3-1723/3 | 3-1723/3 |
31 MEI 2006
I. INLEIDING
Voorliggende wetsontwerpen werden in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als één wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2172/1).
De bevoegde kamercommissie heeft echter beslist om het ontwerp te splitsen conform de verschillende grondwettelijke kwalificaties.
In die zin bevat het ontwerp van kaderwet betreffende het voeren van de beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep en het voeren van de beroepstitel van een ambachtelijk beroep, de bepalingen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (St. Senaat, 3-1723/1).
Het wetsontwerp betreffende de commissies en de beroepscommissies die bevoegd zijn inzake het voeren van de beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep, bevat de bepalingen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (St. Senaat, 3-1724/1).
Beide ontwerpen werden op 18 mei 2006 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers. Ze werden op 19 mei 2006 overgezonden aan de Senaat. Daarbij werd het ontwerp van kaderwet betreffende het voeren van de beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep en het voeren van de beroepstitel van een ambachtelijk beroep op 22 mei 2006 geëvoceerd.
De commissie heeft beide wetsontwerpen samen besproken tijdens haar vergadering van 31 mei 2006 in aanwezigheid van de minister van Middenstand en Landbouw.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR MEVOUW LARUELLE, MINISTER VAN MIDDENSTAND EN LANDBOUW
Dit ontwerp van kaderwet, dat inspeelt op de verwachtingen van de professionele milieus, moet het mogelijk maken, onverminderd de thans reeds geldende reglementeringen, de beroepstitel te beschermen voor diverse beroepssectoren, van dienstverlenende intellectuele beroepen tot ambachten. De minister is er zich maar al te goed van bewust dat beide beroepsgroepen slechts weinig raakpunten vertonen, maar het lijkt haar verstandig om met het oog op leesbaarheid en transparantie de hele reglementering betreffende het voeren van een titel samen te brengen in een enkele tekst, die dan in twee duidelijk onderscheiden delen wordt opgesplitst.
Het eerste deel gaat over de dienstverlenende intellectuele beroepen en strekt ertoe de beroepen te reglementeren die onder andere niet beschikken over het voldoende aantal beoefenaars om een Instituut te financieren of die een minder strikte regelgeving behoeven dan die welke is opgenomen in de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen.
Het ligt vanzelfsprekend niet in de bedoeling van de minister genoemde kaderwet op te heffen. Ze stelt echter vast dat hij in de praktijk voor bepaalde beroepen geen aangepast antwoord biedt. Zo konden via die wet slechts volgende beroepen worden gereglementeerd :
— boekhouder : koninklijk besluit van 19 mei 1992
— vastgoedmakelaar : koninklijk besluit van 6 september 1993
— beëdigd landmeter-expert : koninklijk besluit van 18 januari 1995
Maar ten slotte werd de reglementering betreffende de boekhouders vervangen. En dit, door welke die voorzien is bij de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. De reglementering van de landmeters werd vervangen door de wetten van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en het beroep van landmeter-expert. Het officiële verzoek van de automobieldeskundigen werd verworpen door het koninklijk besluit van 28 maart 2000. Verder hebben de inspanningen van andere beroepen, zoals de vertalers-tolken, nooit geleid tot de indiening van een officieel verzoek.
Een beschermde beroepstitel houdt voor de betrokken beoefenaars in dat zij een diploma moeten hebben, waarbij het begrip « diploma » ruim moet worden opgevat : dus niet alleen diploma's in de enge zin, maar ook opleidingsgetuigschriften. Een andere vereiste bestaat erin dat een beperkt aantal deontologische regels in acht moeten worden genomen. Tot slot moeten de beoefenaars zijn ingeschreven in een lijst die werd opgesteld door een administratieve commissie.
Ingeval er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het diploma en het beroep, kan een en ander via een praktische beroepsstage worden geregeld. Met die bepaling beoogt de minister met name de gevallen waarin een bepaalde deskundigheid moeilijk kan worden bereikt zonder dat de betrokkenen het beroep een tijd hebben uitgeoefend (bijvoorbeeld kunstexperts).
De ontworpen regeling is niet alleen eenvoudig, maar kost ook weinig, aangezien de werkingskosten van de commissies worden gedekt door de inschrijvingsrechten.
Deze bepalingen zijn eveneens geheel voordelig voor de verbruikers. Zij laten namelijk de klant toe de verzekering te hebben op een gekwalificeerde en bevoegde deskundige beroep te doen. Men kan op die manier de gekwalificeerde deskundigen van de anderen onderscheiden. Dit leidt uiteindelijk tot de herwaardering van de opleiding en tot de bevordering van het professionalisme van de sector.
Voor de volgende beroepen — binnenhuisarchitect, landschapsarchitect, conservator, restaurateur, vertaler tolk, schuldinner, vastgoeddeskundige, automobieldeskundige, deskundige in kunstwerken — zou het ontwerp reeds tussen 7 000 en 10 000 beoefenaars kunnen bereiken. Deze zouden namelijk, aanvankelijk, bij deze kaderwet belang kunnen hebben. Dit is slechts een benadering. Wij beschikken immers niet over de exacte cijfers voor sommige van die beroepen. De minister vermeldt overigens dat het systeem inzake de bescherming van de titels het mogelijk zal maken deze beoefenaars beter te tellen. Dit zal nuttig zijn, zowel voor de verbruikers, als voor de beleidsmakers of voor de beoefenaars zelf.
Rekening houdend met de andere dienstverlenende intellectuele beroepen die eveneens onder dit wetsontwerp zouden kunnen vallen, kunnen we stellen dat het aantal personen met een beschermde beroepstitel wel eens zou kunnen stijgen van 7 000 à 10 000 tot bijna 70 000.
