3-1848/1 | 3-1848/1 |
28 SEPTEMBER 2006
Het Uitvoeringsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek van Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten verblijven wordt aangenomen op grond van artikel 19 van de Overeenkomst van 14 april 2005 tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven. Deze Overeenkomst vergemakkelijkt de overname, door de respectievelijke overeenkomstsluitende partijen, van vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven en gedwongen dienen te worden verwijderd.
Het Uitvoeringsprotocol heeft tot doel de modaliteiten voor het indienen van het verzoek om overname en het antwoord op het verzoek te preciseren, evenals de aanduiding van de bevoegde autoriteiten en de plaatsen voor het overschrijden van de grens en de voorwaarden voor een begeleide repatriëring, met inbegrip van de doorgeleiding van onderdanen van derde landen en staatlozen onder begeleiding.
De wettelijke grondslag voor de repatriëring is te vinden in artikelen 3, 7, 27, 74/5 en 74/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
De repatriëring van illegaal in België verblijvende vreemdelingen gaat gepaard met steeds wederkerende administratieve problemen.
De identiteit en de nationaliteit van de betrokkene dienen te worden vastgesteld. Daarnaast dient men te beschikken over een reisdocument dat toelaat de betrokkene naar zijn land van herkomst te repatriëren. Hiervoor is overleg en samenwerking met de betrokken diplomatieke en consulaire posten vereist.
De mate van samenwerking met de diplomatieke en consulaire posten met het oog op de repatriëring van illegale vreemdelingen kan sterk verschillen van land tot land.
Om de repatriëring vlot te laten verlopen kan met het land waarmee er problemen zijn een overeenkomst gesloten worden met betrekking tot de overname van onregelmatig verblijvende personen.
Ingeval de vreemdeling niet beschikt over een geldig reisdocument zal men bij de betrokken diplomatieke en consulaire post een doorlaatbewijs (vervangend reisdocument) dienen aan te vragen.
De gemiddelde wachttijd voor het afleveren van zo'n reisdocument bedraagt drie weken. Dit betekent dat de illegale vreemdelingen, in afwachting van hun repatriëring, in de regel dienen te worden opgesloten in een gesloten centrum op grond van artikelen 7, 27, 74/5 en 74/6 van de bovenvermelde wet van 15 december 1980. De directe kosten die voortvloeien uit het verblijf van een vreemdeling die zich in een gesloten centrum bevindt bedragen gemiddeld 39 euro per dag. Het is dus belangrijk dat de betrokken illegale vreemdeling zo snel mogelijk kan worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst.
Indien de volledige procedure vlot verloopt, kan dit een tijdwinst opleveren wat betreft de afhandeling van de overnameprocedure. Indien de overname niet vlot zou verlopen betekent dit dat de opsluitingstijd met het oog op een repatriëring tot één maand kan oplopen.
Het is om verschillende redenen wenselijk een Overnameovereenkomst te sluiten. Enerzijds laat het sluiten van een dergelijke overeenkomst toe een informele praktijk te bevestigen en aldus een routine te ontwikkelen bij het behandelen van de aanvragen, die een besparing oplevert van tijd en inspanningen. Anderzijds, indien bepaalde van onze aanvragen op bezwaren stoten vanwege het land van herkomst, kunnen wij naar deze overeenkomst, op basis waarvan het land van herkomst zich ertoe verbonden heeft om deze aanvragen na te leven, verwijzen. Het Uitvoeringsprotocol biedt ook het voordeel dat de modaliteiten voor de uitvoering van de Overeenkomst worden ontwikkeld, zodat de toepassing van de Overeenkomst wordt vergemakkelijkt.
Het Overeenkomstprotocol voorziet de modaliteiten van de procedure met betrekking tot het verzoek om overname van de eigen onderdanen, onderdanen van derde landen en staatlozen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor de binnenkomst, de aanwezigheid of het verblijf die van toepassing zijn op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer wordt aangetoond of op basis van het verstrekt begin van bewijs aannemelijk wordt gemaakt dat die onderdanen bij de binnenkomst op het grondgebied in het bezit zijn of waren van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning dat of die wordt afgegeven door de aangezochte Partij, of dat ze het grondgebied van de verzoekende Partij zijn binnengekomen na een verblijf op of een doorreis door het grondgebied van de aangezochte Partij.
