3-163

3-163

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 11 MEI 2006 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de onmogelijkheid voor arbeidsongeschikte zelfstandigen om aan vrijwilligerswerk te doen» (nr. 3-1617)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - In de praktijk ervaart men dat sommige wetgevingen niet altijd een antwoord bieden voor probleemsituaties op het terrein.

Ik werd onlangs met een bijzonder schrijnende situatie geconfronteerd. Een jonge alleenstaande vrouw van 30 jaar, een zelfstandige architecte, wordt na een burn-out volledig arbeidsongeschikt. Omdat er geen twijfel is over de arbeidsongeschiktheid, wordt die zonder enig probleem erkend in het kader van de artikelen 19 en 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten. Haar psychische aandoening maakt dat ze geen stabiele arbeidsrelatie kan aanvatten, maar op de betere momenten zou ze best wel een bezigheid kunnen uitoefenen. Om niet te verkommeren vraagt ze het ziekenfonds of ze af en toe onbezoldigd vrijwilligerswerk mag doen. Het ziekenfonds erkent dat een vorm van vrijwilligerswerk nuttig kan zijn om haar uit haar isolement te halen, maar zegt dat volgens de wet arbeidsongeschikte zelfstandigen, in tegenstelling tot de arbeidsongeschikte werknemers, geen vrijwilligerswerk mogen doen.

Het ziekenfonds verwijst naar artikel 15 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers. Dat artikel vult artikel 100, §1, van de gecoördineerde ziekteverzekeringswet aan met een bepaling die stelt dat vrijwilligerswerk in het kader van de wet van 3 juli 2005 `niet beschouwd wordt als werkzaamheid, voor zover de adviserend geneesheer vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene'. Op die wijze wordt vrijwilligerswerk wel mogelijk voor arbeidsongeschikte werknemers. Voor de arbeidsongeschikte zelfstandigen werd een dergelijke bepaling niet ingevoerd. De ziekenfondsen moeten bijgevolg vaststellen dat er geen wettelijk kader is om deze mensen een vrijwilligersactiviteit te laten uitvoeren.

Vermoedelijk werd in de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers geen gelijksoortige bepaling voor zelfstandigen ingevoerd, omdat de arbeidsongeschiktheidsregeling voor zelfstandigen vervat zit in een koninklijk besluit en niet in een wet, zoals bij de werknemers. De bevoegde minister had echter een koninklijk besluit moeten uitvaardigen, maar dat is nog altijd niet gebeurd.

Dat is opnieuw een discriminatie van de zelfstandigen. Een arbeidsongeschikte werknemer mag vrijwilligerswerk doen, een arbeidsongeschikte zelfstandige niet. Ik zien geen objectieve reden voor de handhaving van die discriminatoire behandeling.

Erkent de minister het probleem? Zal ze een koninklijk besluit uitvaardigen om aan deze ongelijke behandeling een einde te stellen? Wanneer mogen we dat besluit verwachten? Wanneer zal het te nemen besluit in werking treden of zal het met terugwerkende kracht worden ingevoerd?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Laruelle.

In het kader van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten moet een zelfstandige voor elke bedrijvigheid die tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid wordt uitgeoefend, de goedkeuring krijgen van de raadgevend geneesheer van het ziekenfonds waarbij hij/zij is aangesloten. De raadgevend geneesheer van het ziekenfonds beoordeelt dus de zaak en is bevoegd om de hervatting van een bedrijvigheid al dan niet toe te staan. De artikelen 19 en 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 bepalen dat de zelfstandige die arbeidsongeschikt is, geen andere beroepsactiviteit mag uitoefenen.

De wetgeving heeft het dus niet over activiteit in de ruimste zin van het woord. Het begrip beroepsactiviteit impliceert een regelmatige, normale bedrijvigheid die wordt uitgeoefend met winstoogmerk. Deze regelgeving slaat dus niet op een activiteit als vrijwilliger, die uiteraard zonder winstoogmerk wordt uitgeoefend.

Om de zaken te verduidelijken zal ik mijn administratie vragen of het niet nuttig is het koninklijk besluit van 20 juli 1971 af te stemmen op de bepalingen van de wet van 3 juli 2005, die de uitoefening van een vrijwilligersactiviteit voor de loontrekkenden mogelijk maken.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord. Het probleem is bekend en het is niet de bedoeling vrijwilligersactiviteiten van zelfstandigen te beletten. De mensen die deze bepalingen op het terrein moeten toepassen, moeten snel duidelijkheid krijgen. Het is immers juist door een redenering a contrario dat deze situatie ontstaat. De wet inzake vrijwilligers bepaalt uitdrukkelijk dat er geen beletsel is voor loontrekkenden om een vrijwillige activiteit uit te oefenen. Aangezien er echter geen bepalingen zijn voor zelfstandigen, denken de mensen die de regelgeving op het terrein moeten toepassen, dat die activiteiten niet toegelaten zijn voor zelfstandigen. Dat is echter niet het geval. De minister zegt ook dat het wenselijk is dat arbeidsongeschikte zelfstandigen vrijwillige activiteiten verrichten om hun integratie te bevorderen. Het verheugt mij dat de nodige maatregelen in die zin zullen worden genomen.