en minister van Begroting en van Consumentenzaken, herinnert eraan dat de regering reeds meerdere jaren aan oplossingen werkt inzake overmatige schuldenlast. Het Fonds ter Bestrijding van de overmatige schuldenlast speelt een essentiële rol in het kader van de collectieve schuldenregeling.
Het Fonds betaalt immers de erelonen van de schuldbemiddelaars, ten minste de erelonen die niet door de verzoeker-schuldenaar worden betaald. Het Fonds wordt echter geconfronteerd met een structureel probleem op het vlak van zijn financiële toestand.
Dit is het gevolg van het toenemend aantal dossiers inzake collectieve schuldenregeling en het feit dat de erelonen van de schuldbemiddelaars systematisch ten laste van het Fonds worden gelegd.
Een half jaar geleden werden maatregelen genomen inzake de financiële toestand van het Fonds. De wet van 5 augustus 2006 heeft de bijdrage van de kredietgevers met 50 % verhoogd. Deze aanvullende bijdrage werd enkel geëist voor 2006.
De tekst die nu voorligt, is het resultaat van een grondige analyse van de werking van het Fonds waarbij een aantal voorstellen werden onderzocht om tot een oplossing voor het Fonds te komen.
Het ontwerp moet voor een structurele oplossing zorgen maar tevens garanderen dat het Fonds zijn essentiële taken kan blijven vervullen in het kader van de betaling van de onbetaalde erelonen van de schuldbemiddelaars en het financieren van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren.
1. Een toenemend aantal dossiers collectieve schuldenregeling :
Op 30 juni 2006 waren er 53 797 berichten van collectieve schuldenregeling geregistreerd. Dit waren toen reeds 4 142 berichten meer dat in 2005.
2. De financiële toestand van het Fonds :
In 2006 bedroegen de inkomsten van het Fonds 2 582 921 euro. Dit moet worden verhoogd met de eenmalige bijkomende bijdrage voor 2006, geraamd op 1 200 000 euro.
Daartegenover staan de uitgaven van het Fonds :
In het eerste semester 2006 werden door het Fonds 2959 dossiers goedgekeurd voor een bedrag van 2 965 459 euro.
Het ontwerp wenst het financiële evenwicht van het Fonds te herstellen door terug te keren naar de oorspronkelijke principes van de wet.
1. Tegemoetkoming van het Fonds
De huidige wet is duidelijk : de erelonen worden betaald door de schuldenaar. Alleen de onbetaalde erelonen komen ten laste van het Fonds.
Men kan alleen maar vaststellen dat er een evolutie is naar een tenlastelegging van het Fonds die veel verder reikt dan de wet van 1988.
Het ontwerp wil de oorspronkelijke regeling verduidelijken.
In geval van totale kwijtschelding van schulden worden de erelonen als onbetaald beschouwd. De rechter kan die ten laste leggen van het Fonds.
In de andere gevallen is er een beschikbaar bedrag aanwezig om de schuldeisers te betalen. Dit betekent dat de schuldbemiddelaar moet worden betaald door de verzoeker en dat de aanzuiveringsregeling voorziet in de betaling van het ereloon.
Maar in het geval van een kwijtschelding van schulden in kapitaal kan de interventie van het Fonds worden gevraagd als de onmogelijkheid tot betalen van de schuldenaar wordt aangetoond.
2. Het aanleggen van een reserve
Het ontwerp voorziet tevens dat de schuldbemiddelaar een reserve moet aanleggen voor de betaling van zijn ereloon. Deze reserve moet aangelegd worden vanaf de beschikking van toelaatbaarheid door de rechter. Zo wordt de betaling van het ereloon in de tijd gespreid. Heel wat schuldbemiddelaars gaan trouwens vandaag reeds zo te werk.
3. Een afzonderlijke bijdrage voor het financieren van informatiecampagnes
Het Fonds dient ook om informatiemaatregelen inzake schuldenlast en overmatige schuldenlast te financieren. Dit werd echter niet verwezenlijkt : alle middelen werden opgebruikt voor het betalen van de bemiddelaars.
Het ontwerp voorziet in een gedeeltelijke bijdrage van de leners die alleen voor deze informatiemaatregelen aangewend kan worden. Deze bijdrage van 150 000 euro is een jaarlijkse bijdrage.
Bij de voorbereiding van dit ontwerp werden verschillende pistes onderzocht. De verruiming van de bijdragers aan het Fonds werd uitvoerig besproken en onderzocht.
Er was een voorstel van de kredietgevers om een taks te vragen aan alle schuldeisers in het kader van een collectieve schuldenregeling. Dit voorstel werd niet in aanmerking genomen omdat niet alle schuldeisers op gelijke voet kunnen worden geplaatst (er is immers een onderscheid tussen de aanbieders op de markt, zoals de kredietgevers, en zij die geen keuze hebben (bijvoorbeeld alimentatieschuldeisers, huurschuldeisers, ziekenhuizen, enzovoort).
Er werd ook onderzocht of de telecomsector kon worden gevraagd om bij te dragen. Het berekenen van de bijdrage van de telecomsector werd als erg moeilijk ervaren wegens het gebrek aan concrete cijfergegevens. Deze piste werd echter niet verlaten maar wordt nader onderzocht.
Dit wetsontwerp moet voor een structurele oplossing zorgen voor het probleem waarmee het Fonds wordt geconfronteerd.
Het ontwerp wijzigt geenszins de principes van de oorspronkelijke wet maar is een verduidelijking van de oorspronkelijke bedoeling. In ieder geval moet het ontwerp ervoor zorgen dat alle schuldbemiddelaars in de toekomst verzekerd zijn dat hun erelonen zullen worden betaald.
2. Inleidende uiteenzetting door mevrouw S. Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw
Mevrouw Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, geeft een toelichting bij titel VII van het ontwerp, dat betrekking heeft op het rust- en overlevingspensioen van zelfstandigen.
Om de gelijke behandeling tussen de zelfstandigen en de loontrekkenden te garanderen, voorzien de artikelen 38 en 39 voor dezelfde gevallen in het terugbrengen van de verjaringstermijn op drie jaar (en niet meer op vijf jaar) voor de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde pensioenprestaties binnen het stelsel der zelfstandigen.
Verder verwijst zij naar Afdeling 2 van Hoofdstuk 3 van Titel XI van het wetsontwerp met betrekking tot een betere inning van de socialezekerheidsbijdragen van de zelfstandigen.
De artikelen 95 tot 98 van het wetsontwerp tot diverse bepalingen, betreffen een betere inning van de sociale bijdragen van de zelfstandigen.
De wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen heeft een aantal rechtsmiddelen ter beschikking gesteld van de inningsinstellingen van socialezekerheidsbijdragen van zelfstandigen, die hen in staat stelt de bijdragen beter te innen. In deze context werd de sociale notificatie ingesteld.
Bij de raadpleging van de verschillende betrokken personen (notarissen, deurwaarders, enzovoort) is gebleken dat wettelijke regels inzake sociale notificatie noodzakelijk zijn voor belangrijke vraagstukken zoals de niet-beschikbaarheid van de elektronische weg, de vaste dagtekening van de berichten en de ondertekening ervan.
Deze bepalingen zijn opgenomen in het hoofdstuk « Sociale Zaken » omdat zij aansluiten bij soortgelijke bepalingen in het raam van de sociale zekerheid van loontrekkenden (artikelen 118 tot 120), waarvan zij niet los te koppelen zijn (de procedure moet immers dezelfde zijn voor beide socialezekerheidsstelsels).
3. Inleidende uiteenzetting door de heer Ch. Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen
De heer Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, geeft toelichting bij titel XII van het wetsontwerp.
Het deel « Maatschappelijke Integratie » van de wet houdende diverse bepalingen bevat 5 kernpunten, namelijk het sociaal stookoliefonds, de voorschotten op de onderhoudsgelden, het recht op maatschappelijke integratie, de organieke OCMW-wet en de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
In de bepaling betreffende het sociaal stookoliefonds wordt een vervaltermijn vastgesteld voor het indienen van de kosten van de OCMW's. Het Fonds moet immers de vorige verwarmingsperiodes kunnen afsluiten.
Er wordt eveneens een vervaltermijn voorzien voor de voorschotten op onderhoudsgelden die de OCMW's hebben uitgekeerd tot 1 oktober 2005, zijnde het moment waarop de dienst Alimentatievorderingen van Financiën deze bevoegdheid heeft overgenomen. De ingevoerde vervaltermijn maakt het de POD Maatschappelijke Integratie mogelijk de betreffende rekeningen definitief afsluiten.
Met betrekking tot het recht op maatschappelijke integratie, wordt een artikel betreffende de Europese onderdanen ingevoegd. Naar aanleiding van een arrest van het Arbitragehof moet de vernietigde bepaling worden vervangen door een nieuwe bepaling, volgens welke de EU-onderdanen met een verblijfsrecht van meer dan drie maanden in aanmerking komen voor een leefloon als zij aan de andere, algemene voorwaarden voldoen. Zonder deze maatregel wordt geen voorwaarde inzake verblijfsduur opgelegd opdat onderdanen van de Europese Unie recht hebben op leefloon. De invoering van dit artikel loopt vooruit op een wijziging van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 tot omzetting van een Europese richtlijn hierover. Het desbetreffende wetsontwerp zal eerlang door minister Dewael bij het Parlement worden ingediend. De twee wetten moeten op elkaar worden afgestemd.