Het tweede deel van het ontwerp van kaderwet behelst de ambachtelijke beroepen. De programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap reglementeerde immers tot 31 december 2005 de toegang tot 42 commerciële en ambachtelijke beroepen.
Sinds 1 januari 2006 vallen volgende acht beroepen niet langer onder die wet betreffende de toegang tot het beroep : molenaar, handelaar in binnenlandse granen, detailhandelaar in vaste brandstoffen, detailhandelaar in vloeibare brandstoffen, fotograaf, handelaar in foerage en stro, horlogemaker-hersteller, wasbaas.
Voorliggende tekst beoogt dus die beroepssectoren maar eventueel ook andere beroepen die niet aan de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap onderworpen zijn, het mogelijk te maken hun titel te beschermen.
Zoals voor de dienstverlenende intellectuele beroepen, zal alleen de titel worden beschermd en zal men van de houder van de titel eisen dat hij een diploma heeft behaald en/of een beroepspraktijk kan bewijzen en dat hij ingeschreven is op een lijst die is opgesteld overeenkomstig de door de Koning vastgestelde nadere regels.
Zo bijvoorbeeld zal de titel van fotograaf of horlogemaker slechts kunnen worden gevoerd door de personen die aan de criteria qua diploma en/of beroepservaring die in het reglementeringbesluit voorzien zijn beantwoorden.
Het idee dat door het ontwerp wordt verdedigd is dus het voorbehouden van het voeren van een titel aan enkel de geschoolde en/of ervaren beroepsmensen en aldus, dat ze niet meer de oneerlijke concurrentie ondergaan van personen die ten onrechte dezelfde titel voeren zonder zich te kunnen beroepen op dezelfde opleiding en/of dezelfde ervaring. Dit maakt het hen mogelijk deze duidelijk te onderscheiden ten opzichte van de verbruikers die de zekerheid zullen hebben een beroep te doen op een geschoolde en bevoegde vakman.
De betekenis van het begrip ambachtelijk beroep reikt hier niet verder dan de welomlijnde context van de bescherming van een titel die gevoerd wordt door de beoefenaar van een ambachtelijk beroep, die op die manier zijn activiteit kan opwaarderen door bijvoorbeeld gebruik te maken van de titel « ambachtelijk bakker » of « ambachtelijk schoenmaker ».
Het is geenszins de bedoeling de hier gebruikte betekenis toepasselijk te maken op andere reglementeringen betreffende de ambachten. De criteria waarmee het ambachtelijke karakter van de activiteit moet worden beoordeeld, moeten worden ontwikkeld in de koninklijke besluiten ter reglementering, die krachtens onderhavig ontwerp worden genomen. Die criteria zullen specifiek gelden voor elk ambachtelijke beroep. Tevens beoogt het ontwerp uitsluitend de micro-ondernemingen in de zin van aanbeveling 2003/361/EG van 6 mei 2003.
Het begrip ambachtelijk beroep zoals het is uiteengezet in artikel 2 van het ontwerp, maakt dus het onderwerp uit van een bepaling sui generis die enkel zal worden toegepast binnen het kader van de reglementering betreffende het voeren van de beroepstitel. Het begrip ambacht zoals het gewoonlijk begrepen wordt, vormt eigenlijk een te eng kader voor heel wat huidige beroepen met name waar het begrip bijna iedere commerciële handeling hindert. Welnu, de doelstelling van de reglementering over het voeren van de beroepstitel bestaat er juist in de bescherming mogelijk te maken van de beroepstitel van de ondernemer die zijn producten maakt en verkoopt volgens de ambachtelijke methodes, meer bepaald door binnen een kleine onderneming te werken en werk te verrichten dat veel ruimte laat voor persoonlijke knowhow en creativiteit.
III. UITEENZETTING DOOR DE HEER STEVERLYNCK, INDIENER VAN ANALOGE WETSVOORSTELLEN
De heer Steverlynck deelt mee dat zijn wetsvoorstellen St. Senaat nrs. 3-837 en 3-838 op dezelfde materie slaan. Om wetgevingstechnische redenen dienden de bepalingen te worden opgesplitst in een deel verplicht bicamerale aangelegenheden (artikel 77 Grondwet) en een deel optioneel bicamerale aangelegenheden (artikel 78 Grondwet).
Onder de vorige zittingsperiode werden deze voorstellen reeds ingediend én goedgekeurd in de Senaat (Zie stuk Senaat, nr. 2-1289). De Kamer heeft die wegens tijdsgebrek niet meer kunnen behandelen en ze zijn bij het begin van deze zittingsperiode niet van verval ontheven. Daarom werden deze voorstellen opnieuw ingediend.
Het gaat om een voorstel van kaderwet tot regeling van de titelbescherming. Het is uitermate belangrijk te onderstrepen dat het enkel gaat om titelbescherming en niet om de bescherming of de organisatie van het beroep. Het is dus geenszins de bedoeling om de inhoud van bepaalde beroepen te organiseren, noch om voorwaarden of restricties op te leggen voor bepaalde beroepen. De titelbescherming beoogt een soort garantie naar de consument toe.
De vrije beroepen vormen een heel belangrijke economische sector. België telt op vandaag zo'n 170 000 beoefenaars van vrije beroepen. Een opvallend kenmerk is de zeer sterke vervrouwelijking. Bovendien maken de medische en de paramedische beroepen ongeveer de helft uit van het totaal aantal. Belangrijk is ook dat het een sterke groeisector is. Van het totaal aantal starters, zijn 20 tot 25 % beoefenaars van vrije beroepen. Ten slotte vormen de vrije beroepers een snel aan belang toenemende bron van tewerkstelling. Thans worden ongeveer 195 000 mensen tewerkgesteld door vrije beroepers.
