3-169 | 3-169 |
De voorzitter. - Ik stel voor de vraag om uitleg en de mondelinge vraag samen te voegen. (Instemming)
De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Het Europese Hof van Justitie heeft op 30 mei het akkoord tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika over de overdracht van passagiersgegevens in de luchtvaart nietig verklaard. Meer precies gaat het over het besluit van de Europese Ministerraad waardoor de Europese Commissie in naam van de Europese Unie een overeenkomst mocht afsluiten met de douaneautoriteiten van de Verenigde Staten. Het akkoord omschreef de voorwaarden waaronder de Amerikaanse autoriteiten toegang kregen tot 34 elementen van informatie - en niet 50 zoals de Amerikanen hadden gevraagd - over de passagiers naar en vanuit de Verenigde Staten. De Amerikanen wilden die gegevens 50 jaar lang bewaren, het akkoord beperkte de opslagtermijn tot 3,5 jaar.
Hiermee haalt het Europees Parlement, althans voorlopig, zijn slag thuis.
Het vonnis steunt op een louter juridisch-technische argumentatie volgens dewelke artikel 95 van het unieverdrag niet de juiste basis is om dat soort akkoord te sluiten. Het Hof gaat niet in op argumenten ten gronde zoals de mogelijke schending van de privacy.
Hoe dan ook moet de thans geldende regeling ten laatste op 30 september worden beëindigd. Meteen rijst de vraag wat er daarna verder zal gebeuren en hoe een goed evenwicht kan worden gevonden tussen de bescherming van de burgerrechten en de privacy, en de strijd tegen het terrorisme, waarvan ik hoop dat Europa die even belangrijk vindt als de Verenigde Staten.
Graag kreeg ik van de minister een antwoord op de volgende vragen.
Heeft hij reeds enig zicht op een nieuwe regeling die de huidige moet vervangen en wat is het standpunt van België in heel de discussie, ook in het licht van de Belgisch-Amerikaanse relaties?
Wat gebeurt er intussen met de persoonsgegevens afkomstig uit de Europese Unie die momenteel opgeslagen zijn in de Amerikaanse databanken, zonder dat daarvoor, zoals nu blijkt, een voldoende rechtsgrond bestond?
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Bij arrest van 30 mei 2006 heeft het Hof van Justitie het besluit vernietigd van de Europese Ministerraad waardoor de Europese Commissie in naam van de Europese Unie een overeenkomst mocht afsluiten met de Verenigde Staten.
De overeenkomst bepaalde dat Europese luchtvaartmaatschappijen die verbindingen naar of vanuit de Verenigde Staten verzorgen of over het grondgebied van de VS vliegen, aan de Amerikaanse autoriteiten elektronische toegang moeten geven tot de gegevens in het boeking- en vertrekcontrolesysteem.
Het slaat op 34 gegevens, gaande van identiteit en adres tot en met de eetgewoonten.
Het was de Europese Commissie die onderhandelde met de Verenigde Staten omdat de Europese regels over de gegevensbescherming in het geding waren.
Op 14 mei 2004 oordeelde de Commissie dat het Amerikaanse Bureau voor Douane- en Grensbescherming voldoende bescherming waarborgt.
Drie dagen later al kwam er een besluit van de Europese Ministerraad waardoor de Commissie groen licht kreeg om een overeenkomst te sluiten met de Verenigde Staten die 28 mei 2004 werd ondertekend in Washington en ook meteen van kracht werd. De bezwaren van het Europese Parlement werden daarbij opzij geschoven.
Het Hof van Justitie heeft die beslissing nu vernietigd maar de vernietiging heeft pas effect op 30 september 2006.
Daarenboven heeft het Hof van Justitie er rekening mee gehouden dat de overeenkomst voorziet in een opzegtermijn van 90 dagen.
Volgens het Hof van Justitie heeft de overeenkomst geen grondslag in het Europese recht daar artikel 95 van het Europese unieverdrag over de interne markt niet kan worden ingeroepen voor overeenkomsten van die aard.
Inderdaad, dergelijke overeenkomsten betreffen de openbare veiligheid en het strafrecht.
Ook het inroepen van de Europese gegevensbeschermingsrichtlijn van 1995 is niet relevant. Die richtlijn kan niet worden ingeroepen voor de verwerking van persoonsgebonden gegevens voor de openbare veiligheid, de landsverdediging, de veiligheid van de Staat en het optreden van de Staat in strafvervolging.
Hoewel de verkoop van vliegtuigtickets en de gegevens die daarbij worden verzameld onder het gemeenschapsrecht vallen, kan dat er niet toe leiden dat de Commissie een beslissing neemt die verband houdt met de bescherming van de openbare orde en het belang van de strafvervolging.
Welke conclusies trekt de regering uit het arrest van het Hof van Justitie?