Een volgende wijziging betreft de territoriale bevoegdheid van de OCMW's. Er bestond onduidelijkheid betreffende de aanduiding van het territoriaal bevoegd OCMW voor de tenlasteneming van daklozen. De ingevoerde bepaling corrigeert deze onduidelijkheid.
In zijn arrest van 28 juli 2006 heeft het Arbitragehof artikel 68quinquies van de organieke wet van 8 juli 1976 gedeeltelijk vernietigd. Dit artikel betreft de specifieke hulp voor personen die een bijdrage voor een geplaatst kind betalen. Het artikel is herschreven om het aan te passen aan het arrest van het Arbitragehof en heeft nu ook betrekking op onderhoudsgelden ten gunste van kinderen die in het buitenland verblijven en op de bijdragen voor de plaatsing van de kinderen.
Er wordt ten slotte een laatste artikel ingevoegd betreffende de overdracht, via de Kruispuntbank, van gegevens betreffende de wet van 2 april 1965. De bepaling legt de wettelijke grondslag voor de invoering in de Kruispuntbank van gegevensstromen die verband houden met de maatschappelijke steun. De bepaling voert een aantal noodzakelijke vervaltermijnen in.
4. Inleidende uiteenzetting door de heer B. Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen
De heer Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen, geeft toelichting bij titel XII van het ontwerp. Deze artikelen hebben betrekking op een aantal technische aanpassingen in de wetten van 16 juni 1960 (koloniale sociale zekerheid) en 17 juli 1963 (overzeese sociale zekerheid). Aan deze wetten werden reeds eerder diverse wijzigingen aangebracht. De meest recente — met de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen — betrof hoofdzakelijk de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de pensioensector.
In dit ontwerp betreft het slechts enkele bepalingen :
1) Art. 158 — Een louter technische aanpassing van artikel 18bis van de wet van 16 juni 1960 (om de verwijzingen in die bepaling in overeenstemming te brengen met de gewijzigde bepalingen van de wet van 20 juli 2006);
2) Art. 159 — Een delegatie aan de Koning met betrekking tot de eventuele wijziging van de bestemming van de bijdragen in de overzeese sociale zekerheid. Artikel 17 van de wet van 17 juli 1963 legt de bestemming van de bijdragen vast : 70 % naar het Pensioenfonds, 9,5 % naar het Invaliditeitsfonds en 20,5 % naar het Solidariteits- en Perequatiefonds. Met dit ontwerp wordt aan de Koning de bevoegdheid gegeven om deze percentages te wijzigen.
Een analoge oplossing wordt beoogd in het daaropvolgende artikel met betrekking tot de personen van vreemde nationaliteit.
3) Art. 160 — Met dit ontwerp wordt een betere omschrijving gegeven van de voorwaarden van pensioeningang op en na 65 jaar. Dit bleek nodig aangezien werd de normale pensioengerechtigde leeftijd met de wet van 20 juli 2006 op 65 jaar werd gebracht.
4) Art. 161 — Inwerkingtreding op 1 januari 2007 (naar analogie van de ingangsdatum voor de bepalingen met betrekking tot de overzeese sociale zekerheid vervat in de wet van 20 juli 2006)
5. Inleidende uiteenzetting door de heer R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, wijst erop dat de titel « Sociale Zaken » van voorliggend wetsontwerp 9 hoofdstukken bevat rond de volgende thema's :
1. Persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van de zaakvoerders en bestuurders van vennootschappen in geval van faillissement;
2. Communicatieplicht in geval van schulden bij de inninginstelling van de socialezekerheidsbijdragen;
3. Betere inning van de socialezekerheidsbijdragen;
4. Kinderbijslag;
5. Suppletief sociaal statuut van de lokale mandatarissen;
6. De hervorming van de socialezekerheidsbijdragen en inhoudingen verschuldigd op brugpensioenen, op aanvullende vergoedingen bij sommige socialezekerheidsuitkeringen en op uitkeringen voor invaliditeit;
7. de harmonisering van de sociale zekerheid;
8. de modernisering van de sociale zekerheid;
9. een omkaderingsmaatregel met betrekking tot de regeling PLUS MINUS CONTO ingevoerd via de bepalingen van de Titel Werk.
1 en 2. Persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van de zaakvoerders en bestuurders van vennootschappen in geval van faillissement en communicatieplicht in geval van schulden bij de inninginstelling van de socialezekerheidsbijdragen
De bepalingen van de twee eerste hoofdstukken van de Titel Sociale Zaken passen de verwijzing naar een bepaling van het koninklijk besluit van 28 november 1969 aan.
3. Betere inning van de socialezekerheidsbijdragen
De bepalingen van Hoofdstuk 3 hebben betrekking op de 4e weg.
De voorgestelde wijzigingen zijn het resultaat van besprekingen met de notarissen en gerechtsdeurwaarders.
Het is de bedoeling deze bepalingen uit te voeren niet alleen voor de nodige samenhang en coördinatie, maar ook met het oog op rechtszekerheid en doeltreffendheid.
Uit de raadpleging van de betrokken actoren is gebleken dat een wetgevend initiatief nog nodig was voor belangrijke vraagstukken zoals de aanhoudende niet-beschikbaarheid van elektronische communicatiemiddelen, de vaste dagtekening van berichten en de ondertekening ervan. De kennisgeving van de instelling die de bijdragen int geldt immers als beslag onder derden.
4. Kinderbijslag
De drie eerste afdelingen van het Hoofdstuk « Kinderbijslag » hebben tot doel de bevoegde instelling inzake kinderbijslag te bepalen, en de vierde afdeling heeft betrekking op de wijze van uitbetaling van de kinderbijslag.
Het kinderbijslagfonds van de RSZPPO wordt bevoegd voor de uitbetaling van de kinderbijslag in drie gevallen :
— aan de gesubsidieerde contractuele personeelsleden, bedoeld bij de programmawet van 1988 en die door plaatselijke overheden zijn tewerkgesteld; het gaat om een vereenvoudigingsmaatregel voor de betrokken plaatselijke overheden;
— aan de personeelsleden van de Federale Politie. De maatregel houdt rekening met de mobiliteit tussen de Federale Politie en de politiezones;
— aan de personeelsleden van enkele instellingen van openbaar nut die bij de RSZPPO zijn aangesloten.
Ten slotte wordt voorgesteld de praktijk te bevestigen waarbij voorrang wordt gegeven aan een storting op een bankrekening voor de uitbetaling van de kinderbijslag in de plaats van een uitbetaling door middel van een circulaire cheque.
5. Suppletief sociaal statuut van de lokale mandatarissen
Gelet op de verschillende situatie die zich ontwikkelt in het Vlaams Gewest en in het Waals Gewest wat betreft de lokale mandatarissen, bevat het ontwerp een volledige nieuwe formulering van het toepassingsgebied van het suppletief sociaal statuut.
Dit statuut geldt voor alle personen die een wedde ontvangen voor de uitoefening van een uitvoerend politiek mandaat bij een gemeente, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW), een provincie, een vereniging van gemeenten of een OCMW-vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
6. Socialezekerheidsbijdragen en inhoudingen verschuldigd op brugpensioenen, op aanvullende vergoedingen bij sommige socialezekerheidsuitkeringen en op uitkeringen voor invaliditeit
De voorgestelde bepalingen hebben een dubbele doelstelling :
— de administratieve verplichtingen van de werkgevers vereenvoudigen door middel van een overdracht aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ) of aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (RSZPPO) van de werkgeversbijdragen en inhoudingen die ze tot nu toe aan de Rijksdienst voor pensioenen (Rijksdienst voor pensioenen) moesten aangeven en betalen;
— Door de verschillende wetteksten in een enkele wet samen te brengen wordt de herhaling van definities voorkomen, worden de verschillende maatregelen geharmoniseerd en ontstaat er een overzichtelijk geheel.
7. Harmonisering van de sociale zekerheid
Het komt er voornamelijk op aan rekening te houden met de invoering van een vergoeding ten laste van de werkloosheidssector ingeval van seniorvakantie.
8. Modernisering van de sociale zekerheid
De bepalingen in Hoofdstuk 8 hebben tot doel bepaalde elektronische kennisgevingen gelijk te stellen met een verzending per aangetekende brief.
De bepalingen gelden enkel voor de relaties tussen de instellingen die socialezekerheidsbijdragen innen en de werkgevers, hun sociale secretariaten en andere dienstverleners waarop de werkgevers een beroep doen voor de socialezekerheidsaangifte.
Dankzij de voorstellen die u voor onderzoek worden voorgelegd, kan een elektronische kennisgeving die aan striktere criteria beantwoordt onder bepaalde voorwaarden worden gelijkgesteld met een kennisgeving door middel van een ter post aangetekende zending.
9. Plus minus conto
Naar aanleiding van het akkoord dat tussen de partners werd bereikt over de uitvoering van het plus minus conto die in het akkoord voor de automobielsector is voorzien, heeft de regering de wettelijke bepalingen daarover willen opnemen in het voorgelegde wetsontwerp.
In de titel Sociale Zaken is een begeleidende maatregel opgenomen wat betreft de verjaring van de socialezekerheidsbijdragen.
De bepaling geldt enkel voor de werknemers van deze ondernemingen die in het kader van de regeling plus minus conto zijn tewerkgesteld.
Het beginpunt van de verjaring inzake socialezekerheidsbijdragen stemt overeen met het einde van de periode waarna de normale arbeidsduur gemiddeld moet worden nageleefd.
