3-1775/6

3-1775/6

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

4 JULI 2006


Wetsontwerp houdende diverse bepalingen


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW TALHAOUI


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2518/1).

Het werd op 29 juni 2006 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 83 tegen 42 stemmen bij 3 onthoudingen. Het werd op 30 juni 2006 overgezonden aan de Senaat, die het op 3 juli 2006 heeft geëvoceerd.

In toepassing van artikel 27, 1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie voor de Binnenlandse Zaken en administratieve Aangelegenheden, de bespreking van de artikelen 72 tot en met 75 en de artikelen 190 en 191 van het wetsontwerp aangevat vóór de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 27 juni en 4 juli 2006 in aanwezigheid van de Vice-Premier en minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke kansen.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

De minister legt uit dat artikel 72 van het ontwerp ertoe strekt de geldigheidsduur van het « Federaal solidariteitsfonds voor de lokale politie » te verlengen tot 2007.

Dit solidariteitsfonds werd opgericht met de programmawet van 2004, op hetzelfde ogenblik als de beslissing om het bestaande financieringsmechanisme voor de lokale politiezones verder toe te passen.

Een sub-werkgroep in de schoot van de begeleidingscommissie bestudeert verschillende pistes om de federale dotatie een wettelijke basis te geven. Op vraag van de gewesten, en zoals beslist in het overlegcomité, werden vertegenwoordigers van de gewesten hierbij betrokken.

De minister benadrukt dat een wetsontwerp dat de federale dotatie aan de zones regelt niet overhaast mag worden. Hiervoor zijn verschillende redenen.

1. Aanvankelijk waren er veel klachten van de zones over de meerkost van de politiehervorming. Nu de politiehervorming haar vruchten afwerpt, niet in het minst en vooral op lokaal vlak, is deze discussie grotendeels uitgedoofd. Er is dan ook gebleken dat de bestaande federale dotatie, gebaseerd op de KUL-norm en nadien meermaals gecorrigeerd na overleg met de verenigingen van steden en gemeentes, voor de meeste zones voldoende is.

Bovendien mag niet over het hoofd worden gezien dat er deze legislatuur bijkomende federale inspanningen voor het lokale niveau werden geleverd. De minister verwijst hierbij naar de federale tenlasteneming van de CIC's, de indeplaatsstelling van het veiligheids- en interventiekorps en de aanzienlijke bijkomende middelen die de zones ontvangen uit het Verkeersboetefonds, dat intussen werd omgedoopt tot Verkeersveiligheidsfonds.

2. De discussie over een wettelijke basis van dit nieuwe financieringsmechanisme ligt bovendien niet voor de hand, vooral omdat in dit dossier met een gesloten enveloppe wordt gewerkt : wat men aan de ene zone meer geeft wordt afgenomen bij een andere.

3. Zeker met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht is deze discussie momenteel niet opportuun. Dit zou een rem betekenen op de verdere evolutie van onze politiediensten na de politiehervorming, waarvan de praktijk, zoals gezegd, inmiddels uitwijst dat ze wérkt, op basis van het bestaande financieringsmechanisme.

Daarom wordt een verlenging van dit solidariteitsfonds in 2007 voorgesteld. De minister verkiest een grondige discussie over een nieuw of aangepast wettelijk model te voeren met de nieuwe lokale verkozenen.

Met de artikelen 73 en 74 van het ontwerp wordt voorgesteld de bestaande overgangsperiode van vijf jaar, binnen dewelke de personeelsleden van de Brusselse politiezones hun tweetaligheid moesten kunnen aantonen, te verlengen tot eind december 2007.

Deze overgangsperiode van vijf jaar liep vanaf 1 april 2001mar de begeleidende maatregelen van de federale overheid traden pas in werking vanaf 2003.

Vanaf 2003 werden de Brusselse zones immers gesubsidieerd vanuit het Fonds Europese tops. Deze budgetten zijn onder andere bestemd om de tweetaligheid van het personeel te bevorderen, via taalopleidingen, via taalpremies enz. Het is dan ook gerechtvaardigd deze termijn te verlengen. De voorbije weken hadden we over deze tweetaligheid al verschillende discussies in het parlement. Het is derhalve overbodig te herhalen dat twee premissen in dit dossier verzoend dienen te worden, namelijk veiligheid enerzijds en tweetaligheid anderzijds.

