Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-62

ZITTING 2005-2006

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eerste minister en minister van FinanciŽn

Vraag nr. 3-4510 van de heer Van Hauthem d.d. 3 maart 2006 (N.) :
Vakbonden. — Subsidies voor opdrachten in het kader van de Copernicushervorming. — Discriminatie van de Nationale Unie der Openbare Diensten (NUOD).

De vakbonden die zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad (NAR), krijgen niet-onbelangrijke subsidies als tegemoetkoming voor hun inspanningen inzake promotie en vorming van het personeel in het kader van de Copernicushervorming.

De andere vakorganisaties, die niet in de NAR zetelen, maar toch als representatief werden erkend door de tellingcommissie, krijgen geen enkele subsidie. Dergelijke vakbondsorganisatie is de politiek-neutrale Nationale Unie der Openbare Diensten (NUOD).

Aangezien bij het openbaar ambt geen sociale verkiezingen bestaan, wordt de representativiteit elke zes jaar gemeten door een tellingcommissie, aangesteld door de regering. De NUOD-sector bij FinanciŽn is er van bij de aanvang steeds in geslaagd het opgelegde ledenaantal te bewijzen, maar blijft verstoken van de toelage die andere vakorganisaties wel krijgen.

Ten aanzien van de NUOD, en meer bepaald van de NUOD-sector FinanciŽn, bestaat bijgevolg een grove discriminatie. Daarentegen werd bijvoorbeeld de VSOA, door een loutere beslissing via de programmawet als representatief erkend voor het Sectorcomitť II-FinanciŽn, zonder de toets van de tellingcommissie te hebben moeten doorstaan.

Aangezien de VSOA wel zetelt in de NAR, kan zij aanspraak maken op de subsidies die in het kader van de voorlichtingsopdracht in het kader van de Copernicushervorming uitgereikt worden.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :

1. Kan de geachte minister verklaren waarom blijkbaar enkel de in de NAR zetelende vakorganisaties een toelage krijgen om aan hun informatie- en vormingsopdracht ten aanzien van de Copernicus-hervorming te voldoen ?

2. Hoe verklaart hij dat de NUOD-Sector FinanciŽn, die via de tellingcommissie ťťn van de meest representatieve organisaties binnen de FOD-FinanciŽn blijkt te zijn, geen subsidie ontvangt om te voldoen aan de informatie- en vormingsopdracht, meer bepaald wat de Coperfin betreft ?

3. Is hij het eens met de stelling dat er een discriminatie tussen de vakorganisaties die wťl in de NAR vertegenwoordigd zijn, en vakorganisaties die niet in de NAR vertegenwoordigd zijn ?

4. Is hij bereid een einde te maken aan deze discriminatie tussen de vakorganisaties, met betrekking tot de toelagen die verstrekt worden tot de informatie- en vormingsopdracht in het kader van de globale Copernicushervorming ? Is hij met andere woorden bereid om ter zake per FOD een toelage toe te kennen aan de vakorganisaties die door de tellingcommissie als representatief worden beschouwd, ongeacht hun vertegenwoordiging in de NAR ?

Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid te verwijzen naar het antwoord dat zal worden verstrekt door mijn collega van Ambtenarenzaken, onder wiens bevoegdheid een eventuele aanpassing valt van het koninklijk besluit van 24 maart 2003 betreffende de toekenning van een toelage aan de representatieve vakorganisaties bedoeld in artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.