3-1641/1

3-1641/1

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

28 MAART 2006


Wetsvoorstel tot oprichting van een Federale Adviesraad voor Ouderen

(Ingediend door de dames Christel Geerts en Olga Zrihen c.s.)


TOELICHTING


Meer mensen dan ooit kunnen genieten van een lang leven. In 2000 vertegenwoordigden de 65-plussers nog 16,8 % van de totale Belgische bevolking. In 2030 zal hun vertegenwoordiging al zijn toegenomen tot 24,3 %. Daarom is het van groot belang te benadrukken dat ouderen op elk niveau van het beleid moeten kunnen meepraten, inspraak verdienen.

In de Gemeenschappen en Gewesten bestaan reeds verschillende adviesorganen, omdat het ouderenbeleid een regionale bevoegdheid is. Hoewel de beslissingen van de federale overheid ook heel wat gevolgen hebben voor het dagelijkse leven van de ouderen, bestaat er op dat beleidsniveau voor de ouderen enkel het Raadgevend Comité voor de Pensioensector als inspraakorgaan. Dit Comité werd opgericht in 1994 en is samengesteld uit ouderenverenigingen van alle Gewesten en Gemeenschappen. Het Raadgevend Comité voor de Pensioensector :

— brengt advies uit op eigen initiatief of op vraag van de minister die de Pensioenen onder zijn bevoegdheid heeft. Het kan hiervoor een beroep doen op door de administraties verrichte studies en desgevallend deskundigen horen;

— bespreekt jaarlijks de beleidsverklaring van de minister die de Pensioenen onder zijn bevoegdheid heeft;

— vaardigt op verzoek van dezelfde minister waarnemers af naar de in het kader van de Europese Unie opgerichte adviesraden;

— evalueert de kwaliteit van de dienstverlening door de pensioenadministraties ten behoeve van de gepensioneerden.

De indieners oordelen dat de ouderen op het federale niveau niet alleen inspraak moeten hebben over het pensioenbeleid. Vele andere federale maatregelen belangen ook hen aan en ook voor die andere beleidsdomeinen zou het interessant zijn om de mening en gevoeligheden van de senioren zelf te kennen om er rekening mee te kunnen houden.

Dit wetsvoorstel beoogt daarom de oprichting van een Federale Adviesraad voor Ouderen. Met ouderen bedoelen we hier personen die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt. Er wordt gekozen voor 60 jaar om de eenvormigheid in de wetgeving te bewaren. Ook voor de Vlaamse Ouderenraad geldt 60 jaar als leeftijdscriterium. Naar analogie van die adviesraad op het Vlaamse niveau wordt voor de titel van de federale tegenhanger ook gekozen voor de term « ouderen ».

Het is de bedoeling dat de Koning de leden van de Adviesraad benoemt. Hij doet dit op voordracht van de ministers die de Pensioenen en de Sociale Zaken onder hun bevoegdheid hebben. Uiteraard moet het de bedoeling zijn dat bepaalde leden van de Adviesraad lid zijn van adviesraden inzake ouderenbeleid ingesteld in de verschillende Gemeenschappen en Gewesten. Men mag er dan immers van uitgaan dat die leden representatief zijn. Daarbovenop is het de taak van de Koning om bij die benoemingen zoveel mogelijk te waken over de pluralistische en representatieve samenstelling van de Adviesraad.

De bevoegdheid van de Adviesraad is beperkt tot de materies waarvoor de federale overheid bevoegd is. Dit kan dus gaan over pensioenen, openbare dienstverlening, gezondheidszorg, telecommunicatie, openbaar vervoer (NMBS), veiligheid, ... Daartoe kan de Adviesraad (tijdelijke of permanente) gespecialiseerde werkgroepen of commissies oprichten rond bepaalde bevoegdheden of onderwerpen. De Adviesraad is vrij om het aantal en de onderwerpen van die werkgroepen en commissies te bepalen, maar de indieners leggen wel volgende permanente commissies vast : pensioenen, gelijkheid van kansen, sociale integratie en bestrijding van kansarmoede, toegankelijkheid van de gezondheidszorg en mobiliteit. Wat de pensioenen betreft, is het logischer en meer bevorderlijk voor de coherentie van de uitgebrachte adviezen dat de materies waarvoor het bestaande Raadgevend Comité voor de Pensioensector bevoegd is, eveneens aan de Adviesraad worden toevertrouwd in plaats van de Adviesraad volledig apart en onafhankelijk van het bestaande Raadgevend Comité voor de Pensioensector te laten bestaan.