In 1976 is de kaderwet tot bescherming van de beroepstitel en de beroepsactiviteit van dienstverlenende intellectuele beroepen (wet van 1 maart 1976, Belgisch Staatsblad van 27 maart 1976) tot stand gekomen. Deze wet betreft dus niet alleen de titel, maar ook de beroepsactiviteit als dusdanig. In de volksmond heet deze kaderwet de wet « Verhaeghen ».
In de praktijk is deze wet weinig succesvol gebleken. Slechts twee beroepen, enerzijds boekhouders en anderzijds vastgoedmakelaars, hebben van deze kaderwet gebruik gemaakt.
De belangrijkste hinderpalen voor het succes ervan zijn de volgende. In eerste instantie is de te volgen procedure log en zwaar. Er waren ook heel wat vragen rond het overgangsregime. Ten derde waren er de consequenties van het instituut dat diende opgericht te worden. Die behelzen niet alleen administratieve, maar vooral ook financiële elementen. Ten slotte komen in deze kaderwet de werknemers niet aan bod.
Heden ten dage zijn er een aantal andere beroepsgroepen die de noodzaak ondervinden om hun titel wat meer beschermd te zien, al is het maar naar de consument toe. Het gaat meer bepaald om interieurarchitecten, landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen, enz.
Het voorstel strekt er voornamelijk toe de consument voldoende informatie te geven. Bij gebrek aan officiële organisatie gaan diverse privé-organisaties eigen certificatiemechanismen opzetten waarvoor diverse mensen moeten betalen. Vermits sommige beroepsgroepen vrij klein zijn, kan dat vrij duur uitvallen. Het resultaat is ook een wirwar van kwaliteitslabels waarbij ook de consument het noorden verliest.
Het voorstel kan ook een ondersteuning betekenen voor bepaalde beroepssectoren op het Europese niveau. In andere landen is voor sommige van die beroepsgroepen wel een titelbescherming geregeld. De betrokken buitenlanders kunnen zich op de Belgische markt vestigen en hebben zo een concurrentievoordeel.
Concreet stelt het wetsvoorstel een certificatiesysteem voor waar men een beschermde beroepstitel kan bekomen die afhankelijk is van het inschrijven op een tabel waarvoor men moet kunnen bewijzen de nodige beroepskennis te hebben alsook een aantal deontologische voorschriften na te leven. Deze deontologische voorschriften hebben enkel betrekking op het gebruik van de titel, niet op het gebruik van het beroep.
Het voorstel is zowel op zelfstandigen als op werknemers van toepassing. Er zijn aan de beschermde beroepstitel geen exclusieve rechten verbonden in verband met de beroepsuitoefening. Dat betekent dat wanneer iemand niet de beschermde beroepstitel zou hebben, zulks niet belet dat hij wel het betreffende beroep kan uitoefenen. De titelbescherming is enkel bedoeld als een soort kwaliteitsgarantie.
Het wetsvoorstel nr. 3-838 heeft te maken met de commissies, de beroepscommissies en de eventuele vernietiging van een verzoekschrift bij de Raad van State.
Het gaat om de inschrijving op een tabel, er wordt geen instituut gecreëerd. Die tabel wordt bijgehouden op de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. De structuur is dus heel licht en bijgevolg financieel draagbaar.
IV. ALGEMENE BESPREKING
A. Deel Artikel 78
De heer Steverlynck apprecieert de voorliggende bepalingen, die gedeeltelijk gebaseerd zijn op zijn eigen voorstellen en tegemoet komen aan een verzuchting die reeds jaren leeft bij de betrokken beroepsgroepen, namelijk de mogelijkheid een titelbescherming te kunnen verkrijgen bij de vrije, dienstverlenende intellectuele beroepen.
Immers, de vrije beroepssector maakt een groeiend aandeel uit binnen het geheel van de zelfstandigen en in het kader van een goede erkenning, ook politiek, zijn voorliggend bepalingen belangrijk.
Ook voor de consument is de voorliggende titelbescherming belangrijk aangezien deze de garantie biedt dat de consument een beroep doet op professionelen die, op basis van hun diploma, op basis van bijkomende scholing en aanverwante, de nodige bekwaamheid bezitten. Bovendien moeten deze professionelen een aantal minimale deontologische regels volgen en worden ze er ook op gecontroleerd.
Net als zijn voorstellen betreffen de voorliggende bepalingen de bescherming van de beroepstitel. Daardoor wordt niemand verhinderd om een bepaald beroep uit te oefenen. Er wordt wel een soort extra kwaliteitslabel toegekend aan degenen die aan de voorwaarden van diploma en ervaring voldoen. Daarenboven zullen, in tegenstelling tot de wet van 1 maart 1976 tot bescherming van de beroepstitel en de beroepsactiviteit van dienstverlenende intellectuele beroepen, de voorliggende bepalingen praktisch werkzaam zijn.
Spreker herinnert er vervolgens aan dat hijzelf, en de Senaat, toch een beetje als de geestelijke vader van de voorliggende bepalingen mogen worden beschouwd. Hij wenst niettemin een aantal opmerkingen te formuleren.