Immers, pas op dat ogenblik kan men met zekerheid uitmaken of alle loonelementen die moesten worden aangegeven dit wel degelijk zijn geweest.
Dit is het geval van de titel Sociale Zaken van het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen.
Vervolgens bespreekt de heer Demotte het deel « Volksgezondheid » van het wetsontwerp (Titel XIV).
Dit deel is in 7 hoofdstukken onderverdeeld.
— de eerste twee hoofdstukken gaan over geneesmiddelen
— het derde hoofdstuk brengt wijzigingen aan in het koninklijk besluit nº 78
— het vierde hoofdstuk wijzigt het koninklijk besluit nº 79
— het vijfde hoofdstuk heeft betrekking op de wet op de ziekte- en invaliditeitsverzekering
— het zesde hoofdstuk wijzigt de wet op de ziekenhuizen
— het laatste hoofdstuk heeft betrekking op het thema dier, plant en voeding.
Hoofdstukken 1 en 2
Inzake geneesmiddelen worden twee soorten wijzigingen in de wetgeving aangebracht.
Eerst zijn er de technische wijzigingen. Daarmee kan de Europese richtlijn over de geneesmiddelen worden uitgevoerd en een probleem bij de omrekening naar euro worden rechtgezet.
Daarnaast zijn er de wijzigingen die nodig zijn om op 1 januari 2007 het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten operationeel te maken. Verder worden terminologische wijzigingen aangebracht en zijn er bepalingen die de toepassingssfeer van het agentschap aanvullen.
Hoofdstuk 3
Artikel 251 beoogt een aanpassing zodat elke persoon die een Europees diploma heeft dat recht geeft op de uitoefening van een gezondheidsberoep, dit beroep effectief in België mag uitoefenen, op voorwaarde dat deze persoon aan alle andere voorwaarden voldoet om legaal in België te werken.
Wat de procedure betreft voor de transfer van apotheken, zal er geen grote achterstand meer worden opgelopen die vaak te wijten was aan problemen van niet-ontvankelijkheid door de Commissie, daar deze ontvankelijkheid voortaan door het secretariaat zal kunnen worden vastgesteld.
Hoofdstuk 5
De afdeling over de responsabilisering van de zorgverstrekkers bevat een aantal technische correcties op de aangenomen bepalingen in de gezondheidswet.
De afdeling over de geneesmiddelen maakt een snellere prijsdaling van medicijnen mogelijk ten voordele van zowel de patiënt als het RIZIV.
Hoofdstuk 6
Een wijziging in de wet op de ziekenhuizen verduidelijkt dat ziekenhuizen een dienst van algemeen belang verlenen. Deze wijziging komt er na een beslissing van de Europese Commissie over staatshulp als vorm van overheidscompensatie aan bedrijven belast met het beheer van een dienst van algemeen economisch belang.
Een andere wijziging definieert zorgkundigen en ondersteunend personeel.
Ten slotte kunnen ook uitzonderingen op het principe voor erkenningen worden vastgelegd bij koninklijk besluit vanaf 30 april 2007.
Deze wijziging strekt ertoe juridische leemtes aan te vullen die voorvloeien uit het schrappen van wettelijke bepalingen.
Hoofdstuk 7
De eerste afdeling is bedoeld om eenduidig aan te geven dat de verplichting tot raadpleging van het Wetenschappelijk Comité van het Voedselagentschap louter betrekking heeft op wetenschappelijke teksten. Dat comité wordt immers overladen met teksten van administratieve, organisatorische of financiële aard.
De minister stelt voor om « liefdadigheidsorganisaties die zijn opgericht als vzw en uitsluitend filantropische of liefdadigheidsacties uitvoeren en steunen op vrijwillig personeel » vrij te stellen van de bijdrage aan het Voedselagentschap. Deze maatregel is op de voedselbanken en gaarkeukens gericht.
De laatste afdeling van dit hoofdstuk bekrachtigt het koninklijk besluit van 10 mei 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 januari 2004 houdende vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten.
7. Inleidende uiteenzetting door de heer P. Vanvelthoven, minister van Werk
De heer Vanvelthoven, minister van Werk, geeft toelichting bij titel XIII van voorliggend ontwerp.
Hoofdstuk 1
Arbeidsinspectie en administratieve geldboeten
Wijziging van de wet betreffende de administratieve geldboeten :
De regering heeft een plan goedgekeurd om sneller de huidige achterstand weg te werken. Daarvoor is het nodig dat verschillende ambtenaren administratieve geldboeten kunnen opleggen. Dit vereist een wijziging van het wetsartikel.
Wijziging van de wet betreffende de arbeidsinspectie :
Sinds augustus hebben de sociale inspecteurs (directiechefs) de bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie. Het begrip « sociaal inspecteur » kan echter geïnterpreteerd worden als het geheel van de ambtenaren die de sociale wetten moeten controleren (sociale controleurs). Daarom wordt dit met terugwerkende kracht verduidelijkt in dit artikel.
Hoofdstuk 2
Dienstencheques
Het is de bedoeling om de toepassing van twee bestaande erkenningsvoorwaarden (als uitgiftebedrijf) te verruimen.
Hierdoor zal een bedrijf nu ook na zijn erkenning geen achterstallige belastingen of bijdragen aan de RSZ of aan de fondsen voor bestaanszekerheid verschuldigd mogen zijn.
Bovendien wordt de erkenningsvoorwaarde dat het bedrijf niet in staat van faillissement mag verkeren noch onder de zaakvoerders personen mag tellen die, tijdens de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning, aansprakelijk zijn gesteld voor de verbintenissen of schulden van een gefailleerde vennootschap, uitgebreid tot alle erkende bedrijven.
Hoofdstuk 3
Collectieve arbeidsbetrekkingen
Aanpassing van artikel 43 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités
Met de opheffing van punt 6º van artikel 43 verdwijnt de maximumleeftijd om zitting te hebben in een paritair comité. Dit is immers in strijd met onze antidiscriminatiewetgeving.
Wijziging van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een Intern Compensatiefonds voor de diamantsector
Op 29 juni 2006 is er tussen de vertegenwoordigers van de diamantnijverheid, de diamanthandel, de representatieve werknemersvertegenwoordigers en de regering een protocol van akkoord afgesloten. De doelstellingen van dit protocol van akkoord zijn tweeërlei.
Het eerste deel van het akkoord betreft de opschorting van de heffing van 1/3 % (of 0,33 %) op de waarde van de invoer van ruwe diamant ter financiering van het Sociaal Fonds voor de diamantarbeiders. Dit fonds heeft, net als de andere Fondsen voor Bestaanszekerheid, als opdracht het financieren, het toekennen en het uitbetalen van bijkomende sociale voordelen aan de diamantarbeiders. Aangezien voorlopig voldoende financiële reserves aanwezig zijn in dit fonds om de sociale voordelen toe te kennen, kan deze heffing worden opgeschort.
Het tweede deel van het protocol is de herinvoering van het sociaal plan zoals dat in 1999 al werd ingevoerd. Dit sociaal plan beoogt de bevordering van de tewerkstelling in de diamantnijverheid via het instellen van een soort alternatieve financiering van de sociale zekerheid binnen de diamantsector. De regeling komt erop neer dat de diamanthandelaars en -nijveraars een bepaalde bijdrage storten in een Fonds waarop dit Fonds de diamantnijveraars (= diegenen die diamantarbeiders tewerkstellen) uitkeringen uitbetalen teneinde de sociale lasten te verlichten. Hierbij wordt rekening gehouden met de Europese regels inzake staatssteun.
Om dit protocol in de praktijk om te zetten dient de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een Intern Compensatiefonds voor de diamantsector te worden aangepast.
Hoofdstuk 4
Arbeidsongevallen
Met dit voorstel wil de regering de preventie van arbeidsongevallen aanmoedigen, door middel van een verplichte aanpassing van de premie voor arbeidsongevallen aan het werkelijke aantal arbeidsongevallen van de onderneming.
Voor grotere ondernemingen vraagt de verzekeringsmaatschappij een bedrag dat overeenkomt met de eigen arbeidsongevallenstatistiek van de onderneming. Dat stimuleert de preventie. Voor kleinere ondernemingen is dit anders : om het even of een onderneming veel of weinig arbeidsongevallen heeft, de premie verschilt niet betekenisvol of helemaal niet. De premie van eenzelfde verzekeraar fluctueert dus nauwelijks rond het gemiddelde van de sector of subsector, en dat ondanks het feit dat een formule bestaat die toelaat een feitelijke bonus-malus te berekenen.
Het gevolg is dat goede bedrijven mee opdraaien voor slechte bedrijven. En aangezien de kostprijs van de arbeidsongevallenverzekering een aanzienlijk percentage van de brutoloonmassa uitmaakt, kan men zelfs stellen dat slechte bedrijven een concurrentievoordeel hebben op de bedrijven die wel veel aandacht besteden aan preventie. Onveilig werken is immers vaak synoniem voor goedkoper werken, en de factuur van de ongevallen wordt uitgesmeerd over andere ondernemingen. Door het instellen van een verplichte bonus-malus draaien we dit perverse neveneffect van ons verzekeringssysteem om : wie slecht werkt zal betalen, en wie goed werkt wordt beloond.
