3-149

3-149

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 2 FEBRUARI 2006 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de houding van de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad in het kader van het Brussels taalrapport voor het jaar 2004 en zijn politieke uitspraken in dat verband» (nr. 3-984)

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Na veelvuldig aandringen van allerlei instanties, ook van de Vlaamse regering, werd het tweede taalrapport van de vice-gouverneur van Brussel omtrent de taalkennis van het personeel in de Brusselse plaatselijke diensten over het jaar 2004 vrijgegeven. Tot nader order blijft de vice-gouverneur als regeringscommissaris een federaal ambtenaar en valt hij bijgevolg onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken.

De resultaten van het rapport zijn verbijsterend, al verbazen ze ons niet. In Brussel heeft de democratische rechtsstaat opgehouden te bestaan en is de onwettigheid, wat dit dossier betreft, de regel geworden en de naleving van de wet de uitzondering.

De vice-gouverneur speelt in deze evolutie een cruciale rol. Hij is niet zomaar waarnemer, maar ook actor, onder meer door zijn schorsingsbeleid, waarvoor hij zich nu al jaren baseert op de illegale omzendbrieven van de Brusselse regeringsinstanties.

De Raad van State heeft deze omzendbrieven al meermaals geschorst en heeft dat onwettige beleid in scherpe bewoordingen afgewezen. Toch blijft de vice-gouverneur, die als ambtenaar nochtans de wet moet naleven, onwettig omzendbrieven verspreiden, tegen de wet en tegen de rechtspraak in.

In zijn rapport bezondigt de vice-gouverneur zich ook aan misleidende en zelfs ronduit leugenachtige commentaren, onder meer door te stellen dat een redelijk aantal contractuele personeelsleden na hun indiensttreding het taalbrevet heeft gehaald. Sinds 2001 bedraagt dat redelijke aantal welgeteld 119 personeelsleden. In 2004 alleen al werden er 1.445 werknemers onwettig benoemd. Vermenigvuldigd met vier zou het in de loop van vier jaar dus om 5.780 illegale benoemingen kunnen gaan.

De vice-gouverneur vindt 119 mensen een redelijk aantal, maar dat is 2,06% van het totaal. Dat noemen wij geen redelijk, maar een onbeduidend aantal. In het rapport staan er nog meer dergelijke kromme redeneringen en besluiten.

Maar daarmee stopt het niet. De vice-gouverneur waagt zich aan politieke uitspraken. In zijn taalrapport pleit hij onverbloemd voor een wetswijziging, zogezegd `noodzakelijk om tegemoet te komen aan de realiteit van het terrein'. We weten wat de vice-gouverneur hiermee bedoelt: hij wil de taalwetgeving aanpassen, dat wil zeggen lakser maken.

Dit alles is in strijd met de opdrachten van de vice-gouverneur. Overeenkomstig artikel 65 van de samengevoegde wetten inzake het taalgebruik in bestuurszaken is het zijn wettelijke opdracht om toezicht te houden op de toepassing van de wetten en verordeningen inzake taalgebruik in Brussel en moet hij alle onwettige benoemingen schorsen; hij kan ook klachten van particulieren behandelen en onderzoek verrichten. De wetgever heeft hem echter nergens een adviserende bevoegdheid gegeven en zeker niet de opdracht om politieke standpunten in te nemen.

Is de minister het ermee eens dat de vice-gouverneur geen politieke uitspraken mag doen?

Is de minister het met de vice-gouverneur eens dat de taalwet in bestuurszaken op dit punt moet worden gewijzigd, met andere woorden moet de taalwetgeving worden versoepeld ten nadele van de Brusselse Vlamingen en de tweetaligheid van de hoofdstad?

Wat onderneemt de minister, nog steeds bevoegd voor de taalwetgeving in Brussel, om de naleving ervan te waarborgen?

Welke maatregelen neemt de minister om die regeringscommissaris terug in het gareel van zijn wettelijke plichten te krijgen en desnoods te ontslaan en te vervangen door iemand die zich wel aan de wet houdt?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Opnieuw wil ik bepaalde principes in verband met de taalwetgeving en de bevoegdheid over de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel Hoofdstad in herinnering brengen.

Sinds 1 januari 2002, toen de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot overdracht van bevoegdheden aan gewesten en gemeenschappen in werking trad, is de vice-gouverneur, samen met alle andere provinciegouverneurs, een gewestelijk ambtenaar. Zijn administratief en financieel statuut wordt dus bepaald door de betrokken gewestregering, in casu de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Desgevallend moet zij ook optreden.

De federale overheid is bevoegd om regelgevend op te treden inzake de taalwetgeving in het administratief arrondissement Brussel Hoofdstad, maar niet om toezicht te houden op de toepassing van de taalwetgeving in dat gebied. Dat toezicht is in het algemeen een bevoegdheid van de regering van het Brussels Gewest en in het bijzonder van de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel Hoofdstad, die voor zijn opdracht, ik herhaal het, onder die regering ressorteert.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik dank de minister voor zijn antwoord, maar één vraag heeft hij niet beantwoord. De taalwetgeving zelf is nog altijd een federale materie. De vice-gouverneur suggereert of adviseert in zijn taalrapport die wetgeving aan te passen aan de noden van de realiteit. Is de federale regering bereid op de suggestie van de vice-gouverneur in te gaan?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - De vice-gouverneur heeft, zoals het hoort, zijn rapport naar de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gestuurd en niet naar de federale minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - In dat rapport wordt gesuggereerd dat er wetgevend moet worden opgetreden. Zal de federale regering op die suggestie ingaan? Dat is een eenvoudige vraag waarop ik geen antwoord krijg. Wie zwijgt stemt toe. Het antwoord is dus ja.