Een eerste opmerking heeft betrekking op de te soepele mogelijkheid tot titelbescherming door een vennootschap. Momenteel wordt er bepaald dat het volstaat dat slechts één zaakvoerder of gedelegeerd bestuurder voornoemde erkenning bezit opdat de hele vennootschap een dergelijke titel kan voeren. Spreker is daarom van mening dat de garantie van de titelbescherming niet ten volle kan worden geboden. Hij is er daarom voorstander van dat minstens de helft van de zaakvoerders een dergelijke erkenning zouden bezitten.
In tweede instantie merkt het lid op dat een verzoekschrift terecht moet worden ingediend door de betrokken beroepsorganisatie maar eveneens door ten minste één nationale interprofessionele organisatie. Deze laatste voorwaarde lijkt nogal vreemd aangezien er een advies wordt voorzien van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO's en dat in deze laatste de interprofessionele organisaties vertegenwoordigd zijn. Het heeft dus geen zin een afzonderlijk advies van een interprofessionele organisatie te vragen welke deel uitmaakt van de Hoge Raad en bijgevolg mee betrokken wordt in het advies dat de Hoge Raad verstrekt. Is er hier toch een toegevoegde waarde ? Of wordt de zaak enkel in gevaar gebracht indien de relatie tussen de interprofessionele organisatie en beroepsfederatie vertroebeld is ?
Verder stelt de heer Steverlynck dat het toevoegen van het deel ambachtelijke beroepen de leesbaarheid van de voorliggende bepalingen niet ten goede komt. Het roept integendeel een aantal problemen op. Ook principieel heeft het lid hiertegen een aantal bezwaren omdat de vrije intellectuele beroepen een eigen identiteit, dynamiek en finaliteit kennen en ook een eigen politieke erkenning verwachten.
Bovendien is er een codificatie voorzien van alle bepalingen die te maken hebben met de vrije beroepen uit de voorliggende bepalingen en uit de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen. Deze codificatie echter zal, gezien de samenvoeging van de bepalingen, verschillende praktische problemen geven op het terrein.
Tot slot vraagt het lid waarom men zich hier beperkt tot de micro-ondernemingen. Hij begrijpt niet waarom de bescherming van de beroepstitel hier wordt beperkt tot die sectoren waarin alle bedrijven minder dan 10 werknemers tellen. Hij ziet daarvoor geen voor de hand liggende reden. Bovendien is er ook de dreigende schending van het gelijkheidsbeginsel. Ten derde kan men moeilijk uitleggen dat een bepaald ambachtsberoep waar er eventueel negen werknemers zijn die beroepstitel krijgt doch die weer verliest zodra een tiende werknemer zou worden aangeworven. Men kan toch moeilijk voorhouden dat op dat ogenblik de kwaliteit van het ambacht zou verminderen.
In verband met de indiening van een verzoekschrift tot bescherming van een beroepstitel van een ambachtelijk beroep wordt voorzien dat dat door een beroepsfederatie moet gebeuren. Welnu, voor heel wat ambtelijke beroepen bestaan tot op heden geen beroepsfederaties. Zij achten dat ook niet nodig omdat zij zich verenigd weten binnen de interprofessionele organisatie als dusdanig. Door in artikel 9 op te leggen dat de aanvraag zowel door een belanghebbende beroepsfederatie als door een nationale interprofessionele federatie dient te gebeuren, verhindert men de facto dat voor een aantal ambachtelijke beroepen die bescherming zou kunnen worden gecreëerd. Het zou dus beter zijn hier het woord « en » door het woord « of » te vervangen. Wanneer er geen beroepsfederatie voor een bepaald ambachtelijk beroep bestaat, zou het dan moeten volstaan dat een interprofessionele federatie het verzoekschrift zou indienen.
De heer Steverlynck stelt bij lezing van het ontwerp vast dat de tekst her en der wat onprecies is. Persoonlijk wijt hij dat aan het feit dat de regeling voor ambachtelijke beroepen in één tekst is gegoten samen met die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen.
De dienst Wetsevaluatie van de Senaat heeft in zijn nota nr. 74 een aantal waardevolle suggesties gedaan die in bepaalde gevallen als tekstcorrectie door deze commissie kunnen worden aangenomen.
De heer Steverlynck heeft voor verdergaande wijzigingen een aantal amendementen (zie stuk Senaat nr. 3-1723/2) ingediend. Een paar daarvan zijn eerder van principiële aard. Ze gaan uit van een andere beleidsvisie. Andere zijn op voornoemd advies gebaseerd.
De heer Willems acht de voorliggende ontwerpen heel positief. Sinds enkele jaren is er een tendens om te breken met de corporatistische beroepsorganisaties. In het verleden zijn voor een aantal dienstverlenende intellectuele beroepen instituten opgericht waarbij alle bestaande beoefenaars van het betrokken beroep vrij makkelijk konden aansluiten, maar tegelijk het voor nieuwkomers zeer moeilijk werd gemaakt om zich nog bij die instituten aan te sluiten. Spreker ervaart deze afsluiting van de markt zoals ze vandaag nog verdergaat, als zeer negatief. De eisen die aan kandidaten worden opgelegd zijn vaak onredelijk, bijvoorbeeld bij de CIB. Het zou overigens interessant zijn deze eens te onderzoeken.
Voorliggende ontwerp van kaderwet bevat gelukkig normale, logische voorwaarden waaraan iemand moet voldoen om een gereglementeerde beroepstitel te voeren. Dat schept duidelijkheid voor de klant.
Spreker meent — in tegenstelling tot de heer Steverlynck — dat het wel positief is om met één ontwerp te werken. Zowel voor de dienstverlenende intellectuele beroepen als voor de ambachtelijke beroepen gaat het immers over de bescherming van de beroepstitel. Het lijkt hem belangrijk dat de rechtzoekende niet vele wetteksten naast elkaar vindt. In voorliggend ontwerp van kaderwet wordt voor beide beroepscategorieën een gelijkaardige logica gevolgd.
