3-1775/3

3-1775/3

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

5 JULI 2006


Wetsontwerp houdende diverse bepalingen


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE DAMES DE ROECK EN ANNANE


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsvoorstel van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2518/1).

Het werd op 29 juni 2006 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 85 tegen 42 stemmen bij 3 onthoudingen. Het werd op 30 juni 2006 overgezonden aan de Senaat, die het op 3 juli heeft geëvoceerd.

Met toepassing van artikel 27, 1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, die werd gevat voor de artikelen 21 tot 24, 140 tot 168, 183 en 192 tot 353, de bespreking van dit wetsontwerp aangevat vóór de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 28 juni en 5 juli 2006 in aanwezigheid van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de minister van Werk, de minister van Middenstand en Landbouw, de minister van Leefmilieu en Pensioenen en de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke kansen.

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

A. Inleidende uiteenzetting van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Titel VIII, Hoofdstuk 1, van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreft de onderwerpen in verband met de sociale zekerheid.

In dat hoofdstuk komen vier thema's aan bod, te weten :

1. gezinsbijslag;

2. betere invordering van de sociale zekerheidsbijdragen;

3. aanpassing van de ZIV-reglementering in het kader van de verlenging van de nabevallingsrust;

4. de uitbreiding van het suppletief sociaal statuut voor lokale mandatarissen.

Hoofdstuk II bevat de bepalingen in verband met de zes volgende materies :

1. de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;

2. de bevestiging van het koninklijk besluit van 10 november 2005 tot vaststelling van de heffingen voor de financiering van het FAVV;

3. wijziging van de hypotheekwet;

4. bekrachtiging van het koninklijk besluit van 31 oktober 2005 betreffende de verplichte bijdragen aan het Begrotingsfonds voor de Gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten;

5. de bekrachtiging van het koninklijk besluit van 31 oktober 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 juli 2004 betreffende de verplichte bijdragen aan hetzelfde Begrotingsfonds;

6. de wijziging van de Dierengezondheidswet van 1987.

Alvorens de verschillende maatregelen toe te lichten die zijn vervat in dit deel van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen, onderstreept de minister dat hij wat de gezinsbijslag betreft, is ingegaan op het advies van de Raad van State omtrent het oorspronkelijke voorstel voor de zogenaamde « behartenswaardige gevallen ».

Het voorstel betreffende behartigenswaardige gevallen werd dus verwijderd uit het wetsontwerp en zal worden opgenomen in een afzonderlijk wetsontwerp.

A. GEDEELTE SOCIALE ZAKEN :

1. GEZINSBIJSLAG :

De ontworpen bepalingen hebben drie doelstellingen :

— rekening houden met de nieuwe bepalingen inzake de adoptie van een kind;

— de regel betreffende het begin van de toekenning van kinderbijslag wijzigen om korte onderbrekingen in de uitbetaling van de kinderbijslag te voorkomen;

— een regel betreffende de aanwijzing van de voorrangsgerechtigde rechthebbende opnemen voor de gevallen waarin verscheidene rechthebbenden een residuair recht hebben ten behoeve van een zelfde kind.

2. BETERE INVORDERING VAN DE SOCIALEZEKERHEIDSBIJDRAGE :

De ontworpen wijzigingen werden samen met alle betrokken partijen uitgewerkt, ter verbetering van de nadere technische regels inzake de informatieverstrekking.

Artikel 146 geeft duidelijker de schuldenaren aan op wier goederen een wettelijke hypotheek kan rusten.

Artikel 147 bevat onder meer een nadere bepaling van het begrip « verzendingsdatum van de berichten » die worden verzonden in het kader van wat gemeenzaam de derde en vierde weg wordt genoemd.

3. VERLENGING NABEVALLINGSRUST EN ZIV-REGLEMENTERING :

In de Titel Werkgelegenheid wijzigt artikel 271 artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 met betrekking tot de verlenging van de de periode van nabevallingsrust met één week.

Artikel 149 wijzigt bijgevolg de ZIV-reglementering opdat de werkneemster zou kunnen genieten van de moederschapsuitkering tijdens deze verlenging van de nabevallingsrust.

Artikel 150 preciseert dat de maatregel geldt voor de bevallingen vanaf 1 september 2006.

4. UITBREIDING VAN HET SUPPLETIEF SOCIAAL STATUUT VOOR LOKALE MANDATARISSEN :

De in artikel 151 van het wetsontwerp vervatte bepaling strekt ertoe om, met terugwerkende kracht tot 1 april 2001, het suppletief sociaal statuut van de lokale mandatarissen uit te breiden tot de voorzitters van verenigingen van gemeenten en tot de voorzitters van verenigingen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Die uitbreiding is een gevolg van een voorstel van het Beheerscomité van de RSZ-PPO.

De regering achtte het noodzakelijk op dat voorstel in te gaan, aangezien het spoort met de gedachte die ten grondslag ligt aan het suppletief sociaal statuut, en omdat die lokale mandatarissen kunnen worden gelijkgesteld met schepenen of voorzitters van openbare centra voor maatsschappelijk welzijn.

De regering is van mening dat de wetgever, toen hij het suppletief sociaal statuut heeft uitgewerkt, de toepassing ervan heeft willen beperken tot de plaatselijke mandatarissen die een wedde ontvangen en de plaatselijke mandatarissen die enkel presentiegeld ontvangen daaruit heeft willen uitsluiten.

De regering vindt dat de filosofie die aan de grondslag ligt van dit suppletief sociaal statuut niet moet worden gewijzigd.

De minister vestigt daarenboven de aandacht van de leden op het feit dat de verruiming tot de lokale mandatarissen die enkel presentiegeld ontvangen zou leiden tot praktische toepassingsproblemen.

B. DIER — PLANT EN VOEDING

De afdeling 1 van dit Hoofdstuk heeft betrekking op de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

Het Voedselagentschap wordt gedeeltelijk gefinancierd door retributies en heffingen die de sectoren betalen.

De retributies zijn dienstgebonden bedragen, de heffingen daarentegen moeten betaald worden door alle operatoren die actief zijn in de voedselketen. Deze heffingen zijn een gesolidariseerde, billijke spreiding van de kosten verbonden aan de controleactiviteiten van het Voedselagentschap.

Deze financiering vervangt de oude financieringssystemen.

De artikelen 153 tot 157 willen tegemoet komen aan sommige bijzondere gevallen waarmee geen rekening werd gehouden bij het opstellen van het koninklijk besluit van 10 november 2005 tot vaststelling van de heffingen voor de financiering van het Voedselagentschap.

Het huidig financieringssysteem zal eind 2006 geëvalueerd worden in overleg met de sectoren.

In de eerste plaats stelt de minister voor om vrijstelling voor de heffingen te verlenen aan de operatoren die niet onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

Het gaat om drie categorieën operatoren.

— Eerst vrijetijdslandbouwers die actief zijn in de dieren- of plantenkweek;

— Ten tweede, de apothekers met een marginale activiteit in de voedingsketen, zoals de verkoop van gehumaniseerde melk of voedingssupplementen. Die operatoren zullen in de toekomst worden gecontroleerd door de federale overheidsdienst Volksgezondheid en Veiligheid van de Voedselketen.

— Ten derde, de boekhandels; die detailhandelszaken oefenen een beperkte activiteit in de voedselketen uit. De producten die er worden verkocht hebben een laag risico. Ze zijn verpakt en hebben een bewaarperiode van minstens drie maanden bij kamertemperatuur. Het is daarom verantwoord die operatoren een lagere heffing te laten betalen.

Tevens schorst men de retributietoeslag voor zaken zonder erkend zelfcontrolesysteem voor het jaar 2006. Zo zal het grootste deel van die zaken geen verhoogde heffing betalen, indien de sectorale gids op het einde van het jaar door het Agentschap gevalideerd werd.

Het tweede gedeelte van dit hoofdstuk strekt er toe het koninklijk besluit van 10 november 2005 te bevestigen.

Mocht dit besluit niet binnen achttien maanden na bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad door de wetgever worden geratificeerd, dan wordt het van rechtswege en met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding opgeheven.

Het derde gedeelte wijzigt de hypothecaire wet van 16 december 1851, ten behoeve van het Begrotingsfonds voor de Gezondheid en het Begrotingsfonds voor planten.

De Belgische Staat werd veroordeeld tot het terugbetalen van de bijdragen die voor de periode 1986-19996 werden betaald aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid. Alle rechtsmiddelen zijn uitgeput. Ook sommige slachthuizen hebben een schuld bij dat fonds. Het is onzeker of men bij faillissement die schulden kan recupereren.

Die Begrotingsfondsen moeten de juridische mogelijkheid hebben om de verschuldigde bedragen zoveel mogelijk te recupereren.

De afdelingen 4 en 5 gaan over de bevestiging van twee koninklijke besluiten tot bepaling van het bedrag van de verplichte bijdragen voor het Begrotingsfonds voor de gezondheid voor de rund- en varkenssector.

Gezien het peil van de beschikbare reserves van het fonds voor de gezondheid, konden de bedragen van de verplichte bijdragen voor beide dierensoorten worden verminderd.

De laatste afdeling strekt ertoe de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 aan te passen voor de inning van de aan de identificatie van dieren gelieerde retributies.

