Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-57

ZITTING 2005-2006

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eerste minister en minister van Financiën

Vraag nr. 3-3851 van de heer Steverlynck d.d. 29 november 2005 (N.) :
Europese richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten. — Weerslag op de bemiddeling in bankzaken. — Cumulatie van hoedanigheden van financiële tussenpersonen.

De Europese richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (tweede beleggingsdienstenrichtlijn) van 21 april 2004 zal wellicht een grote weerslag hebben op de toekomstige verplichtingen van ondernemingen die beleggingsinstrumenten aanbieden.

Overeenkomstig overweging 36 van de richtlijn dienen, met uitzondering van bepaalde vrijgestelde personen, personen die voor rekening van meer dan één beleggingsonderneming beleggingsdiensten verrichten, niet als verbonden agenten maar als beleggingsondernemingen te worden beschouwd wanneer zij onder de in deze richtlijn vastgestelde definitie vallen.

Ook stelt overweging 37 dat deze richtlijn het recht van verbonden agenten dient onverlet te laten om, ook voor rekening van onderdelen van dezelfde financiële groep, werkzaamheden uit te oefenen die onder andere richtlijnen vallen alsook aanverwante werkzaamheden met betrekking tot financiële diensten of producten die niet onder deze richtlijn vallen.

Tegelijk definieert de richtlijn in artikel 4 de verbonden agent als een natuurlijke of rechtspersoon die, onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van slechts één beleggingsonderneming voor rekening waarvan hij optreedt, de beleggings- en/of nevendiensten bij cliënten of potentiële cliënten promoot, instructies of orders van cliënten met betrekking tot beleggingsdiensten of financiële instrumenten ontvangt en doorgeeft, financiële instrumenten plaatst en/of advies verstrekt aan cliënten of potentiële cliënten met betrekking tot deze financiële instrumenten of diensten.

Anders gesteld is het wanneer men, zoals in het voorstel van de heer Willems (3-377) het statuut van bankmakelaar wil creëren als zijnde de natuurlijke persoon die beroepshalve of de rechtspersoon die vanuit zijn maatschappelijk doel, in eigen naam en voor eigen rekening, zonder enige vertegenwoordigingsbevoegdheid, een financiële instelling en een derde samenbrengt voor welbepaalde bankverrichtingen, zowel krediet-, spaar- als beleggingsverrichtingen, zonder daarbij de activiteiten uit te oefenen bedoeld in de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs. Dit voorstel beoogde om de wettelijke exclusiviteit voor de bankagent die in de bovenvermelde richtlijn en in een CBFA-circulaire is geregeld, te doorbreken via de invoering van een statuut van bankmakelaar. Evenwel zou dit, op basis van de richtlijn, wellicht betekenen dat ook de bankmakelaar waarschijnlijk niet aan de exclusiviteit zou ontsnappen.

Artikel 3 van de richtlijn bevat evenwel een facultatieve vrijstelling voor personen die geen aan hun cliënten toebehorende gelden en/of effecten mogen aanhouden en daarom jegens hun cliënten nooit in een debiteurspositie mogen verkeren, en geen beleggingsdiensten mogen verrichten, met uitzondering van het ontvangen en doorgeven van orders in effecten en rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging en het beleggingsadvies dat omtrent deze financiële instrumenten wordt verstrekt, en tijdens het verrichten van die dienst alleen orders mogen doorgeven

In die optiek zou dus de beleggingsmakelaar niet onder de richtlijn vallen voor zover de overheid opteert voor deze facultatieve vrijstelling en tegelijk de beleggingsmakelaar verbiedt lopend geld in ontvangst te nemen.

De heer Willems diende dan ook reeds een amendement in die zin in op zijn wetsvoorstel, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de richtlijn.

Evenwel heerst er heden nog steeds onduidelijkheid over de mogelijkheid tot combinatie van hoedanigheden van financiële tussenpersonen.

Wat is het standpunt van de regering betreffende de mogelijkheid van cumulatie van hoedanigheden, hetzij van bankagent-bankmakelaar, bankagent-verzekeringsmakelaar, bankagent-kredietmakelaar, bankmakelaar-verzekeringsmakelaar of bankmakelaar-kredietmakelaar ?