De specifieke opdrachten van de Adviesraad zijn gelijkaardig aan de opdrachten van het bestaande Raadgevend Comité voor de Pensioensector :

— hij brengt, op eigen initiatief, op verzoek van de federale regering of van een Wetgevende Kamer, advies uit omtrent de federale aangelegenheden. Daartoe volgt de Adviesraad de ontwikkelingen in het ouderenbeleid en heeft hij oog voor de behoeften van ouderen. De adviezen van de Adviesraad zijn niet bindend. Van niet-bindende adviezen gaan meestal weinig verplichtingen uit. Het zou dan ook heel demotiverend zijn voor de leden van de Adviesraad als er nooit een reactie of antwoord zou komen op de adviezen. Daarom bepaalt deze wet dat de leden van de regering waaraan het advies werd gericht, binnen de drie maanden na de ontvangst ervan het gevolg moeten formuleren dat ze aan het advies willen geven. Als ze geen gevolg willen geven aan het advies, moeten ze dat omstandig motiveren;

— hij bespreekt jaarlijks de beleidsverklaring van de regering wat de aangelegenheden betreft die verband houden met de ouderen;

— hij vaardigt, op verzoek van een lid van de regering, waarnemers af naar de in het kader van de Europese Unie opgerichte adviescomités;

— hij evalueert de kwaliteit van de dienstverlening aan de ouderen door de federale overheidsdiensten.

Aan de Adviesraad wordt een bureau toegevoegd dat bevoegd is voor diens administratieve en technische coördinatie en van de werkgroepen en commissies. Het verzorgt dan ook het secretariaat van de Adviesraad.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Dit artikel definieert het begrip « oudere » en bakent dus de doelgroep van het wetsvoorstel duidelijk af. Volgens de gehanteerde definitie zijn « ouderen » personen die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt. Er wordt gekozen voor 60 jaar om de eenvormigheid in de wetgeving te bewaren. In het decreet van 21 april 2004 houdende de stimulering van een inclusief Vlaams ouderenbeleid en de beleidsparticipatie van ouderen, dat onder meer leidde tot de oprichting van de Vlaamse Ouderenraad, wordt namelijk ook 60 jaar genomen als norm voor de definitie van een oudere. Om dezelfde reden van gelijkvormigheid wordt ook expliciet gekozen voor de term « oudere » en niet voor synoniemen zoals senior, bejaarde, persoon van de derde leeftijd, ... Vandaar dat er voor wordt gekozen om gelijklopend met de Vlaamse Ouderenraad de federale tegenhanger de titel « Federale Adviesraad voor Ouderen » mee te geven.

In de Franse vertaling van deze wet wordt geopteerd voor de term « les aînées » als vertaling van het begrip « de ouderen ».

Artikel 3

Dit artikel richt de Federale Adviesraad voor Ouderen op. Bovendien specificeert het de organisatie, de bevoegdheid en de opdrachten.

Ten eerste volgt er een duidelijke bevoegdheidsafbakening : de Adviesraad kan zich enkel uitspreken over tot de bevoegdheid van de federale overheid behorende aangelegenheden. Voor de vlotte werking stellen de indieners voor om gespecialiseerde commissies en werkgroepen op te richten. Dit kunnen tijdelijke of permanente commissies of werkgroepen zijn. Ten minste voor de volgende vijf onderwerpen zouden permanente commissies moeten worden opgericht : pensioenen, gelijkheid van kansen, sociale integratie en bestrijding van kansarmoede, toegankelijkheid van de gezondheidszorg en mobiliteit. In plaats van de Adviesraad volledig apart en onafhankelijk van het bestaande Raadgevend Comité voor de Pensioensector te laten bestaan, is het logischer en meer bevorderlijk voor de coherentie van de uitgebrachte adviezen dat de materies waarvoor het bestaande Raadgevend Comité voor de Pensioensector bevoegd is, eveneens aan de Adviesraad worden toevertrouwd. Teneinde de expertise te ontwikkelen en te behouden die nodig is voor een technisch en gespecialiseerd onderwerp zoals de pensioenen, wordt evenwel voorzien in de oprichting van een gespecialiseerde, permanente commissie pensioenen binnen de Adviesraad.

