3-1484/3 | 3-1484/3 |
21 DECEMBER 2005
I. INLEIDING
Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2128/1). Het werd op 15 december 2005 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 91 tegen 4 stemmen bij 44 onthoudingen. Het werd op 16 december 2005 overgezonden aan de Senaat die het op diezelfde dag heeft geëvoceerd.
In toepassing van artikel 27, 1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, die werd gevat voor de artikelen 1 tot 91, de bespreking van dit wetsontwerp aangevat vóór de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 13, 14, 20 en 21 december 2005 in aanwezigheid van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de minister van Werk, de minister van Middenstand en Landbouw, de minister van Leefmilieu en Pensioenen en de minister van minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke kansen.
II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN
1. Inleidende uiteenzetting door mevrouw S. Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 1 van titel II van het wetsontwerp betreffende het Generatiepact betreft de pensioenen der zelfstandigen.
Concreet gaat het om de totstandkoming van de drie volgende maatregelen :
— Ten eerste voorziet het artikel 2 van het wetsontwerp de verlaging van de loopbaanvoorwaarde die het mogelijk maakt de opheffing inzake de vermindering voor vervroegd pensioen te verkrijgen.
Concreet, blijft deze loopbaanvoorwaarde tot 1 december 2005 op 45 kalenderjaren vastgelegd en wordt deze tot 44 jaar verlaagd voor de pensioenen die, ten vroegste en voor de eerste keer op 1 januari 2006, een aanvang nemen.
— Ten tweede, beoogt artikel 3 van het wetsontwerp de oudere zelfstandigen aan te moedigen hun professionele loopbaan na de leeftijd van 62 jaar voort te zetten of na een professionele loopbaan van 44 jaar te hebben voltooid. Dit door hen een financiële stimulans toe te kennen. Deze stimulans zal immers het bedrag van hun rustpensioen verhogen.
Deze bepaling is gemeenschappelijk voor de stelsels der loontrekkenden en zelfstandigen.
Deze bepaling zal op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal op 1 januari 2007 een aanvang nemen, van toepassing zijn.
De Koning is, bij een in Ministerraad overlegd besluit, belast met het bepalen van de toepassingsmodaliteiten.
— Ten derde, beogen de artikelen 2 en 4 van het wetsontwerp de toepasbare benadelingpercentages per jaar aan te passen. En dit in het geval van vervroegd pensioen.
Vanaf 1 januari 2007 zal de benadeling per jaar vervroeging, die thans gelijk is aan 5 %, verlaagd worden. En dit in functie van de leeftijd die door de gerechtigde bereikt is op het ogenblik waarop het pensioen ingaat. Wanneer het rustpensioen ingaat op 60 jaar, dan wordt de totale benadeling van 25 pct, op 61 jaar 18 pct. in plaats van 20. Op 62 jaar wordt ze 12 pct. in plaats van 15. Op 63 jaar wordt ze 7 pct. in plaats van 10. En ten slotte, op 64 jaar wordt ze 3 pct. in plaats van 5.
Wat de vrouwen betreft, bestaan er nog overgangsmaatregelen. Deze maatregelen leggen de wettelijke leeftijd van het rustpensioen op 64 jaar vast wanneer het rustpensioen ten vroegste en voor de eerste keer vóór 1 januari 2006 en ten laatste 1 december 2008 een aanvang neemt. Het is eerst in 2009 dat de wettelijke leeftijd van het rustpensioen voor zowel de vrouwen, alsook voor de mannen, op 65 jaar zal worden vastgelegd.
Praktisch gezien, zal de benadeling, in het geval van een maximale vervroeging met een rustpensioen op 60 jaar, 6 % voor het eerste jaar vervroeging, 5 % voor het tweede jaar vervroeging, 4 % voor het derde jaar vervroeging en 3 % voor het vierde jaar vervroeging bedragen, hetzij een totaal van 18 % van benadeling.
Hoofdstuk 2
Het hoofdstuk 2 betreft de welvaartsaanpassing.