Het gaat om het leggen van een wettelijke grondslag die het mogelijk maakt dat derden onder de door de Koning bepaalde voorwaarden de begunstigden zijn van de aan de identificatie van dieren gelieerde retributies en met de inning ervan worden belast.

De andere artikelen gaan over terminologische aanpassingen van de wet als gevolg van de ontbinding van het minister van Middenstand en Landbouw in 2002.

B. Inleidende uiteenzetting van de minister van Middenstand en Landbouw

Er werden reeds een aantal bepalingen aangenomen om een betere invordering van de socialezekerheidsbijdragen van de zelfstandigen te verzekeren. De artikelen 165 tot 168 strekken ertoe bepaalde punten te verduidelijken.

Artikel 165 geeft aan wat moet worden verstaan onder schuldenaar op wiens goederen een wettelijke hypotheek kan rusten.

Artikel 166 strekt ertoe het mechanisme van sociale bekendmaking nog te verbeteren. Voortaan moeten instanties zoals notarissen, gerechtsdeurwaarders, enz. wier opdracht het is onroerende of roerende goederen te verkopen, de instellingen van de invorderaars van de bijdragen daarvan binnen een bepaalde termijn op de hoogte brengen. De informatie wordt gecentraliseerd bij de Kruispuntbank van de sociale zekerheid.

De artikelen 167 en 168 bepalen dat de verwijlintresten van 1 % voortaan op dezelfde wijze toepasselijk zijn, ongeacht of het om een zelfstandige, een vennootschap of een overheidsinstelling gaat. In de praktijk is dat reeds het geval.

C. Inleidende uiteenzetting van de minister van Leefmilieu en Pensioenen

1. Inkomensgarantie voor ouderen

De inkomensgarantie voor ouderen is een residuair voordeel, met andere woorden, deze kan slechts worden toegekend na een onderzoek naar het geheel van de bestaansmiddelen waarvan de gerechtigde kan genieten. Er wordt rekening gehouden met alle bestaansmiddelen, ongeacht de oorsprong of aard ervan.

De huidige tekst van artikel 10, eerste lid, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling aan een inkomensgarantie voor ouderen voorziet dat enkel de afstand in aanmerking wordt genomen die gedaan is minder dan 10 jaar vóór het bereiken van de vereiste leeftijd wat betreft de gerechtigde om de IGO te kunnen genieten.

In zijn arrest nr. 58/2005 van 16 maart 2005 inzake een prejudiciële vraag gesteld door de Arbeidsrechtbank van Antwerpen, oordeelde het Arbitragehof dat in die interpretatie, het artikel 10, eerste lid van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Het Arbitragehof oordeelde dat die regel tot onevenredige gevolgen leidt voor hen die niet op de bijstandsgerechtigde leeftijd, maar pas later een recht op inkomensgarantie doen gelden en tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

Om de betwiste bepaling in overeenstemming te brengen met het arrest, wordt, in artikel 192 van het ontwerp van wet diverse bepalingen, het aanvangspunt van de termijn van tien jaar afgestemd op de datum waarop de aanvraag uitwerking heeft namelijk de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de aanvraag is ingediend.

De Rijksdienst voor pensioenen past de voornoemde regel reeds toe en dit sinds de datum waarop het Arbitragehof haar arrest heeft geveld.

2. Overdracht van pensioenrechten naar de communautaire instellingen

De personen die in dienst treden van de EEG kunnen de overdracht vragen van de in de Belgische wettelijke pensioenregelingen opgebouwde pensioenrechten. Deze overdracht werd achtereenvolgens beheerst door de wet van 21 mei 1991 (subrogatie) voor de aanvragen ingediend vóór 1 januari 2002 en door de wet van 10 februari 2003 (overdracht van de afkoopsom) voor de vanaf die datum ingediende aanvragen.

Ingevolge een met ingang van 1 mei 2004 aan het statuut van de EEG-ambtenaren aangebrachte wijziging bieden overgangsbepalingen aan bepaalde personen de mogelijkheid om een pensioenaanvraag in te dienen niettegenstaande de oorspronkelijke indieningtermijn verstreken was.

In principe kan geen enkele nieuwe aanvraag ingediend worden door personen voor wie het dossier afgesloten werd door de EEG.

Een groot aantal personeelsleden willen desalniettemin artikel 9 van de wet van 21 mei 1991 inroepen om een nieuwe aanvraag in te dienen die onderworpen zou zijn aan de wet van 10 februari 2003. Die bepaling voorzag in de mogelijkheid om de aanvraag tot overdracht in te trekken mits instemming van de EEG zolang de subrogatie niet effectief is geworden.

Aangezien het statuut van de EEG momenteel niet in de mogelijkheid van een intrekking voorziet, verzet de EEG er zich tegen.

De ratio legis van artikel 9 was het vrijwaren van de rechten van de ambtenaar die zijn ontslag indient zonder de tien dienstjaren te tellen die vereist zijn om aanspraak te kunnen maken op een ouderdomspensioen van de EEG.

Indien artikel 9 desalniettemin zou dienen toegepast te worden in alle gevallen, zou België onmiddellijk dienen over te gaan tot de overdracht van de afkoopsom in alle gevallen waarin België momenteel wacht tot de ingangsdatum van het EEG-pensioen om een aanvang te nemen met het betalen van de subrogatie. Dit zou een aanzienlijke onmiddellijke begrotingslast meebrengen, hetgeen geheel onaanvaardbaar is rekening houdend met de kleine beschikbare marges.

In akkoord met de Europese Gemeenschap strekt het artikel ertoe uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever te bevestigen teneinde te vermijden dat artikel 9 ten onrechte ingeroepen zou worden om het voordeel van de nieuwe wet te eisen.

3. De overzeese sociale zekerheid

Onderhavig ontwerp brengt diverse wijzigingen aan in de wetten waarvan uitvoering en toepassing verzekerd wordt door de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid, te weten :

— de wet van 16 juni 1960, betreffende de koloniale sociale zekerheid;

— de wet van 17 juli, die de overzeese sociale zekerheid organiseert.

Dit ontwerp bevat verscheidene gedeelten :

luik 1) het wegwerken van discriminaties

— Ingevolge het arrest van het Arbitragehof van 29 november 2000 (én op grond van de richtlijn 79/7/EEG van de Raad van de EU van 19 december 1978) wordt met dit wetsontwerp de man/vrouw-ongelijkheid weggewerkt;

— Er wordt ook uitvoering gegeven aan de EG-verordening 859/2003 met betrekking tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder de bepalingen vielen van de verordeningen 1408/71 en 574/72;

— Ten slotte worden voortaan, ingevolge een arrest van het Arbitragehof van 25 oktober 2005, voor de berekening van het koloniaal pensioen, bepaalde periodes van militaire dienst gevaloriseerd.

luik 2) machtiging aan de Koning

Er wordt machtiging aan de Koning verleend om de voorwaarden te bepalen waaronder de uitkeringen aangepast worden aan de evolutie van de kosten voor levensonderhoud. Hiermee wordt een begin van uitvoering gegeven aan de aanbevelingen in de audit « leefbaarheid en perspectieven van de overzeese sociale zekerheid » van het Rekenhof, dat heeft aangedrongen op maatregelen om het budget en de rijkstegemoetkoming te beperken.

Het is in deze context dat er een opmerking was van de Raad van State : de delegaties die aan de Koning verleend worden, dienen te worden afgebakend, bijvoorbeeld door de criteria te bepalen welke de Koning bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid in acht moet nemen, aldus de Raad. Aan dit advies werd op 3 verschillende manieren tegemoet gekomen :

1) Wat de aanrekening van de tijdvakken van militieverplichtingen tijdens het koloniale tijdperk betreft (art. 203) gaat het om militieverplichtingen in het Belgisch leger. Cumulatie met een pensioen over hetzelfde tijdwerk in een ander stelsel van ruster overlevingspensioenen in verboden.

2) Wat art. 215 van het voorliggend ontwerp betreft (met betrekking tot de ouderdomsrente in de reglementering van de overzeese sociale zekerheid) werd het niet nodig geacht om de criteria van de nieuwe bepaling nader te definiëren, aangezien de delegatie van bevoegdheden aan de Koning voor dit artikel dezelfde is als deze van de huidige tekst van artikel 20 van de wet van 1963. Het betreft hier inderdaad slechts een herschrijven van de bestaande tekst om de man/vrouw-discriminatie weg te werken;

3) Inzake het indexeringsmechanisme (wet van 1960) en wat de aanpassing betreft aan de evolutie van de kosten van het levensonderhoud (wet van 1963) — zie respectievelijk de artt. 207 en 233 van het wetsontwerp — en om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State over de bevoegdheidsoverdracht, vermeldt het ontwerp dat de uitvoeringsbesluiten door de wetgever bekrachtigd moeten worden uiterlijk bij het versrijken van de termijn van één jaar na hun inwerkingtreding.

luik 3) omzetting van frank naar euro

Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om de omzetting van frank naar euro door te voeren en de nieuwe basisbedragen in euro te koppelen aan de spilindex 103,14, spilindex die gemeenschappelijk is doorheen de gehele sociale zekerheid.