Ten tweede is er ook een specifieke taakafbakening uitgewerkt. Eerst en vooral brengt de Adviesraad op eigen initiatief, op verzoek van de federale regering of van een Wetgevende Kamer, advies uit over een federaal beleidsdomein of onderwerp. De leden van de regering aan wie het advies is gericht, formuleren binnen een termijn van drie maand na de ontvangst ervan, het gevolg dat ze aan het advies willen geven. Als ze geen gevolg wensen te geven aan het advies, moeten ze dat omstandig motiveren. Een tweede taak is de jaarlijkse bespreking van de aangelegenheden die de ouderen aanbelangen uit de federale beleidsverklaring. Op verzoek van een lid van de regering kan hij ook waarnemers afvaardigen naar de in het kader van de Europese Unie opgerichte adviescomités. Ten slotte evalueert hij ook de kwaliteit van de dienstverlening door de federale overheidsdiensten aan de ouderen.

Ten slotte brengt de Adviesraad jaarlijks een verslag uit over zijn werkzaamheden aan de federale regering en aan de Wetgevende Kamers.

Artikel 4

Dit artikel behandelt de samenstelling van de Adviesraad. Conform de adviezen 39 847 en 39 848 van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het wetsvoorstel tot oprichting van een Federale Adviesraad voor Senioren (ingediend door mevrouw Christel Geerts — stuk nr. 3-1027/1) en over het wetsvoorstel tot oprichting van een Federale Adviesraad voor de sector van de senior (ingediend door mevrouw Olga Zrihen en de heer Philippe Mahoux — stuk nr. 3-1543/1) wordt er in dit artikel voor gekozen om de benoeming van de leden van de Adviesraad over te laten aan de Koning. De benoeming gebeurt wel op voordracht van de ministers die de Pensioenen en die de Sociale Zaken onder hun bevoegdheid hebben. De leden en plaatsvervangers moeten overigens op dubbele lijsten worden voorgedragen. Er zijn evenwel twee benoemingsvoorwaarden. Ten eerste vragen de indieners dat bepaalde leden lid zouden zijn van adviesraden inzake ouderenbeleid ingesteld in de verschillende Gemeenschappen en Gewesten. Ten tweede waakt de Koning bij de benoeming over de pluralistische en representatieve samenstelling van de Adviesraad.

Elk effectief lid heeft dus een plaatsvervanger die bij verhindering het effectief lid vervangt. Het mandaat van beide duurt vier jaar en is hernieuwbaar. Wanneer een lid ontslag neemt vóór het einde van zijn vierjarig mandaat, wordt het mandaat voleindigd door zijn plaatsvervanger.

De voorzitter en de ondervoorzitter worden verkozen door en onder de leden van de Adviesraad voor een termijn van twee jaar. Beide functies worden bij beurtrol uitgeoefend door een lid behorend tot de Nederlandstalige of de Franse taalgroep. De voorzitter en de ondervoorzitter behoren wel telkens tot een andere taalgroep.

Ten slotte legt dit artikel ook vast hoeveel keer de Adviesraad per jaar moet samen komen, namelijk minstens driemaal.

Artikel 5

Dit artikel bepaalt dat de Adviesraad te allen tijde de minister of staatssecretaris die belast is met een materie die het voorwerp uitmaakt van de besprekingen binnen de Adviesraad, of een door deze minister of staatssecretaris aangewezen vertegenwoordiger, kan uitnodigen om één of meer vergaderingen van de Adviesraad bij te wonen.

Als de Adviesraad plant om over een bepaald beleidsdomein of beleidsvoorstel te discussiëren, dan kan de bespreking alleen maar baat hebben bij de aanwezigheid van de bevoegde minister of staatssecretaris of zijn vertegenwoordiger.