De artikelen 5 en 6 van het wetsontwerp beogen vanaf 2006 een structureel mechanisme aangaande de welvaartvastheid van de sociale uitkeringen binnen de sociale zekerheid der zelfstandigen tot stand te brengen.
De invoering van een dergelijk structureel mechanisme in de sociale zekerheid der zelfstandigen moet het mogelijk maken om, ten voordele van de zelfstandigen, een hoogstaande sociale bescherming in stand te houden.
Er wordt inderdaad erkend dat de verbetering van het sociaal statuut der zelfstandigen deel uitmaakt van de onontbeerlijke voorwaarden teneinde de ondernemingsgeest in ons land aan te wakkeren. Het spreekt voor zich dat de personen die persoonlijke en financiële risico's nemen om hun eigen onderneming, hun eigen tewerkstelling — evenals die van anderen doorheen de schepping van loontrekkende betrekkingen — te scheppen, een aantrekkelijk sociaal statuut verdienen.
Om de twee jaar neemt de regering een beslissing over een financiële enveloppe voor een algemene welvaartsaanpassing van alle of sommige uitkeringen van de sociale zekerheid der zelfstandigen.
Hiertoe kan zij onder meer steunen op de verslagen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing en de Hoge Raad voor Financiën.
De beslissing van de regering wordt voorafgegaan door een gezamenlijk advies van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven betreffende de verdeling en de omvang van de financiële middelen, die overeenkomstig deze wet worden bepaald en die voor het structurele aanpassingsmechanisme aan de welvaart bestemd zijn.
Vanaf 2008 wordt voorzien dat de financiële enveloppe die door de regering zal worden bepaald, minimaal overeen zal moeten komen met de veronderstelling weerhouden door de Studiecommissie voor de Vergrijzing voor de aanpassing van de sociale uitkeringen aan de welvaart.
Vanaf 2009 wordt de enveloppe om de twee jaar bepaald en toegekend.
2. Inleidende uiteenzetting van de minister van Leefmilieu en Pensioenen
De heer Tobback, minister van Leefmilieu en Pensioenen, stipt aan dat Titel III van het wetsontwerp betreffende het Generatiepact, de volgende elementen met betrekking tot pensioenen bevat :
1. De pensioenbonus, die extra pensioenrechten toekent aan wie langer aan het werk blijft;
2. De geïndividualiseerde informatieverstrekking over de pensioenberekening, zowel wat de wettelijke als wat de aanvullende pensioenen betreft, te beginnen met diegenen die 55 jaar of ouder zijn;
3. De gedifferentieerde pensioenplafonds : de tweejaarlijkse aanpassing van deze plafonds zal in de toekomst nog slechts gebeuren voor diegenen die actief zijn en zal niet meer gebeuren voor zogenaamde « gelijkgestelde periodes » na brugpensioen of voor oudere werklozen;
4. Het toekennen van pensioenrechten aan jongeren die zich bevinden in het stelsel van stageovereenkomsten, leerovereenkomsten of overeenkomsten voor inpassing vanaf 1 januari volgend op het jaar waarin de betrokken jongeren 18 jaar worden. Dit is een positief signaal dat, met terugwerkende kracht, deeltijds werken en deeltijds leren moet stimuleren;
5. Maatregelen voor « afwijkende loopbanen », waaraan in de praktijk vooral vrouwen zijn onderworpen, met name de verhoging van het minimumrecht per loopbaanjaar en de vlottere toegang tot het minimumpensioen voor wie gedurende langere periodes deeltijds heeft gewerkt en aldus niet aan 30 voltijdse loopbaanjaren komt ondanks een lange carrière.