De nationaliteit van de over te nemen onderdanen kan bewezen worden of aannemelijk worden gemaakt op basis van de in artikel 8 en bijlagen 1 en 2 van deze Overeenkomst vermelde documenten of elementen.
Het Uitvoeringsprotocol voorziet de uitwisseling van de gegevens van de voor de uitvoering van deze Overeenkomst bevoegde autoriteiten en die van de grensovergangen via dewelke de onderdanen worden overgedragen en overgenomen.
Het Uitvoeringsprotocol bevat ook bepalingen met betrekking tot de terugbetaling van de kosten in verband met de terugname, de overname en de doorgeleiding die op grond van artikel 15 van de Overeenkomst ten laste komen van de verzoekende Partij.
Op 3 mei 2006 heeft de Raad van State zijn advies gegeven over het voorontwerp van wet. (Advies nr. 40.247/4).
Met betrekking tot de opmerkingen 1 en 2 van de Raad van State moet het volgende gepreciseerd worden :
Betreffende opmerking 1
De Raad van State meent dat het Uitvoeringsprotocol waarmee ingestemd wordt niet helemaal conform de Overeenkomst tussen de EG en Albanië is, aangezien de artikelen 2, lid 2 en 6, leden 1 en 2, van het Uitvoeringsprotocol bepalen dat de formulieren die de bijlagen 1 en 5 vormen bij het Protocol gebruikt moeten worden, terwijl de artikelen 7, lid 3 en 14, lid 1, tweede alinea van de Overeenkomst tussen de EG en Albanië bepalen dat de gemeenschappelijke formulieren die terug te vinden zijn in de bijlagen 5 en 6 bij de Overeenkomst gebruikt moeten worden voor de overname- en doorgeleidingsverzoeken.
Wat de overname betreft
In tegenstelling tot hetgeen de Raad van State vermeldt, voorziet artikel 2, lid 2 van het Protocol wel degelijk in het gebruik van het formulier dat bijlage 1 bij de Overeenkomst vormt. Het is alleen wanneer de voorwaarden vermeld in artikel 2, lid 3 van het Protocol vervuld zijn (vervanging van het overnameverzoek door een schriftelijke mededeling, volgens de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 2, van de Overeenkomst) dat het gebruik van bijlage 1 bij het Protocol voorzien is.
Wat de doorgeleiding betreft.
In tegenstelling het hetgeen de Raad van State vermeldt, respecteert de bijlage 5 die voorzien is in artikel 6, leden 1 en 2 van het Protocol de bepalingen voorzien in artikel 14 van de Overeenkomst betreffende het gebruik van een gemeenschappelijk formulier aangezien dit gemeenschappelijk formulier de elementen van bijlage 6 bij de Overeenkomst overneemt. De Verdragsluitende Staten hebben het nuttig geacht er de praktische modaliteiten in op te nemen, ten einde de uitvoering van de doorgeleiding op het terrein te vergemakkelijken.
Betreffende opmerking 2
De door de Raad van State vastgestelde typfout in de Franse versie van het Protocol, heeft het voorwerp uitgemaakt van een erratum dat ter goedkeuring voorgelegd werd aan de Verdragsluitende Staten bij het Protocol.
In tegenstelling tot hetgeen de Raad van State verklaart, is bijlage 4 compleet. Deze bijlage heeft immers betrekking op het reisdocument en verwijst naar de bepalingen van de artikelen 4, lid 2 en 5, lid 4 van de Overeenkomst en van artikel 4 van het Protocol die er betrekking op hebben.
Het werd niet nuttig geacht deze reisdocumenten op te sommen vermits ze gekend zijn door de Verdragsluitende Staten bij het Protocol. Deze documenten zijn : het type model EU reisdocument en het reisdocument goedgekeurd door instructie nr. 553 van 19 november 2003, van de dienstdoende minister van Buitenlandse Zaken, betreffende de aflevering door de Albanese autoriteiten, van vrijgeleiden bestemd voor repatriëringen naar Albanië.
De minister van Buitenlandse Zaken,
Karel DE GUCHT.
De minister van Binnenlandse Zaken,
Patrick DEWAEL.
Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
Onze Groet.
Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken en van Onze minister van Binnenlandse Zaken,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Binnenlandse Zaken zijn ermee belast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Het Uitvoeringsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) verblijven, ondertekend te Den Haag op 9 juni 2005, zal volkomen gevolg hebben.
Gegeven te Brussel, 24 september 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De minister van Buitenlandse Zaken,
Karel DE GUCHT.