Hoofdstuk 5
Scholingsbeding
Dit hoofdstuk heeft tot doel — ter uitvoering van het generatiepact — in de arbeidsovereenkomstenwet een aantal juridische waarborgen in te schrijven waaraan een scholingsbeding moet voldoen teneinde rechtsgeldig te zijn.
Dit waarborgt aan de werkgevers een zekere stabiliteit inzake de rentabiliteit van de vormingsinvestering die hij heeft gedaan maar waarborgt ook aan de werknemers een aantal voorwaarden omtrent de omvang van de verstrekte vorming en de grenzen waarbinnen een terugbetaling geëist kan worden teneinde te kunnen spreken van een rechtsgeldig scholingsbeding. Tot op vandaag is het aan de rechtspraak om te oordelen over de rechtsgeldigheid van een scholingsbeding, zonder dat er daarvoor duidelijke richtsnoeren zijn. Het voorliggend ontwerp heeft tot doel de vereisten te bepalen waaraan een beding moet voldoen teneinde rechtsgeldig te zijn. Hierdoor ontstaat meer rechtszekerheid voor werkgevers én werknemers.
Een scholingsbeding is een clausule in een arbeidsovereenkomst, waarin overeengekomen wordt dat de kosten gedragen door de werkgever voor een opleiding gevolgd door de werknemer, worden terugbetaald aan de werkgever indien de werknemer zijn job verlaat binnen een overeengekomen tijdsspanne.
Bedoeling is de werkgever te compenseren als het onmogelijk is om zijn opleidingskosten te recupereren via rendementsverhoging van de werknemer in kwestie.
Hoofdstuk 6
Sluiting van ondernemingen
Invoeging van een bepaling in de wet van 26 juni 2002.
Het uitvoeringsbesluit ter uitvoering van deze wet zal eerdaags genomen worden (laatste zitting van het beheercomité op 5 december). Om te voorkomen dat men uit de huidige bewoordingen van de wet zou afleiden dat de non-profitsector (waarop de wet betreffende de sluiting van de ondernemingen slechts gedeeltelijk van toepassing zal zijn) geen bedragen voor tijdelijke werkloosheid meer verschuldigd is, moet dit in deze wet uitdrukkelijker bepaald worden.
Hoofstuk 7
Sociale verkiezingen 2008
Dit artikel voert advies nr. 1563 van de NAR van 18 juli 2006 uit. Het advies voorziet in oplossingen voor problemen met de sociale verkiezingen van 2008. De pre-electorale procedure voor deze verkiezingen begint reeds in 2007 dus dient de wet dringend gewijzigd te worden.
Het wetsontwerp legt de wetgeving uit om interpretatieproblemen te voorkomen. De volgende aspecten worden behandeld :
— de werkgever maakt deel uit van de werkgeversafvaardiging;
— iedere verwijzing naar de nationaliteit wordt geschrapt in de verkiesbaarheidsvoorwaarden
— jonge werknemers zijn werknemers van hoogstens 25 jaar.
Hoofdstuk 8
Inspanningen ten voordele van risiciogroepen en activering werklozen
Over de inspanning ten voordele van de personen die behoren tot de risicogroepen en inzake de actieve begeleiding en opvolging van werklozen wordt door de sociale partners om de twee jaar beslist of zij wordt voortgezet voor de komende tweejaarlijkse interprofessionele overlegronde. Aan dit door de sociale partners aangegaan engagement wordt traditiegetrouw uitvoering gegeven via een uitvoeringswet. De tekst van deze uitvoeringswet is altijd identiek dezelfde, behalve wat betreft de periode waarvoor het engagement wordt aangegaan.
De vooropgestelde wijziging beoogt een vereenvoudiging en standaardisering. De tweejaarlijks terugkerende wettekst wordt permanent gemaakt, maar het activeren van deze wetgeving blijft in de handen van de sociale partners. Door deze standaardisering kunnen ook de uitvoeringsbesluiten (inzake het model van rapportering, inzake de uitsluiting van bepaalde werkgevers uit de regeling, enzovoort) die voor deze wetgeving genomen moeten worden, gestandaardiseerd worden. De wijziging komt er dus op neer dat de Koning de wetgeving enkel zal kunnen activeren, op uitdrukkelijk voorstel van de interprofessionele sociale partners.
Hoofdstuk 9
Betaald educatief verlof
De meer dan penibele budgettaire situatie van het stelsel betaald educatief verlof is reeds meermaals ter sprake gekomen in deze commissie. In de recente begrotingsconclaven heeft de regering een aantal conservatoire maatregelen genomen zoals het twee maal op rij verhogen van de overheidsdotatie tot ruim 84 miljoen euro (waardoor de overheid drie kwart van de kosten ten laste neemt), de forfaitarisering van de terugbetaling aan de werkgevers en een beperking van het aantal terugbetaalbare uren (weliswaar met een overgangsregeling).
Dit ontwerp heeft tot doel de financiering van het stelsel structureel veilig te stellen maar ook vat te krijgen op de uitgaven.
Voortaan (vanaf begrotingsjaar 2008) zullen de uitgaven niet meer groter kunnen zijn dan de inkomsten van het stelsel. En deze inkomsten zullen perfect gelijkmatig, fifty/fifty, bestaan uit bijdragen enerzijds en een overheidstoelagen anderzijds, waarbij de opbrengst van de bijdragen determinerend is.
Het is belangrijk dat zowel naar financiering als uitgaven iedere partner doet wat hij moet doen. Daarom dringt de regering erop aan dat in het kader van het interprofessioneel overleg de sociale partners een voorstel formuleren omtrent de centrale parameters : de bijdragevoet, de verdeling van de totale inkomsten over types van opleidingen door het vormen van deelenveloppes, de terugbetaalbare opleidingen, het aantal uren dat per individu en per type opleiding terugbetaalbaar is en het loonplafond dat geldt voor de betaling van de werknemer.
Bij gebreke aan interprofessioneel akkoord of afspraken hierover in het IPA, zal de Koning deze parameters vastleggen na advies van de NAR.
Hoofdstuk 10
Diefstalcontrole bij het verlaten van de onderneming
Op vraag van de minister van Binnenlandse Zaken, heeft de NAR op 18 oktober 2006 advies uitgebracht over de mogelijkheid om diefstallen te controleren bij het verlaten van het bedrijf. Dit hoofdstuk voert advies nr. 1571 van de NAR gedeeltelijk uit.
De ontworpen bepaling voorziet erin dat de bijzondere procedure die normaal gezien gevolgd moet worden om het arbeidsreglement te wijzigen, niet gevolgd moet worden bij het verstrekken van informatie over het bestaan van een uitgangscontrole en over de aanwezigheid van bewakingsfirma's of interne controlediensten.
Hoofdstuk 11
Plus minus Conto
Dit hoofdstuk, dat bij wijze van amendement werd ingevoegd, geeft gedeeltelijk uitvoering aan het protocolakkoord van de voertuigenindustrie van 29 mei 2006. De sector wordt geconfronteerd met zware internationale concurrentie en vraagt daarom om de arbeidstijd soepeler te kunnen aanpassen aan het werkvolume. Dit amendement geeft uitvoering aan het systeem van plus minus conto. Het wetsontwerp beperkt zich tot de arbeiders van de automobielsector en van haar toeleveranciers. Via het wetsontwerp kan een onderneming afwijken van de normale arbeidsduurgrenzen zonder evenwel een maximum van 10 uur per dag en 48 uur per week te overschrijden. Daarenboven wordt de referteperiode waarbinnen de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur moet worden nageleefd, opgetrokken van 1 naar maximum 6 jaar. Alvorens plus minus conto toegepast kan worden, is een erkenning door de minister van Werk, na unaniem advies van NAR, vereist, alsook een sectorale en een ondernemingsCAO.
Hoofdstuk 12
Organiek fonds ESF
In de context van de nieuwe programmatie 2007-2013 van het Europees Sociaal Fonds onderhandelden de verschillende deelgebieden van het land over een nieuwe verdeling van de middelen die in dat kader worden toegekend. Het aan het federale niveau toegekende deel van de Europese middelen werd voor de 7 jaar teruggebracht tot 40 miljoen euro. Voordien ging het om 72 miljoen euro.
Deze 40 miljoen werd verdeeld in 34 miljoen voor de minister van Maatschappelijke Integratie en in 6 miljoen voor de federale minister van Werk. Gezien de kleinere enveloppe voor de minister van Werk, werd beslist om het voorheen door de minister van Werk uitgeoefende beheer van het federale ESF (beheers- en betaalinstantie) op 1 januari 2007 over te hevelen naar de minister van Maatschappelijke Integratie.
Hoofdstuk 13
Tijdskrediet
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan punt 3 van maatregel 47 van het Generatiepact. In deze maatregel wordt voorzien dat het voltijds tijdskrediet beperkt zal worden tot 1 jaar met uitkeringen tenzij men het voltijds tijdskrediet opneemt voor opvoeding, zorgtaken of opleiding.
Teneinde de uitkeringen te kunnen beperken tot een jaar moet de wettelijke basis gewijzigd worden in de Herstelwet van 22 januari 1985. Het generatiepact voorziet in de inwerkingtreding van deze maatregel op 1 januari 2007. Bovendien is deze wijziging van de toekenningsvoorwaarden van uitkeringen in voltijds tijdskrediet ook ingeschreven in de begroting van 2007.