Met betrekking tot de gevallen waarbij een beroep door een vennootschap wordt uitgeoefend, wijst de heer Willems erop dat ook in andere wetgevingen als voorwaarde is opgenomen dat het volstaat dat één iemand binnen de vennootschap kan aantonen dat hij de beroepstitel heeft. Dat is het geval bij apothekers, bij verzekeringsmakelaars, enz. Het verdient overigens aanbeveling eenzelfde logica aan te houden binnen deze liberaliseringstendens.
De heer Steverlynck gaat akkoord met de stelling dat de codificatie voor de beroepsbeoefenaar duidelijk moet zijn. Maar er is wetgeving gericht op vrije en intellectuele beroepen, enerzijds, en andere die gericht is op ambachtelijke beroepen.
De codificatie waarin voorliggend ontwerp ook voorziet tussen voorliggend ontwerp van kaderwet en de kaderwet van 1 maart 1976, is wat de beroepsbeoefenaars van dienstverlenende intellectuele uiteindelijk zullen bekijken.
Het andere deel zou men perfect onder de wetgeving rond ambachten hebben kunnen plaatsen. Volgens deze spreker zou zulks duidelijker zijn geweest.
Hier opteert men voor één ontwerp van kaderwet, die nadien, naar aanleiding van de codificatie, weer uit elkaar zal moeten worden getrokken. Die werkwijze geeft aanleiding tot onduidelijkheden in de voorliggende wettekst.
Met betrekking tot de uitoefening van een dienstverlenend intellectueel beroep via een vennootschap, gaat volgens de heer Steverlynck de vergelijking met apothekers en verzekeringsmakelaars niet volledig op. Immers, daar bepaalde beroepsgroepen vandaag in het kader van hun deontologie ook afspraken hebben dat niet iedereen voor de vennootschap mag optreden, geeft dat een ander soort garantie. In voorliggend ontwerp van kaderwet zijn geen dergelijke voorwaarden voorzien.
Vermits hier een aantal elders wel voorziene maatregelen ontbreken, lijkt het deze spreker niet ondenkbaar dat misbruiken zouden kunnen ontstaan en dat niet altijd voldoende garanties naar de klanten toe zullen worden geboden.
De heer Collas meent dat voorgaande sprekers ten gronde de ontwerpen van kaderwet goed vinden. Alleen ziet de heer Steverlynck het samenbrengen van de bepalingen rond enerzijds dienstverlenende intellectuele beroepen en anderzijds ambachtelijke beroepen als nefast voor de leesbaarheid van het ontwerp terwijl de heer Willems het juist positief vindt dat beide reeksen bepalingen in één wettekst terug te vinden zijn.
Persoonlijk heeft hij ook enige reserve bij de verplichte tussenkomst van ten minste één nationale interprofessionele federatie bij de aanvraag om bescherming van de beroepstitel (artt. 3 en 9).
Nog in verband met het feit dat de aanvraag om bescherming van de beroepstitel via een beroepsfederatie en een nationale interprofessionele federatie dient te gebeuren, wijst de heer Van Nieuwkerke erop dat er ook innoverende individuen kunnen opduiken die actief zijn in een niche die niet zo gestructureerd is. Toch kunnen zij van groot belang zijn voor de maatschappij en voor de consumenten.
Dient er geen mogelijkheid te worden voorzien voor deze mensen om ook bij de minister een verzoek tot titelbescherming te kunnen indienen en die uiteindelijk te bekomen ?
De minister antwoordt dat zulks in dit kader niet mogelijk is.
Het voorliggende ontwerp van kaderwet kan betrekking hebben op 7 000 tot 70 000 personen. Het is niet de bedoeling van de regering om beroepstitels te gaan beschermen waarbij slechts 15, 20 of 50 personen betrokken zijn.
Anderzijds lijkt het haar relatief gemakkelijk om een federatie op te richten.
De heer Van Nieuwkerke meent dat deze beperking toch een probleem stelt, zeker als bepaalde innovaties in het beleid van de regering zouden passen.
De minister antwoordt dat « l'excès est toujours l'ennemi du bien ». In dit geval vult het ontwerp van kaderwet een dispositief aan. Als de regering op een bepaald ogenblik vindt dat een beroep belangrijke risico's meebrengt voor de consument en bescherming behoeft, heeft zij nog andere instrumenten tot haar beschikking, zoals de toegang tot het beroep, de bepalingen van de kaderwet van 1 maart 1976 of een specifieke wet voor een specifiek beroep.
Zoals de heer Willems heeft opgemerkt, blijkt uit de Europese richtlijnen en verordeningen dat men meer en meer gebruik gaat maken van lichtere instrumenten.
Het was vooral de bedoeling van de regering om reeds georganiseerde sectoren de mogelijkheid te geven om beroepstitels te laten beschermen zodat beroepsmensen makkelijk kunnen worden onderscheiden van personen zonder opleiding of ervaring. Op die manier kan de consument zelf het onderscheid maken.
De minister hoopt dat deze wetgeving na enkele jaren zal worden geëvalueerd en indien nodig aangepast.
Wat de andere opmerkingen betreft, verklaart de minister dat de regering er, omwille van de doorzichtigheid van de delegatie, de voorkeur aan heeft gegeven om slechts één wetsontwerp in te dienen veeleer dan twee. Niet alle betrokken actoren weten of zij een dienstverlenend intellectueel dan wel een ambachtelijk beroep uitoefenen. Bijvoorbeeld : een tuinarchitect die zelf de aanplantingen doet.