De minister wenst de premisse van de veiligheid niet te hypothekeren voor de premisse van de tweetaligheid, die hij bovendien als minister van Binnenlandse Zaken niet kan afdwingen.

Om die reden wordt geopteerd voor de pragmatische oplossing door de overgangsperiode te verlengen, zodat de zones meer tijd hebben om hun personeel te laten voldoen aan de vereiste tweetaligheid.

De minister heeft het gevoel dat sommigen de indruk willen wekken dat het vroeger, vóór de politiehervorming, veel beter gesteld was met de tweetaligheid. Daarom benadrukt hij dat er bij de Brusselse politie nooit een 100 % tweetaligheid heeft bestaan. Niet bij de toenmalige rijkswachtbrigades, waar enkel de dienst tweetalig moest zijn en niet elke individuele medewerker. Niet bij de gemeentepolitie, want een gemeentelijk politieambtenaar werd toen immers wel aangeworven, ongeacht zijn wettelijke taalkennis. Alleen werd hij niet in vast verband benoemd zolang hij het vereiste taalbrevet niet had gehaald. Die tijdelijke situatie kon lang kon duren. Na de politiehervorming heeft de federale regering de nodige maatregelen genomen opdat de zones het nodige zouden doen met het oog op de tweetaligheid. De federale regering stelt nu voor de overgangsperiode voor de zones te verlengen.

Artikel 75 van het ontwerp ten slotte is ingevoegd ingevolge een amendement dat werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het heeft als doel de regels van het Openbaar Ambt van toepassing te maken op het toekomstig personeel van het « agentschap voor de oproepen tot de hulpdiensten ».

III. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN AMBTENARENZAKEN, MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE, GROOTSTEDENBELEID EN GELIJKE KANSEN

1. Hoofdstuk I — Wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie

Tijdens de voorbereiding van de opname van de OCMW's in de Kruispuntbank van de sociale zekerheid (KSZ) was overeengekomen dat later in de wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie een vervaltermijn zou worden opgenomen voor de indiening van de terugbetalingsaanvragen door de OCMW's.

Met die maatregel worden drie verschillende doelstellingen beoogd :

— beschikken over bijgewerkte gegevens in de KSZ

— beschikken over bijgewerkte statistieken

— de budgettaire voorspellingen betrouwbaarder maken

Volgens het artikel in de programmawet moet het OCMW zijn beslissing meedelen binnen acht dagen te rekenen van het einde van de maand waarin de beslissing werd genomen.

Na vijfenveertig dagen treedt een sanctiesysteem in werking : het OCMW verliest het recht op terugbetaling voor 1/365e van het jaarlijks bedrag per jaar vertraging. Ingeval van collectieve en uitzonderlijke omstandigheden kan de Koning van deze bepaling afwijken (belangrijke wetswijzigingen die wijzigingen van informaticaprogramma's met zich meebrengen).

De vervaltermijn zal enkel betrekking hebben op nieuwe beslissingen. De achterstand kan geleidelijk worden weggewerkt (6 maanden).

Een overlegvergadering met de drie federaties van de OCMW's vond eind maart plaats op het kabinet. Het oorspronkelijk ontwerp is aangepast aan hun opmerkingen. De OCMW's reageren gunstiger dan de federaties. Er is overeengekomen dat de OCMW's snel op de hoogte worden gebracht van het ontwerp van antwoord. De technische problemen die uit deze hervorming voortvloeien, zullen zo snel mogelijk worden opgelost.

Deze maatregel is noodzakelijk om het gebruik van de KSZ te optimaliseren. Als de gegevens niet bijgewerkt zijn, zullen de positieve effecten van het instrument dalen :

— fraude is moeilijk op te sporen (dubbele inschrijvingen zijn mogelijk)

— de gebruikers zullen vaker worden bestraft aangezien de afgeleide rechten worden geopend op basis van de KSZ. Als een OCMW een beslissing laattijdig meedeelt aan de KSZ zal het afgeleid recht voor de gebruiker worden uitgesteld.

2. Hoofdstuk 2 — Wijziging van de organieke OCMW-wet van 8 juli 1976

Deze wijziging heeft als doel zich te conformeren aan een arrest van het Arbitragehof, ervan uitgaande dat artikel 71, derde lid van de wet van 8 juli 1976 (beroepstermijn tegen een beslissing van het OCMW) de rechten van de verdediging van de betrokken persoon overmatig beperkt.

De berekeningswijze en de duur van de beroepstermijn bepaald in dit artikel dienden dus te worden gewijzigd.

