(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
Normaal gezien is een alleenstaandenpensioen 20 % lager dan een gezinspensioen. Dat is alvast zo wanneer het pensioen berekend wordt op basis van het beroepsinkomen, zowel in de regeling voor de werknemers als in de regeling voor de zelfstandigen.
Inzake het minimumpensioen wordt die logica niet doorgetrokken. Daar geldt die verhouding (100/80) wél in de werknemersregeling, maar niet in de regeling voor de zelfstandigen, hoewel veel meer zelfstandigen effectief een pensioen genieten dat is berekend op het minimumpensioen. In de regeling van de zelfstandigen is de verhouding 100/75.
Ter illustratie : de bedragen van de gewaarborgde minimumpensioenen voor een volledige loopbaan (jaarbedragen) :
| Gezinsbedrag | Alleenstaandenbedrag | Verhouding | |
| Werknemers | 12 735,60 | 10 191,72 | 100/80 |
| Zelfstandigen | 10 680,64 | 8 039,07 | 100/75 |
Dit is een verschil in behandeling die vanuit de optiek van sociale rechtvaardigheid mijns inziens niet langer te verantwoorden is.
De reden voor dit verschil is mogelijk dat het gewaarborgd minimumpensioen voor de zelfstandigen jarenlang gekoppeld was aan het « gewaarborgd inkomen voor bejaarden », inmiddels omgevormd tot de « inkomensgarantie voor ouderen ». En daar ligt die verhouding ook anders (ook hier geen 100/80). Maar ondertussen is die koppeling met de inkomensgarantie voor ouderen losgelaten.
Men kan zich de vraag stellen waarom bij het minimumpensioen voor de zelfstandigen, anders dan bij het minimumpensioen voor werknemers, het bedrag als alleenstaande nog altijd minder is dan 80 % van het gezinsbedrag. Het zou alvast logischer zijn dezelfde verhouding tussen gezins- en alleenstaandenbedrag te hanteren in de pensioenregeling van werknemers én zelfstandigen. En de regering past die verhouding overigens zelf ook toe : de regering heeft begin vorig jaar immers beslist in verschillende stappen het gewaarborgd minimumpensioen voor zelfstandigen op te trekken : gedurende 4 jaren wordt het maandelijks bedrag verhoogd, met 33,00 euro voor een gezin en 27,00 euro voor een alleenstaande. Hier wordt de verhouding 100/80 blijkbaar wél toegepast.
Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :
1. Wat is de ratio legis van deze regeling waarbij voor het minimumpensioen in de werknemersregeling het alleenstaandenpensioen 80 % bedraagt van het gezinspensioen, terwijl die verhouding in de regeling van de zelfstandigen anders is ?
2. Is de geachte minister bereid deze wanverhouding recht te trekken ?
Antwoord : In antwoord op zijn vraag, heb ik de eer het geachte lid het volgende mee te delen.
In de werknemersregeling, voorzag artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers dat het recht op het rustpensioen per kalenderjaar wordt verkregen naar rata van een breuk van de werkelijke, fictieve en forfaitaire brutolonen, in aanmerking genomen ten belope van 75 % voor de werknemers wiens echtgenoot elke beroepsarbeid heeft gestaakt, behalve deze door de koning toegestaan, en die geen rust- of overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel of geen (sociale) vergoedingen of uitkeringen geniet.
Werknemers die niet aan deze voorwaarden voldoen, bekomen 60 % van voormelde brutolonen.
Dit beginsel werd overgenomen door de latere wetgevingen :
— artikel 3 van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van het werknemerspensioen aan de evolutie van het algemeen welzijn
— artikel 5 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels).
Voormelde logica werd dan ook gehuldigd door het artikel 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979- 1980, en de latere uitvoeringsbesluiten, waarin het gewaarborgd minimumpensioen in de regeling voor werknemers wordt vastgesteld, en waar de verhouding gezinsbedrag/bedrag als alleenstaande op 100/80 behouden wordt.
Wat de pensioenregeling van de zelfstandigen betreft, verwijs ik naar het antwoord van mijn collega, de minister van Middenstand,