3-166 | 3-166 |
M. le président. - M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d'État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.
Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Het onderwerp van deze vraag is onder meer toepasselijk op de situatie van sommige parlementaire medewerkers die door de overheid worden bestraft omdat ze te lang hebben gestudeerd.
Het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering bepaalt in artikel 36, 3º dat, `om toegelaten te worden tot het recht op wachtuitkeringen (...) de jonge werknemer aan de volgende voorwaarde [moet] voldoen: ... alle activiteiten stopgezet hebben die opgelegd zijn door het in 2º bedoelde studie-, leertijd- of opleidingsprogramma en door om het even welk programma van een studie met volledig leerplan.' Deze bepaling slaat zowel op lessen en examens als op stages die in het studieprogramma worden opgelegd of een proefschrift dat eventueel moet worden ingediend. Met betrekking tot deze materie zijn er twee problemen.
Jongeren die pas afgestudeerd zijn en op de arbeidsmarkt terecht komen, worden ogenblikkelijk geconfronteerd met de tekorten van hun opleiding. Vaak willen zij, om hun kansen te vergroten, een bijkomende opleiding aanvatten. Die opleiding willen ze combineren met de actieve zoektocht naar werk. De RVA beschouwt het aanvatten van bijvoorbeeld een academische lerarenopleiding als een nieuwe volwaardige studie waardoor de werkzoekende niet meer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Vele jonge werkzoekenden willen hun wachttijd echter niet al duimendraaiend doorbrengen, maar willen hun opleiding vervolmaken en tegelijk een job zoeken. Het is discriminerend dat de opleidingen die door de VDAB worden georganiseerd geen probleem vormen op het vlak van de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Deze opleidingen zijn vaak niet interessant voor universitairen aangezien ze een overlapping vormen met datgene wat zij reeds gestudeerd hebben.
De RVA is niet de enige schuldige partij. Ook de universiteiten dragen verantwoordelijkheid voor de moeilijke situatie: aan de KUL is het bijvoorbeeld niet mogelijk om zich tijdens de wachtperiode in te schrijven als werkstudent. Hierdoor worden de studenten verplicht een voltijds dagprogramma te volgen waardoor zij niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.
Een tweede probleem doet zich voor wanneer een werkstudent zijn werk verliest. In geval van ontslag - dat niet het gevolg is van een eigen fout - komt hij opnieuw in het statuut van student terecht. De universiteit beschouwt hem niet langer als werkstudent en ook bij de RVA wordt hij opnieuw als voltijds student beschouwd. Het gevolg is dat hij opnieuw een wachttijd moet doorlopen en zich opnieuw moet inschrijven als werkzoekende, die zijn studies moet opgeven. Het wettelijke vacuüm op dit terrein is bekend en meermaals werd erop gezinspeeld dat een oplossing in de maak zou zijn waarbij bijvoorbeeld de periode van werkstudent in zekere mate zou meetellen voor de wachtuitkering.
Welke maatregelen zal de minister nemen om het aanvatten van een vervolmakingsopleiding - bijvoorbeeld een lerarenopleiding - tijdens de wachttijd uit de bestraffende sfeer te halen? Welke vorm zullen die maatregelen aannemen en wat zullen de voorwaarden zijn? Binnen welke termijn zal dit gerealiseerd worden?
Hoe zal de minister het wettelijke vacuüm tussen het statuut van werkstudent en onvrijwillig werkzoekende opheffen? Welke vorm zal die oplossing aannemen en wat zullen de voorwaarden zijn? Binnen welke termijn zal dit gerealiseerd worden?
Is een overleg met universiteiten en hogescholen niet wenselijk om zo mensen met het statuut van werkstudent tijdens de wachttijd hun opleiding te laten vervolmaken?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Vanvelthoven.
In deze zaak moet een onderscheid worden gemaakt tussen drie periodes: ten eerste, de periode van het studietraject die voorafgaat aan het tijdstip van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt; ten tweede, de wachttijd als schoolverlater, namelijk een niet vergoede periode van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt na het beëindigen van het studietraject; ten derde, de vergoede werkloosheidsperiode die op de wachttijd volgt.
Tijdens de eerste periode wordt doorgaans kinderbijslag toegekend en voor zover aan de voorwaarden inzake gezinsinkomen voldaan is, eveneens een studiebeurs van de bevoegde Gemeenschap.
Tijdens de tweede periode van 9 of 12 maanden wordt doorgaans verder kinderbijslag toegekend. De jongere moet wel actief werk zoeken en moet elk passend werkaanbod aanvaarden. Hij moet dus beschikbaar zijn voor normaal voltijds werk.