De minister van Binnenlandse Zaken,
Patrick DEWAEL.
bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) verblijven.
De Republiek Albanië en het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden,
Hierna genoemd « de Partijen »,
Op grond van artikel 19 van de Overeenkomst getekend op 14 april 2005 te Luxemburg tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven,
Hierna genoemd « de Overeenkomst »,
Zijn het volgende overeengekomen :
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Uitvoeringsprotocol wordt verstaan onder :
— diplomatieke vertegenwoordiging : de diplomatieke vertegenwoordiging van de aangezochte Partij op het grondgebied van de verzoekende Partij;
— begeleider(s) : de door de verzoekende Partij aangewezen persoon (of personen), belast met de begeleiding van de over te nemen of door te geleiden persoon.
Artikel 2
1. Een verzoek om overname wordt per telefax of via elektronische weg en per post via de diplomatieke vertegenwoordiging ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij.
2. Voor de indiening van het verzoek om overname wordt gebruik gemaakt van het formulier dat als Bijlage 1 aan deze Overeenkomst is gehecht.
3. Indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6, lid (2), van de Overeenkomst volstaat een schriftelijke mededeling door middel van het formulier dat als Bijlage 1 aan dit Uitvoeringsprotocol is gehecht
4. De verzoekende Partij wendt zich voor het verstrekken alsmede voor het verkrijgen van nadere inlichtingen met betrekking tot het ingediende verzoek om overname tot de diplomatieke vertegenwoordiging,
Artikel 3
1. Het antwoord op een verzoek om overname wordt per telefax of via elektronische weg en per post via de diplomatieke vertegenwoordiging overgemaakt aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij.
2. Voor de beantwoording van het verzoek wordt gebruik gemaakt van het in Bijlage 2 van dit Uitvoeringsprotocol bedoelde formulier.
Artikel 4
1. Ingeval van een positief antwoord op het verzoek om of overname, worden de voor terugkeer noodzakelijke reisdocumenten overeenkomstig artikels 2, lid (2), 3, lid (3), 4, lid (2) en 5, lid (4), van de Overeenkomst, onverwijld op naam van de over te dragen persoon gesteld en door de diplomatieke vertegenwoordiging aan de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij overhandigd.
2. Op grond van artikel 2, lid (2), artikel 3, lid (3), artikel 4, lid (2) en artikel 5, lid (4), van de Overeenkomst wordt de aangezochte Partij, indien de diplomatieke vertegenwoordiging het gevraagde reisdocument niet binnen 14 kalenderdagen na de datum van ontvangst van het verzoek daartoe kan verstrekken, geacht in te stemmen met het gebruik van een door de verzoekende Partij verstrekt reisdocument. De documenten die Partijen voor dit doel zullen gebruiken zijn als Bijlage 3 en 4 aan dit Uitvoeringsprotocol gehecht.
Artikel 5
1. De bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij, via de diplomatieke vertegenwoordiging, per telefax of via elektronische weg, minimaal drie werkdagen vóór de geplande overdracht in kennis van haar voornemen daartoe over te gaan. Daartoe wordt gebruik gemaakt van het formulier dat als Bijlage 1 aan dit Uitvoeringsprotocol is gehecht.
2. Indien de verzoekende Partij in de onmogelijkheid verkeert de over te nemen persoon binnen de in artikel 10, lid (3), van de Overeenkomst genoemde termijn van drie maanden over te dragen stelt zij de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij, via de diplomatieke vertegenwoordiging, daarvan onverwijld in kennis. Zodra de effectieve overdracht van de betrokkene kan plaatsvinden, stelt de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij de aangezochte Partij daarvan in kennis, overeenkomstig de in lid 1 van dit artikel, bedoelde procedure en termijnen.
3. Ook al wordt geen enkele wijze van vervoer uitgesloten, overeenkomstig artikel 11, lid (2), van de Overeenkomst toch geschiedt de overdracht in beginsel door de lucht. Indien medische redenen vervoer over de weg of over zee rechtvaardigen, maken de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij daarvan afzonderlijk melding op het in lid (1), van dit artikel, bedoelde formulier.
Artikel 6
1. Een verzoek om doorgeleiding wordt minimaal vijf dagen voor de geplande doorgeleiding per telefax of via elektronische weg ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij. Voor de indiening van het verzoek wordt gebruik gemaakt van het formulier dat als Bijlage 5 aan dit Uitvoeringsprotocol is gehecht.
2. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij bericht binnen de vijf dagen, per telefax of via elektronische weg, of zij instemt met de doorgeleiding en het hiervoor geplande tijdstip, de plaats waar de grens wordt overschreden, de wijze van vervoer en het gebruik van begeleiders. Daartoe. wordt gebruik gemaakt van het in lid 1 van dit artikel, bedoelde formulier.
3. Doorgeleiding geschiedt in beginsel door de lucht.
Artikel 7
1. Indien de verzoekende Partij ondersteuning van de doorgeleiding door de autoriteiten van de aangezochte Partij noodzakelijk acht, richt zij een daartoe strekkend verzoek aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij. Bij gelegenheid van het antwoord op het verzoek om doorgeleiding bericht de aangezochte Partij of zij kan voorzien in de gevraagde ondersteuning. Partijen maken daartoe gebruik van het formulier dat als bijlage 5 aan dit Uitvoeringsprotocol is gehecht en treden zo nodig nader met elkaar in overleg.
2. Indien de betrokkene wordt begeleid, geschieden de bewaking en het aan boord brengen onder het gezag van de aangezochte Partij en, voor zover mogelijk, met ondersteuning van deze Partij.
Artikel 8
1. Bij de uitvoering van de doorgeleiding zijn de bevoegdheden van de begeleiders beperkt tot zelfverdediging. Daarnaast kunnen de begeleiders, bij afwezigheid van terzake bevoegde ambtenaren van de aangezochte Partij of ter ondersteuning van deze ambtenaren, in reactie op een onmiddellijke en ernstige dreiging op redelijke en evenredige wijze optreden om te voorkomen dat de betrokkene vlucht, zichzelf of derden letsel toebrengt dan wel schade aan goederen veroorzaakt.
De begeleiders moeten in alle omstandigheden het recht van de aangezochte Partij naleven.
2. Begeleiders voeren hun taak ongewapend en in burgerkledij uit. Zij dienen te zijn voorzien van een document waaruit blijkt dat toestemming is verleend voor de overname of de doorgeleiding en dienen te allen tijde in staat te zijn hun identiteit en dienstopdracht aan te tonen.
3. De autoriteiten van de aangezochte Partij verlenen de begeleiders bij de uitoefening van hun taken in het kader van de Overeenkomst dezelfde bescherming en bijstand als aan de eigen terzake bevoegde ambtenaren.
Artikel 9
De Partijen wisselen uiterlijk 30 dagen na de sluiting van dit Uitvoeringsprotocol een lijst van de voor de uitvoering van de Overeenkomst bevoegde autoriteiten uit. Iedere wijziging in deze lijst delen zij elkaar onverwijld mede.
Artikel 10.
De Partijen delen elkaar uiterlijk 30 dagen na de sluiting van dit Uitvoeringsprotocol schriftelijk mede via welke grensovergangen personen krachtens de Overeenkomst daadwerkelijk worden overgedragen en toegelaten. Iedere wijziging hiervan delen zij elkaar onverwijld mede.
Artikel 11
Door de aangezochte Partij gemaakte kosten in verband met overname en doorgeleiding welke op grond van artikel 15, van de Overeenkomst ten laste van de verzoekende Partij komen, worden door de verzoekende Partij na overlegging van een factuur vergoed.
Artikel 12
Partijen communiceren met elkaar in de Engelse taal.
Artikel 13
1. De Bijlagen 1 tot en met 5 vormen een integrerend onderdeel van het Uitvoeringsprotocol.
2. Elke wijziging van de Bijlagen bij dit Uitvoeringsprotocol wordt schriftelijk overeengekomen tussen de Partijen en wordt van kracht op een door de Partijen te bepalen datum.
Artikel 14
Dit Uitvoeringsprotocol treedt in werking overeenkomstig artikel 19, lid (2) en 22, van de Overeenkomst en wordt gelijktijdig met de opzegging van de Overeenkomst opgezegd.
Artikel 15
Het Koninkrijk België is depositaris van het Uitvoeringsprotocol.
GEDAAN te Den Haag, op 9 juni 2005, in de Albanese, Franse, Nederlandse en Engelse taal, zijnde de teksten in elk van de talen gelijkelijk authentiek. In geval van verschillen in interpretatie is de Engelse tekst doorslaggevend.