3. Inleidende uiteenzetting door de heer P. Vanvelthoven, minister van Werk
De heer Vanvelthoven, minister van Werk, geeft een overzicht van de verschillende maatregelen die zijn vervat in het wetsontwerp betreffende het Generatiepact. Aan ontwerp is maandenlang, soms bijna wekelijks, intens overleg voorafgegaan hetzij onder technici van de sociale partners en de regering, hetzij onder de Groep van 10 en de regering. De wettekst die de omzetting van belangrijke gedeelten van het pact realiseert, werd op 8 november overgemaakt aan de NAR. Deze heeft op 16 november zijn advies uitgebracht. Met de eenparige elementen daarin werd rekening gehouden, in de mate dat deze bleven binnen het kader van het Pact. Op 17 november heeft de Kern een aantal bijkomende verfijningen aangebracht aan het Pact. Deze betreffen vooral bijkomende maatregelen ten behoeve van de tewerkstelling van jongeren (opdat het een écht Generatiepact zou zijn) en de versterking van onze economie tot een innovatieve kenniseconomie. Wat het hoofdstuk « Werk » betreft gaat het om :
— Een versterking van het luik « bijdrageverminderingen », in het kader van het startbanenstelsel voor jongeren die duidelijk minder kansen hebben op de arbeidsmarkt (erg laag geschoolden, allochtonen en mindervaliden). Voor hen zal er tevens een activering van de wachtuitkering zijn gedurende 6 maanden indien hun eerste aanwerving zich situeert tijdens de 21 maanden volgend op hun inschrijving als werkzoekende;
— Een specifieke behandeling van de aanvullingen die worden toegekend op basis van sectorale akkoorden bij halftijds tijdskrediet in het kader wat betreft de « canada dry heffingen ». Het betreft de zogenaamde landingsbanen;
— Een verfijning van de bepalingen met betrekking tot de CAO's inzake het brugpensioen voor de industriële sectoren (metaal, glas, chemie, ...);
— Verlaging van de leeftijd om in aanmerking te komen voor de startbaanverplichting (met het oog op meer rotatie en indirect ook meer hooggeschoolden binnen die doelgroep) met mogelijkheid voor de regio's om dit verder in te vullen volgens de regionale arbeidsmarktsituatie;
— Specifieke projecten ter bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde jongeren in de non profit-sector;
— De toewijzing aan een bipartite werkgroep van sociale partners van een opdracht om overleg te hebben met betrekking tot de gelijkgestelde periodes voor het brugpensioen. Indien dit overleg niet tot een resultaat leidt, zal de regering alvast een suppletieve regeling uitwerken.
Om nieuwe buitenlandse investeringen aan te trekken heeft het Kernkabinet op 17 november 2005 beslist om een aantal administratieve formaliteiten te vereenvoudigen (vrijstellingen van arbeidskaarten te creëren) voor buitenlandse werknemers en maatregelen te voorzien die controle en monitoring toelaten met het oog op de bestrijding van misbruiken.
Een aantal van deze bijkomende maatregelen heeft aanleiding gegeven tot regeringsamendementen. Andere hebben aanleiding gegeven tot aanpassing van de ontwerpen van koninklijk besluit die eveneens op 8 november werden voorgelegd aan de NAR en de betrokken beheerscomités of nieuwe ontwerpen die eveneens werden voorgelegd.
De Raad van State heeft op 17 november advies uitgebracht bij het wetsontwerp en op 28 november bij de regeringsamendementen daarbij.
De regering heeft de opmerkingen van de Raad systematisch verwerkt in het ontwerp en zijn toelichting.
Heel veel aspecten van het Generatiepact dienen geregeld te worden bij koninklijk besluit. Vaak gaat het om belangrijke aspecten zoals de brugpensioenregeling, de concretisering van de bijdragen en inhoudingen op pseudo brugpensioenen en de beschikbaarheid van werknemers in het kader van de tewerkstellingscel, ...
Zoals gezegd werden ook die ontwerpen reeds op 8 november overgemaakt aan de sociale partners, inclusief de actualiseringen of correcties die later werden aangebracht. De adviesprocedure is momenteel quasi afgerond, in de zin dat vandaag de Raad zijn advies uitschrijft. Uiteraard zal de regering ook met die adviezen maximaal rekening houden, in de mate dat zij kaderen binnen de contouren van het Pact en de voormelde wijzigingen daarvan.
