3-1837/1 | 3-1837/1 |
13 SEPTEMBER 2006
Een arbeidsongeschikte werknemer mag, mits toestemming van de adviserende geneesheer van het ziekenfonds, zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor onbepaalde tijd cumuleren met een beperkte beroepsactiviteit (artikel 100, § 2, gecoördineerde wet 14 juli 1994). Daarbij is het van geen belang of het gaat om de voorheen als werknemer uitgeoefende beroepsactiviteit of om een andere activiteit.
Ook in het stelsel van de zelfstandigen is een « begeleide werkhervatting » mogelijk. De arbeidsongeschikte zelfstandige kan dan, mits toestemming van de adviserende geneesheer, zijn uitkeringen behouden en toch een beroepsactiviteit hervatten :
— gedurende ten hoogste 6 maanden indien hij een andere beroepsactiviteit hervat, hetzij als zelfstandige of helper, hetzij in een andere hoedanigheid (artikel 23 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten).
— gedurende 6 maanden, maar verlengbaar tot hoogstens 18 maanden, indien hij dezelfde beroepsactiviteit gedeeltelijk hervat (artikel 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, zoals gewijzigd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 17 november 2000).
Daarna dient de zelfstandige de hervatte bezigheid stop te zetten of zijn uitkeringen te laten vallen.
De zeer beperkte periode van begeleide werkhervatting stimuleert de arbeidsongeschikte zelfstandige daarom allerminst opnieuw beroepsactief te worden. De strenge regeling vormt een rem op de herinschakeling in het beroepsleven en wie het dan toch probeert, moet na een vrij korte periode kiezen : ofwel opnieuw volledig gaan werken, ofwel opnieuw volledig terugvallen op de uitkering en stoppen met werken. Een tussenweg is er niet. Het valt dan ook niet te verwonderen dat velen kiezen voor de zekerheid van hun uitkering. De huidige regeling houdt de arbeidsongeschikte zelfstandige als het ware in de sociale zekerheid en staat derhalve haaks op het door de Belgische en Europese overheden gepromote activeringsbeleid. Ook vanuit maatschappelijk standpunt is dit geen goede zaak. De als het ware « opgelegde » inactiviteit leidt op termijn tot sociale uitsluiting, wat op zijn beurt negatieve effecten heeft op het genezingsproces. Een verschillende behandeling naargelang het gaat om het hervatten van dezelfde beroepsbezigheid of een andere activiteit (een verschil dat door artikel 1 van het koninklijk besluit van 17 november 2000, dat de maximumtermijn verlengde van 12 tot 18 maanden, nog groter geworden is) lijkt in dit kader niet langer gerechtvaardigd. Zeker in het licht van de doelstelling om de stelsels van werknemers en zelfstandigen beter op mekaar af te stemmen. Het wordt dan ook de hoogste tijd deze discriminatie af te schaffen.
Onderhavig voorstel wil ook voor zelfstandigen de mogelijkheid inbouwen om zonder beperking in de tijd een arbeidsongeschiktheidsuitkering te cumuleren met een beroepsbezigheid. Onder begeleiding van de medisch adviseur van het ziekenfonds wordt dan ook voor zelfstandigen een « permanente deeltijdse arbeidsongeschiktheid » mogelijk, zoals dat al langer bestond voor de werknemers. Daarbij willen we ook niet langer het ongerechtvaardigde onderscheid tussen een hervatting van de vroegere zelfstandige activiteit en het opnemen van een nieuwe beroepsactiviteit, een onderscheid dat ook in de werknemersregeling niet wordt gemaakt, handhaven.
Met dit wetsvoorstel willen we de artikelen 23 en 23bis van hogergenoemd koninklijk besluit wijzigen. Tevens machtigen we de Koning om deze artikelen naderhand opnieuw via een koninklijk besluit te wijzigen, op te heffen of aan te vullen.
Artikel 2
A. Het huidige artikel 23 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 handelt over het hervatten van een andere beroepsbezigheid. Dit soort hervatting is momenteel beperkt tot maximum 6 maanden. De permanente deeltijdse arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen wordt gerealiseerd door in dit artikel iedere verwijzing naar een beperking in de tijd te schrappen.
B. Het huidige artikel 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 handelt over het hervatten van dezelfde beroepsbezigheid die men tevoren als zelfstandige uitoefende. Dit soort hervatting kan gedurende 6 maanden, maar deze periode kan nog tweemaal met telkens 6 maand verlengd worden, zodat de maximumduur 18 maanden bedraagt. De permanente deeltijdse arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen wordt gerealiseerd door in dit artikel iedere verwijzing naar een beperking in de tijd te schrappen.
Artikel 3
Dit artikel machtigt de Koning om, na de aanpassing van de artikelen 23 en 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 door deze wet, deze artikelen naderhand opnieuw te wijzigen, op te heffen of aan te vullen via koninklijk besluit.
| Jan STEVERLYNCK. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. in artikel 23, eerste lid, worden de woorden « gedurende een periode van hoogstens zes maanden » geschrapt;
B. artikel 23bis, derde lid, ingevoegd en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 juli 1989 en 17 november 2000, wordt vervangen als volgt :
« De toestemming van de adviserend geneesheer mag pas na het verstrijken van het tijdvak van primaire niet-vergoedbare ongeschiktheid worden verleend. ».
Art. 3
De Koning kan de bepalingen die door artikel 2 van deze wet werden gewijzigd in het vermelde koninklijk besluit opnieuw wijzigen, opheffen of aanvullen. Hij volgt daarbij de procedures en vormvereisten die voorheen reeds golden voor het wijzigen, opheffen of aanvullen van dat besluit.
7 juli 2006.
| Jan STEVERLYNCK. |