Artikel 6

Dit artikel richt een bureau op dat instaat voor de technische en administratieve coördinatie van de werkzaamheden van zowel de Adviesraad als de commissies en werkgroepen. Het verzorgt daartoe ook het secretariaat.

De Adviesraad benoemt zelf de leden van het bureau.

Artikel 7

Bepaalt dat de Koning de modaliteiten vastlegt voor de telasteneming van de kosten voor het afsluiten van een verzekering tegen ongevallen van de leden en de deskundigen van de Adviesraad tijdens en op de weg van en naar de vergaderingen, van de werkingskosten van de Adviesraad, en forfaitair, van de reiskosten van de leden van de Adviesraad.

Artikel 8

De Adviesraad moet een huishoudelijk reglement opstellen. Dit moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de ministers die de Pensioenen en die de Sociale Zaken onder hun bevoegdheid hebben.

Artikel 9

Om te vermijden dat op het federale niveau twee adviesorganen met ouderenorganisaties volledig naast elkaar zouden bestaan, is het belangrijk dat deze wet iets zegt over de verhouding tussen de Adviesraad en het bestaande Raadgevend Comité voor de Pensioensector. Overeenkomstig artikel 3, kiest deze wet ervoor om de opdrachten van het Raadgevend Comité voor de Pensioensector voortaan onder te brengen in de Adviesraad en toe te vertrouwen aan een gespecialiseerde commissie, dit om de in artikel 3 uiteengezette redenen.

Artikel 10

Om te vermijden dat op het federale niveau twee adviesorganen met ouderenorganisaties volledig naast elkaar zouden bestaan, heft deze wet het Raadgevend Comité voor de Pensioensector op. Zodoende grijpt deze wet evenwel in op een aan de Koning toekomende bevoegdheid. Om het principe van de scheiding der machten te respecteren, machtigt dit artikel daarom de Koning expliciet deze wijziging op te heffen, aan te vullen of te wijzigen volgens de geijkte procedures.

Artikel 11

Dit artikel legt vast dat deze wet in werking treedt op de datum waarop het besluit tot benoeming van de leden van de Raad, bedoeld in artikel 4, § 1, in werking treedt, en hoe dan ook ten laatste twaalf maanden nadat de wet is aangenomen. Deze overgangsperiode wordt ingebouwd omdat de indieners willen vermijden dat door de afschaffing van het Raadgevend Comité voor de Pensioensector de ouderen gedurende een bepaalde periode geen adviesraad zouden hebben op het federale beleidsniveau.

Christel GEERTS
Olga ZRIHEN
Annemie VAN de CASTEELE
Nathalie de T' SERCLAES
Philippe MAHOUX.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder « oudere » : persoon die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.

Art. 3

§ 1. Er wordt een Federale Adviesraad voor Ouderen opgericht, hierna de Adviesraad genoemd.

§ 2. De Adviesraad oefent de opdrachten, bedoeld in § 3, uit ten aanzien van de tot de bevoegdheid van de federale overheid behorende aangelegenheden.

De Adviesraad kan voor bevoegdheden of onderwerpen permanente of tijdelijke werkgroepen of commissies oprichten. Ten minste over de volgende bevoegdheden of onderwerpen worden permanente commissies opgericht :

1º pensioenen;

2º gelijkheid van kansen;

3º sociale integratie — bestrijding van kansarmoede;

4º toegankelijkheid van de gezondheidszorg;

5º mobiliteit.

§ 3. De Adviesraad vervult ten minste volgende taken :

1º hij brengt, op eigen initiatief, op verzoek van de federale regering of van een Wetgevende Kamer, advies uit omtrent de aangelegenheden bedoeld in § 2. Daartoe volgt de Adviesraad de ontwikkelingen in het ouderenbeleid en heeft hij oog voor de behoeften van ouderen. Het advies is niet bindend.

2º hij bespreekt jaarlijks de beleidsverklaring van de regering wat de aangelegenheden betreft die verband houden met de ouderen;

3º hij vaardigt, op verzoek van een lid van de regering, waarnemers af naar de in het kader van de Europese Unie opgerichte adviescomités;

4º hij evalueert de kwaliteit van de dienstverlening aan de ouderen door de federale overheidsdiensten.