Met het oog op de legistieke duidelijkheid heeft de regering beide reeksen bepalingen samengebracht. De minister verklaart echter wel te begrijpen dat deze methode vragen kan doen rijzen en dat niet iedereen het eens is met de aanpak van de regering.
Men kan deze wetsbepalingen gebruiken voor de sectoren die onvoldoende beroepsmensen tellen om een instituut of een orde te creëren of voor de sectoren waarvan men de inspanningen inzake opleiding wil belonen.
Wat de vennootschappen betreft, vindt de minister het voorgestelde systeem niet te soepel. Het gaat hier om de bescherming van een beroepstitel. Ook als iemand die beroepstitel niet draagt, kan hij de activiteit nog altijd uitoefenen.
De toegang tot het beroep is strenger. Voorbeeld : voor een kapper die eigenaar is van tien kapsalons, volstaat momenteel één toegang tot het beroep, al is het duidelijk dat de betrokken persoon niet tegelijkertijd in al zijn salons aanwezig kan zijn. Het is zelfs niet nodig dat de eigenaar zelf toegang heeft tot het beroep, het volstaat dat hij iemand aanwerft die dat wel heeft. In de praktijk doet dit ook geen problemen rijzen.
Voor de architecten is men inderdaad verder gegaan omdat zij een wettelijke opdracht hebben. Hun beroep is beschermd. Dat biedt een bijkomende waarborg voor de verschillende overheden en voor de consumenten.
Volgens de minister volstaat het in het voorliggende ontwerp van kaderwet dat een van de gedelegeerd bestuurders of bedrijfsleiders op de door de Koning vastgestelde lijst is ingeschreven.
Waarom heeft de regering de toegang tot ambachtelijke beroepen beperkt tot ondernemingen die minder dan tien werknemers tewerkstellen ? De regering heeft lang gereflecteerd over de definitie van een ambachtelijke activiteit. Zij wilde de ambachtelijke aard benadrukken. Het gaat dan niet alleen om wat men doet, maar ook om de manier waarop. Het is de bedoeling om kleine vennootschappen (micro-ondernemingen) te helpen zich van andere te onderscheiden teneinde hun concurrentiepositie te verbeteren.
Met betrekking tot de verplichting om minstens één nationale interprofessionele federatie te betrekken bij de aanvraag om bescherming van de beroepstitel, verklaart de minister dat de regering beide types van federaties wilde doen meewerken, om te komen tot eenvormige vereisten betreffende de inhoud van de opleiding en de beroepskennis.
De Koning gaat niet alleen het diploma maar ook de beroepsopleiding erkennen. Aangezien de interprofessionele federaties zich met die beroepsopleidingen bezighouden, kunnen zij een meerwaarde bieden.
Replieken van de heer Steverlynck
Voor spreker lijkt meer homogeniteit in de aanvragen niet noodzakelijk omdat sowieso de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen een advies moet geven. Die interprofessionele federaties zitten in het bureau van die Hoge Raad. Ze kunnen dus via die weg hun opmerkingen maken.
De heer Steverlynck vreest dat het niet uit te sluiten valt dat om welke reden dan ook enige onenigheid zou kunnen bestaan tussen een bepaalde beroepsvereniging en een interprofessionele federatie. Op dat moment zou het verzoekschrift geen kans krijgen om zelfs maar besproken te geraken.
Met betrekking tot de ambachtelijke beroepen begrijpt spreker de redenering van de minister niet volledig. Hij ziet niet in waarom een beroep enkel een ambacht kan zijn als er in ieder bedrijf in die sector minder dan tien werknemers tewerkgesteld zijn. Dit betekent dat voor een beroep waar er tijdelijk minder werk voor is en het personeelsbestand tijdelijk beneden tien terugvalt, de bescherming plots mogelijk wordt.
Dat getal tien lijkt hem wat arbitrair. In de gangbare definitie van KMO ligt de drempel op 50 werknemers. Bijgevolg lijkt het logischer om die grens te hanteren.
De heer Steverlynck kondigt hieromtrent een amendement aan.
Medische beroepen
De heer Willems stipt aan dat bijvoorbeeld ook de psychotherapeuten hun titel beschermd willen zien. Op het ogenblik dat daar toch verandering in zou komen, dient dat dan verplicht volgens de hier voorgestelde methode te verlopen ? Of kan dat beter met specifieke wetgeving komen ?
Wat is de lijn die de regering volgt wanneer vanuit de medische sector een dergelijke vraag wordt gesteld ?
De minister deelt mee dat haar collega bevoegd voor Sociale Zaken en Volksgezondheid momenteel aan een bescherming van de medische beroepen werkt. Er komt voor hen dus een aparte regeling.
De psychologen hebben een eigen instituut. Het valt dus aan te bevelen om met hen te overleggen.
De heer Van Nieuwkerke merkt op dat de « psychologische » sector wel een kluwen is. Er zijn psychologische assistenten, psychologen, psychotherapeuten, enz. Het zou inderdaad goed zijn mocht de regering daar wat orde in kunnen scheppen.
De aanzet zou echter moeten komen van de betrokken belanghebbende federaties met wie de minister overleg zou moeten plegen.
Slotbeschouwing
De heer Steverlynck merkt op dat bijvoorbeeld organisatiedeskundigen in bedrijven zeer performante diensten verrichten. In andere landen is die titel beschermd. In België gaat het IBR ervan uit dat al die activiteiten onder hun koepel moeten worden uitgeoefend. Dat gaat veel verder dan de titelbescherming, veeleer over de beroepsorganisatie.