De minister geeft vervolgens een overzicht van de inhoud van de diverse hoofdstukken.
Hoofdstuk 1 — Wijziging van de programmawet van 8 april 2003
Artikel 52 van de Programmawet van 8 april 2003 vormde de basis voor het toekennen van een wachtuitkering aan werkzoekenden tijdens een periode van individuele beroepsopleiding :
— die geen recht hebben op uitkeringen als werkloze;
— en die niet in het bezit zijn van een diploma of getuigschrift van hoger onderwijs.
Die mogelijkheid verdwijnt.
Op basis van de Besluitwet van 28 december 1944 — met name van het bestaande artikel 7, § 1, lid 3, i), dat toelaat uitkeringen aan onvrijwillig werklozen te geven — wordt de werkloosheidsreglementering echter aangepast. Het zal op grond van nieuwe bepalingen in die reglementering in de toekomst mogelijk worden wachtuitkeringen toe te kennen aan personen die vandaag (nog) geen recht hebben op uitkeringen als werkloze, maar wel onvrijwillig werkloos zijn.
Opleidingsuitkeringen zullen tijdens een individuele beroepsopleiding kunnen toegekend worden aan alle werkzoekenden die :
— niet in het bezit zijn van een diploma of getuigschrift van hoger onderwijs;
— minstens 45 jaar zijn en wel in het bezit zijn van een diploma of getuigschrift van hoger onderwijs.
Voor de werknemers vanaf 45 jaar opent dit nieuwe mogelijkheden.
Daarnaast komen twee volledig nieuwe mogelijkheden om wachtuitkeringen toe te kennen aan werkzoekenden die nog geen recht hebben op uitkeringen als werkloze.
Tijdens een stageperiode in een onderneming van 2 maanden wordt het mogelijk stage-uitkeringen toe te kennen aan jongeren die technisch, beroepsonderwijs, middenstandsopleiding, algemeen secundair onderwijs van de eerste graad en buitengewoon secundair onderwijs beëindigd hebben. Het is de bedoeling dat dergelijke instapstages leiden tot een vaste betrekking.
De vestigingsuitkering is bedoeld voor de werkzoekende van minder dan 30 jaar die begeleid wordt door het Participatiefonds met het oog op een vestiging als zelfstandige. De uitkering zal kunnen toegekend worden tijdens de periode van voorbereiding op de zelfstandige activiteit en voor ten hoogste 6 maanden.
Hoofdstuk 2 — Experimenten tot invoering van specifieke loonbarema's
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan maatregel 16 van het Generatiepact en heeft tot doel experimenten op te zetten in bedrijven ten einde aan nieuwe intreders in het bedrijf specifieke loonbarema's aan te bieden die afwijken van de barema's die door de werkgever moeten worden gevolgd. Met nieuwe intreders kunnen jongeren die recent in het bedrijf reeds waren ingetreden (de termijn dient nog bepaald te worden) gelijkgesteld worden.
Het gaat om experimenten. Opdat nieuwe ideeën zich zouden kunnen ontwikkelen is het wenselijk dat de wetgever het kader verzorgt waarbinnen de experimenten kunnen gerealiseerd worden. Dit is dan ook de reden waarom de wetgever enerzijds aan de Koning een ruime delegatiebevoegdheid geeft om gepast te kunnen reageren maar anderzijds toch een omkadering voorziet (bijvoorbeeld een overeenkomst met de vakbondsafvaardiging en de representatieve werknemersorganisaties en de minister van Werk, taken van de begeleidingscommissie).
Qua structuur en organisatie van de omkadering van de experimenten werd inspiratie gezocht in de wetgeving rond de « experimenten-Hansenne » inzake experimenten rond arbeidsorganisatie.