Ten slotte werden ook nog enkele andere bijzonderheden voorgesteld, als bijvoorbeeld de invoering van de verjaringstermijn van 10 jaar, die ook in de andere pensioenregelingen geldt, en het optrekken van de pensioengerechtigde leeftijd tot 65 jaar.

De ingangsdatum wordt bepaald op 1 januari 2007, althans voor de nieuwe pensioenen. Voor de bestaande pensioenen blijven de vroegere bepalingen van toepassing.

D. Inleidende uiteenzetting van de minister van Werk

Hoofdstuk 1 : Telewerk

De ontwerptekst geeft uitvoering aan advies nr. 1528 van de Nationale Arbeidsraad omtrent het telewerk. Dit advies hoort bij CAO nr. 85 over telewerk van 9 november 2005. Voor de algemeen bindend verklaring van de CAO vragen de sociale partners enkele wettelijke bepalingen te wijzigen in de arbeidsovereenkomstenwet en de wet op de arbeidsreglementen.

Daarnaast is er via regeringsamendementen een wettelijke basis ingevoegd die de minister van Ambtenarenzaken toelaat om ten behoeve van de contractuele ambtenaren een soortgelijke regeling uit te werken.

De CAO regelt enkel het statuut van telethuiswerker en dus niet satellietkantoren of reizende beroepen. Het toepassingsgebied van de CAO is een deel van het toepassingsgebied van wet op huisarbeid. De telethuiswerkers vallen nog steeds onder huisarbeid maar de bepalingen van CAO komen in plaats van art 119.3 tot 119.12 van de wet op huisarbeid. Dit is afgesproken in overleg met sociale partners.

De reden voor de spoedbehandeling is dat de sociale partners de algemeen bindend verklaring koppelen aan de gevraagde wetswijzigingen en dit ten laatste op 1 juli 2006.

Hoofdstuk 2 : Wijziging van de wet van 3 mei tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser

De ontwerptekst wijzigt artikel 30 van de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser. Die wijziging werd unaniem gevraagd door de leden van paritair comité nr. 143 voor de zeevisserij. Artikel 30 van de wet van 3 mei 2003 regelt het recht op gewaarborgd minimumloon voor de zeevissers en de manier waarop dit moet worden vastgesteld. De sociale partners vragen de berekening van het gewaarborgd minimumloon over een door hen vast te stellen, langere referteperiode mogelijk te maken.

De reden voor de spoedbehandeling is dat de leden van het paritair comité vragen dat de nodige wetgevende demarches zo snel mogelijk worden ondernomen om dat mogelijk te maken. De verlenging van de referentieperiode is nodig om te komen tot een rationeler en billijker berekening van het gewaarborgd minimumloon. De sector is al zwaar getroffen door de hoge brandstofprijzen, die de rendabiliteit van de sector zwaar aantasten. Sommige reders wijzen op het bijkomend inkomensverlies voor de reder met het daarmee gepaard gaand eventueel banenverlies in de sector.

Hoofdstuk 3 : Arbeidsduur van het varend personeel in burgerluchtvaart

De ontwerptekst heeft tot doel de Europese richtlijn 2000/79 van 27 november 2000 inzake de inwerkingstelling van de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart om te zetten. Daartoe worden de bepalingen van de Arbeidswet van 16 maart 1971 aangepast teneinde een zuivere omzetting van de Europese richtlijn mogelijk te maken en de rechtszekerheid van de arbeidsverhoudingen voor het varend personeel in burgerluchtvaart te garanderen.

De reden voor de spoedbehandeling is dat de omzetting via CAO aanvankelijk gebeurde door de sociale partners, maar de CAO liep af op 30 november 2005 en sedertdien is er geen nieuwe CAO gesloten. Een CAO van bepaalde duur is ook geen gepast instrument voor omzetting van een richtlijn. Ons land is op dit ogenblik in overtreding en de Europese Commissie zou op elk ogenblik kunnen beslissen om over te gaan tot het aanvatten van vervolging wegens het niet omzetten van de Europese richtlijn.

Hoofdstuk 4 : Arbeidsinspectie

De bevoegdheden van de diensten van de sociale inspectie zijn thans geregeld bij de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. De laatste wijzigingen aan die wet dateren van de programmawet van 22 december 1989.

Er moet echter worden vastgesteld dat de fraude inmiddels al lang niet meer beperkt is tot de landsgrenzen, maar dat ze almaar meer een internationaal (crimineel) georganiseerd is. Bovendien heeft sedert 1989 een grote evolutie plaatsgevonden wat de toepassing van informaticatechnologie van allerlei aard betreft. De bevoegdheden van de diensten van de sociale inspectie werden nooit aangepast aan die evolutie.

De ontworpen bepalingen beogen de bevoegdheden van de diensten van de sociale inspectie te preciseren, aan te passen en te verruimen. In feite maken die wijzigingen deel uit van een groter geheel, met name het ontwerp van Wetboek van sociaal strafrecht, dat de Ministerraad op 21 april 2006 heeft goedgekeurd en dat later dit jaar aan het parlement zal worden voorgelegd. De regering acht de hier voorgestelde wijzigingen dermate belangrijk dat ze ze nu reeds — dat wil zeggen versneld — via dit wetsontwerp tot stand wil brengen.

De reden voor de spoedbehandeling is dat de voorgestelde wijzigingen een dringende aanpassing van de bevoegdheden van de diensten van de sociale inspectie beogen, alsook een betere aanpak van de sociale fraude, in het bijzonder van de illegale detacheringen, het onrechtmatig beroep op buitenlandse (illegale) werkkrachten en de verdachte constructies.

Na de bespreking in de Commissie voor de Sociale Zaken van de Kamer zijn al een aantal amendementen van de regering aangenomen. Deze strekken er onder andere toe om nu al in de nieuwe reglementering een aantal evenwichten op te nemen waarin het ontwerp van Wetboek van sociaal strafrecht voorziet. Het gaat meer bepaald om het schriftelijk mededelen, in bepaalde gevallen, door de inspectie aan de werkgever, van de genomen controlemaatregelen en de mogelijkheid voor de werkgever om hiertegen in beroep te gaan, zoals bij de procedure in kortgeding.

Bovendien zijn er een reeks nieuwe, bijkomende garanties ingevoegd. Een koninklijk besluit zal een informatieve lijst geven van de door de wet voorgeschreven documenten die de werkgever in zijn bezit moet hebben en die de inspectie zelf kan zoeken als de werkgever niet aanwezig is. De inspectie moet echter eerst de nodige inspanningen doen om in contact te komen met de werkgever, zodat deze zelf de documenten kan overhandigen. Ten slotte komt er ook een koninklijk besluit waarin een deontologische code wordt opgesteld voor de diensten van de sociale inspectie.

Hoofdstuk 5 : Schrappen van het Tewerkstellingsfonds

Midden 2004 werden de beschikbare middelen en de financieringsopdrachten van het Tewerkstellingsfonds overgeheveld naar respectievelijk de RSZ-Globaal beheer en de RVA (programmawet van 9 juli 2004, artikelen 131 en 254 tot 257). In 2005 werd de rekening van het fonds definitief afgesloten. Dit fonds moet dan ook verwijderd worden uit de bijlage bij de organieke wet van 27 december 1990 op de begrotingsfondsen.

De reden voor de spoedbehandeling is dat de wetgeving moet worden aangepast aan een feitelijke situatie die reeds ongeveer een half jaar bestaat.

Hoofdstuk 6 : Betaald educatief verlof

Geen enkele wetgevende of reglementaire tekst van de federale overheid of van de gemeenschappen bepaalt wat, inzake betaald educatief verlof, moet worden verstaan onder « de met universiteiten gelijkgestelde inrichtingen » in het kader van bachelor- en masteropleidingen. Het wetsontwerp verduidelijkt dat het gaat om de hogescholen met opleidingen die leiden tot de graad van bachelor.

De reden voor de spoedbehandeling is dat de ontwerptekst een juridisch vacuüm wegwerkt.

Hoofdstuk 7 : Activerend beleid bij herstructureringen

In de generatiepactwet is in de aanpak van herstructureringen voorzien dat de werknemer die actief meedoet aan de tewerkstellingscel, tijdens een periode van 6 maanden recht heeft op een inschakelingsvergoeding, die overeenkomt met het normale loon, en die de werkgever in herstructurering moet betalen. Er is eveneens voorzien dat de werkgever in sommige gevallen een deel van die kost kan recupereren bij de RVA.

Probleem met de tekst van het generatiepact is dat de tekst niet toelaat om in de berekening van wat aan de werkgever moet terugbetaald worden, ook de patronale RSZ-bijdragen in rekening te brengen, terwijl dit wel de bedoeling was (anders wordt het beoogde doel, namelijk een kostenneutraliteit voor de werkgever, niet bereikt).

Een aanpassing aan de generatiepactwet moet voorzien worden die verduidelijkt dat de werkgever bij de RVA het bedrag kan terugvorderen dat gelijk is aan het verschil tussen de bruto inschakelingsvergoeding inclusief patronale bijdragen en de normale bruto verbrekingsvergoeding inclusief patronale bijdragen.

De reden voor de spoedbehandeling is dat het koninklijk besluit in verband met herstructureringen van kracht is sedert 1 april dit jaar. Omwille van rechtszekerheid moet dit zo snel mogelijk geregeld worden. De eerste betalingen van inschakelingsvergoedingen mogen verwacht worden vanaf augustus. Deze wetswijziging zou daarvoor gepubliceerd en van kracht moeten zijn.

