3-166 | 3-166 |
M. le président. - M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d'État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.
De heer Luc Willems (VLD). - Deze vraag heeft dezelfde tekst als een schriftelijke vraag die ik heb ingediend, maar waarop ik nog geen antwoord heb gekregen.
De kamers voor handelsonderzoek bedoeld in artikel 84, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgen de toestand van de schuldenaars in moeilijkheden en kunnen ambtshalve onderzoeken of ze voldoen aan de voorwaarden van het gerechtelijk akkoord.
De procureur des Konings en de betrokken handelaar kunnen op elk ogenblik mededeling krijgen van de aldus verzamelde gegevens, alsook van het verslag. Als uit het onderzoek naar de toestand van de schuldenaar blijkt dat die zich in staat van faillissement bevindt, dan zendt de kamer voor handelsonderzoek de zaak naar de procureur des Konings, die de faillietverklaring kan vorderen.
De onderzoeken die door de kamers van handelsonderzoek gestart worden, kunnen gebeuren op initiatief van de procureur des Konings die hiertoe een brief aan de rechtbank van koophandel richt. Bij inzage van het dossier door de betrokken handelaar wordt de brief van de procureur systematisch verwijderd waardoor de schuldenaar geen kennis heeft van de elementen die aan de basis liggen van het verzoek van de procureur. Op die wijze blijft de handelaar verstoken van belangrijke informatie. De rechter die het handelsonderzoek voert, heeft echter wel kennis van de brief.
Indien het handelsonderzoek gevoerd wordt na een brief van de procureur des Konings, waarmee hij de rechtbank van koophandel elementen aanreikt over de toestand van de handelaar, maakt die brief dan deel uit van het dossier dat de betrokken handelaar kan inzien om zijn verweer op te stellen?
Hebben de griffies de richtlijn gekregen om de brief van de procureur uit het dossier van de kamer voor handelsonderzoek te verwijderen telkens de betrokken handelaar er inzage van neemt?
Over welke middelen beschikt de betrokken handelaar als de griffier weigert kennis te geven van de brief die de procureur des Konings heeft gericht aan de rechtbank van koophandel?
(Mme Anne-Marie Lizin, présidente, prend place au fauteuil présidentiel.)
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van mevrouw Onkelinx.
Vooreerst wijs ik erop dat de beslissing tot het openen van een onderzoek naar de moeilijkheden van een onderneming uitsluitend door de kamers voor handelsonderzoek kan worden genomen. De wet kent terzake geen enkel initiatiefrecht toe aan de procureur des Konings.
Uit het voorschift van artikel 5 en de algemene economie van de wet blijkt echter dat de rechtbank van koophandel de informatie over de financiële toestand van een schuldenaar op een zo ruim mogelijke manier kan verzamelen, met name aan de hand van pertinente elementen die het parket ter kennis worden aangereikt.
De minister is echter van oordeel dat bij het inzamelen van de informatie over de schuldenaar nog andere principes moeten worden nageleefd, conform artikel 18 van voornoemde wet, bijvoorbeeld het geheim van het gerechtelijke onderzoek en dat dit niet kan worden uitgebreid tot elementen die er niet rechtstreeks betrekking op hebben.
Uit een snel en beperkt onderzoek van mijn medewerkers via de telefoon blijkt bovendien dat sommige parketten er geen enkel bezwaar tegen hebben de briefwisseling van de procureur des Konings te voegen bij het dossier van het handelsonderzoek en dus niet gekant zijn tegen inzage door de schuldenaar. Ik zal mijn administratie vragen om bij de gerechtelijke autoriteiten een algemene navraag te doen over dit onderwerp om een algemeen beeld te krijgen van de heersende praktijken.
Ik heb geen weet van officiële instructies met betrekking tot het probleem dat werd aangehaald. De wet is duidelijk: de schuldenaar heeft het recht de elementen in te kijken van het dossier dat hem betreft, niet meer en niet minder. Als de briefwisseling van de procureur des Konings zich in dat dossier bevindt, dan kan de inzage van dat document hem niet worden geweigerd. De wet op het gerechtelijk akkoord voorziet echter niet in specifieke sancties in geval van onrechtmatige weigering.
Op grond van de inlichtingen die me door de gerechtelijke autoriteiten zullen worden meegedeeld, zal ik eventueel de gepaste maatregelen nemen om deze kwestie te regelen.
De heer Luc Willems (VLD). - Ik leid uit het antwoord van de minister af dat ze mijn standpunt deelt, namelijk dat de betrokken handelaar het recht heeft om ten volle kennis te nemen van de inhoud van zijn dossier, met inbegrip van de brief van de procureur des Konings aan de griffie op basis waarvan het handelsonderzoek wordt geopend. De minister zegt dat ze de gepaste maatregelen zal nemen. Ik hoop dat ze haar richtlijnen op korte termijn zal meedelen aan de griffies, want het zijn telkens de griffiers die de bewuste brief uit het dossier halen.