Hoofdstuk 14
Mededeling aan de werknemersvertegenwoordigers van de inlichtingen over de voordelen betreffende de maatregelen ten gunste van de werkgelegenheid
Dit hoofdstuk geeft gedeeltelijk uitvoering aan het NAR advies nr. 1536 van 30 november 2005. In het Generatiepact is voorzien dat de sociale balans vereenvoudigd wordt en dat een nieuw meetinstrument voor vorming wordt opgenomen. De belangrijkste vereenvoudiging betreft het schrappen van deel 3 van de sociale balans over de werkgelegenheidsmaatregelen. Deze informatie zal immers rechtstreeks aangeleverd worden vanuit de multifunctionele aangifte (DMFA) aan de werkgevers. Het wetsontwerp voorziet in de rechtsgrond hiervoor. Een uitvoeringsbesluit zal de nadere regelen bepalen van deze gegevensoverdracht.
III. ALGEMENE BESPREKING
1. Maatschappelijke integratie
Mevrouw De Schamphelaere informeert of de minister reeds weet waaraan de middelen van het Europeees Sociaal Fonds zullen worden besteed.
De heer Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt dat de meeste van deze middelen nu reeds worden besteed in het kader van de armoedebestrijding.
Mevrouw De Schamphelaere benadrukt dat, wanneer Europese middelen worden besteed in het kader van de strijd tegen de armoede, een ernstig debat over de doeltreffendheid zich opdringt.
Mevrouw Van de Casteele vraagt een overzicht van de projecten die met de middelen van het Europees Sociaal Fonds worden gefinancierd.
De minister zal dit overzicht ter beschikken van de commissie stellen.
De heer Cornil begrijpt de voorgestelde maatregel, volgens dewelke onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie recht heeft op een maatschappelijke integratie van zodra hij over een verblijfsvergunning beschikt voor meer dan 3 maanden. Beschikt de ministers over cijfers in verband met het aantal begunstigden van deze maatregel ? Is er een verband met de aansluiting van de nieuwe Oosteuropese lidstaten ?
De minister antwoordt dat er zich geen spectaculaire toename heeft voorgedaan sedert de toetreding tot de Europese Unie van deze nieuwe lidstaten. Weliswaar verblijven er veel onderdanen van deze lidstaten regelmatig in België maar, in tegenstelling tot wat algemeen wordt vermoed, maken zij geen buitensporig gebruik van onze sociale voorzieningen.
De heer Beke meent dat de toegankelijkheid tot het stookoliefonds breder in de tijd dient te worden geregeld, terwijl het nu beperkt wordt tot en met de maand maart.
De minister antwoordt dat hij, in persoonlijke naam, voorstander is van een fonds dat het hele jaar door toegankelijk blijft. Dit is echter niet het standpunt van de regering. De beperking in de tijd brengt echter ook een beperking in het verbruik mee. De verbreding zou immers budgettaire meerkosten met zich brengen en niet iedereen is bereid om dit gevolg te aanvaarden.
De heer Beke repliceert dat de budgettaire kosten van het Stookoliefonds grotendeels wordt bepaald door macro-economische factoren, zoals de evolutie van de prijs van ruwe olie, waarop de regering helemaal geen vat heeft.
Overigens merkt de heer Beke dat, ook in dit wetsontwerp, allerhande fondsen worden opgericht. Er ontstaat zo stilaan een wildgroei met als risico dat er zich een nieuw « Mattheus-effect » voordoet : diegenen die het het minste nodig hebben, zullen als eerste van deze regelingen gebruik maken omdat zij er hun weg in terugvinden.
2. Werk
Mevrouw Zrihen wenst te vernemen waarom het aan het federale niveau toegekende deel van de middelen van het ESF daalt van 72 naar 40 miljoen euro.
De heer Vanvelthoven, minister van Werk, herinnert eraan dat ons land hoe dan ook minder middelen krijgt van het Europees Sociaal Fonds. Daardoor diende ook een nieuwe verdeling tussen de gemeenschappen, de gewesten en de federale overheid te worden afgesproken.
Mevrouw Van de Casteele merkt op dat het ontwerp een bepaling bevat inzake erkenningsvoorwaarden voor dienstenchequebedrijven. Deze mogen niet in staat van faillissement verkeren. Bestaan er zo'n gevallen en is deze bepaling daarom nodig ?
De minister antwoordt dat de bedoeling van de bepaling is om te preciseren dat de erkenningsvoorwaarden niet enkel moeten gelden bij de start van een dienstenchequebedrijf, maar ook erna.
De heer Beke vraagt hoe deze toetsing zal gebeuren.
De minister antwoordt dat uit controles zal blijken of een bedrijf al dan niet aan de voorwaarden voldoet. Deze controles gebeuren na klachten, maar ook zonder dat klacht werd ingediend, steekproefgewijs.
De heer Beke meent dat in dienstenchequeondernemingen vaak heel wat fout loopt, waarbij het niet altijd zo is dat de betrokkenen weten dat ze bepaalde verplichtingen naast zich neerleggen. Hij meent dat vanuit de overheid duidelijker richtlijnen moeten worden opgesteld naar de ondernemingen toe.
Mevrouw Van de Casteele zegt de opheffing van de leeftijdgrens voor de paritaire comités te begrijpen omwille van het verbod op discriminatie op basis van leeftijd, maar wijst op het gevaar dat bepaalde personen gedurende tientallen jaren op dezelfde stoel blijven zitten. Dit is niet goed omdat dit de venieuwing in de weg staat. Zij meent overigens dat dit ook in de politiek het geval is : de duurtijd van een politiek mandaat, bijvoorbeeld als burgemeester, zou beperkt moeten zijn. Er is altijd een concurrentieel voordeel voor de uittredende mandatarissen.
De minister antwoordt dat, wat de politieke instellingen betreft, de kiezer het laatste woord heeft en dat men bij wet geen maximale leeftijdsgrens kan instellen. Wel is het zo dat men nog tal van collectieve arbeidsovereenkomsten zal moeten aanpassen om het verbod op discriminatie op basis van leeftijd te schrappen.
De heer Beke informeert of voor deze operatie een tijdspad is opgesteld. Hoe zit het overigens met de discriminatie op basis van leeftijd in de publieke sector ?
De minister antwoordt dat er, enerzijds, een doorlichting van de arbeidswetgeving gaande is teneinde na te gaan welke bepalingen moeten worden aangepast door de wetgever en, anderzijds, de sociale gesprekspartners eveneens de oefening moeten doen voor wat de collectieve arbeidsovereenkomsten betreft. Dit geldt bijvoorbeeld wat betreft de koppeling van loonschalen aan leeftijd. Deze oefening is helemaal niet makkelijk omdat ze voor sommige personen een vooruitgang betekent, maar voor andere precies het tegenovergesteld effect heeft. Een en ander zal wellicht bij het komende loonoverleg aan bod komen. Alleszins moet worden voorkomen dat een werknemer naar de arbeidsrechtbank stapt en daar gelijk haalt op basis van de Europese normen. De minister merkt daarbij op dat loonschalen, die niet op basis van leeftijd maar wel van anciënniteit zijn opgesteld, door de Europese regelgeving wel worden getolereerd voor zover dit voldoende kan worden gerechtvaardigd. Er is vooralsnog geen uitspraak van het Europees Hof van Justitie dat zulks niet mogelijk is, maar de grens tussen beide is vaak flinterdun.
Mevrouw Van de Casteele is van mening dat het voorgestelde bonus/malus-systeem inzake arbeidsongevallen een goede zaak is omdat het de werkgevers beloont die trachten arbeidsongevallen te vermijden. Dit neemt niet weg dat ook de vrees bestaat dat de drempel verhoogt om arbeidsongevallen aan te geven. Hoe denkt de minister dit te vermijden ? Komt er een evaluatie van de voorgestelde regeling ?
De heer Vankrunkelsven verwijst naar de slogan, die sommige bedrijven graag als visitekaartje gebruiken, waarbij wordt gesteld dat er reeds zoveel dagen zijn gewerkt zonder een arbeidsongeval. Om dat cijfer op te smukken gebeurt het dat arbeiders onder druk staan om aan hun huisarts te vragen om een arbeidsongeval niet als dusdanig te attesteren en zich bereid verklaren de extra kosten zelf te dragen. De huisarts staat hier in een moeilijke positie : hij wenst enerzijds geen valsheid in geschrifte te plegen, maar beseft dat de arbeider in een zwakke positie staat omdat die schrik heeft van zijn werkgever. Het voorgestelde bonus/malus-systeem zou dit fenomeen nog extra kunnen versterken. Spreker stelt dan ook voor dat de invoering van dit systeem zou samengaan met een duidelijke strafbaarstelling van niet-aangifte van arbeidsongevallen.
Mevrouw Van de Casteele werpt op dat ook het tegenovergestelde vaak gebeurt : soms wachten werknemers tot 's maandags om aangifte te doen van een zogenaamd arbeidsongeval, dat in werkelijkheid tijdens het weekend is gebeurd, bijvoorbeeld bij het sporten.
De minister antwoordt dat het vooral de bedoeling is van de voorgestelde maatregel om werkgevers te prikkelen inzake hun arbeidsongevallenbeleid, zodat diegenen die hun verantwoordelijkheid terzake opnemen daarvoor worden beloond, en de anderen worden gestraft. Aldus hoopt de regering dat preventie van arbeidsongevallen wordt gestimuleerd : wanneer het aantal arbeidsongevallen laag wordt gehouden tijdens een bepaalde periode, zal men ook minder moeten betalen. Het is inderdaad een feit dat « kleinere » arbeidsongevallen vaak niet worden aangegeven : hun aantal is op 5 jaar tijd gedaald van 205 000 naar 160 000. In het aantal « ernstige » arbeidsongevallen stelt men daarentegen een stijging vast. Om het niet-aangeven van arbeidsongevallen tegen te gaan, werden de sancties dit jaar nog ernstig verhoogd. Het aantal daadwerkelijk gebeurde arbeidsongevallen doen verminderen is een kwestie van volgehouden inspanningen, waarin onder andere de interne preventiediensten een belangrijke rol spelen.