Hoofdstuk 8 : Wijziging van de welzijnswet van 4 augustus 1996

Het wetsontwerp strekt tot wijziging van artikel 45, § 2, eerste lid, 4º, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Krachtens die bepaling mag de voorzitter van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk niet onder het hiërarchisch gezag van een minister staan. In de praktijk blijken voor dat mandaat weinig kandidaten in aanmerking te komen die geen ambtenaar zijn. Bovendien kan een voorzitter die geen lid is van de administratie niet echt wegen op de goede werking van het secretariaat en het verloop van de vergaderingen.

De reden voor de spoedbehandeling is dat de wijziging van die wetsbepaling dringend is, omdat het mandaat van de huidige voorzitter afgelopen is en men moeilijk een andere kandidaat kan vinden. Bovendien wordt gewerkt aan een hervorming van Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk, met het oog op een administratieve vereenvoudiging.

Hoofdstuk 9 : Moederschapsverlof

Deze bepaling geeft uitvoering aan de beslissing rond de verlenging van het moederschapsverlof genomen door de bijzondere Ministerraad op 20 maart 2004. Meer concreet verlengt deze bepaling de periode van het postnataal verlof met één week wanneer de werkneemster gedurende de volledige periode vanaf de zesde week voorafgaand aan de dag van de bevalling of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht, ongeschikt was om te werken wegens ziekte of ongeval. De verlenging moet worden aangevraagd door de werkneemster. Desgevallend zal de ziekte of het ongeval kunnen blijken uit een medisch attest van de behandelende geneesheer.

De reden voor de spoedbehandeling is dat deze bepaling een uitvoering is van de beslissing van de bijzondere Ministerraad van Oostende. De hoogdringendheid wordt gemotiveerd door de afgesproken datum van inwerkingtreding, met name 1 september 2006 en door de noodzaak voor de uitvoerende organen om de nodige acties te kunnen ondernemen terzake.

Hoofdstuk 10 : Het ambt van afgevaardigde-werkman bij het toezicht in de groeven en graverijen

Per 1 januari 2003 werden de afgevaardigden-werklieden bij het toezicht in de groeven en graverijen, voorheen in dienst bij de FOD Economie, opgenomen bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, meer bepaald bij de algemene directie Toezicht op het Welzijn op het Werk. De wet van 12 april 1960 regelt hun taken, hun statuut, hun benoeming en hun bezoldiging. Die mensen worden voor die functie voorgedragen door de vakbonden. Hun mandaat kan om de 4 jaar worden hernieuwd. Bij hun overheveling van de FOD Economie naar de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg is overeengekomen dat de mandaten niet langer door de vakbonden zouden worden ingevuld, maar dat afgevaardigden-werklieden in dienst zouden worden genomen als statutaire personeelsleden bij de Dienst Toezicht op het Welzijn op het Werk.

De wetswijziging komt erop neer :

— voor de afgevaardigden-werklieden die in dienst zijn, een oplossing te vinden die hun de mogelijkheid biedt hun statuut te behouden en tegelijkertijd in dienst te kunnen worden genomen voor andere taken of opdrachten dan die welke de wet van 12 april 1960 opsomt;

— het begrip « uitdovende personeelsformatie » op te nemen in de wet; zo kunnen de mandaten die aflopen omdat de betrokkenen de pensioenleeftijd hebben bereikt, worden omgezet in statutaire betrekkingen van technicus bij de algemene directie Toezicht op het Welzijn op het Werk.

De reden voor de spoedbehandeling is dat er snel een oplossing dient te worden aangereikt, omdat de mandaten van afgevaardigden-werklieden eind dit jaar moeten worden hernieuwd. Zo dat niet gebeurt, zullen sommige van die mensen hun mandaat verliezen omdat ze de pensioenleeftijd hebben bereikt.

Hoofdstuk 11 : Bepalingen betreffende Beroepsziekten

Het Hof van Cassatie heeft op 27 februari 2006 het koninklijk besluit van 31 januari 1983 tot uitvoering van artikel 66 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, onwettig verklaard. Dit koninklijk besluit beperkte de cumul van een pensioen en een uitkering inzake beroepsziekten.

Het koninklijk besluit werd onwettig verklaard op basis van een loutere procedurefout : volgens het Hof was de hoogdringendheid die was ingeroepen om het advies van de Raad van State niet te vragen, onvoldoende gemotiveerd. De inhoud kwam niet ter sprake.

Het ontwerp heeft tot doel de beperking van de cumul retroactief te bevestigen bij wet.

De reden voor de spoedbehandeling is dat zo het koninklijk besluit geacht wordt nooit bestaan te hebben — daar komt het arrest van het Hof van Cassatie eigenlijk op neer -de slachtoffers van een beroepsziekte een herzieningsaanvraag kunnen indienen. Ze hebben immers niet gekregen waar ze recht op hadden, namelijk een onbeperkte cumul. Dit zou de staat honderden miljoenen kosten. Er resten nog zowat 80 dagen om deze zaak bij wet te regelen.

Hoofdstuk 12 : Samenloop van een pensioen met vergoedingen bij arbeidsongevallen

Ook het koninklijk besluit van 13 januari 1983 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 werd uitgevaardigd zonder het advies van de Raad van State. Bijgevolg loopt men het risico dat het Hof van Cassatie ook in dit geval oordeelt dat die spoedbehandeling onvoldoende met redenen werd omkleed.

De reden voor de spoedbehandeling is dat het Hof van Cassatie tot dusver het koninklijk besluit nog niet onwettig heeft verklaard. Uiteraard kan op ieder ogenblik iemand klacht indienen bij het Hof van Cassatie; ook dreigen aanzienlijke bedragen te moeten worden terugbetaald.

Hoofdstuk 13 : Omzetting richtlijn leeftijdsdiscriminatie

Artikel 6 van de Europese richtlijn 2000/78 voorziet de mogelijkheid om uitzonderingen in te voeren op het verbod van leeftijdsdiscriminatie. Tot hier toe werd geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid in de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. De Belgische wetgever ging er van uit dat deze problematiek kon worden opgevangen door de specifieke, ruime definitie van directe en indirecte discriminatie in deze wet. Ondertussen werd België echter op 7 februari 2006 in gebreke gesteld door de Europese Commissie, onder andere omdat deze Belgische definities strijdig zijn met voormelde richtlijn. Wanneer wij geen gebruik maken van de mogelijkheid die de Europese richtlijn ons nog laat tot 2 december 2006 om bepaalde uitzonderingen terzake in te schrijven in onze wetgeving, zullen wij in de problemen geraken voor heel wat leeftijdsgebonden bepalingen in onze wetgeving. Het wetsvoorstel neemt de toegestane uitzonderingen in artikel 6 van de richtlijn over in Belgisch recht.

De reden voor spoedbehandeling is dat de omzetting van een bepaling van een Europese richtlijn absoluut moet gebeuren vóór 2 december 2006.

E. Inleidende uiteenzetting van de staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, preciseert dat de artikelen 352 en 353 van dit wetsontwerp ertoe strekken de verhouding tussen de actoren van het beleid inzake duurzame ontwikkeling duidelijker te bepalen, overeenkomstig de aanbevelingen van het Rekenhof.

Tijdens de Ministerraad van 28 april 2006 heeft de regering een protocol goedgekeurd, dat die verduidelijking tot stand moet brengen. Twee wijzigingen moeten evenwel bij wet worden aangebracht.

Artikel 352 bepaalt dat de vertegenwoordiger van het Federaal Planbureau, belast met het secretariaat van de Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (ICDO), voortaan zal worden bijgestaan door leden van de POD Duurzame Ontwikkeling. Daartoe zullen bepaalde personeelsleden die onder arbeidsovereenkomst in dienst zijn van het Federaal Planbureau met ingang van 1 september 2006 worden overgeheveld naar de POD. Die mensen zullen hun loon behouden, alsook de andere premies en voordelen waar ze recht op hadden bij het Planbureau.

Artikel 353 strekt tot wijziging van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling. Op grond van die bepaling zal het voorontwerpplan voortaan worden voorbereid door de Commissie, en niet langer door het Federaal Planbureau. Op die manier wordt tegemoet gekomen aan de opmerking van het Rekenhof, dat heeft aangestipt dat het Planbureau terzake tegelijk rechter en partij was.

III. ALGEMENE BESPREKING

A. Sociale Zaken en Volksgezondheid

Voorzitster Van de Casteele verheugt zich over de maatregelen inzake gezinsuitkeringen, en met name inzake de betaling van de kinderbijslag.

Artikel 141 bepaalt dat degene die het kind daadwerkelijk opvoedt bij voorrang recht heeft op de kinderbijslag. De voorzitster wijst erop dat senator Vankrunkelsven een wetsvoorstel voorbereidt waarin voor gescheiden koppels de betaling wordt opgesplitst voor ouders die de regeling van het co-ouderschap toepassen. Wat is de mening van de minister hierover ?

De Raad van State heeft opgemerkt dat de bepaling over de adoptiepremie problemen veroorzaakt bij adopties door personen van hetzelfde geslacht. Is dat geregeld ?