§ 4. De leden van de regering, aan wie het advies is gericht, formuleren binnen de drie maand na de ontvangst ervan, het gevolg dat ze aan het advies willen geven.

Indien ze geen gevolg wensen te geven aan het advies, motiveren ze dat omstandig.

§ 5. De Adviesraad brengt jaarlijks verslag uit over zijn werkzaamheden aan de federale regering en de Wetgevende Kamers.

Art. 4

§ 1. Op voordracht van de ministers die de Pensioenen en die de Sociale Zaken onder hun bevoegdheid hebben, benoemt de Koning bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit op dubbele lijsten voorgedragen leden en hun plaatsvervangers.

Bepaalde leden moeten daarbij lid zijn van adviesraden inzake ouderenbeleid ingesteld in de verschillende gemeenschappen en gewesten.

Bij de benoeming waakt de Koning over de pluralistische en representatieve samenstelling van de Adviesraad.

§ 2. Elk effectief lid heeft een plaatsvervanger die bij verhindering het effectief lid vervangt.

§ 3. Het mandaat van de effectieve leden en van de plaatsvervangers duurt vier jaar en is hernieuwbaar.

Wanneer een lid ontslag neemt vóór het einde van zijn vierjarig mandaat, wordt het mandaat van het effectief lid voleindigd door zijn plaatsvervanger.

§ 4. Het voorzitterschap wordt bij beurtrol uitgeoefend door een lid behorende tot de Nederlandstalige of de Franse taalgroep, dat verkozen wordt door en onder de leden van de Adviesraad voor een termijn van twee jaar.

§ 5. De ondervoorzitter, die behoort tot de andere taalgroep dan die van de voorzitter, wordt verkozen door en onder de leden van de Adviesraad voor een termijn van twee jaar.

§ 6. De Adviesraad komt minstens driemaal per jaar samen.

Art. 5

De Adviesraad kan te allen tijde het lid van de regering dat belast is met een materie die het voorwerp vormt van de besprekingen binnen de Adviesraad, of een door dit lid aangewezen vertegenwoordiger, uitnodigen om één of meer vergaderingen van de Adviesraad bij te wonen.

Art. 6

§ 1. Er wordt een bureau opgericht, dat belast is met de technische en administratieve coördinatie van de werkzaamheden van de Adviesraad en de verschillende werkgroepen of commissies. Het bureau verzorgt het secretariaat van de Adviesraad en de verschillende werkgroepen of commissies.

§ 2. De Adviesraad benoemt de leden van het bureau.

Art. 7

De Koning legt de modaliteiten vast voor de telasteneming van de kosten voor het afsluiten van een verzekering tegen ongevallen van de leden en de deskundigen van de Adviesraad tijdens en op de weg van en naar de vergaderingen, van de werkingskosten van de Adviesraad, en forfaitair, van de reiskosten van de leden van de Adviesraad.

Art. 8

De Adviesraad stelt een huishoudelijk reglement op, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de ministers die de Pensioenen en die Sociale Zaken onder hun bevoegdheid hebben.

Art. 9

Het koninklijk besluit van 5 oktober 1994 houdende oprichting van een Raadgevend Comité voor de Pensioensector wordt opgeheven.

Art. 10

De Koning kan de bepalingen die door artikel 9 van deze wet werden toegevoegd of gewijzigd in het vermelde koninklijk besluit, opnieuw wijzigen, opheffen of aanvullen. Hij volgt daarbij de procedures en vormvereisten die voorheen reeds golden voor het wijzigen, opheffen of aanvullen van dat besluit.

Art. 11

Deze wet treedt in werking op de datum waarop het besluit tot benoeming van de leden van de Raad, bedoeld in artikel 4, § 1, in werking treedt, en ten laatste twaalf maanden nadat de wet is aangenomen.

27 februari 2006.

Christel GEERTS
Olga ZRIHEN
Annemie VAN de CASTEELE
Nathalie de T' SERCLAES
Philippe MAHOUX.