Op welke rechtsgrond kan volgens de regering eventueel worden teruggevallen om dat soort overeenkomst met de Verenigde Staten na 30 september 2006 alsnog te realiseren?
Vindt de regering dat er een voldoende rechtsgrond aanwezig is om tot een oplossing te komen, zodat het doel dat door de vernietigde overeenkomst werd nagestreefd kan worden bereikt? Welke procedure moet daarbij worden gevolgd?
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De Belgische regering is van plan zich aan te passen aan het arrest. De Europese Commissie verklaart in het persbericht van 30 mei zich eveneens te willen aanpassen aan het arrest.
In samenspraak met de andere lidstaten en de Commissie reflecteert de regering over de gevolgen die aan het arrest moeten worden gegeven. Het Hof heeft zich niet uitgesproken over de inhoud van het akkoord, maar over de afwezigheid van een adequate juridische basis waarbij verwezen wordt naar de Richtlijn bescherming van de gegevens 95/46/EG.
Overigens heeft de Commissie laten weten dat de VS hun wil hebben getoond het akkoord voort te zetten zo lang het geldig blijft en voor onderhandelingen over een akkoord op een andere juridische basis.
Er zal dus een nieuw akkoord moeten worden getekend.
Wat een juridische oplossing betreft, is artikel 24 van het Verdrag betreffende de Europese Unie een mogelijke basis. Dat artikel stelt dat `Wanneer het noodzakelijk is een akkoord te sluiten met één of meerdere staten of internationale organisaties, kan de Raad unaniem het Voorzitterschap - bijgestaan indien nodig door de Commissie - de toelating geven onderhandelingen op te starten. Dergelijke akkoorden worden gesloten door de Raad die zich unaniem uitspreekt op aanbevelen van het Voorzitterschap.'
Dit artikel is toepasbaar op de domeinen vermeld onder titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals artikel 38 van het Verdrag bepaalt. Deze titel `Schikkingen met betrekking tot de samenwerking van de politie, gerecht inzake strafrecht' dekt ook misdaadpreventie, meer bepaald tussen de bevoegde overheden van de lidstaten, naast de politie- en douanediensten (artikel 29 alinea 2, eerste streepje).
Wat de inhoud betreft, dient te worden opgemerkt dat, ook al is de richtlijn 95/46/EG niet toepasbaar, alle lidstaten van de Unie toch het bijkomend protocol hebben getekend bij Conventie nr. 108 van de Raad van Europa, toepasbaar voor politie en gerecht gerelateerde materies. Dat protocol stelt dat overdracht van persoonsgegevens enkel kan aan een staat buiten de Conventie die een hoge graad van bescherming biedt.
Hoewel deze zaak zich situeert in het kader van de Europese Unie en niet in dat van de Raad van Europa, moeten de ondertekenende lidstaten het protocol dat ze hebben ondertekend, eerbiedigen en in het toekomstige akkoord, waarover dit keer zal worden onderhandeld door de Raad van de Europese Unie - zal daarmee rekening moeten worden gehouden.
Bovendien wordt momenteel in de Raad onderhandeld over een ontwerp van kaderbeslissing met betrekking tot de bescherming van de persoonsgegevens in het kader van de samenwerking tussen politie en gerecht. Dat ontwerp stelt eveneens dat een overdracht van persoonsgegevens slechts kan aan een derde staat die een hoge graad van bescherming biedt.
Zolang de huidige overeenkomst van kracht is, dat wil zeggen tot 30 september 2006, verandert er concreet niets aan de bestaande situatie met betrekking tot de gegevens die onder de overeenkomst werden verstrekt en nog verstrekt zullen worden, noch aan de huidige praktische regeling inzake de bewaring van die gegevens. De Commissie stelt deze oplossing voor om rechtsonzekerheid te vermijden.
Er werd met de VS een akkoord gesloten over deze aangelegenheid. Beide partijen wensen dat te respecteren. Het spreekt vanzelf dat de interne juridisch-technische afhandeling ervan onder het gemeenschapsrecht, de verantwoordelijkheid is van de Unie.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De minister heeft terecht verwezen naar het protocol bij de Conventie nr. 108 van de Raad van Europa. Dat is inderdaad een aanvulling op de basisovereenkomst van 1981 in het kader van de Raad van Europa op de bescherming van persoonsgebonden gegevens. Zoals de minister zegt is de Europese Unie uiteraard indirect gehouden die Conventie na te leven.
Uit het antwoord van de minister leid ik af dat zal worden gezocht naar een ad-hocformule om de juridische problemen vóór 30 september op te lossen.
Mme la présidente. - Je viens de prendre connaissance du communiqué publié par M. De Gucht à l'occasion de la disparition de al-Zarqawi. Je tiens à le féliciter pour son contenu. C'est important et c'est effectivement un moment clé.