3-161

3-161

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 4 MEI 2006 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Wetsontwerp tot oprichting van een Raad voor de Mededinging (Stuk 3-1665)

Algemene bespreking

De heer Jan Steverlynck (CD&V), rapporteur. - Dit verplicht bicameraal wetsontwerp vloeit voort uit een wetsontwerp tot bescherming van de economische mededinging dat in de Kamer van Volksvertegenwoordigers oorspronkelijk werd ingediend als een gemengd wetsontwerp van de regering dat zowel aangelegenheden bevatte zoals bedoeld in de artikelen 77 en 78 van de Grondwet.

Ingevolge een beslissing van de parlementaire overlegcommissie van 30 maart 2006 werd uiteindelijk een gesplitste tekst ter stemming aan de plenaire vergadering van de Kamer voorgelegd.

Het verplicht bicamerale luik werd op 20 april 2006 eenparig aangenomen door de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het werd op 21 april 2006 overgezonden aan de Senaat.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 26 april 2006.

De minister gaf een toelichting omtrent dit wetsontwerp, dat samen met het in de Kamer besproken wetsontwerp tot bescherming van de economische mededinging, de krachtlijnen realiseert die geformuleerd werden op de ministerraad van 16 en 17 januari 2004 te Gembloux. Die krachtlijnen zijn de volgende:

Het is de bedoeling de slagkracht van de mededingingsautoriteiten te versterken.

Na vragen om verduidelijking van collega Steverlynck over de budgetten en personeelsleden, van collega Willems over de verhouding tussen de Europese en de Belgische mededingingsautoriteiten en van collega Kapompolé over de verhouding met het BIPT, werd door meerdere leden gewezen op de nota van de dienst Wetsevaluatie van de Senaat die terecht opmerkt dat vele tekortkomingen in de tekst voortvloeien uit de opsplitsing zoals die door de Kamer is uitgevoerd. Het ging om een louter juridisch-technische ingreep. De ingrepen nodig om deze problemen recht te zetten, lijken ook de minister van puur technische aard. Hij wijst er wel op dat beide luiken van het wetsontwerp achteraf gecoördineerd worden. Het probleem is volgens hem dus van tijdelijke aard. Diverse opmerkingen resulteren in technische wijzigingen en worden als dusdanig door de commissie aanvaard.

Aanvullend wordt in het advies van de dienst Wetsevaluatie opgemerkt dat het wetsontwerp tot bescherming van de economische mededinging, de wet tot bescherming van de economische mededinging gecoördineerd van 1 juli 1999 opheft. Dat houdt in dat alle verwijzingen in andere wetten naar de huidige wet op de economische mededinging moeten worden aangepast. Sommige aanpassingen betreffen wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Het voorliggende verplicht bicamerale wetsontwerp zou bijgevolg moeten worden aangevuld met enkele bepalingen die de nodige aanpassingen in de bestaande wetgeving aanbrengen. Het gaat om de wetgeving op het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, de wetgeving betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en de wetgeving omtrent het statuut van regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. Volgens de minister zijn er mogelijk nog aanpassingen door te voeren.

Gezien de noodzaak tot nauwkeurigheid in deze materies, is de commissie van oordeel dat de aanpassingen niet als technische wijzigingen kunnen worden geregeld en vraagt ze de minister de noodzakelijke bepalingen op te nemen in een eerstvolgend ontwerp diverse bepalingen. De meeste commissarissen beschouwen dit als de meest pragmatische oplossing. Om principiële redenen kan ik me met die oplossing niet verzoenen.

Het wetsontwerp werd vervolgens aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

-De algemene bespreking is gesloten.