3-160

3-160

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 27 APRIL 2006 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de pensioenopbouw» (nr. 3-1581)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - De pensioenproblematiek wordt eigenlijk nog altijd grotendeels benaderd vanuit een mannelijke situatie, terwijl het vanuit de demografische realiteit veeleer een zaak van vrouwen is geworden. Sinds de jaren zestig zijn ook vrouwen actief op de arbeidsmarkt en hun carrière wordt door andere factoren gekenmerkt dan die van mannen. Die factoren verminderen de mogelijkheid voor vrouwen om pensioenrechten op te bouwen, met als gevolg dat heel wat vrouwen een zeer laag pensioen krijgen.

Gelukkig groeit sinds enige tijd de bewustwording dat zich enkel baseren op de situatie van de voltijds werkende man haaks staat op de arbeidsrealiteit.

Naast het wettelijke pensioen is er het aanvullende pensioen, de `tweede pijler', en het individuele gespaarde pensioen, de `derde pijler'. De tweede pensioenpijler wordt georganiseerd in het kader van de arbeidsrelatie en de derde pijler betreft individuele pensioenspaarformules.

Het opnemen van een genderdimensie in statistieken en cijfers is van fundamenteel belang om een gedetailleerd zicht te krijgen op de pensioensituatie van mannen en vrouwen. Enkel dan kunnen we onderbouwde voorstellen doen en gerichte initiatieven en maatregelen nemen.

Voor de eerste pijler beschik ik over de cijfers en daaruit blijkt wel degelijk dat er grote verschillen zijn. Bij de werknemers is het aantal vrouwen dat een rustpensioen geniet ongeveer de helft van het aantal mannen met een rustpensioen. Het aantal vrouwen dat een overlevingspensioen krijgt, ligt dan weer drie keer hoger dan het aantal mannen met een overlevingspensioen.

Bestaat er een genderspecifieke opdeling van de cijfers inzake pensioenopbouw via de tweede en derde pijler?

Hoeveel vrouwen en mannen in ons land doen aan een vorm van pensioensparen via de tweede en derde pijler?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Op de tweede vraag van mevrouw Geerts geeft collega Reynders het volgende antwoord.

Er bestaat geen genderspecifieke uitsplitsing met betrekking tot de gevraagde gegevens.

Voor de inhoudingen voor groepsverzekeringen of extralegale pensioenfondsen, ingehouden door de werkgever zoals bepaald in de artikelen 145/1, 1º en 145/3 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, bedraagt de fiscale aftrek voor het aanslagjaar 2004 voor mannen en vrouwen samen: 258.584.911 euro.

Wat het specifiek pensioensparen betreft zoals bedoeld in de artikelen 145/8 tot 145/16 van het bovenvermeld wetboek bedraagt de globale, fiscale aftrek voor het aanslagjaar 2004: 898.307.495 euro.

Over de premies in het kader van de individuele levensverzekeringen zijn echter geen precieze gegevens beschikbaar omdat er in de aangifte geen onderscheid wordt gemaakt tussen de effectieve premies gestort in het kader van het langetermijnsparen en de beleende contracten.

Je vous lis à présent la réponse du ministre Tobback.

Selon les informations desquelles je dispose, il existe en effet au sein de la Commission bancaire, financière et des assurances une répartition spécifique homme/femme dans les statistiques en ce qui concerne le nombre d'affiliés au deuxième pilier de pension - caisses de retraite professionnelle et d'assurances-groupe - et le nombre d'assurés à vie individuels - secteur qui constitue le troisième pilier.

Des informations sur le nombre de personnes contribuant à la constitution des pensions via des fonds bancaires de retraite peuvent être obtenues auprès des services du ministre compétent.

Selon les informations de la Commission bancaire, financière et des assurances, 1.313.008 hommes constituaient, fin 2004, une pension via le deuxième pilier ; 230.051 le faisaient via une caisse de retraite, 1.082.957 via une assurance-groupe. Le troisième pilier comptait 1.100.641 assurés masculins.

Pour les femmes, le deuxième pilier comptait 663.863 assurées ; 137.846 d'entre elles via une caisse de retraite et 526.017 via une assurance-groupe. Le troisième pilier en comptait 909.482. Ces statistiques prennent en compte les épargnes-pension, les assurances-vie individuelles et les assurances solde restant dû.

Quelques remarques par rapport à ces statistiques : En premier lieu, elles comprennent quelques doublons, notamment en fonction du nombre de contrats mixtes en ce qui concerne les assurances-groupe. En effet, dans certains cas, des personnes bénéficiant tant d'une couverture vie que d'une couverture décès sont prises en compte doublement. Il peut également y avoir des doubles comptages entre le nombre de participants des assurances-groupe et des caisses de retraite, étant donné qu'il existe nombre de régimes où les cotisations des employés sont placées dans une assurance-groupe et les cotisations des employeurs dans une caisse de retraite.

En second lieu, il faut remarquer que, dans le troisième pilier, une répartition entre hommes et femmes est uniquement faite pour le nombre d'assurés, ce qui donne en fait des informations plus intéressantes que le seul genre des assurés.

En troisième lieu, il s'agit surtout de personnes qui s'occupaient de constituer une pension fin 2004. Les pensionnés qui ont reçu leur pension complémentaire sous la forme d'un capital ne sont plus pris en compte dans les statistiques de la Commission bancaire et financière et des assurances.

Les informations relatives à la constitution de pensions obtenues auprès de la CBFA peuvent toutefois être complétées par les informations sur l'évolution des pensions obtenues du Cadastre des pensions. Il en ressort qu'en 1981, 12% des employés pensionnés masculins reçoivent une pension via le deuxième pilier, contre 4% des employées pensionnées féminines. En ce qui concerne les employés partant à la retraite en 2001, ces pourcentages ont doublé, avec 25% d'employés masculins et 7% d'employées féminines. Les pensions complémentaires sont donc en vogue. La répartition spécifique de genre, quant à elle, existe toujours.

En quatrième lieu, il n'y a malheureusement pas d'informations disponibles en ce qui concerne le deuxième pilier des pensions des indépendants, ni en ce qui concerne la constitution, via la CBFA, ni en ce qui concerne les allocations, via le cadastre des pensions. Il serait pourtant très utile, sur le plan politique, de disposer de statistiques concernant l'évolution du régime récemment réformé des pensions complémentaires libres pour indépendants.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de staatssecretaris voor het uitgebreide antwoord. Een deel van de cijfers die ik gehoord heb tonen inderdaad aan hoe belangrijk het is om ook over de pensioenproblematiek goede genderstatistieken bij te houden.