3-150 | 3-150 |
Mme la présidente. - M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d'État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Dit weekend staat in het teken van het probleem van de kindsoldaten. Morgen wordt daarover op verschillende plaatsen in ons land actie gevoerd. Ook de Senaatscommissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft de voorbije weken aandacht besteed aan dit thema. Ik wil de minister van Landsverdediging nog over één punt ondervragen zodat we ons standpunt kunnen vervolledigen.
Bij de ratificatie van het Facultatief Protocol over kinderen in gewapende conflicten bij het Verdrag inzake de Rechten van het Kind diende België een bindende verklaring af te leggen met vermelding van de minimumleeftijd waarop de vrijwillige indiensttreding wordt toegelaten. Deze luidde als volgt: `overeenkomstig artikel 3 §2 en rekening houdend met artikel 3 §5, verduidelijkt de regering van het Koninkrijk België dat de minimumleeftijd voor vrijwillige dienstneming bij Belgische strijdkrachten niet lager ligt dan 18 jaar.' België heeft steeds het straight-18-principe gesteund. Uitzondering hierop zijn de militaire scholen. Alle sollicitanten die de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier verwerven en die toegelaten worden tot een school voor onderofficieren met het oog op het behalen van een diploma van hoger secundair onderwijs, moeten 16 jaar oud zijn op de dag waarop ze kandidaat-militair worden. Om te voldoen aan het protocol verbiedt artikel 3bis van de wet van 20 mei 1994 expliciet het inzetten van kandidaat-militairen in gewapende conflicten.
De kwalificatie als militair, toegekend aan studenten van de Belgische militaire scholen, werd in de commissievergadering van 19 februari 2002 besproken. De minister verklaarde toen duidelijk dat er in ons leger geen kindsoldaten zijn: `In België zijn er in de scholen voor onderofficieren studenten van 16 jaar, maar dit zijn geen militairen. Er is totaal geen sprake van om deze jongeren in te zetten voor militaire operaties.'
Niettemin hebben deze jongeren, eens gerekruteerd, wel degelijk een militair statuut en blijven ze onderworpen aan de militaire wetten. Dit betekent dat zij krachtens het humanitair recht niet als burgers worden beschermd, maar zelfs legitieme aanvalsdoelwitten zijn.
Om de straight-18-principes te respecteren en conform de geest van het protocol, kan de minister hetzij de minimumleeftijd voor toelating tot de militaire scholen bepalen op 18 jaar, zoals in Duitsland, Denemarken, Finland en Zwitserland, hetzij het statuut van militaire studenten wijzigen in een burgerlijk statuut, zoals bijvoorbeeld in Portugal. De minister heeft vroeger opgeworpen dat een burgerlijk statuut een aanzienlijk nadeel betekent voor de militaire pensioenen die ook de kandidaat-militairen genieten. Zijn deze specifieke voordelen overigens niet discriminerend voor alle andere sollicitanten, niet-kandidaat-beroepsonderofficieren, die op de dag waarop zij kandidaat-militair worden, moeten voldaan hebben aan de leerplicht, zoals bepaald in de wet van 29 juni 1983?
Onlangs heeft de minister zijn plan voorgelegd voor een nieuwe militaire loopbaan naar aanleiding van het feit dat het leger voor het merendeel uit 35-plussers bestaat. Wie als militair carrière maakt, wordt voor operaties ingezet tot hij of zij 35 jaar is. Dan krijgen de 35-plussers de keuze: ofwel blijven ze militair, ofwel zetten ze hun loopbaan voort als burger hetzij bij, hetzij buiten Landsverdediging. Hier zijn dus wel verschillende opties mogelijk.
Overweegt de minister dit ook mogelijk te maken voor de min-18-jarigen en hun een burgerstatuut te geven met behoud van rechten, zoals dat in Portugal is gebeurd? Op die manier zou ons land het Protocol eerbiedigen. Wat zijn de pro's en contra's?
Ons land zou aldus ook de straight-18 principes respecteren en alle min-18-jarigen zouden een niet-militair statuut krijgen wat ons op internationaalrechtelijk vlak in een comfortabelere positie zou brengen in onderhandelingen met landen die wel systematisch met de problematiek van kindsoldaten worden geconfronteerd. De minister getuigt van flexibiliteit en creativiteit voor de 35-plussers. Ik ben nieuwsgierig of hij deze logica ook zal doortrekken voor kandidaat-militairen beneden de 18 jaar.
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Artikel 38 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind bepaalt dat de Staten die partij zijn er van afzien om personen te rekruteren die de leeftijd van 15 jaar niet hebben bereikt. Anderzijds verklaarde België naar aanleiding van het Facultatief Protocol bij dit verdrag, dat de minimumleeftijd voor de vrijwillige indienstneming niet lager is dan 18 jaar. Artikel 3 §5 van het Facultatief Protocol bepaalt evenwel dat deze leeftijdsbeperking niet van toepassing is op de onderwijsinrichtingen onder het beheer of onder het gezag van de strijdkrachten (...). Dit betekent dus concreet dat België volledig conform het Protocol handelt.
Naar aanleiding van de voornoemde ratificatie verklaarde België eveneens dat de Belgische wetgeving verbiedt dat, zowel in vredestijd als in oorlogstijd, een persoon jonger dan 18 jaar deelneemt aan elke operatie met het oog op het behoud van de vrede en aan iedere vorm van gewapende operationele inzet.
Door jongeren vanaf 16 jaar de mogelijkheid te bieden om, tegen bezoldiging, een diploma van hoger secundair onderwijs te behalen, draagt Landsverdediging bij tot de strijd tegen de kansarmoede.
De oplossing die erin zou bestaan om aan de minderjarige kandidaat-onderofficieren een burgerstatuut te geven en hen dus in dienst te nemen als ambtenaar, zou in strijd zijn met de finaliteit van de scholen voor onderofficieren.
Het is immers van primordiaal belang dat deze jongeren van bij de aanvang de kennis, de attitudes en de bekwaamheden verwerven die eigen zijn aan het beroep van militair.
De creatie van een burgerstatuut voor de leerlingen van de scholen voor onderofficieren die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt zou tot meerdere problemen kunnen leiden. Het nieuwe statuut zou slechts voor enkele tientallen personen gelden en bovendien zouden zich binnen één promotie leerlingen met verschillende statuten kunnen bevinden.
Bovendien zou een wettelijke en reglementaire basis moeten worden uitgewerkt voor de dienstprestaties, het tuchtstelsel, de verlofregeling, de ontslag- en mislukkingsregels, het vergoedingsstelsel en de pensioenrechten en dat voor een beperkte en tijdelijke groep personeelsleden.
De creatie van een burgerstatuut wordt dan ook momenteel niet opportuun geacht.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het antwoord is niet overtuigend. Ik weet dat ons land een aantal verklaringen heeft afgelegd om de internationale verdragen te respecteren. België heeft zich ook geëngageerd om geen jongeren onder de 18 jaar in te zetten in militaire conflicten. Ik weet ook dat er een uitzondering bestaat voor militaire scholen.
Veel EU-lidstaten hebben nochtans het statuut van hun kandidaat-officieren onder de 18 jaar wel aangepast. België is één van de weinige westerse landen die zijn regelgeving niet heeft aangepast.
Het argument van de bestrijding van de kansarmoede bij bepaalde groepen jongeren is lovenswaardig, maar ik denk dat er andere en betere middelen zijn om dat doel te realiseren, zoals beurzen.
De minister biedt de 35-plussers in het leger de keuze om te kiezen tussen een burger- en een militair statuut. Misschien kan dat ook voor de min-18-jarigen.