Mevrouw Van de Casteele betreurt het dat een financiële stok achter de deur moet worden gezocht. De meeste werkgevers liggen net zo goed wakker van een arbeidsongeval als de betrokken werknemer. Overigens zijn ook ongevallen op de weg naar en van het werk arbeidsongevallen; de werkgever kan daar weinig aan doen. Hoe zou men de werkgever dan kunnen responsabiliseren ?
De minister antwoordt dat zulks ook te maken heeft met de ganse verkeersproblematiek, waarvoor de minister van Mobiliteit bevoegd is. De arbeidsongevallen die gebeuren op de weg naar en van het werk zullen niet in het bonus/malus-systeem worden opgenomen. Met dat systeem wenst men vooral de werkgevers te responsabiliseren die zoveel als mogelijk het risico van zich afschuiven en die niet aan preventie van arbeidsongevallen doen. Er zijn immers werkgevers die systematisch interimarbeiders, waarvoor de premies lager zijn, in dienst nemen voor risicovolle opdrachten.
Mevrouw Van de Casteele informeert vervolgens of het betaald educatief verlof is inbegrepen in het scholingsbeding.
De minister antwoordt ontkennend. De filosofie van beide is volledig anders. Betaald educatief verlof kadert in het levenslang leren en het zich vervolmaken met het oog op de positionering op de arbeidsmarkt. Het scholingsbeding daarentegen betreft een werkgever die zijn werknemer een bepaalde opleiding laat volgen om hem vervolgens, binnen hetzelfde bedrijf, een hoger rendement te bezorgen.
Mevrouw Van de Casteele vraagt of het, gelet op de verstrenging van de regelgeving inzake betaald educatief verlof, mogelijk is om prioriteiten te stellen en, zo ja, of dit ook kan volgens een bepaalde doelgroep, zoals bijvoorbeeld de oudere werknemers.
De minister herinnert eraan dat de federale overheid telkens meer — bijna het dubbele — uitbetaalde van het bedrag waarin voorzien was. Het systeem voorziet in een betaling via enerzijds de werkgevers, die ongeveer 25 miljoen euro hebben betaald, en van de overheid, die bijna drie maal zoveel betaalde. Dit is vanzelfsprekend onhoudbaar en de regering wenst slechts uit te geven wat ze binnen krijgt. Jammer genoeg zijn de sociale gesprekspartners er niet in geslaagd om voorstellen te doen om de financiering van het systeem te verbeteren en heeft de regering zelf beslist om aanpassingen te doen. Het uitgangspunt is dat, voor elke euro die de werkgevers uitgeven voor betaald educatief verlof, de federale overheid een euro bijpast. De regering hoopt nu van de sociale partners een voorstel te krijgen over welke opleidingen kunnen erkend worden, over het aantal uren, en dergelijke.
Mevrouw De Schamphelaere verwijst naar het hoofdstuk inzake het Europees Sociaal Fonds, dat bij wijze van amendement werd ingevoegd in het wetsontwerp. Er blijkt onderhandeld te zijn tussen de gemeenschappen en de federale overheid over de verdeling van de gelden. Zij begrijpt dit niet goed : de criteria om aanspraak te kunnen maken op het Europees Sociaal Fonds zijn immers Europees vastgelegd en de controle daarop is dat eveneens. Waarom dient men in ons land te onderhandelen over de verdeling van de middelen ?
De minister antwoordt dat dit niet nieuw is. Ons land krijgt een bepaald budget toegewezen dat via het Europees Sociaal Fonds kan worden besteed aan projecten. België zal vanaf januari 2007 minder krijgen. Daarover is gesproken tussen de federale overheid en de regio's. De controle op de uitvoering is en blijft echter Europees.
IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
1. Titel III — E-government
Artikel 4
Amendement nr. 45
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 45 in (stuk Senaat nr. 3-1988/2), dat ertoe strekt artikel 4 als volgt te vervangen :
« Er wordt onder de benaming « Elektronisch Dienstenplatform Volksgezondheid » een instelling van openbaar nut opgericht, ingedeeld in categorie A als bedoeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, voor het beheer van het elektronisch dienstenplatform ten bate van de uitwisseling van de gezondheidszorggegevens. »
De heer Beke heeft geen bezwaar tegen het principe van die dienst, maar het amendement strekt ertoe de benaming van de dienst te wijzigen en erin te voorzien dat die dienst de vorm van een parastatale A krijgt.
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid antwoordt dat hij niet kan instemmen met het amendement, omdat de voorgestelde benaming te eng is en de keuze van een dienst met afzonderlijk beheer in plaats van een parastatale A eerst kan worden verklaard door budgettaire overwegingen, omdat een dienst met afzonderlijk beheer goedkoper is dan een parastatale; men heeft er overigens voor gezorgd dat die dienst met afzonderlijk beheer volstrekt onafhankelijk werkt, aangezien hij zijn eigen raad van bestuur, personeelsorganogram en financiële middelen zal hebben.
De heer Beke wijst erop dat er uit financiële overwegingen voor een dienst met afzonderlijk beheer is gekozen, maar dat de in het amendement voorgestelde optie van de parastatale de onafhankelijkheid beter waarborgt.
Mevrouw Van de Casteele wijst op de emotionele vrees van de zorgverstrekkers in verband met de « Be Health » dienst. Spreekster had het beter gevonden, zowel vanuit het standpunt van de zorgverstrekkers als vanuit dat van de patiënten, dat de wetgever de dienst meer reglementeerde. Ze vraagt de minister daarom of hij, aangezien het ontwerp bepaalt dat de opdrachten en het beheer van de dienst door de Koning worden vastgesteld, kan zeggen waar men met de oprichting van de dienst staat en of hij kan uitleggen welke maatregelen zijn getroffen met het oog op de vereiste waarborgen.
De minister antwoordt dat dit een wijdlopige vraag is. Het elektronisch platform is klaar, de technische infrastructuur is geïnstalleerd, er is een proefproject gestart in samenwerking met honderd kandidaten van de sector van de ambulante verpleegkundige zorg, die de facturatiegegevens elektronisch naar de ziekenfondsen sturen, aldus de uitleg van de minister. Het uiteindelijke doel is niet de volledige gegevensopvang, maar de on-line identificatie. Tot slot zegt de minister dat de representativiteit van de sector verzekerd wordt door de aanwezigheid van vertegenwoordigers in de raad van bestuur.
2. Titel VII — Middenstand
Over de artikelen 34 tot 37 worden geen opmerkingen gemaakt. De heer Beke vraagt niettemin of de Kamer wijzigingen heeft aangebracht. De voorzitter antwoordt van niet.
Artikel 38
Mevrouw De Schamphelaere vraagt wat de reden was voor de aanpassing in de Kamer van artikel 38, 4º.
Mevrouw Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, wijst erop dat het slechts om een aanpassing van de Nederlandse tekst gaat om ervoor te zorgen dat hij met de Franse tekst overeenstemt.
3. Titel X — Maatschappelijke Integratie
Artikel 76
Amendement nr. 49
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 49 in (stuk Senaat nr. 3-1988/2), dat ertoe strekt artikel 76 te vervangen.
De heer Beke merkt op dat dit amendement bij de algemene bespreking werd aangekondigd en dat het ertoe strekt de periode waarin een beroep kan worden gedaan op het Sociaal Stookoliefonds uit te breiden. Momenteel loopt die periode van 1 september tot 31 maart. Stookolie wordt echter ook gebruikt om warm water te verkrijgen, wat het hele jaar nuttig is. Bovendien zet de beperking in de tijd de begunstigden van het Fonds ertoe aan om hun stookolie in de winter te kopen, dat wil zeggen in de periode waarin de prijzen het hoogst zijn. Volgens de indiener van het amendement bestaat er een brede consensus voor zijn voorstel.
De minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke kansen zegt ontvankelijk te zijn voor de argumentering van het lid, maar dat de beperking in de tijd het gevolg is van een regeringsbeslissing waarmee hij het slechts eens kan zijn.
Mevrouw Van de Casteele herinnert eraan dat de eerste doelstelling van het Stookoliefonds erin bestaat de minst gegoeden de mogelijkheid te bieden hun woning in de winter te verwarmen. Daarom heeft de regering de werking ervan in de tijd beperkt. Ook al dient stookolie ook om water te verwarmen, het blijft een feit dat het verbruik veel hoger is voor de verwarming in de winter en daarom levert de regering in die periode een extra inspanning. De bewering dat stookolie in de winter duurder is, is overigens onwaar. Wanneer men de stookolieprijs tussen december 2005 en september 2006 bekijkt, blijkt dat de gemiddelde prijs in de winter van 2005 56 dollar bedroeg, in plaats van 76 dollar in de zomer van 2006.