BIJLAGE 1


BIJLAGE 2

BIJLAGE 3


BIJLAGE 4

BIJLAGE 5


Voorontwerp van wet houdende instemming met het Uitvoeringsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) verblijven, ondertekend te Den Haag op 9 juni 2005.
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Het Uitvoeringsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) verblijven, ondertekend te Den Haag op 9 juni 2005, zal volkomen gevolg hebben.
40.247/4
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 6 april 2006 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet « houdende instemming met het Uitvoeringsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) verblijven, ondertekend te Den Haag op 9 juni 2005 », heeft op 3 mei 2006 het volgende advies gegeven :
Aangezien de adviesaanvraag is ingediend op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1º, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het voorontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
De artikelen 19 en 20 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, bepalen :
« Artikel 19 — Uitvoeringsprotocollen
1. Albanië en een lidstaat kunnen uitvoeringsprotocollen opstellen die betrekking hebben op de regels inzake :
a) de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten, de plaatsen voor het overschrijden van de grenzen en de uitwisseling van contactpunten;
b) de voorwaarden voor begeleide terugkeer, met inbegrip van de doorgeleiding van onderdanen van derde landen en staatlozen onder begeleiding;
c) andere middelen en documenten dan die vermeld in de bijlagen 1 tot en met 4.
2. De in lid 1 bedoelde uitvoeringsprotocollen treden niet eerder in werking dan nadat het Gemengd Comité overname, bedoeld in artikel 18, daarvan in kennis is gesteld.
3. Albanië stemt ermee in om alle bepalingen van een met een lidstaat gesloten uitvoeringsprotocol ook toe te passen in zijn betrekkingen met andere lidstaten, op verzoek van een lidstaat.
Artikel 20
Verhouding tot bilaterale ovemameovereenkomsten of overnameregelingen van de lidstaten.
De bepalingen van deze overeenkomst hebben voorrang boven de bepalingen van alle bilaterale overeenkomsten of regelingen inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, die op grond van artikel 19 tussen afzonderlijke lidstaten en Albanië zijn of kunnen worden gesloten. »
Bij het voorontwerp van wet behoren de volgende opmerkingen te worden gemaakt.
1. Het uitvoeringsprotocol waarmee wordt ingestemd is niet helemaal conform de voormelde overeenkomst.
Volgens de artikelen 2, lid 2, en 6, leden 1 en 2, van het uitvoeringsprotocol, worden de verzoeken om overname en de verzoeken om doorgeleiding immers ingediend door respectievelijk gebruik te maken van het bij het uitvoeringsprotocol als bijlage 1 en als bijlage 5 gevoegde formulier, terwijl de artikelen 7, lid 3, en 14, lid 1, tweede alinea, van de Overeenkomst tussen de Europese gemeenschap en Albanië bepalen dat gemeenschappelijk formulieren (die voorkomen als bijlagen 5 en 6 bij die overeenkomst), gebruikt moeten worden voor de overname- en doorgeleidingsverzoeken.
2. De Nederlandse en de Franse versie van het uitvoeringsprotocol stemmen niet volledig met elkaar overeen.
Zo wordt in de artikelen 4, lid 2, en 5, lid 1, van de Franse versie verkeerdelijk verwezen naar de bijlagen 4 en 5 en naar bijlage 2 bij het uitvoeringsprotocol. Bovendien is bijlage 4 onvolledig.
3. In het uitvoeringsprotocol wordt vermeld dat het gedaan is in vier originele exemplaren, in het Albanees, het Frans, het Nederlands en het Engels, dat de vier teksten gelijkelijk authentiek zijn, doch dat in geval van verschil in interpretatie de Engelse tekst doorslaggevend is.
Het is derhalve raadzaam, teneinde de leden van de wetgevende Kamers volledig voor te lichten over de juiste draagwijdte van de verdragsbepalingen, ook de Engelse tekst van het uitvoeringsprotocol aan de wetgevende Kamers voor te leggen.
4. In het uitvoeringsprotocol hadden de identiteit en hoedanigheid moeten worden vermeld van de persoon die het voor België heeft ondertekend.
De kamer was samengesteld uit
De heer R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State,
De heren P. LIÉNARDY en P. VANDERNOOT, staatsraden,
Mevrouw C. GIGOT, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de heer R WIMMER, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. LIÉNARDY.
| De griffier, | De eerste voorzitter, |
| C. GlGOT. | R. ANDERSEN. |