De voorgestelde nieuwe termijn zal drie maanden bedragen, ingaand hetzij op de datum van notificatie, hetzij op de datum van de ontvangstbevestiging, hetzij op de vervaldatum van de termijn van een maand vanaf de termijn bepaald in artikel 71, tweede lid van deze wet.

IV. ALGEMENE BESPREKING

Mevrouw Talhaoui meent dat de argumenten van de minister om de politiemensen die niet over de vereiste taalkennis beschikken tot 31 december 2007 in dienst te houden toch wel erg licht wegen. De minister verkiest veiligheid boven tweetaligheid maar volgens spreekster vullen beide elkaar aan. Is het niet mogelijk om de vereiste tweetaligheid op een of andere manier op te leggen ?

Op de vraag van de minister wat zij dan als alternatief kan voorstellen, antwoordt mevrouw Talhaoui, dat de minister van Justitie er wel in geslaagd is om de tweetaligheid in de rechtbank van eerste aanleg van Brussel te verbeteren. Zij ziet niet in waarom dit niet voor de politie ook zou kunnen.

Mevrouw Jansegers vraagt waarom er nog steeds geen financieringswet is voorgelegd voor het solidariteitsfonds. Deze wet was beloofd voor 2007 maar de huidige financieringsregeling wordt tot in 2007 verlengd. Is het de bedoeling om de Franstaligen een beetje te sussen tot de volgende verkiezingen ?

Wat de tweetaligheid in Brussel betreft vraagt de minister dat een verlenging wordt gestemd van de huidige regeling. Al maanden wordt om cijfers gevraagd over de taalverhoudingen bij de Brusselse politie. Het is niet verwonderlijk dat de politiemensen er niet in slagen in vijf jaar een tweetaligheidbrevet te halen als de diensten van de minister er zelfs niet in slagen om binnen de drie maanden de juiste cijfers te verzamelen.

Toen de minister over deze situatie een eerste keer werd ondervraagd vielen er nog 405 agenten onder deze gunstregeling. Volgens krantenberichten zou deze gunstregeling ondertussen echter ook worden toegepast op nieuw aangeworven agenten, wat zeker niet de bedoeling was van artikel 69 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Op die manier wordt de uitzonderingsmaatregel, die een overgangsperiode voorzag van vijf jaar, gebruikt om feitelijke eentaligheid toe te laten. Men moet het helemaal niet voorstellen als een keuze tussen tweetaligheid of veiligheid. Tweetaligheid is een voorwaarde om alle inwoners hulp en bescherming te kunnen bieden.

Wat is het nut van een wet als die niet afdwingbaar is ?

De heer Van Peel sluit zich aan bij de opmerkingen van zijn twee collega's.

De minister antwoordt dat, wat het solidariteitsfonds betreft, de in artikel 72 voorziene verlenging niet de bedoeling heeft om de Franstaligen tevreden te stellen. Het huidige financieringssysteem is gebaseerd op een wetenschappelijke norm, de KUL-norm. De huidige dotatie blijkt, gelet op het succes van de politiehervorming, haar vruchten af te werpen. Sommige burgemeesters geven nu ook toe dat ze een beetje te snel waren met hun kritiek.

In het begin van de huidige legislatuur heeft de minister inderdaad gezegd dat het best was om deze financiering in een wet te gieten. Dit gebeurt echter pas best na de gemeenteraadsverkiezingen zodat hij de onderhandelingen kan voeren met de nieuwe gemeentebesturen. Hij verwacht dat de meeste gemeenten zullen proberen om een hogere financiering te krijgen. Met een gelijk blijvende enveloppe belooft dit geen gemakkelijke onderhandeling te worden.

Aan de commissie belast met de begeleiding van de politiehervorming op lokaal vlak, die wordt geleid door de heer De Ruyver, is gevraagd om samen met de gewesten de besprekingen te voeren maar de minister verwacht niet dat dit tot concrete resultaten zal leiden voor het einde van het volgende jaar.

Ook bij de vorming van een nieuwe federale regering zal volgend jaar moeten worden afgesproken welke budgetten men wil vrijmaken voor de politie. Als de enveloppe niet toeneemt kan men beter de huidige politiehervorming verder zetten en niet beginnen met het ontwikkelen van nieuwe initiatieven.