4. Titel XI — Sociale Zaken
De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, preciseert dat in Hoofdstuk VI met betrekking tot de sociale zekerheidsbijdragen en inhouding op de brugpensioenen (artikelen 114 e.v. van het ontwerp) een 50-tal disparate reglementeringen werden bijeengevoegd. Zo werd onder andere via het generatiepakt overgegaan van een forfaitaire naar een procentuele bijdrage op 1 april 2007.
Enkel artikel 115 maakt daarop een uitzondering, en voorziet in een inwerkingtreding op 1 januari 2007, opdat de uitgekeerde sommen die worden doorbetaald tijdens werkhervatting, niet plots als « loon » zouden worden gekenmerkt, en aldus onderhevig zijn aan de bijdrage van 45 %.
Naar aanleiding van vragen van verschillende leden over de toepassing in de tijd van het nieuwe stelsel, dat op 1 april 2007 in werking treedt inzake de huidige brugpensioenen en meer in het bijzonder de toestand van de toekomstige bruggepensioneerden bij Volkswagen, deelt de minister het volgende mee :
— De reglementering in het ontwerp inzake de verschuldigde bijdragen zal van toepassing zijn op zowel de nieuwe bruggepensioneerden (dus degenen die in het systeem terechtkomen na 31 maart 2007) als degenen die op 31 maart 2007 reeds van het brugpensioen gebruikmaken;
— Meer in het bijzonder wat de situatie bij Volkswagen betreft voor de werknemers die met brugpensioen worden gestuurd in het kader van de herstructurering, rijst er geen specifiek probleem inzake de toepassing van het nieuwe systeem. Ingevolge de geplande uitvoeringsbepalingen van het Generatiepact zullen trouwens de werknemers die de werkgever wenst te ontslaan in het kader van de herstructurering, met inbegrip van wie voldoet aan de leeftijdsvoorwaarden voor een eventueel brugpensioen, gedurende zes maanden moeten deelnemen aan de tewerkstellingscel die de werknemer moet oprichten. De werknemers van Volkswagen die in het kader van de herstructurering zullen worden ontslagen, zullen dus pas ten vroegste in juli-augustus 2007 met brugpensioen kunnen, dus na de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel.
Een lid vraagt naar de beschilbaarheid van de toekomstige bruggepensioneerden bij Volkswagen voor de arbeidsmarkt. De minister van Sociale Zaken wijst er nogmaals op dat dat de bevoegdheid van de minister van Werk is maar kan wel bevestigen dat die bruggepensioneerden overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen van het Generatiepact tot 58 jaar beschikbaar moeten blijven voor de arbeidsmarkt.
5. Titel XII — Pensioenen
Mevrouw Van de Casteele merkt op dat de Koning behoorlijk wat bevoegdheden heeft gekregen om een aantal wijzigingen inzake de overzeese sociale zekerheid in de praktijk uit te voeren. Hierdoor is onrust op het terrein ontstaan, getuige de talrijke reacties die de parlementsleden mochten ontvangen.
De minister licht toe dat de opgestelde koninklijke besluiten die vandaag voor de tweede keer op de Ministerraad voorliggen, in ruime mate in overgangsmaatregelen voorzien. Hij meent dat er een onderscheid dient gemaakt te worden tussen twee soorten situaties. In de eerste plaats zijn er de personen die zonder enige twijfel invloed zullen ondervinden van de wijzigingen. Het gaat dan om de groep mensen die nog actief rechten opbouwt. De wijzigingen gelden voor de nieuwe bijdragen die zij doen in het systeem. Alles wat in het verleden werd bijgedragen zijn verworven rechten die zullen berekend worden overeenkomstig de tot nu toe geldende regels. De verdere evolutie van het opbouwkapitaal zal uiteraard verlopen volgens de nieuwe regels. Dit zal er op neerkomen dat de stijging van het pensioen wat wordt afgevlakt omdat momenteel de pensioenopbouw in de DOS een uniek systeem volgt. In een normaal kapitalisatiesysteem rendeert de gestorte bijdrage. In de DOS worden de bijdragen echter eerst geactualiseerd, met andere woorden aangepast ingevolge de inflatie, waarna er bovenop de inflatie rendement wordt gegarandeerd. Dit heeft een zeer spectaculaire stijging van de reserves tot gevolg. Een andere factor die meespeelt is dat de spilleeftijd 55 jaar bedraagt. Elk jaar vroeger uittreden dan 55 betekent een vermindering van het pensioen, elk jaar later uittreden een toename van het pensioen.
Om dit wat te normaliseren werd er een keuze gemaakt : ofwel zou het systeem toegepast worden van de herwaardering, maar dan zonder een rendement daarbovenop, ofwel kwam er een minimum rendement dat dan wordt geacht ook de inflatie te dekken. Uiteindelijk is gekozen voor het systeem van een gegarandeerd minimumrendement van 3,75 %, zoals in de tweede pijler. De herwaardering zal dus niet meer gebeuren vanaf 1 januari 2007. Alles wat daarvoor werd gestort zal echter berekend worden volgens de regels die gelden tot 31 december 2006.
De andere situatie betreft de personen die nu vervroegd opnemen, dit wil zeggen vóór de leeftijd van 55 jaar, hoewel men niet aan de loopbaanvoorwaarden voldoet. Dit is een zeer kleine groep personen. In het nieuwe stelsel zullen ze dat niet meer kunnen doen op de leeftijd waar het nu wel mogelijk is. Een dergelijke vervroegde opname is niet meer mogelijk vóór de leeftijd van 65 jaar (begin van 60 jaar, zoals voor de werknemers) vanaf 1 januari 2007. Dit systeem was trouwens niet erg voordelig voor de personen die het deden omdat er geen indexering was. Dit verklaart waarom er zich zo weinig personen in deze situatie bevinden. Voor de groep tussen 55 en 60 jaar is er een overgangsregeling van 1 jaar voorzien. Wie dit jaar voldoet aan de voorwaarden om het pensioen op te nemen na 55, zal dat volgend jaar ook nog kunnen. Wie op het eind van 2007 zijn pensioen niet vervroegd heeft opgenomen, moet wachten tot hij of zij 60 jaar is.
Mevrouw Van de Casteele zou graag weten over welke mensen het precies gaat. Het systeem van de DOS bestaat al lang en beoogde een specifieke doelgroep. Blijkbaar was het systeem zo voordelig dat op een bepaald ogenblik ook buitenlanders zich in het systeem lieten inschrijven. Is dit correct en ligt dit mee aan de basis voor de wijziging ?
De minister benadrukt dat het systeem niet wordt gewijzigd omdat er een aantal buitenlanders zouden in zitten. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de « wet 60 », een categorie van personen die niet meer actief zijn, waartoe niemand meer toetreedt en waarvoor niets wijzigt. Het gaat hier hoofdzakelijk om personen die in de vroegere kolonie actief waren. Dan is er de categorie « wet 63 ». Dit is een zeer open stelsel ingevolge Europese ontwikkelingen en veroordelingen. Gelijk wie kan gelijk waar een privaat contract afsluiten met de DOS. Het probleem is niet zozeer dat deze personen verzekerd zijn bij de DOS, maar dat de DOS zich als marktspeler profileert en tegelijk van staatssteun geniet. Hierover gaat de discussie over wat nu eigenlijk de essentiële taak is van de DOS », een discussie die nog steeds niet afgesloten is. Is het de taak van de staat om personen te verzekeren die ook op de privé-markt kunnen verzekerd worden ? De voorliggende artikelen hebben met deze vraag echter niets te maken.
6. Titel XIII — Werk
Artikel 176
Mevrouw Van de Casteele vraagt wat het standpunt van de minister is met betrekking tot het wegwerken van de discriminatie tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen. De minister heeft zich tot heden in de Senaatscommissie voor de Sociale Aangelegenheden steeds verzet tegen wetsvoorstellen die deze ongelijkheid beoogden weg te werken.
De heer Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt dat de meerderheidspartijen en minstens één partij van de oppositie met zijn steun een wetsvoorstel in die zin zullen indienen in de Kamer van volksvertegenwoordigers, naar aanleiding van de bespreking van het ontwerp van programmawet en meer bepaald de problematiek van de schadeloosstelling van de slachtoffers van asbest (zie stuk Senaat, nr. 3- 1986/5). Het is niet aangewezen om die gelijkstelling nu alleen voor het Asbestfonds in te voeren.
Mevrouw Van de Casteele wijst op het belang van een duidelijke definitie van het begrip « wettelijk samenwonenden ». In vroegere debatten opteerde de minister ervoor dit begrip inhoudelijk nauw te laten aanleunen bij het begrip « gehuwden ». Dit veronderstelt dat het samenlevingscontract een regeling inhoudt waarbij de partners, ook bij de ontbinding van het contract, een zekere verantwoordelijkheid tegenover elkaar behouden. Bovendien heeft de minister er ook op gewezen dat de ongelijkheid zich niet beperkt tot de sectoren van de beroepsziekten en arbeidsongevallen, maar ook andere domeinen van de sociale zekerheid betreft waarvan men de draagwijdte niet kan schatten. Is de minister wat dat betreft ondertussen gerustgesteld ?
Gelet op de discussies die de commissie hierover reeds voerde, kan men misschien tijd winnen door het wetsvoorstel over de algehele gelijkschakeling eerst in deze commissie te bespreken.
De heer Beke vraagt wat de budgettaire impact van die gelijkschakeling is. Ongetwijfeld heeft men dit reeds berekend, want dit is hoegenaamd geen recent debat.