Persoonlijk vindt de heer Steverlynck dat zulks te ver gaat.
De federaties zullen ervaring met de aanvraag moeten opdoen. Er zal zich een probleem stellen wanneer er geen diploma's zijn. Ook de ervaring zal moeten worden bewezen. Er kan een erkenning komen voor categorieën van mensen die al jaren bepaalde zaken op een gedegen manier doen. Hun klanten krijgen aldus een zekere kwaliteitsgarantie zonder dat de markt afgeschermd wordt voor anderen die gelijkaardige activiteiten uitvoeren zonder de titel nodig te hebben.
B. Deel Artikel 77
Het ontwerp deel 77 geeft geen aanleiding tot enige algemene bespreking.
V. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
A. Deel Artikel 78
Artikel 2
De heer Steverlynck dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt het artikel aan te vullen met een bijkomende definitie. Spreker stelt dat zijn amendement de leesbaarheid van het ontwerp ten goede komt en hij verwijst verder naar zijn schriftelijke uiteenzetting.
De minister antwoordt dat het wetgevingstechnisch beter ware geweest indien de voormelde definiëring van de Raad voor het Verbruik in artikel 2 was neergeschreven. Echter, zij acht deze definiëring in artikel 2 niet noodzakelijk en zij vraagt dan ook om het voorgestelde amendement niet aan te nemen.
Artikel 3
De heer Steverlynck dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt de woorden « en ten minste één nationale interprofessionele federatie die representatief is voor de vrije en andere zelfstandige intellectuele beroepen » te doen vervallen. Zoals reeds vermeld in de algemene bespreking acht het lid het voldoende dat de voordracht plaats heeft via één of meer belanghebbende beroepsfederaties.
De minister verwijst naar de algemene bespreking, naar de meerwaarde die de inbreng van een dergelijke nationale interprofessionele organisatie kan betekenen en naar het feit dat er verschillende nationale interprofessionele organisaties bestaan die niet allemaal in het bureau van de Hoge Raad zijn vertegenwoordigd. Zij vraagt dan ook om het amendement, zeker vanuit het standpunt van de harmonisatie van de aanvragen, niet aan te nemen.
Artikel 4
De heer Steverlynck dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt de laatste zin van het tweede lid van § 1 te vervangen opdat de bepaling in overeenstemming kan worden gebracht met artikel 2, § 1, 3º, van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen. Spreker merkt tot slot op dat de gevraagde harmonisering van definities ook de latere codificatie ten goede zal komen.
De minister is van mening dat de precisering die door de amendementen nrs. 3 en 13 wordt voorgesteld niet noodzakelijk is. Het is de bedoeling dat een zo ruim mogelijk toepassingsveld wordt beoogd. Ze vraagt dan ook de vermelde amendementen niet aan te nemen.
De heer Steverlynck dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt te verduidelijken aan wie het advies wordt meegedeeld. Spreker is immers overtuigd van het belang dat het advies tevens aan de verzoekers zelf wordt meegedeeld omdat deze later in staat moeten zijn om het verzoekschrift aan te passen, zoals het in de verdere loop van de procedure wordt voorzien. Als zij echter niet op de hoogte worden gebracht van de inhoud van het advies, kunnen ze het verzoekschrift ook niet gepast veranderen.
De heer Steverlynck dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2) dat ertoe strekt om eveneens de geformuleerde opmerkingen mee te delen aan de minister en de verzoekers. Immers, opdat de verzoekers rekening kunnen houden met de opmerkingen, moeten die wel aan hen worden bezorgd. Momenteel echter is deze stap niet in het wetsontwerp voorzien.
De heer Steverlynck dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat er eveneens toe strekt om de woorden « en de adviezen » toe te voegen in de voorgestelde tekst opdat ze samen met de opmerkingen aan de Hoge Raad worden meegedeeld.
De heer Steverlynck dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2) dat er eveneens toe strekt « de geformuleerde opmerkingen » aan de verzoekers te doen meedelen.
Wat de bovenvermelde amendementen betreft, merkt de minister op dat de tekst de minister toestaat om bijvoorbeeld op persoonlijke titel een advies in te winnen maar dat hij daartoe niet wordt verplicht. Als hij echter zelf, op eigen initiatief, een advies vraagt, lijkt het niet verstandig om hem te verplichten dat advies mee te delen.
Als de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen het nodig vindt om een advies te vragen, kunnen ze hiertoe altijd zelf het initiatief nemen. De minister vraagt dan ook om de amendementen niet aan te nemen.
De heer Steverlynck verwijst naar de bepaling uit artikel 4, § 4, eerste lid, laatste zin, die stelt dat een verzoekschrift binnen 60 dagen moet worden aangepast aan de geformuleerde opmerkingen en aan de adviezen of dat het anders wordt verworpen. Hij vraagt zich daarbij af hoe de betrokkenen de inhoud van de opmerkingen en de adviezen zullen vernemen. Dergelijke mededeling lijkt misschien wel evident, doch ze is niet voorzien in de voorliggende bepalingen.
De minister merkt op dat wanneer de bevoegde minister zal vragen om het verzoekschrift aan te passen, hij eveneens de pertinente informatie daartoe zal meesturen. Spreekster begrijpt dus de vraag naar deze informatie maar ze acht deze zo vanzelfsprekend dat dergelijke bepalingen niet in de wet moeten worden vermeld.
De heer Steverlynck dient amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt in § 4 de bepaling dat een niet op tijd aangepast verzoekschrift wordt verworpen, te doen vervallen.
Spreker verwijst verder naar zijn schriftelijke verantwoording.