Omdat het toch ingrepen betreft op fundamentele aspecten van de arbeidsverhoudingen (de loonbarema's) wordt in voorliggend ontwerp een stevig begeleidend kader uitgewerkt.
Het is de bedoeling om een overeenkomst te sluiten tussen een werkgever, de werknemersvertegenwoordigers en de minister van Werk, waarin deze nieuwe loonregeling wordt opgenomen. De werkgever verbindt zich in deze overeenkomst om in zijn bedrijf een reeks maatregelen te nemen die leiden tot een preventief leeftijdsbewust personeelsbeleid. Deze overeenkomst wordt gevolgd door het opstellen van een reglementair koninklijk besluit. Deze precisering komt tegemoet aan de opmerking van de Raad van State in zijn punt 4.
Een begeleidingscommissie wordt opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van onder meer de minister en de sociale partners. Deze commissie heeft als opdracht deze experimenten te begeleiden, op te volgen en te evalueren. In de ondernemingen waar er geen vakbondsafvaardiging dient het ontwerp vooraf aan de commissie te worden voorgelegd.
Artikel 22 legt de punten vast die in de overeenkomst moeten behandeld worden. Naast een algemene beschrijving van het experiment zal onder meer de duur van de overeenkomst en de bepalingen waarvan moet worden afgeweken in de overeenkomst moeten aangeduid worden. De werkgever zal eveneens een beschrijving van de maatregelen moeten geven die leiden tot een preventief leeftijdsbewust personeelsbeleid.
Artikel 26 bepaalt dat, wanneer een werkgever zich niet houdt aan de bepalingen van zijn overeenkomst, hij de mogelijkheid verliest die hij bij koninklijk besluit heeft gekregen om af te wijken van de gewone loonbarema's die hij had moeten naleven. Vermits het afwijkingsbesluit aan de overeenkomst is gekoppeld geldt dit eveneens voor het geval het experiment voortijdig wordt stopgezet.
Dit betekent dat de werknemers die minder loon ontvangen dan de sectorbarema's een verhoging zullen krijgen van hun loon. Zoals in de memorie van toelichting staat zal een werkgever vanaf dat ogenblik de gewone barema's opnieuw moeten toepassen wanneer deze barema's voor de betrokken werknemer voordeliger zijn.
Voor de werknemer die als gevolg van het experiment meer ontvangt kunnen de zaken anders liggen. Werd er niets voorzien dan behoudt deze werknemer zijn « hoger » loon. Individueel kunnen andere regelingen worden overeen gekomen
Artikel 27 regelt de oprichting van een begeleidingscommissie. Naast de specifieke taak van artikel 24 (het verlenen van advies op het ontwerp van overeenkomst zo er geen vakbondsafvaardiging is in de onderneming), heeft de commissie de algemene opdracht de experimenten op te volgen en te evalueren.
Hoofdstuk 3 — Vereenvoudiging van de Sociale Balans
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan maatregel 22 van het Generatiepact. De vereenvoudiging heeft tot doel de administratieve lasten van de werkgevers te reduceren. Essentieel is dat de informatie aan werknemersvertegenwoordigers ongewijzigd blijft. De vereenvoudiging is gekoppeld aan het nieuwe meetinstrument inzake vormingsinspanningen in ondernemingen waarmee de Belgische opleidingsinspanning opgevolgd zullen worden door de Nationale Arbeidsraad om na te gaan of de opleidingsdoelstelling van 1,9 % van de loonmassa gehaald wordt.
Het streefdoel is te komen tot een vereenvoudigde sociale balans met een nieuw meetinstrument inzake vorming dat van start kan gaan in 2007 (over de gegevens van het boekjaar 2006).
Artikel 28 schrapt uit de wet van 22 december 1995 dat er een deel 3 over tewerkstellingsmaatregelen ingevuld moet worden. Artikel 29 bepaalt de inwerkingtreding van de artikel 28.