Tijdens de derde periode ontvangt de jongere die tijdens de wachttijd actief werk heeft gezocht en geen passend werkaanbod heeft geweigerd, wachtuitkeringen van de Federale overheid. De jongere moet uiteraard verder actief werk zoeken en elk passend werkaanbod aanvaarden. Van die vereisten kan echter onder meer worden afgeweken voor jongeren die al een bepaalde tijd werkloos zijn. Om de reïntegratie op de arbeidsmarkt te bevorderen kunnen zij onder bepaalde voorwaarden studies volgen en toch hun recht op uitkeringen behouden. Tijdens de studies wordt de uitkering dan bij wijze van activeringsmaatregel verder toegekend.
Er wordt van uit gegaan dat de toename van de kwalificaties steeds nuttig is, maar dat mag er niet toe leiden dat afgeweken wordt van de principiële bevoegdheidsverdeling tussen de Federale overheid en de Gemeenschappen: de werkloosheidsverzekering heeft inderdaad niet als primair doel studiekosten te financieren. Het recht op wachtuitkeringen mag bovendien overigens slechts worden toegekend op voorwaarde dat de jongere zijn studietraject werkelijk heeft beëindigd en voltijds beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.
Nu de structuur van het hoger onderwijs is aangepast aan de Bolognaverklaring, kunnen studenten echter gebruikmaken van flexibele en modulaire studietrajecten. Ze zouden zich dan ook vóór het einde van hun studietraject pro forma als werkzoekende kunnen inschrijven om zo de wachttijd te ontwijken en vroeger werkloosheidsuitkeringen te kunnen ontvangen. Die handelwijze kan verschillende kwalijke gevolgen hebben. Ze schendt het gelijkheidsbeginsel doordat sommige jongeren vroeger wachtuitkeringen zouden ontvangen dan andere. Ze leidt ook tot de toekenning van pseudo-studiebeurzen, want de argumentatie geldt net zo goed tijdens de vergoede werkloosheidsperiode. Ze leidt tot een verdere toename van de overheidsuitgaven.
Daarbij moet worden opgemerkt dat de bevoegde diensten de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt wel degelijk moeten toetsen. Een subjectieve toetsing die gebaseerd is op de intenties en de verklaringen van de jongere, kan leiden tot een ongelijke behandeling. Om dat te vermijden werd bij koninklijk besluit van 21 juni 2005, artikel 36 van het werkloosheidsbesluit aangepast. De huidige tekst bepaalt dat de periodes tijdens dewelke de jonge werknemer cursussen volgt in het raam van een studie of een opleiding, niet als wachttijd kunnen gelden indien de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn: de studie of de opleiding heeft een voorziene duur van 9 maanden of meer en het aantal lesuren, met inbegrip van de eventuele stages, bedraagt per cyclus gemiddeld minstens 20 uur per week, waarvan minstens 10 uur tussen 8 en 18 uur van maandag tot vrijdag.
Voormelde tekst laat toe dat de jongere zich tijdens de wachttijd in beperkte mate verder vervolmaakt, doch waarborgt dat de voor de werkloosheidsverzekering noodzakelijke breuklijn tussen studieperiode en intrede in de arbeidsmarkt behouden blijft. Voor wie tijdens de wachttijd een aggregatie volgt - bedoeld wordt de initiële opleiding van de geaggregeerden - rijst er evenwel geen probleem.
De VDAB-beroepsopleidingen worden doorgaans gevolgd door vergoede werklozen, nadat de daartoe bevoegde overheidsinstelling beslist heeft of het raadzaam is de betreffende opleiding te volgen. Die groep cursisten is dus door de bank genomen niet vergelijkbaar met de groep jongeren in wachttijd die autonoom over hun studietraject beslissen.
De huidige regelgeving houdt het evenwicht tussen voormelde principes en de wens om zijn wachttijd nuttig te gebruiken. Het is dan ook niet wenselijk om in dit verband nieuwe initiatieven te nemen.
Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik dank de minister voor het zeer technische antwoord. Ik zal er het verslag nauwkeurig op nalezen. Uit de laatste zin meen ik echter te begrijpen dat het juridische vacuüm zal blijven bestaan.
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - U had beter moeten luisteren, mevrouw Thijs.
Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik heb zeer goed geluisterd.
De voorzitter. - Ieder zijn waarheid, mijnheer de staatssecretaris.