3-145

3-145

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 12 JANVIER 2006 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Question orale de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «l'information téléphonique relative au contenu d'une décision de justice» (nº 3-948)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De inhoud van een vonnis of arrest wordt zeer zelden ter zitting voorgelezen, hoewel de Grondwet dat uitdrukkelijk bepaalt. Bovendien wordt de uitspraak in vele zaken herhaalde malen uitgesteld.

De partijen en hun raadslieden doen dan ook niet altijd de moeite om op de dag van de vastgestelde uitspraak ter zitting of ter griffie kennis te nemen van de inhoud van een uitspraak. Om te weten of een uitspraak is geveld en om kennis te nemen van de inhoud van de uitspraak wordt dan telefonisch contact opgenomen met de griffie, aangezien dat eventueel tijdverlies bespaart.

In een aantal rechtbanken en hoven van beroep hebben de hoofdgriffiers aan de griffiers de instructie gegeven om de inhoud van het beschikkende gedeelte van de uitspraak niet telefonisch mee te delen, zelfs niet aan de advocaten van de betrokken partijen. Er wordt enkel meegedeeld of er al dan niet een uitspraak is geveld. In dringende zaken, zoals zaken in kort geding, of in zaken met een bijzonder - financieel - belang is dit erg hinderlijk. De partijen moeten zich dan zelf bij de griffie aanmelden om kennis te nemen van de uitspraak of ze moeten een lokale advocaat verzoeken dat te doen. Dat maakt de zaken nodeloos gecompliceerd.

Heeft de hoofdgriffier de bevoegdheid om dergelijke instructies uit te vaardigen?

Om welke redenen weigeren bepaalde hoofdgriffiers om het beschikkende gedeelte van een uitspraak telefonisch mee te delen?

Vanwaar het onderscheid in beleidslijn tussen verschillende rechtbanken en hoven?

Wat is het standpunt van de minister?

Zal de minister instructies geven aan de hoofdgriffiers om het beschikkende gedeelte van uitspraken ook telefonisch of per fax mee te delen?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Dat de inhoud van een vonnis of een arrest zelden ter zitting wordt voorgelezen, komt alleen bij burgerlijke zaken voor. In strafzaken worden de vonnissen altijd ter zitting uitgesproken.

Bij rechterlijke beslissingen geldt het algemene principe dat de inhoud van een burgerlijk vonnis of arrest buiten de openbare terechtzitting alleen ter kennis van de partijen zelf mag worden gebracht. Dat principe geldt dus ook voor de telefonische mededeling. Een griffier is gebonden aan het beroepsgeheim en mag de inhoud van de rechterlijke beslissingen niet zomaar aan derden meedelen.

Als een griffier telefonisch wordt verzocht om de inhoud van een rechterlijke beslissing mee te delen, kan hij niet met zekerheid controleren wie er aan de andere kant van de lijn is. Om volstrekt zeker te zijn moet hij de persoon de visu zien. Om die reden weigeren sommige rechtbanken en hoven om telefonisch de inhoud van rechterlijke beslissingen mee te delen. Dat probleem rijst natuurlijk niet als de griffier de stem van de advocaat herkent.

Bij rechtbanken die de inhoud van rechterlijke beslissingen wel telefonisch meedelen worden in principe wel het rolnummer van de zaak of enkele persoonlijke gegevens van de partijen gevraagd. Zo heeft de griffier toch bijna volstrekte zekerheid over de identiteit van de partijen.

De griffies kunnen wat mij betreft hierover autonoom blijven beslissen.

Bij zeer dringende zaken is het trouwens aan te bevelen dat de advocaat op de terechtzitting aanwezig is, zodat hij met het oog op de betekening van het vonnis meteen na de uitspraak een grosse kan vragen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Er bestaat dus geen regeling die de griffiers verbiedt de inhoud van een vonnis of arrest buiten de openbare terechtzitting mee te delen. Dat is een goede zaak. Want aangezien een uitspraak, bijvoorbeeld in de hoven van beroep, vaak wordt uitgesteld, zou men zich anders meermaals naar de rechtbank moeten begeven.

Ik ben het ermee eens dat bij telefoongesprekken zekerheid moet bestaan over de identiteit van de raadsman. Ik stel dan ook voor dat een modus vivendi wordt gezocht, bijvoorbeeld door het verstrekken van een codenummer aan de advocaten. In dit computertijdperk kan het toch niet dat een advocaat te Brussel een advocaat in Antwerpen moet belasten met de opdracht informatie in te winnen bij de griffie te Antwerpen en die dan naar het kantoor te Brussel te faxen.