Mevrouw Thijs stelt vast dat de extra middelen voor de gebouwen zijn uitgesteld van 2003 tot 2006. Al de politiezones hadden deze middelen al voorzien in hun begroting voor dit jaar. Als deze extra middelen ook worden getroffen door de huidige verlenging van het bestaande dotatiesysteem dan zullen de zones hun begroting van dit jaar moeten aanpassen.

De minister antwoordt dat de verlenging van het huidige dotatie los staat van de extra middelen voor de gebouwen.

Wat de taalregeling betreft wijst de minister er op dat de federale regering niet de werkgever is van de lokale politie. Hij heeft de cijfers over de taalkennis opgevraagd in de verschillende zones maar blijkbaar gaat het niet overal even snel. De antwoorden komen geleidelijk aan binnen. Binnen een aantal weken zullen deze cijfers kunnen worden overgemaakt aan het parlement zodat kan worden nagegaan wat de reële situatie is. Hij wijst er wel op dat de situatie, waarbij de politie in Brussel geen Nederlands kende of weigerde te spreken totaal gewijzigd is. In heel wat zones is het aantal Franstaligen die Nederlands kennen groter dan andersom. Gelet op de internationale rol van Brussel is het zelfs niet meer een probleem van kennis van Nederlands of Frans maar ook van Engels of andere talen. Deze discussie mag dus niet vanuit een eng communautair perspectief bekeken worden.

Uiteraard zijn er verschillende maatregelen genomen die de tweetaligheid hebben bevorderd, zij het niet in voldoende mate. Vanuit het Fonds « Europese tops » zijn er in de Brusselse zones forse bedragen geďnvesteerd : 12,5 miljoen € in 2003 en telkens 25 miljoen euro in 2004, 2005 en 2006. Met dat geld is veel gebeurd op het vlak van tweetaligheid, onder meer :

— door de taalpremie, die 10 keer hoger ligt in vergelijking met het openbaar ambt;

—  door de verstrekking van taalonderwijs, met behoud van alle premies en toelagen;

— door het aantrekken van een taalleraar in een bepaalde zone, andere zones werken samen met scholen voor taalopleiding.

Deze maatregelen leveren echter nog niet tot voldoende concrete resultaten op het terrein. De wet geeft de minister geen enkel middel om de tweetaligheid op te leggen. De wet bepaalt evenmin wat er moet gebeuren als de vooropgestelde tweetaligheid niet wordt gehaald.

In de Kamer heeft men aangedrongen op bijkomende sensibiliseringsmaatregelen en de minister is bereid om hierop in te gaan. De Kamer heeft echter geen enkele positieve suggestie gedaan over de aard van de maatregelen die de minister zou kunnen nemen. Moet hij de agenten afdanken en dit terwijl men er jaren over heeft gedaan om het tekort aan politiemensen ongedaan te maken ? Daardoor komt opnieuw de veiligheid in het gedrang.

De minister vraagt dus wat hij concreet kan nemen als maatregelen om de bestaande taalsituatie te verbeteren. De taalopleiding in alle politiescholen van het land verbeteren ? Is het bijbrengen van talenkennis een opdracht van de politiescholen ?

Hij stelt dat zowel in het Zuiden als in het Noorden van het land de kennis van de andere landstaal achter-uit gaat. Dat is geen fout van de politiescholen.

De minister wil samen met de commissie onderzoeken welke maatregelen kunnen genomen worden om de tweetaligheid bij de politie van de Brusselse politiezones te verhogen maar hij kan het reële gebrek aan kennis van de andere landstaal niet verhelpen, dat is een bevoegdheid van onderwijs.

Mevrouw Talhaoui heeft begrepen dat vele politiemensen hun tewerkstelling in Brussel als een voorlopig tussenstation beschouwen, voor zij aan de slag kunnen in eigen streek. Dit zou deels verklaren waarom de bereidheid om een andere taal te leren beperkt is.

De minister antwoordt dat dit oorspronkelijk wel een element was dat meespeelde maar door een aantal financieel compenserende maatregelen is het politiewerk in Brussel aantrekkelijker geworden. Een aantal van die maatregelen heeft men kunnen opheffen omdat de situatie op dit ogenblik in Brussel verbeterd is.

Het zou evident moeten zijn moeten zijn dat de politiemensen meerdere talen kenden, niet alleen in de hoofdstad.

Mevrouw Jansegers wijst er op dat het de taak is van oppositie om kritiek te geven. Verwacht de minister in het parlement toch niet alleen een debat onder gelijkgezinden ? Wat is het nut van een maatregel die men opneemt in een wet als die niet afdwingbaar is ? Welke rechtszekerheid biedt een dergelijke bepaling ?

