3-167

3-167

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 1er JUIN 2006 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Question orale de Mme Margriet Hermans au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le rapport et les recommandations du Centre fédéral d'expertise des soins de santé concernant les soins diabétiques à l'avenir» (nº 3-1135)

Mme la présidente. - M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d'État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Diabetes type 2 zal in de volgende jaren epidemische proporties blijven aannemen. Momenteel lijdt 1 op 20 Belgen aan diabetes en zal 1 op 10 Belgen er ooit mee geconfronteerd worden. Volgens een recentelijk gepubliceerd rapport is een optimale behandeling van die patiënten in de toekomst maar mogelijk met een strategieverandering, een multifactoriële benadering en een plan voor gecoördineerde acties op nationaal niveau. Versnipperde initiatieven moeten nu plaats ruimen voor een gezondheidsbeleid dat gericht is op disease management.

Een belangrijke wijziging in de behandeling van de patiënt is het omzetten van de zorg die door één arts wordt verstrekt naar een gecombineerde actie van een multidisciplinair team, dat ingebed is in de eerstelijnsgezondheidszorg. De huisarts moet een centrale rol blijven spelen in de zorgcoördinatie. De taakherverdeling in het multidisciplinaire team zal andere zorgverstrekkers, onder meer diabetesverpleegkundigen en diëtisten, de gelegenheid geven om via hun deskundigheid bij te dragen tot deze complexe opvolging. De rol van diabeteseducator - waarvoor ik in het verleden al heb gepleit - is van cruciaal belang in de context van polyvalente zorg die veel aspecten beslaat, van levensstijladvies tot technieken voor insulinetherapie. Op korte termijn moet het beroep van diabeteseducator in de Belgische wetgeving officieel gedefinieerd en erkend worden. De beschrijving van profiel, opleiding, functie en erkenning moet rekening houden met de huidige, al bestaande initiatieven in de praktijk.

Welke concrete initiatieven zal de minister nemen om de beleidsaanbevelingen van het KCE, het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, waar te maken? Beschikt hij over de nodige budgettaire middelen? Zal snel werk worden gemaakt van de erkenning van de diabeteseducatoren en van de duidelijke definiëring van de rol van de verschillende zorgverleners van het multidisciplinaire team?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

De studie van het Kenniscentrum biedt inderdaad elementen voor het beleid inzake de organisatie van de zorgverstrekking aan diabetespatiënten in België. Ik heb ongeveer drie weken geleden kennis genomen van die studie nadat ze door de raad van bestuur werd gehomologeerd.

Een gecoördineerde reactie op die studie lijkt mij van het grootste belang. Hiermee bedoel ik dat de conclusies van het Kenniscentrum optimaal, en dus niet overhaast, moeten worden geanalyseerd. Het rapport geeft een positieve beoordeling van de behandeling van patiënten met diabetes type 2 in ons land, maar wijst ook op een reeks gebreken, vooral op het gebied van de coördinatie.

De commissie artsen-ziekenfondsen werkt in die context momenteel aan een model voor gecoördineerde zorgtrajecten voor patiënten met een chronische ziekte. Diabetes type 2 valt uiteraard onder die definitie. De conclusies van de werkgroep ad hoc, die hiervoor in de commissie artsen ziekenfondsen werd opgericht, worden einde juni verwacht. Nu al beantwoordt de basisstelling van dit ontwerp aan een van de conclusies van het rapport van het Kenniscentrum, namelijk die waarin de huisarts optreedt als basisreferentie voor de diabetespatiënt.

Ik sta open voor het idee van een uitbreiding van de herziening van de diabetesovereenkomsten voor de terugbetaling van de insulinestrips. Het lijkt me echter raadzaam om dit voorstel eerst te bespreken in de betrokken instanties van het RIZIV en om het in de huidige budgettaire context van de gezondheidszorg te plaatsen.

De budgettaire middelen die voor nieuwe initiatieven nodig zijn, zullen worden onderzocht bij de volgende begrotingsopmaak.

Met betrekking tot de erkenning van diabeteseducatoren en de definiëring van de rol van de verschillende zorgverstrekkers in het multidisciplinaire team wijs ik erop dat er hier een verdeling is van bevoegdheden. Na de verdere analyse van de aanbevelingen van het Kenniscentrum zal er dan ook een interministerieel overleg moeten volgen.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Ik weet dat verschillende overheden bevoegd zijn voor de diabeteseducatoren. Het interministerieel overleg zal dus heel belangrijk zijn. Ik hoop dat men snel tot resultaten komt, vooral omdat die mensen op het terrein al lang actief zijn en een grote deskundigheid bezitten, maar nog niet au sérieux worden genomen. Ik betreur dat.