3-1704/1 | 3-1704/1 |
24 MEI 2006
I. INLEIDING
Tijdens haar vergadering van 10 mei 2006 heeft de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden beslist om een voorstel van resolutie tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs teneinde de houder van een rijbewijs B in staat te stellen een motorfiets te besturen met een maximale cilinderinhoud van 125cm³ en een maximaal vermogen van 11 kW op te stellen.
De voorwaarden waaronder zij van deze bijzondere procedure gebruik kon maken, worden in het artikel 22, 3, van het reglement van de Senaat, als volgt omschreven :
« Wanneer de commissies naar aanleiding van een bespreking beslissen dat een wetgevend initiatief nodig is of dat de Senaat zijn standpunt te kennen moeten geven, kunnen ze zelf een voorstel van wet of van resolutie opstellen, het bespreken, erover stemmen en hierover verslag uitbrengen, zonder dat de Senaat het vooraf in overweging neemt.
Deze procedure kan alleen worden aangevat als twee derden van de leden van de commissie zich schriftelijk akkoord verklaren en de voorzitter van de Senaat vooraf zijn toestemming heeft gegeven. In geval van twijfel over de ontvankelijkheid of over de bevoegdheid van de commissie, raadpleegt de voorzitter het bureau. »
De heer Dedecker, voorzitter van de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden, vroeg bij brief van 9 mei 2006 om de voorafgaande toestemming van de voorzitter van de Senaat, die deze verstrekte. De vereiste meerderheid van de leden van de commissie verklaarde zich schriftelijk akkoord met de gevolgde procedure.
Dit voorstel van resolutie is gebaseerd op van het wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs teneinde de houder van een rijbewijs B in staat te stellen een motorfiets te besturen met een maximale cilinderinhoud van 125cm³ en een maximaal vermogen van 11 kW, mits een praktische opleiding met goed gevolg doorlopen werd (stuk Senaat, 3-1280/1).
Op methodologisch vlak gaf de minister van Mobiliteit de voorkeur aan een resolutie aangezien hij het niet opportuun vond om een koninklijk besluit bij wet te wijzigen.
Voorliggende tekst werd besproken in de vergaderingen van 10,17 en 24 mei 2006 in aanwezigheid van de minister van Mobiliteit.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER KONINCKX, MEDE-INDIENER VAN HET WETSVOORSTEL (STUK SENAAT Nr. 3-1280/1)
Voorliggende bepalingen strekken ertoe om de houder van een sinds twee jaar afgegeven rijbewijs voor de categorie B — auto — opnieuw de mogelijkheid te bieden om een voertuig te besturen van de categorie A — motorfiets — met de maximale cilinderinhoud van 125 cm3 en een maximaal vermogen van 11 kW.
Spreker stelt dat, gezien het reeds doorlopen theoretische examen, het zeer logisch is dat deze bestuurders geen enkele theoretische proef moeten afleggen.
Wat het praktische gedeelte betreft, bepaalt het wetsvoorstel dat er met goed gevolg een praktische opleiding moet worden doorlopen om een kandidaat in staat te stellen, ook praktisch gezien, een motorfiets te besturen.
Aangezien dergelijke te betalen opleiding delicaat ligt, verklaart het lid zelf voorstander te zijn van een examen dat de praktische kennis toetst.
Spreker verduidelijkt nog dat de voorgestelde vlotte overstap zich in het belang van de mobiliteit situeert. Het is de bedoeling dat zo veel mogelijk gebruikers voor de motorfiets opteren om korte afstanden af te leggen, gezien de mogelijkheden van dit alternatief.
III. BESPREKING
De minister verduidelijkt dat er duidelijke argumenten zijn voor een hogere aanwezigheid van scooters in het stadsverkeer. In die zin is de minister voorstander van maatregelen die het scootergebruik in het stadsverkeer bevorderen zonder aan de verkeersveiligheid te raken.
Aangezien de voorgestelde bepalingen zich in het geschetste kader situeren, kan de minister ze ondersteunen. Daarbij stelt hij geen voorstander te zijn van een bijkomende opleiding of examen.
Aangezien de minister geen voorstander is van de wijziging van een koninklijk besluit via een wet, stelt hij voor om de voorgestelde bepaling om te zetten in een resolutie. Hijzelf zal dan zorgen voor het opstellen van het bijpassende koninklijke besluit dat kan worden opgestuurd, voor betrokkenheid, naar de gewesten.
De minister merkt nog op dat met de goedkeuring van de resolutie een signaal tot wijziging vanuit de Senaat wordt gegeven en dat het een extra argument vormt naar de verschillende gewesten toe.
De heer Koninckx stelt toch voorstander te zijn van een praktisch examen dat het bewijs kan vormen van de rijvaardigheid. Als echter moet gekozen worden tussen enerzijds het behoud van het huidige systeem en anderzijds de voorgestelde aanpassing met het verlaten van de idee van een rijvaardigheidstest, opteert de spreker voor het laatste.
De heer Steverlynck acht het zinvol om niet zomaar het besturen van een scooter toe te laten. Hij acht een rijvaardigheidstest zinvol.
De heer Collas en andere leden gaan akkoord om, naar aanleiding van de suggestie van de minister, de voorwaarde tot een bijkomende opleiding of examen niet op te nemen in de voorgestelde resolutie.
IV. STEMMINGEN
De resolutie van de commissie (zie stuk Senaat, nr. 3-1704/2) wordt aangenomen met 8 stemmen voor bij één onthouding.
Ingevolge de aanneming van deze resolutie zal het wetsvoorstel nr. 3-1280 met hetzelfde onderwerp worden ingetrokken.
Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 10 aanwezige leden.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Berni COLLAS. | Jean-Marie DEDECKER. |