Stemt de regel voor de nabevallingsrust overeen met wat een tijd geleden werd beslist en aangekondigd in een Ministerraad ?

De senatrice is tevreden over de maatregelen betreffende het FAVV. Zij komt toch nog even terug op een vraag die zij een aantal dagen voordien aan de minister stelde in de plenaire vergadering, over de manier waarop de bijdragen worden geïnd bij de mensen die werken in de tuinbouw. Sommigen moeten toch wel vrij hoge bijdragen betalen. Omdat hij deelneemt aan de voedselketen moet de bloemenverkoper een bijdrage betalen. Hetzelfde geldt voor de grossier. Als zij geen eetbare planten verkopen is dat toch wel vreemd. In de plenaire vergadering heeft de minister geantwoord dat zij moeten betalen voor de fytosanitaire controle. Spreekster geeft toe dat controles nodig zijn, maar zij vraagt zich af of de bijdrage wel in verhouding staat tot de controle die het FAVV in die sector uitoefent. Dit zal bij de evaluatie moeten worden aangekaart, en liefst zelfs vroeger, aangezien de evaluatie pas eind 2007 zal plaatsvinden.

Minister Demotte van Sociale Zaken en Volksgezondheid antwoordt dat hij de diensten heeft gevraagd een stand van zaken op te maken voor de fytosanitaire controles. De sector van de boomkwekers heeft raakvlakken met de voeding. Er kunnen immers fruitbomen worden verkocht. Bepaalde plantenziekten en plantaardige ziekten moeten worden gecontroleerd. Zodra de minister over meer gedetailleerde informatie beschikt kan de situatie in de sector beter worden ingeschat.

De maatregel betreffende de nabevallingsrust is inderdaad de uitvoering van het tweede deel van een beslissing van de bijzonder Ministerraad in Oostende. Voor deze tweede verlening van de rust is een budget vrijgemaakt.

In het voorontwerp waarover de Raad van State zijn advies heeft gegeven was niets bepaald over adoptie door personen van hetzelfde geslacht. Dit is nu opgelost door te bepalen dat in geval van betwisting de premie aan de oudste van de echtgenoten of samenwonenden wordt uitbetaald.

Ten slotte wordt de voorrang voor de kinderbijslag bij co-ouderschap momenteel bestudeerd.

Mevrouw Van de Casteele wijst erop dat de tekst een oplossing biedt voor de adoptiepremie maar dat er tal van bepalingen in de sociale wetgeving zullen moeten worden aangepast aan die situatie. Wie heeft er bijvoorbeeld recht op het ouderschapverlof ?

B. Pensioenen

Mevrouw De Schamphelaere verwijst naar de situatie van heel wat alleenstaande oudere dames die hun professionele loopbaan hebben aangepast met het oog op de verzorging van hun ouders, bijvoorbeeld via deeltijds werk, vervolgens slechts recht hebben op een zeer klein pensioen en de woning, die ze van hun inmiddels overleden ouders hebben geërfd, moeten verkopen om aanspraak te kunnen maken op een degelijk pensioen. Wanneer ze dat niet doen moeten ze rond komen met een schamele 250 euro per maand.

De termijn van 10 jaar, waarvan sprake in artikel 192 van voorliggend wetsontwerp, om de afstand in aanmerking te nemen aanspraak te kunnen maken om de inkomensgarantie voor ouderen is volgens spreekster onredelijk lang. Men kan zich ook de vraag stellen of, bij het onderzoek naar de bestaansmiddelen van de betrokkene, een bescheiden gezinswoning wel in aanmerking moet komen. Een dergelijke woning is toch de beste garantie voor financiële zekerheid.

De heer Tobback, minister van Leefmilieu en Pensioenen, is het hiermee ten dele eens. Hij wijst er evenwel op dat in alle bijstandsstelsels de termijn van 10 jaar geldt en dat, in tegenstelling tot de verzekeringsstelsels, telkens ook een onderzoek naar de bestaandsmiddelen wordt gevoerd. Hij erkent dat zulks niet altijd het gewenste effect geeft op het terrein, maar ziet niet onmiddellijk een oplossing om hieraan iets te verhelpen.

Mevrouw Van de Casteele verwijst naar het hoofdstuk met betrekking tot de overzeese sociale zekerheid, waarin ook de overlevingsrente aan de langstlevende echtgenoot aan bod komt. Dit element maakt, wat de arbeidsongevallen betreft, reeds het voorwerp uit van verschillende besprekingen in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 12 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, waarin wordt voorgesteld om de overlevingsrente ook toe te kennen aan niet-gehuwde partners. De regering wenst immers een beleid te voeren dat neutraal staat ten aanzien van de verschillende samenlevingsvormen. Voorliggend wetsontwerp beperkt zich echter tot het klassieke huwelijk en spreekt enkel over de langst levende echtgenoot; samenwonenden vallen hier buiten, ook als ze in een samenlevingsovereenkomst de wederzijdse onderhoudsplicht zouden hebben ingeschreven. Weliswaar heeft de Nationale Arbeidsraad in zijn advies nr. 1547 gesteld dat deze gelijkschakeling als niet prioritair wordt beschouwd; toch is er de rechtspraak van het Arbitragehof volgens dewelke hier sprake is van een discriminatie die middels een wetgevend initiatief kan worden rechtgezet.

Kan de minister een inschatting maken van de door voorliggend ontwerp voorgestelde regeling inzake overlevingsrenten op de langst levende samenwonende partner ? Wellicht gaat het om een zeer beperkt aantal gevallen, maar voor deze mensen zijn de gevolgen wel zeer groot.

De minister antwoordt dat, in de mate van het mogelijke, met de verschillende samenlevingsvormen wordt rekening gehouden in de overzeese sociale zekerheid. Hij is in het algemeen voorstander van een volledige gelijkschakeling tussen gehuwden en samenwonenden, maar benadrukt dat indien de voordelen van het huwelijk op het vlak van de sociale zekerheid worden uitgebreid naar samenwonenden, dit evenzeer geldt voor de nadelen.

Mevrouw Van de Casteele is van oordeel dat het niet zozeer gaat om het uitbreiden maar wel om het verschuiven van de voordelen. Ingevolge de demografische evolutie is de groep van mensen die samenwoont of huwt niet groter dan vroeger; alleen zijn er nu proportioneel gezien meer samenwonenden dan 20 tot 30 jaar geleden. Weliswaar zijn er om de gelijkschakeling te verwezenlijken reeds stappen gezet op het fiscale vlak, maar op het vlak van de sociale zekerheid dient hier nog veel te gebeuren, zonder dat zulks ernstige budgettaire gevolgen met zich meebrengt.

Mevrouw Bouarfa vraagt of, indien een gepensioneerde zich wil vestigen in het buitenland, er een verschil is om het pensioen te krijgen al naargelang de gepensioneerde wel of geen Belg is.

Volgens de heer Tobback, minister van Pensioenen, zijn er inderdaad verschillen, die op zich niet zoveel te maken hebben met al dan niet bezitten van de Belgische nationaliteit. Per land kunnen er andere regels gelden voor het overmaken van het pensioen. Bovendien bestaan er met sommige landen samenwerkingsakkoorden en met andere niet. Deze factoren zijn veel belangrijker dan het hebben van de Belgische nationaliteit.

Mevrouw De Schamphelaere meent dat de minister van Pensioenen enkele goede ideeën naar voren heeft geschoven die getuigen van lange termijnplanning. Zij betwijfelt echter of de regering de moed zal hebben deze ideeën in de werkelijkheid om te zetten. Het is duidelijk dat er iets moet gebeuren aan de transparantie en de grotere eenvormigheid van het pensioenstelsel. Waar zij de minister van pensioenen veel minder in volgt, is de pensioenbonus, die zij beschouwt als een product van korte-termijn denken.

De minister benadrukt dat er rond een eenvormig systeem van sociale zekerheid eerst nog uitgebreide maatschappelijke discussies dienen plaats te vinden. Het is pas daarna dat er een parlementair debat zou kunnen gehouden worden, maar dat zal zeker niet meer tijdens de huidige legislatuur zijn. De welvaartsbonus is een ander verhaal. Daarover werd reeds een parlementair debat gehouden vermits er uitgebreid werd gedebatteerd over het generatiepact. Het systeem bestaat al, net zoals het budget en er werd overeengekomen dat de welvaartsboni er komen in 2007 en 2008. Enkel over de vorm kan nog worden gediscussieerd.

Mevrouw Van de Casteele stelt vast dat er hier eigenlijk een stukje voorafname wordt gedaan op het sociaal overleg. Dit verbaast haar omdat het parlement er tijdens de bespreking van het generatiepact regelmatig op gewezen werd voorzichtig te zijn met aanbevelingen omdat deze konden worden beschouwd als voorafname van het sociaal overleg. Verder zou zij graag een tabel ontvangen met een stand van zaken van de uitvoering van de verschillende besluiten omtrent het generatiepact. Ook zou zij de minister graag uitnodigen voor een bespreking van het verslag van de vergrijzingscommisie.

Mevrouw De Schamphelaere wil graag enige verduidelijking in verband met het systeem van de overzeese sociale zekerheid. Zij stelt vast dat de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen wordt verhoogd van 55 jaar naar 65 jaar vanaf 1 januari 2007. Is dit correct ? Over hoeveel mensen gaat het hier ?