Hoofdstuk 4 — Verhoging opleidingsinspanningen
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan maatregelen 18 tot 22 — eigenlijk vooral 22 — van het Generatiepact. Het pact voorziet dat via het nieuwe meetinstrument zal nagegaan worden of de globale opleidingsdoelstelling, die tot 2006 1,9 % van de loonmassa bedraagt en in dat jaar zou moeten gehaald worden, gehaald wordt. Als de globale doelstelling niet gehaald wordt, zullen de sectoren akkoorden moeten afsluiten die hetzij voorzien in een jaarlijkse extra inspanning van 0,1 % loonmassa of een verhoging van de participatiegraad met 5 % per jaar. Alle sectoren moeten deze inspanning aanhouden tot de globale doelstelling bereikt is. Bij die afspraken kunnen de sectoren kiezen uit het volgende menu :
— aanpassing van de bijdragen voor het sectorale opleidingsfonds;
— het toekennen van opleidingstijd per werknemer (collectief of individueel);
— het aanbieden en het ingaan van een vormingsaanbod buiten de werkuren;
— collectieve opleiding via de ondernemingsraad.
Ondernemingen die tot sectoren zonder akkoord behoren, zullen een bijkomende bijdrage van 0,05 % storten ter financiering van het betaald educatief verlof.
Het voorliggend wetontwerp voorziet dat de Koning, op basis van een in de Ministerraad overlegd besluit dat de voorwaarden vastlegt waaraan de afspraken moeten voldoen om als zijnde « voldoende » beschouwd te worden, zal beoordelen of de afspraken hieraan beantwoorden. Onder de voorwaarden en modaliteiten die Hij bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit kan Hij dan de bijdrage voor het educatief verlof verhogen voor de ondernemingen behorend tot de sectoren die geen degelijk akkoord hebben afgesloten.
In de geest van maatregel 18 van het pact, wordt aan de Koning de mogelijkheid geboden om, ten vroegste vanaf 2007, het globaal te bereiken percentage van de loonmassa te verhogen. Deze bevoegdheid is gebonden aan een voorafgaand advies van de Nationale Arbeidsraad, en bovendien kan de verhoging van dit percentage ten opzichte van het voorgaande jaar nooit groter zijn dan 0,2 %.
In de Kamer van volksvertegenwoordigers werden twee regeringsamendementen aanvaard op het initieel ingediende ontwerp, die met name :
— specifieren dat de toekenning van bijkomende opleidingstijd individueel of collectief kan zijn;
— bepalen dat het uitwerken van een planning via de ondernemingsraad één van de actiepunten kan zijn.
Hoofdstuk 5 — Activerend beleid bij herstructureringen
Dit hoofdstuk — dat uitvoering geeft aan de belangrijke maatregelen 30 tot 38 van het Generatiepact — heeft als doel om bij herstructureringen tot een aanpak te komen waarbij niet het brugpensioen van de 50-plussers, maar de herplaatsing van alle met ontslag bedreigde werknemers de hoofddoelstelling wordt, zonder evenwel het brugpensioen uit te sluiten voor zij waarvoor een actieve begeleiding gericht op het bezorgen van een nieuwe passende job, faalde.
Het centrale instrument om het objectief voor wedertewerkstelling te bereiken is de tewerkstellingscel.
De regionale arbeidsbemiddelingsdienst is hoofd van de tewerkstellingscel. De cel bestaat in principe gedurende 6 maanden. In het uitvoeringsbesluit zal voorzien worden dat de cel moet opgericht worden vanaf de datum van het eerste ontslag na de betekening van het collectief ontslag en zij moet blijven bestaan tot op het einde van de zesde maand die volgt op het moment waarop de laatste arbeidsovereenkomst werd verbroken in het kader van het collectief ontslag.