Artikel 195bis (nieuw)
Amendement nr. 50
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 50 in (stuk Senaat, nr. 3-1988/2), dat ertoe strekt een artikel 195bis (nieuw) in te voegen.
De heer Beke verklaart dat dit amendement inhoudelijk aanleunt bij het wetsvoorstel dat het systeem van het betaald educatief verlof beoogt uit te breiden. Het wetsontwerp streeft daarentegen een beperking van het betaald educatief verlof na.
De minister verklaart dat het initiatief wordt gelaten aan de sociale gesprekspartners om voorstellen over het betaald educatief verlof uit te werken.
Artikelen 215 en 216
Mevrouw De Schamphelaere merkt op dat de artikelen 215 en 216 werden ingevoegd ten gevolge van een amendement van de regering in de Kamer. Zijn er al projecten betreffende de besteding van de middelen die nu onder de bevoegdheid vallen van de minster van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Gelijke Kansen en Grootstedenbeleid ? Tot nu heeft zij geen overzicht gekregen van de projecten waaraan dit Europees geld werd besteed.
De minister antwoordt dat de enveloppe voor sociale integratie voor de periode 2007-2013 34 miljoen bedraagt. Dit is evenveel als voor de vorige periode. Voor werk is er voor de nieuwe periode 6 miljoen beschikbaar. Door de nieuwe artikelen 215 en 216 zal de cel ESF over werk getransfereerd worden naar de post maatschappelijke integratie. In de post maatschappelijke integratie wordt het fonds nog steeds gebruikt voor projecten inzake de strijd tegen de armoede. De minister krijgt maar twee jaar na de laatste indiening een overzicht van de middelen die werden gebruikt ter ondersteuning van de projecten.
Mevrouw Van de Casteele vraagt de minister een overzicht te geven van de projecten.
De minister bevestigt dit overzicht ter beschikking van de commissie te stellen.
7. Titel XIV — Volksgezondheid
Artikel 263
Mevrouw Van de Casteele wenst, in het kader van artikel 263, de minister eraan te herinneren dat in de memorie van toelichting staat dat de koninklijke besluiten tot daling van geneesmiddelenprijzen eerder van kracht kunnen worden indien de farmaceutische bedrijven bereid zijn de waardevermindering van de stock van apothekers te compenseren. De overheid heeft de neiging om dat proces te bespoedigen omdat het voor haar kostenbesparend werkt. Maar het moet praktisch uit te voeren zijn : de software moet daaraan worden aangepast en er moet een oplossing komen voor de waardevermindering van de voorraden.
De minister zegt dat dit inderdaad zo zal gaan, en dat dit ook in de memorie van toelichting staat vermeld.
Artikel 271
Amendement nr. 46
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 46 in (stuk Senaat 3-1988/2), dat ertoe strekt om de, in het voorgestelde artikel, te ruime bevoegdheid aan de Koning in te perken.
De heer Beke verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.
De heer Demotte, minister Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt dat de voorgestelde afwijkingen noodzakelijk en objectief zijn. Bijvoorbeeld wanneer erkenningen, die door de gemeenschappen werden toegekend, om formele redenen werden vernietigd, moeten deze erkenningen met terugwerkende kracht kunnen worden herzien, anders immers zijn de gevolgen voor de terugbetaling van de geneeskundige prestaties vrij zwaar. In bepaalde gevallen zijn bovendien de gemeenschappen zeer laat met de verlenging van hun erkenningen en ook hier is het opportuun dat deze met terugwerkende kracht gebeurt. Net in deze gevallen wordt aan de Koning de bevoegdheid verleend om hiervan af te wijken. Gezien het nut en de objectiviteit van de voorgestelde bepaling vraagt de minister om het amendement te verwerpen.
Artikel 271bis (nieuw)
Amendement nr. 47
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 47 in (stuk Senaat 3-1988/2), dat ertoe strekt in het artikel 138 van de wet op de ziekenhuizen een aantal wijzigingen aan te brengen in verband met de ereloonsupplementen.
De heer Beke verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.
De minister verklaart dat het evenwicht tussen de verschillende actoren van de gezondheidszorg altijd zeer belangrijk en moeilijk is. Wat de ereloonsupplementen betreft, is er een compromis bereikt. De minister vraagt hier niet aan te tornen en het amendement niet te aanvaarden. Daarbij is het belangrijk om op te merken dat het verbreken van de huidige overeenkomsten zal leiden tot het opheffen van de bestaande tarieven, hogere prijzen en dus een verslechtering van de toestand.
De heer Beke repliceert dat de financieringswijze van de Belgische ziekenhuizen aan een grondige herziening toe is. Hij is van mening dat artsenhonoraria en supplementen er niet toe strekken om in de basisfinanciering van ziekenhuizen te voorzien. Hij merkt op dat het bewaren van allerhande evenwichtsstromen niet leidt tot een performante financiering.
De heer Demotte verklaart dat ons stelsel heel wat voordelen kent en dat erop moet worden gelet dat het kind niet met het badwater wordt weggegooid. In die zin is het belangrijk dat nieuwe richtlijnen op basis van een consensus tussen de verschillende actoren worden uitgevaardigd, zoals ook voorbeelden uit het verleden aangeven. Spreker merkt op dat er reeds inspanningen, naar bijvoorbeeld het afschaffen van de supplementen en bijvoorbeeld de kosten van het medische materiaal, werden geleverd.
Mevrouw Van de Casteele beaamt de ingewikkeldheid en het gebrek aan transparantie van ons systeem. Zij zegt niet te willen evolueren naar een systeem waar ziekenhuisgeneesheren werknemers zijn en dat het in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld wanneer ziekenhuisgeneesheren gebruik maken van de infrastructuur van het ziekenhuis, normaal is dat geneesheren een bijdrage leveren aan het ziekenhuis. Dit geldt echter vooral voor de technische prestaties. De intellectuele actes, bijvoorbeeld bij pediaters, zouden hier nog een inhaalbeweging kunnen maken en worden daarom verhoudingsgewijs te veel getroffen door de recente beslissingen in verband met supplementen.
Verder besluit de spreekster dat ons systeem niet slecht is en dat er reeds heel wat stappen werden gezet naar meer tariefzekerheid voor patiënten. Daarbij is het de bedoeling dat de honoraria eerlijk zijn en de kosten kunnen dekken. Dit werk is nog niet af.
De heer Beke vraagt verder hoe het staat met de herijking van de nomenclatuur.
De minister zegt dat dit samenhangt met de onderhandelingen per groep binnen de commissie geneesheren-ziekenfondsen. Het gaat niet enkel om de visie van de minister. Er is een gespecialiseerde werkgroep die voorstellen doet. De geriaters hebben nu voorstellen gedaan. Nu komen er andere categoriën aan bod. De minister heeft geen zicht op concrete voorstellen.
Op de vraag van de heer Beke of daar een timing tegenover staat, antwoordt de minister ontkennend. Wat hij wel kan bevestigen is dat er voor de volgende overeenkomst in de commissie geneesheren-ziekenfondsen onvermijdelijk meer voorstellen zullen komen. Het is ook een debat van verdeling van de financiële middelen over de eerste lijn en de gespecialiseerde zorg. Nu is men gestart met 2 à 3 categoriën specialisten, maar nadien zullen er andere volgen.
Artikel 271ter (nieuw)
Amendement nr. 48
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 48 in (stuk Senaat, nr. 3- 1988/2), waarin hij voorstellen doet voor een betere financiering van de ziekenhuizen door middel van de samenaankoop van materiaal en geneesmiddelen door ziekenhuizen en associaties van ziekenhuizen.
De heer Beke meent dat, door gegroepeerde aankopen, er financiële maar ook kwalitatieve voordelen komen. Dat is al in vele landen zo. Vroeger had de overheid de Centrale aankoopdienst, die inmiddels is gereorganiseerd. Er is nu een dienst FOD-overschrijdende raamcontracten. Het Rekenhof bekloeg er zich onlangs over dat deze dienst ondergebruikt was.
De minister ziet twee nadelen. Eerst staat het niet vast dat die materie onder het toepassingsgebied van zijn bevoegdheid valt. Uit een eerste analyse blijkt dat het veeleer om een bevoegdheid van de minister van Economie gaat. Er is bovendien geen haast bij. Deze zaak moet niet aan bod komen in een debat over de diverse bepalingen. Hij vraagt wat tijd om na te gaan of het haalbaar is.
De heer Beke stipt aan dat de lokale politiezones van dergelijk systeem profiteren, vermits de meeste van hun aankopen geschieden via een federaal aankoopcomité bij de federale politie. Voor zover hij weet, is die methode van werken door Europa nog niet ter discussie gesteld. Bovendien doen de ziekenhuizen van de Caritas-groep nu reeds gegroepeerde aankopen.
De minister wijst erop dat deze aankopen geschieden in een domein dat verband houdt met de pure overheidstaken, waarvoor Europa zich niet bevoegd acht.
De heer Beke hoopt alleszins met deze opmerkingen het debat te hebben aangezwengeld, en dringt aan op een federale regeling.
V. STEMMINGEN
De amendementen nrs. 45 tot en met 50 worden verworpen met 11 stemmen tegen 1.
Het geheel van de aan de commissie toegewezen artikelen wordt aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.
Dit verslag wordt eenparig goedgekeurd door de 11 aanwezige leden.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Christel GEERTS. | Annemie VAN de CASTEELE. |
De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (stuk Kamer, nr. 51-2760/44 - 2006/2007)