3-161

3-161

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 4 MAI 2006 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Demande d'explications de M. Joris Van Hauthem au vice-premier ministre et ministre de l'Intérieur sur «la répartition des emplois entre les groupes linguistiques dans les communes bruxelloises» (nº 3-1586)

Mme la présidente. - M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d'État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Artikel 21, §7 van de wet inzake het gebruik der talen in bestuurszaken bepaalt dat de Brusselse gemeenten bij de indienstneming van personeel ten minste 50% van de te begeven betrekkingen in gelijke mate moeten verdelen over beide taalgroepen, althans voor zover het gaat om betrekkingen lager dan afdelingschef. In mensentaal gezegd betekent dit dat bij de indienstneming minstens 25% van deze betrekkingen aan elke taalgroep moet toekomen. De overblijvende 50% kan elke gemeente naar eigen goeddunken toewijzen. Onnodig te zeggen naar welke taalgroep die resterende 50% van de betrekkingen in overgrote mate gaat.

Onlangs gaf Brussels minister-president Picqué, in antwoord op een schriftelijke vraag van een Brussels parlementslid, een overzicht van de verdeling van deze betrekkingen in de verschillende Brusselse gemeenten op 1 januari 2004. De resultaten die hieruit naar voren komen, zijn ontstellend.

Slechts 6 van de 19 Brusselse gemeenten waren toen in orde met deze bepaling van de taalwetgeving. Dertien gemeenten waren dat dus niet.

In al die gevallen werden uiteraard te weinig betrekkingen aan de Nederlandse taalgroep toegewezen. De situatie is in een aantal gemeenten werkelijk hallucinant. In Watermaal-Bosvoorde bijvoorbeeld was toen 5,4% van de lagere personeelsleden Nederlandstalig. In Elsene was dat 6,26%, in Sint-Gillis 8,19%, in Sint-Joost-ten-Node 9,21%, in Vorst 9,58%. Men kan opwerpen dat die cijfers het gevolg zijn van sociologische gegevens, maar de wet bestaat en moet dus worden nageleefd. Desnoods moet de wet worden aangepast. De cijfers wijzen dus niet zomaar op enkele kleine scheeftrekkingen, maar op een fundamentele afwijking van een wet die nochtans van openbare orde is. Deze afwijkingen zijn onbetwistbaar niet het gevolg van een tijdelijk onevenwicht, maar zijn het resultaat van een beleid dat systematisch tegen de wet ingaat.

Voor de 19 gemeenten samen komen wij aldus op een Nederlandstalig aandeel van slechts 19,85% in plaats van het wettelijk opgelegde minimum van 25%. Omgerekend in aantal jobs betekent dit dat de Vlamingen in de 19 Brusselse gemeenten zomaar eventjes 638 jobs minder hebben dan hen wettelijk gezien toekomt. Dat cijfer is dan nog een gemiddelde. In dat cijfer werden niet alleen de gemeenten verrekend die onder de 25% duiken, maar ook de gemeenten die wel aan hun wettelijke verplichting voldoen. De negatieve resultaten van sommige gemeenten worden in het gemiddelde van alle gemeenten samen verdoezeld door de betere resultaten van de zes gemeenten waar de 25% wel wordt gehaald.

Als er enkel rekening wordt gehouden met de gemeenten waar minder dan 25% van de betrekkingen door Nederlandstaligen is ingenomen, dan werd op 1 januari 2004 de Nederlandstaligen in de Brusselse plaatselijke besturen niet minder dan 995 jobs minder toebedeeld dan waar ze wettelijk minimaal recht op hebben.

Nadat ik deze vraag om uitleg had ingediend, heeft mijn collega in het Brussels Parlement, de heer Lootens, ons de meest recente gegevens over deze situatie verstrekt. Ze werden hem bezorgd door de Brusselse minister-president. Uit die cijfers blijkt dat de situatie ongeveer twee jaar later nog slechter is. Het gemiddelde van de lagere jobs in de Brusselse plaatselijke besturen dat door Nederlandstaligen wordt ingenomen is gedaald van 19,85% tot slechts 18,85%. Het aantal banen dat de Nederlandstaligen minder hebben dan waar ze wettelijk recht op hebben is nu al opgelopen tot 1043, waar het om 995 jobs zou moeten gaan. De symbolische kaap van duizend banen is daarmee overschreden.

De Raad van State heeft herhaaldelijk gesteld dat de taalkaders - en die gelden ook voor de verdeling van de betrekkingen in de Brusselse besturen - onder meer tot doel hebben aan de ambtenaren van iedere taalgroep het hen toekomende deel van de betrekkingen te garanderen en hen te beschermen tegen mededinging van mensen van de andere taalgroep. Deze bescherming, die door een wet van openbare orde zou moeten worden gewaarborgd, is nooit effectief gebleken wegens sabotage.

Deze situatie is onaanvaardbaar. De vraag blijft wat de derde betrokken partij, namelijk de federale overheid, die bevoegd is voor de taalwetgeving en de naleving ervan in Brussel, zal doen om de door haar uitgevaardigde wetten te laten respecteren.

Welke maatregelen overweegt de regering om ervoor te zorgen dat dit aspect van de taalwet in bestuurszaken wordt gerespecteerd?

Overweegt de regering dit probleem aan te snijden op het Overlegcomité?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Minister Dewael antwoordt op deze vraag dat het toezicht op de toepassing van de taalwetgeving in de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een bevoegdheid is van het gewest.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Dit nietszeggend antwoord is wellicht ook een voorbeeld van administratieve vereenvoudiging.

Ik heb vorige week een vraag gesteld over de rondzendbrieven van het Brussels Gewest die door de Raad van State werden vernietigd. De minister van Binnenlandse Zaken, die vandaag beweert dat hij niet bevoegd is, had aanvankelijk gezegd dat hij stappen zou ondernemen mocht de Raad van State de rondzendbrieven van de Brusselse regering vernietigen in het kader van het taalhoffelijkheidsakkoord. Vorige week antwoordde hij mij dat hij nog niets kan doen omdat er nog rondzendbrieven zijn die nog niet vernietigd werden.

Zo wordt alles op de lange baan geschoven. Als de Raad van State de taalwetgeving op een bepaalde manier interpreteert, dan kan de federale overheid, die nog altijd bevoegd is voor de taalwet die een federale wet van openbare orde is, daar nog altijd effectief gevolg aan geven. De minister doet dat echter niet want hij schuift de verantwoordelijkheid gewoon door naar het Brussels Gewest. Daarmee kiest hij natuurlijk voor de gemakkelijkste weg.