De heer Tobback, minister van Pensioenen, merkt op dat er maatregelen worden voorzien die de overgang spreiden over vijf jaar. Het is inderdaad zo dat de pensioengerechtigde leeftijd op 65 jaar wordt gebracht. Er kan echter nog steeds vanaf 60 jaar op pensioen gegaan worden. Er wordt dus geen sprong van 10 jaar gemaakt, maar wel van vijf jaar. Deze maatregelen hebben betrekking op een groep van ongeveer zeventig personen.

C. Werk

De heer Paque verheugt zich in het feit dat telewerk wordt aangemoedigd. Sommige streken van het land hebben echter nog geen toegang tot snelle internet-verbindingen, wat een grote hulp is bij telewerk. Voorziet de minister hier maatregelen ? Zijn er ook vergoedingen voorzien voor personen die telewerken ?

De heer Cornil wijst er op dat telewerk steeds belangrijker wordt. Hij is echter bezorgd om de rechten van de telewerkers in de privésector. De flexibiliteit van de telewerkers mag niet overdreven worden. Hij zou graag van de minister vernemen welke maatregelen worden voorzien voor de bescherming van de telewerkers. Een tweede opmerking betreft de arbeidsinspectie en de voorziene uitbreiding van hun mogelijkheden. Zijn er onderhandelingen hierover op Europees niveau, meer bepaald betreffende de migratie van arbeid binnen de Europese Unie ?

Mevrouw Zrihen vraagt of er bij de ontwikkeling van het telewerk aansluiting wordt gezocht met het project « internet voor iedereen » ? Wordt er ook aandacht besteed aan de mogelijkheden voor vrouwen, in het bijzonder oudere vrouwen die weer in het arbeidscircuit willen stappen ? Ook zij benadrukt het belang van het sociale luik van telewerk, vooral omdat veel vrouwen zich aangetrokken zullen voelen tot dit soort arbeid omdat zij hopen dat het hen in staat zal stellen werk en gezin te combineren. Wordt er op toegezien dat de keuze van deze vrouwen voor telewerk geen nadelige gevolgen zal hebben op financieel gebied, onmiddellijk of later voor hun pensioen ?

Ook mevrouw Van de Casteele zou graag meer informatie krijgen over het telewerk, bijvoorbeeld over de ondergrens die in het wetsontwerp wordt gehanteerd. Verder hoopt zij dat de uitbreiding van de bevoegdheden van de sociale inspectie niet te ruim wordt opgevat. Uiteraard moet de sociale fraude worden bestreden, maar zij heeft signalen opgevangen dat de wijzigingen die hier worden voorzien erg ver gaan. Bovendien loopt de regering hier vooruit op de geplande herziening van het Sociaal Strafrecht. Minister Demotte voorziet ook in een aantal maatregelen betreffende de aansprakelijkheid van de ondernemingen. Rechtspersonen zijn echter ook bedoeld om de problemen van een faillissement ten dele te kunnen opvangen. Zij wijst er de minister op dat al deze maatregelen samen ondernemers kunnen ontmoedigen om nog initiatieven en risico's te nemen.

Mevrouw De Schamphelaere betreurt dat het telewerk geregeld wordt in het voorliggende wetsontwerp. Zij betwijfelt de noodzaak van de spoedbehandeling en zou er de voorkeur aan geven over dit thema een diepgaand parlementair debat te houden. Iedereen heeft hoge verwachtingen van dit systeem omdat het een combinatie van werk en gezin mogelijk maakt en zelfs ten dele een oplossing kan bieden voor het mobiliteitsprobleem. Er zijn echter ook risicofactoren, zoals het gevaar voor sociaal isolement of een slechtere communicatie binnen het bedrijf. Daarom dringt zij aan op een geregelde evaluatie van het systeem van telewerk. Wat betreft de sociale inspectie, sluit zij zich aan bij de opmerkingen van mevrouw Van de Casteele. Zij hoopt dat in de toekomstige codex sociaal strafrecht een beter evenwicht zal uitgewerkt worden. Zij wijst er op dat het gewone strafrecht veel garanties voorziet alvorens er tot bepaalde onderzoeksdaden kan worden overgegaan. Er is bijvoorbeeld een rechterlijke beslissing nodig alvorens tot een huiszoeking te kunnen overgaan. In de maatregelen die worden voorzien in het voorliggende wetsontwerp kan de sociale inspectie echter bepaalde documenten hoe dan ook bekomen en opsporen. Hoe wordt de privacy gerespecteerd van kleine zelfstandigen, waar bedrijfsvloer en privé-woning door mekaar lopen ?

De laatste twee artikelen betreffende de leeftijdsdiscriminatie ten slotte, werden door de regering als amendement toegevoegd tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Kamer. Er is geen spoor van terug te vinden in de memorie van toelichting of in het advies van de Raad van State. De senator heeft de indruk dat de voorgestelde wijziging het verbod op discriminatie op basis van leeftijd uitholt. Dit verbod werd enkele jaren geleden nochtans heel bewust ingevoerd.

De heer Vanvelthoven minister van Werk antwoordt dat de bepalingen rond telewerk een regeling inhouden van de telethuiswerker, waardoor de rechtszekerheid toeneemt. Het gebruik van telewerk bij de overheid of in de privésector, de arbeidsorganisatie binnen het bedrijf, de omstandigheden waarbinnen iemand al dan niet mag telewerken, wordt niet geregeld. De minister relativeert het probleem van slechte verbindingen in bepaalde delen van het land. België is immers één van de meest bekabelde landen ter wereld en is globaal genomen klaar om telewerk toe te laten. De grootste hindernis is ongetwijfeld een probleem van mentaliteit bij de werkgevers, die er meestal nog de voorkeur aan geven hun werknemers in hun kantoor aan het werk te zien.

Het « Internet voor Iedereen » project is niet gericht op telewerk. De minister is van oordeel dat indien de werkgever zijn werknemers de mogelijkheid biedt om te telewerken, de werkgever ook voor de technologische omkadering moet zorgen.

De uitbreiding van de opsporingsbevoegdheden van de sociale inspectie is eerder beperkt. De minister is verbaasd om van de werkgevers enerzijds de vraag te krijgen om de fraudeurs stevig aan te pakken, en anderzijds te merken dat wanneer er maatregelen komen, diezelfde werkgevers de sociale inspectie trachten te dwarsbomen. Het reële probleem is zo dat wanneer sociale inspecteurs ter plaatse gaan en de bedrijfslokalen betreden, de werkgever nog steeds kan weigeren om de gevraagde documenten mee te geven. Indien de inspecteurs vervolgens naar de rechter gaan om de toestemming te krijgen ze mee te nemen, en terug gaan naar de bedrijfslokalen kan er uiteraard niet meer vastgesteld worden of de documenten wel in orde waren, omdat de werkgever alle tijd heeft gehad om ze bij te werken. De uitbreiding van de bevoegdheden betreft dus enkel de categorie van werkgevers die weigeren te verplicht bij te houden documenten te overhandigen. In dat geval krijgen de inspecteurs de bevoegdheid deze documenten ter plaatse op te sporen. De bijkomende bevoegdheid is zeer doelgericht, er is geen misbruik mogelijk en de inspecteurs krijgen geen carte blanche.

D. Duurzame ontwikkeling

De heer Cornil vraagt of het personeel van de verschillende diensten geconsulteerd werd over de wijzigingen. Zijn de voorgestelde teksten het resultaat van een consensus ? Hij meent dat het tevens nuttig zou zijn na te gaan hoe de verschillende transversale organen die nu bestaan, vereenvoudigd kunnen worden, en hoe het werk van de cellen voor Duurzame ontwikkeling nog kan gestimuleerd worden. Hun rol in de bewustmaking van het grote publiek van de problematiek van de duurzame ontwikkeling is zeer belangrijk. Een eenvoudige en heldere structuur van de organisatie maakt deze taak zeker gemakkelijker en verhoogt de herkenbaarheid ten opzichte van het publiek.

Mevrouw De Schamphelaere wil even teruggaan naar twee belangrijke thema's van het federaal plan duurzame ontwikkeling van 24 september 2004. Rond het probleem van de mobiliteit werden een aantal maatregelen in het vooruitzicht gesteld, bijvoorbeeld over het gewestelijk expresnet, maar vooral over het beter verzamelen van gegevens over de verplaatsingen in ons land. Dit is noodzakelijk om een goed inzicht te krijgen in de problematiek en om efficiënte oplossingen uit te werken. Kan de staatssecretaris zeggen of zij op dit ogenblik beschikt over recente en betrouwbare gegevens inzake mobiliteit ? Een tweede vraag betreft de voorbeeldfunctie van de overheid. Vanaf 1 januari 2007 zouden alle overheidsdiensten een eigen milieuplan moeten hebben, wat inhoudt dat zij op een duurzame manier moeten werken, zuinig omgaan met energie, kwaliteitsmateriaal gebruiken, zorgen voor recyclage en elke vorm verspilling vermijden en bestrijden. In welke fase bevinden zich de milieuplannen ? Is 1 januari 2007 nog steeds een haalbare datum ?