Hoewel de minister heeft aangekondigd dat zijn diensten de cijfers inzamelen kan hij drie maanden later nog altijd geen cijfers voorleggen, terwijl het slechts gaat over zes politiezones. Uit voorlopige cijfers van maart blijkt dat ongeveer 17 % van de Franstaligen geen Nederlands taalbrevet had.

De minister repliceert dat de fractie van mevrouw Jansegers geen enkel concreet alternatief voorstelt om aan de huidige toestand te remediëren.

Mevrouw Jansegers merkt op dat het aan de regering is om antwoorden te geven. Als haar partij in de regering zit zal zij oplossingen aanbrengen. Voor de oplossing van de huidige problemen inzake tweetaligheid in de Brusselse zones is de huidige regering aan zet.

De minister belooft dat hij de gevraagde cijfers zal verstrekken. Het spreekt voor zich dat deze cijfers in hun juiste context moeten bekeken worden om een correct debat mogelijk te maken. Hij wacht met belangstelling op de concrete voorstellen die de commissie zal doen om de huidige situatie te verbeteren.

De heer Van Peel meent dat de minister de concrete problemen op het terrein correct weergeeft. De fout van het voorgelegde artikel 73 is dat het de verwachting creëert dat het parlement elk jaar wel een dergelijk artikel zal goedkeuren waardoor de wet onuitvoerbaar wordt. Indien dit artikel zou bepalen dat de betrokken agenten hun betrekking tot uiterlijk 31 december 2007 kunnen behouden, wordt een veel krachtiger signaal gegeven.

De minister meent dat dit debat illustreert dat het niet volstaat de wet aan te passen. De tot nog toe genomen maatregelen hebben op het terrein nog niet tot het verwachte resultaat geleid, wat betekent dat er bijkomende maatregelen nodig zijn. Tegen de volgende vervaldatum moeten er dus sterkere stimulansen ontwikkeld worden. De enige stok achter de deur waarover de minister tot nog toe beschikt is dat een agent die niet aan de wettelijke voorwaarden beantwoordt verwijderd wordt. Het onmiddellijk gevolg is dat dan de veiligheid in de Brusselse zones opnieuw in het gedrang komt — ongetwijfeld tot vreugde van sommige politieke partijen.

V. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 73

Amendementen nrs. 29 en 30

Mevrouw Thijs en de heer Van Peel dienen amendement nr. 29 in (stuk Senaat, nr. 3-1775/2) dat ertoe strekt om dit artikel te doen vervallen.

De heer Van Peel verwijst naar de algemene bespreking van voorliggend ontwerp en verwijst in het bijzonder naar het arrest nr. 42/2004 van het Arbitragehof en met name naar de overweging B.6.3.2 ervan, waarin duidelijk wordt gesteld dat de overgangsmaatregel van artikel 69 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken niet langer dan vijf jaar mag bedragen, dit wil zeggen dat hij een einde moet nemen op 1 april 2006. De parlementaire voorbereiding laat hier niet de minste twijfel over bestaan. Het Arbitragehof is dan ook van oordeel dat, wanneer de overgangsmaatregel langer blijft bestaan, hij onevenredig is met betrekking tot het beoogde doel en dat er aldus een schending is van de grondwet.

Wanneer de Senaat ermee zou instemmen om deze overgangsmaatregel toch te verlengen, zoals wordt voorgesteld door het ontworpen artikel 73 van voorliggend ontwerp, legt hij deze uitspraak van het Arbitragehof doelbewust naast zich neer. Het gevolg daarvan laat zich raden.

Mevrouw Thijs en de heer Van Peel dienen amendement nr. 30 in (stuk Senaat, nr. 3-1775/2), dat subsidiair is ten aanzien van amendement nr. 29, en dat aan de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad de bevoegdheid verleent om toe te zien op de naleving van de wetten die het gebruik der talen regelen bij de lokale politie in Brussel.

Amendement nr. 29 wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Amendement nr. 30 wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen.

VI. STEMMING OVER HET GEHEEL

De aan de commissie toegewezen artikelen worden in hun geheel goedgekeurd met 6 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Fauzaya TALHAOUI. Ludwig VANDENHOVE.

Tekst verbeterd door de Commissies (zie stuk Senaat, nr. 3-1775/8 - 2005/2006)