Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-50

ZITTING 2004-2005

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Middenstand en Landbouw

Vraag nr. 3-3271 van de heer Steverlynck d.d. 25 augustus 2005 (N.) :
Vennootschapsbijdrage. — Terugbetaling van niet-verschuldigde bijdragen.

In 1992 werd een vennootschapsbijdrage ingevoerd ter versteviging van de financiële structuur van het sociaal statuut der zelfstandigen.

De regelgeving bepaalt dat in een aantal gevallen de vennootschapsbijdrage niet verschuldigd is :

— de bij vonnis van de rechtbank van koophandel failliet verklaarde vennootschappen;

— de vennootschappen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk akkoord dat door de rechtbank van koophandel gehomologeerd is en niet werd vernietigd of ontbonden;

— de vennootschappen die zich in een toestand van vereffening bevinden.

Na de opsomming van de gevallen waarin de vennootschapsbijdrage niet verschuldigd is, vermeldt de regelgeving evenwel uitdrukkelijk dat reeds betaalde bijdragen in geen geval kunnen worden terugbetaald (artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 tot uitvoering van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 februari 1992 houdende sociale en diverse bepalingen met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laatste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen).

Deze bepaling leidt tot perverse resultaten. Het volgende voorbeeld werd mij gesignaleerd : een familiale BVBA betaalt in juni 2001, na ontvangst van de rekening, de vennootschapsbijdrage. Na het overlijden van de zaakvoerder wordt in december 2001 de vennootschap vereffend. Strikt genomen is in dit geval de vennootschapsbijdrage niet verschuldigd. Maar omdat ze al betaald was, kan de niet-verschuldigde bijdrage niet meer terugbetaald worden.

Wie dus te goeder trouw is en altijd stipt zijn bijdragen betaalt, wordt hier benadeeld ten opzichte van diegenen die hun sociale verplichtingen minder nauwgezet naleven. Indien de vennootschapsbijdrage in het bovengeschetste voorbeeld niet op tijd was gekweten, diende ze ook niet betaald te worden.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :

1. Wat is de ratio legis van deze regeling ?

2. Is de geachte minister zinnens deze onbillijke bepaling aan te passen ?

Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid het volgende mee te delen.

Overeenkomstig artikel 3, § 1, 4º, van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 tot uitvoering van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, zijn de vennootschappen die zich in een toestand van vereffening bevinden waarbij het uittreksel uit de akte die de wijze van vereffening bepaalt in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad, werd gepubliceerd, de vennootschapsbijdrage niet verschuldigd vanaf het bijdragejaar waarin zij zich in die situatie bevinden.

Overeenkomstig § 3 van genoemd artikel 3 kan de toepassing van hogergenoemde bepaling nooit tot gevolg hebben dat een reeds betaalde bijdrage zou worden terugbetaald.

Ik begrijp de analyse van het geachte lid in die zin dat de bestaande bepalingen van genoemd artikel 3 kunnen leiden tot ongewenste resultaten. Bijgevolg zal met de betrokken diensten worden onderzocht of het aangewezen is de reglementering op dit vlak aan te passen.