Mevrouw Bouarfa merkt op dat de staatssecretaris regelmatig nieuwe initiatieven heeft aangekondigd inzake energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe energiebronnen. Kan zij de huidige toestand schetsen ? Momenteel wordt het publiek immers voorgespiegeld dat zij, dankzij de liberalisering van de energiemarkt, minder zullen moeten betalen voor hun energie. Zal dat niet leiden tot een hoger energieverbruik en zodoende haaks staan op een duurzaam energiebeleid ?

Mevrouw Van Weert, staatssecretaris van Duurzame Ontwikkelings en Sociale Economie antwoordt dat er niet enkel een wetswijziging is gepland, maar dat er tevens een protocol werd opgesteld dat tot stand is gekomen na bilaterale gesprekken met de betrokkenen. Ook aan de voorstellen van wetswijziging die nu voorliggen in het wetsontwerp houdende diverse bepalingen, gingen uitgebreide consultaties vooraf. De staatssecretaris heeft de verslagen van de cellen voor duurzame ontwikkeling ontvangen. Indien de commissieleden dit wensen, zal ze hen de verslagen overmaken.

De staatssecretaris is het eens met mevrouw De Schamphelaere dat de opvolging van de engagementen zeer belangrijk is. Daarom werd er veel energie besteed aan het ontwikkelen van methodes om de opvolging en het aanzetten tot acties beter te laten verlopen. In de verslagen van de cellen kan worden gelezen welke acties werden ondernomen.

Inzake mobiliteit zijn er een aantal statistische gegevens beschikbaar. Aan het globaal plan mobiliteit wordt nog steeds gewerkt. De staatssecretaris beschikt nog niet over dit plan, waarvan de uitwerking tot de bevoegdheid van de minister van mobiliteit behoort.

Wat de voorbeeldfunctie van de overheid betreft, deelt de staatssecretaris mee dat het haar bedoeling is dat elke administratie tegen eind 2007 een EMAS-certificaat zou hebben. EMAS (Environmental Management and Audit Scheme) is een milieukwaliteitslabel dat door de Europese Commissie wordt toegekend aan bedrijven, instellingen en organisaties, die met succes een milieuzorgsysteem hebben ingevoerd. Haar eigen beleidscel en administratie hebben dit certificaat reeds gehaald en hebben afspraken gemaakt om in drie fases andere administraties te begeleiden om het EMAS-certificaat te kunnen behalen. Indien alles volgens schema verloopt, wat momenteel het geval is, zouden zelfs de grootste administraties eind 2007 aan de eisen moeten voldoen om het certificaat te ontvangen.

Er werden verschillende maatregelen genomen om de overheid ertoe aan te zetten zuiniger om te springen met energie. Er werden gebouwen onder handen genomen en circulaires verstuurd waarin de administraties werd gevraagd 2 % te besparen op hun energiefactuur. Het door de administraties bespaarde bedrag wordt vervolgens opnieuw geïnvesteerd in duurzame maatregelen. Voor het grote publiek en bepaalde doelgroepen werd het Energiebesparingsfonds (Fonds de réduction du coût global de l'énergie) opgericht. Dit fonds is nu klaar om concrete acties te ontwikkelen.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 252

Amendement nr. 25

De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 25 in (stuk Senaat, nr. 3-1775/2) dat ertoe strekt om een lijst met gegevens die ingevolge de wet dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, te laten opstellen door de Koning na een bindend advies van de Nationale Arbeidsraad. Op deze manier is betwisting achteraf overbodig en is ook een betwisting voor de rechtbank overbodig.

De heer Vanvelthoven, minister van Werk, deelt mee dat dergelijke lijst is opgenomen in het ontwerp van sociaal Strafwetboek dat nu voor advies naar de NAR is gestuurd. Het amendement is dus eigenlijk al overgenomen in een bestaand ontwerp, waarover een advies aan de NAR is gevraagd. Een apart advies vragen over in het kader van de voorliggende wet is overbodig.

Artikel 267bis (nieuw)

Amendement nr. 27

De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 27 in (stuk Senaat, nr. 3-1775/2) dat beoogt een artikel 267bis (nieuw) in te voegen dat ertoe strekt om de regeling van het betaald educatief verlof uit te breiden. Door de gewijzigde context na de Bologna-verklaring dienen er enkele federale luiken aangepast te worden. Één van deze luiken betreft het betaald educatief verlof, meer bepaald de mogelijkheid om betaald educatief verlof te krijgen voor afstandsonderwijs, voor het volgen van stages en bij de voorbereiding van een assessment in het kader van de erkenning van eerder verworven competenties.

Mevrouw Geerts stelt vast dat de wet een aantal nieuwe bepalingen invoert rond de bachelors en masters graden. Er zullen echter nog gedurende een aantal jaren studenten kunnen kiezen of zij hun opleiding verder zetten via het oude systeem, dan wel overschakelen op het nieuwe systeem. Geldt deze regeling ook voor hen ?

De heet Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt dat deze studenten inderdaad nog op dit systeem kunnen beroep doen. Wat het amendement nr. 27 betreft, wijst hij er op dat onder meer de assessment procedure een onderwerp was in het kader van het generatiepact. De minister bereidt op dit ogenblik een koninklijk besluit voor in uitvoering van dit pact, waarin hiervoor een regeling wordt voorzien. Er is nog discussie over een oplossing voor de stages. Inzake het afstandsonderwijs blijft er een probleem, in de eerste plaats omdat het principe van het betaald educatief verlof er van uit gaat aanwezigheden te kunnen noteren. In de tweede plaats stelt zich een probleem van controle, omdat afstandsonderwijs impliceert dat dit ook kan bij buitenlandse instellingen. Een oplossing is dus niet zo evident.

Artikel 350

Amendement nr. 26

De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 26 in (stuk Senaat, nr. 3-1775/2) dat ertoe strekt om dit artikel te doen vervallen.

Mevrouw De Schamphelaere wijst er op dat deze artikelen niet thuishoren in een wetsontwerp diverse bepalingen. Bovendien werden ze als amendement ingediend tijdens de bespreking in de Kamer, waardoor er geen advies van de Raad van State beschikbaar is. De anti-discriminatiewet is tot stand gekomen na een zeer uitgebreid parlementair debat. Daarbij werd rekening gehouden met de richtlijn 2000/75/EG, die de regering nu als excuus gebruikt om deze artikelen snel goedgekeurd te krijgen. Zij meent dat er door het aannemen van deze bepaling een onevenwicht zou ontstaan met de andere discriminatiegronden. De mogelijkheid om een objectieve afweging te maken moet bestaan, maar ze moet geval per geval worden gemaakt. Dit alles wordt overboord gegooid door de voorliggende, zeer algemene bepaling.

Ook de bepaling inzake sociale zekerheid is overbodig, vermits er een duidelijke en objectieve verantwoording kan worden gegeven voor het onderscheid op basis van leeftijd.

Artikel 351

Amendement nr. 28

De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 28 in (stuk Senaat, nr. 3-1775/2) dat ertoe strekt om dit artikel te doen vervallen.

Mevrouw De Schamphelaere benadrukt ook hier de noodzaak van een motivering. De operationele werking is een belangrijk gegeven, maar het gaat te ver dit als algemene titel in te schrijven in de wet.

De heer Beke voegt hier aan toe dat ook Defensie het concept ontwikkelt van een gemengde loopbaan. Dit staat haaks op de idee om toch een leeftijdsdiscriminatie mogelijk te maken.

De heer Tobback, minister van Leefmilieu en Pensioenen, antwoordt dat artikel 351 de tekst van de richtlijn letterlijk overneemt en de mogelijkheid van een gemengde loopbaan niet op de helling plaatst.

Op de opmerking van mevrouw de Schamphelaere, die beweert dat de richtlijn reeds omgezet is, merkt de minister op dat ons land in februari 2006 op dat punt een slecht rapport heeft gekregen. Een leeftijdsgebonden discriminatie dreigt problemen te veroorzaken omdat er zoveel reglementeringen in ons sociaal recht uitgaan van de leeftijd en op basis daarvan een onderscheid invoeren. De minister denkt hier aan de brugpensioenen, de anciënniteitpremies, de lastenverminderingen voor bejaarde werknemers enz. De wetgever heeft er dus voor gekozen deze kwestie zo snel mogelijk af te handelen met dien verstande evenwel dat de volledige reglementering inzake discriminatie opgenomen wordt in het wetsontwerp dat de heer Dupont, minister van Gelijke Kansen, thans voorbereidt en dat hij in principe in het najaar bij het Parlement wil indienen. Het heeft evenwel geen zin dat ontwerp af te wachten omdat het probleem spoedeisend is. Echter, het toekomstig wetsontwerp zal worden voorgelegd aan de Raad van State.

Mevrouw de Schamphelaere antwoordt dat het slechte rapport van ons land toe te schrijven is aan het probleem van de gehandicapten, die niet voldoende redelijke kansen krijgen om op de arbeidsmarkt te komen. De bepalingen van de richtlijn kunnen de werkgever verplichten de arbeidsplaats op een redelijke wijze aan te passen, zoals bijvoorbeeld door het installeren van een computer die brailleschrift herkent.