Hij benadrukt verder dat een verschillende procedure voor de ambachtelijke en voor de vrije en intellectuele beroepen de leesbaarheid van de tekst en de vereenvoudiging van de wetgeving niet dienstig is.
De minister verwijst naar de voorgaande bespreking en vraagt het amendement niet aan te nemen.
Artikel 6
De heer Steverlynck dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt te bepalen dat een vennootschap slechts een gereglementeerde beroepstitel mag gebruiken voor zover de meerderheid van de afgevaardigde bestuurders of de zaakvoerders voldoet aan de voorwaarden voor het voeren van een beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep.
De minister verklaart geen voorstander te zijn van de beleidskeuze die in het amendement wordt naar voor geschoven. Ze vraagt dan ook om het amendement niet aan te nemen.
De heer Steverlynck dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt te verduidelijken dat onderwijsinstellingen en beroepsgroeperingen evenwel nooit een dergelijke beroepstitel mogen gebruiken. Spreker merkt op dat voorliggende tekst wel degelijk deze bedoeling heeft maar dat de formulering in het wetsontwerp ter zake onduidelijk is.
De minister acht de tekst voldoende duidelijk en vraagt daarom het amendement niet te aanvaarden.
Artikel 7
De heer Steverlynck dient amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2). Spreker merkt op dat in het bedoelde artikel 7 de Koning wordt belast met de codificatie van Titel II van het ontwerp met de bepalingen van de Kaderwet van 1976. Spreker merkt op dat Titel IV eveneens moet deel uitmaken van de voornoemde codificatie aangezien deze strafbepalingen bevat die van toepassing zijn op titel II.
De minister stelt dat de codificatie vooral de bescherming van de beroepstitel zal betreffen en niet het strafrechtelijke aspect. Gezien deze keuze vindt spreekster het voorliggende amendement niet noodzakelijk.
De heer Steverlynck merkt op dat bij de codificatie de strafbepalingen uit de kaderwet van 1976 wel zullen worden opgenomen en de strafbepalingen van de voorliggende bepalingen niet. Gezien deze anomalie is spreker van mening dat er beter niet zal worden gecodificeerd aangezien dat nog het duidelijkst zal zijn.
Artikel 8
De heer Steverlynck dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt de voorwaarde dat een natuurlijke persoon of een rechtspersoon minder dan 10 werknemers tewerkstelt om te kunnen worden gedefinieerd als ambachtelijk beroep, te doen vervallen aangezien er geen reden is om deze beperking op te leggen.
De minister verwijst naar de definitie van de micro-ondernemingen uit de Europese teksten waarop de voorliggende bepalingen zijn gebaseerd. Aangezien de minister voorstander blijft van haar beleidskeuze vraagt ze het voorliggende amendement niet aan te nemen.
Artikel 10
De heer Steverlynck dient amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt de bepaling in overeenstemming te brengen met artikel 2, § 1, 3º, van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen. Spreker verwijst hiervoor ook naar zijn derde amendement.
De minister verwijst naar het antwoord dat ze bij amendement nummer 3 heeft verschaft.
De heer Steverlynck dient amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt, naar analogie met titel II van de dienstverlenende intellectuele beroepen, in § 3, eerste lid, de woorden « en het advies van de Raad voor het Verbruik » in te voegen.
Tevens dient de heer Steverlynck amendement nr. 15 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt in § 3, tweede lid, de woorden « , de geformuleerde opmerkingen » in te voegen. Spreker verwijst naar zijn toelichting bij het amendement nr. 5.
De minister verwijst naar de toelichting die ze naar aanleiding van de amendementen nrs. 4 tot en met 7 heeft verstrekt. Ze vraagt dan ook de voorliggende amendementen niet aan te nemen.
Artikel 10
De heer Steverlynck dient een amendement nr. 16 in (stuk Senaat, nr. 3-1723/2), dat ertoe strekt om voor de vennootschappen bij de ambachtelijke beroepen dezelfde wijziging door te voeren als bij de dienstverlenende intellectuele beroepen. Spreker verwijst dan ook naar de toelichting bij het amendement nummer 9.
De minister verwijst naar de toelichting die ze naar aanleiding van amendement nr. 9 heeft verstrekt. Ze vraagt dan ook het voorliggende amendement niet aan te nemen.
B. Deel Artikel 77
Artikel 9
De heer Steverlynck dient een amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-1724/2), dat ertoe strekt onze Duitstalige landgenoten de vrije keuze te laten tussen de Nederlandstalige Kamer of de Franstalige. Bovendien kan hij zich tijdens de zitting laten bijstaan door een tolk naar keuze. Voor dergelijke bepaling is er reeds een precedent in de wetgeving omtrent de landmeters (Wet van 13 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten).
De minister erkent de opportuniteit van het voorliggende amendement. Ze geeft er echter de voorkeur aan om de aanpassing door te voeren naar aanleiding van het volgende wetsontwerp diverse bepalingen en ze vraagt daarom het voorliggende amendement niet aan te nemen.
VI. STEMMINGEN
A. Deel Artikel 78
De amendementen nrs. 1 tot en met 16 worden verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.
Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.
B. Deel Artikel 77
De artikelen 1 tot en met 8 worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden. Amendement nr. 1 wordt verworpen met 7 stemmen, tegen 1 stem bij 1 onthouding. Artikel 9 wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding. De artikelen 10 tot en met 14, alsmede het wetsontwerp in zijn geheel, worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
De commissie beslist een aantal tekstcorrecties te aanvaarden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Berni COLLAS. | Jean-Marie DEDECKER. |
Teksten verbeterd door de commissie (stukken nrs. 3-1723/4 en 3-1724/4)