De onbeschikbaarheid van hulpmiddelen voor gehandicapten mag geen reden zijn tot discriminatie en kan de weigering om een gehandicapte persoon aan te werven, niet verantwoorden.

Wat de leeftijd betreft, bepaalt de richtlijn dat de lidstaten in hun nationale wetgeving mogen opnemen dat een verschillende behandeling wordt toegestaan, maar zonder verplichting. Zij kunnen ook stellen dat de bepalingen met betrekking tot discriminatie op basis van leeftijd of handicap niet van toepassing zijn op de strijdkrachten, maar ook hier is het een mogelijkheid die aan de lidstaten wordt overgelaten.

Het lid begrijpt helemaal niet dat de wetgever door middel van een amendement een bepaling kan invoegen die in dergelijke algemene termen is opgesteld, aangezien er een verschillende behandeling op basis van de leeftijd wordt mogelijk gemaakt wanneer die steunt op « legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of alle overige vergelijkbare legitieme doelstellingen ».

De heer Tobback, minister van Leefmilieu en van Pensioenen, preciseert dat het vaststellen van het gebrek ook betrekking had op de definities in de richtlijn, en dat België een andere definitie heeft van de indirecte discriminatie. Gelet op het aantal bepalingen die in onze sociale wetgeving op de leeftijd zijn gebaseerd, moet men ervoor zorgen dat ze tot na december 2006 worden gehandhaafd, de datum waarop de richtlijn moet worden omgezet, om het gevaar niet te lopen dat sommige rechten van de werknemers op de helling komen te staan. Het betreft hier een minimale aanpassing die beperkt blijft tot de uitzondering die de richtlijn toestaat.

Het toekomstige ontwerp van de minister van Gelijkekansen zal het geheel van de anti-discriminatiewet hervormen en het onderdeel integreren dat hier voorlopig is geregeld.

Mevrouw de Schamphelaere erkent dat de bedoeling lofwaardig is maar dat dit erop neerkomt dat opnieuw carte blanche wordt gegeven aan de werkgevers om om de een of andere reden, eisen te stellen met betrekking tot de leeftijd.

De heer Beke meent dat de bepaling een tekort probeert goed te maken maar dat er misschien andere leemten zullen ontstaan. Zoals hij het al heeft vermeld, heeft hij een wetsvoorstel ingediend dat een oplossing zou kunnen bieden. Hij heeft ook minister Dupont herhaaldelijk daarover ondervraagd, maar er is nog geen oplossing in zicht om het probleem in zijn geheel te behandelen. Het lid is helemaal niet overtuigd dat de artikelen 350 en 351 dat probleem zullen oplossen.

De minister antwoordt dat het globale ontwerp ter bespreking ligt. Het lijkt hem overigens niet logisch te wachten tot het ontwerp wordt aangenomen en dan het gevaar te lopen dat de brugpensioenen en andere bepalingen in verband met de leeftijd op de arbeidsmarkt in het gedrang komen. Het zou absurd zijn om de bestaande leemte niet op te vullen en te wachten tot het hele systeem wordt herzien.

Artikel 352

Amendement nr. 24

De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 24 in (stuk Senaat, nr. 3-1775/2) dat ertoe strekt om artikel 352 van het ontwerp te vervangen als volgt :

« § 1 De laatste twee zinnen van het vierde lid van artikel 16 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling worden vervangen als volgt :

« De secretaris van de Commissie die door de Koning wordt benoemd voor een hernieuwbaar mandaat van vier jaar, is een ambtenaar van de administratie van het regeringslid bevoegd voor duurzame ontwikkeling. De voorzitter, de ondervoorzitters en de secretaris vormen samen het bureau van de commissie. »

§ 2 De personeelsleden van het Federaal Planbureau die er op de datum van overdracht met arbeidsovereenkomst in dienst zijn om de vertegenwoordiger van het Federaal Planbureau bedoeld in artikel 16 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling bij te staan om het secretariaat van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling waar te nemen, worden met ingang van 1 september 2006 overgedragen naar de Programmatorische federale overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling.

De Koning bepaalt de regels van deze overdracht via een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Het overgedragen personeel behoudt minstens zijn loon, met inbegrip van alle uitkeringen, vergoedingen, premies of andere voordelen die het genoot bij het Federaal Planbureau, volgens de reglementering op grond waarvan deze werden toegekend. »

Mevrouw De Schamphelaere verwijst naar de aanbevelingen van het Rekenhof in haar verslag inzake de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling, waarin onder meer wordt voorgesteld dat het Federaal Planbureau niet langer enerzijds het beleid zou voorbereiden en, anderzijds, tegelijk ook het beleid zou evalueren. Aanvankelijk wenste de regering geen gevolg te geven aan deze aanbeveling maar nu wordt de wet van 5 mei 1997 toch gewijzigd.

Er blijft echter verwarring bestaan omdat de secretaris van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling tegelijk ook de vertegenwoordiger is van het Federaal Planbureau in deze commissie. De combinatie van de functies van « rechter » en « partij » blijft dan ook bestaan en dit is volgens spreekster onaanvaardbaar. Vandaar dat amendement nr. 24 een onverenigbaarheid inschrijft en tegelijk ook voorstelt dat de personeelsleden van het Federaal Planbureau die het secretariaat van de commissie bijstaan met ingang van 1 september 2006 daadwerkelijk worden overgedragen naar de Programmatorische federale overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling. Deze wijzigingen zijn nodig om de aanbevelingen van het Rekenhof ernstig te nemen.

Mevrouw Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, antwoordt dat de regering wel degelijk rekening heeft willen houden met de fundamentele opmerkingen van het Rekenhof, zij het dat aanvankelijk werd geopteerd voor enkele ingrepen die geen wijziging van de wet van 5 mei 1997 vergen. Er werd immers een protocol opgemaakt tussen de verschillende betrokken diensten met betrekking tot de taakverdeling, de uitvoering van het beleid en de toewijzing van de verschillende opdrachten. Tijdens het opstellen ervan groeide evenwel het besef dat het wenselijk zou zijn om alsnog een wettelijke grondslag te geven aan twee punten, met name de rol van het Federaal Planbureau in de opmaak van het voorontwerp van het plan voor duurzame ontwikkeling en de evaluatie ervan, en de specifieke situatie van de personeelsleden. De bedoeling is om de expertise niet te laten verloren gaan en de personeelsleden op een vlotte wijze de overgang te laten maken naar de Programmatorische federale overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling.

De staatssecretaris meent dat op deze wijze wordt tegemoet gekomen aan de opmerkingen van het Rekenhof. De opmaak van het voorontwerp van plan berust nu volledig bij de programmatorische overheidsdienst, zij het dat men de expertise die in het Federaal Planbureau werd opgebouwd niet wil laten verloren gaan. Dit betekent concreet dat de secretaris van de commissie uit het Federaal Planbureau afkomstig is maar dat de voornaamste inbreng van de programmatorische overheidsdienst afkomstig is.

De heer Cornil brengt vooreerst in herinnering dat de Senaat zich eerstdaags zal uitspreken over de voorgestelde herziening van de Grondwet, om een nieuw artikel in een nieuwe titel Ibis in te voegen, betreffende de duurzame ontwikkeling als algemene beleidsdoelstelling (zie stuk Senaat, nr. 3-1778).

Vervolgens sluit hij zich aan bij de staatssecretaris dat de ontwikkeling van een lange termijnvisie inzake duurzame ontwikkeling essentieel is en dat hiervoor de nodige structuren dienen te worden gecreëerd. De expertise die in het Federaal Planbureau werd opgebouwd moet dan ook maximaal ter beschikking worden gesteld van de diensten die belast zijn met het uitwerken van beleidsopties inzake duurzame ontwikkeling. Overigens merkt hij op dat de Franse Senaat onlangs een lijvig en een opmerkelijk rapport publiceerde over de problematiek van de duurzame ontwikkeling.

Mevrouw De Schamphelaere repliceert dat ook zij een grote betrokkenheid van het Federaal Planbureau voorstaat, maar dan wel in de rol van evaluator van het gevoerde beleid en de gemaakte keuzes. Dit vergt een grote mate van onpartijdigheid en dit is precies wat het amendement beoogt. Wie bijvoorbeeld als secretaris van de betrokken interdepartementale commissie optreedt dient dan ook niet langer af te hangen van het Federaal Planbureau maar zou volwaardig moeten deel uitmaken van de betrokken programmatorische overheidsdienst.

De staatssecretaris is van oordeel deze elementen volledig van mekaar te scheiden omdat precies de evaluatie van het Federaal Planbureau integraal deel uitmaakt van het volgende plan inzake duurzame ontwikkeling. Wel wordt de eindverantwoordelijkheid inzake opmaak en evaluatie van deze plannen van mekaar gescheiden, zoals het Rekenhof heeft gevraagd.

V. STEMMINGEN

De amendementen nrs. 24 tot 28 worden verworpen met 9 tegen 2 stemmen.

De aan de commissie toegewezen artikelen in hun geheel worden aangenomen met 9 stemmen bij 2 onthoudingen.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteurs, De voorzitter,
Jacinta DE ROECK. Jihane ANNANE. Annemie VAN de CASTEELE.

Tekst gecorrigeerd door de commissies (zie stuk Senaat, nr. 3-1775/8, 2005-2006)