Een werknemer vanaf 45 jaar die wel op vrijwillige basis in een tewerkstellingscel stapt, krijgt gedurende 6 maand een inschakelingsvergoeding die gelijk is aan zijn vroegere inkomen. Deze leeftijdsgrens is ingegeven door de vaststelling dat bij herstructureringen met een collectief ontslag, waarbij dus meerdere werknemers met vergelijkbare kwalificaties tezelfdertijd werkloos worden, het vinden van een nieuwe job reeds moeilijker wordt, maar nog extra bemoeilijkt wordt indien door de leeftijd van de kandidaat-werknemer nieuwe werkgevers extra afgeschrikt zouden kunnen worden.
Voor bedienden betaalt de werkgever en wordt dit verrekend op de opzegvergoeding.
Voor arbeiders zal dit voor de werkgever meestal een hogere uitgave betekenen dan de normale opzeggingsvergoeding. In dat geval kan de werkgever dit surplus echter recupereren bij de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.
Voor bedienden met een verbrekingsvergoeding die minder dan 6 maanden dekt, zal het saldo ten laste vallen van de werkgever.
Voor bedienden met een opzegtermijn van langer dan 6 maanden en die niet in aanmerking komen voor brugpensioen, zal het uitvoeringsbesluit voorzien dat de mogelijkheid bestaat om een opzeggingstermijn te voorzien (met dienstprestaties) die ten laatste 6 maanden voor het einde van de opzeggingstermijn wordt gevolgd door een verbreking van de arbeidsovereenkomst. Dit om aan iederéén de kans te geven om gedurende 6 maanden aan de cel te participeren.
In concreto zal de inschakelingsvergoeding arbeidsrechtelijk worden gelijkgesteld met een verbrekingsvergoeding die in maandelijkse schijven wordt uitbetaald. Op deze verbrekingsvergoeding worden de gebruikelijke fiscale en parafiscale inhoudingen verricht. Teneinde ervoor te zorgen dat de arbeider gedurende zes maanden zijn normaal netto loon behoudt, en aangezien een verbrekingsvergoeding voor arbeiders normaal gezien beperkter is, zal de werkgever zijn meerkost kunnen terugvorderen bij de RVA.
In de werkloosheidsreglementering zal wel voorzien worden dat tijdens de periode van 6 maanden, de betrokkenen wat betreft de sanctieregelingen naar aanleiding van het weigeren van een passende dienstbetrekking, passende opleiding of outplacement, worden gelijkgesteld met vergoede werklozen. De eventuele sanctie kan evenwel slechts ingaan na het verstrijken van de periode gedekt door de verbrekingsvergoeding.
De werknemers hoeven in de periode dat zij participeren in de cel immers geen prestaties te leveren, maar zij worden wél verondersteld actief mee te werken om een nieuwe job te vinden.
In het uitvoeringsbesluit zal voorzien worden dat voor bedienden die tijdens de periode in de cel een nieuwe job vinden, de inschakelingsvergoeding (en nadien het eventuele saldo van de verbrekingsvergoeding) verder zal uitbetaald worden.
Voor arbeiders met een verbrekingsvergoeding van minder dan 6 maanden zal in het geval van werkhervatting tijdens de periode van 6 maanden, voor de resterende maanden, maandelijks 1/6 de van de normale verbrekingsvergoeding verder uitbetaald worden maar zal de aanvulling vanwege de RVA wegvallen. Voor de zeldzame gevallen waarin de arbeider meer dan 6 maanden opzegvergoeding heeft, zal hij gedurende de resterende maanden 1/6e van de normale verbrekingsvergoeding ontvangen maar gelimiteerd tot het bedrag van zijn normaal loon en zal nadien het saldo verder worden uitbetaald.
De minister wijst erop dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers bij dit hoofdstuk een regeringsamendement werd aanvaard dat aan artikel 38 een derde lid toevoegde. Aangezien in artikel 36 van het ontwerp van wet betreffende het Generatiepact wordt bepaald dat de inschakelingsvergoeding wordt gelijkgesteld met de opzeggingsvergoeding die verschuldigd is bij ontslag van een werknemer krachtens de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en dat ze deze geheel of gedeeltelijk vervangt, is het dus mogelijk dat het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, lopende de sluiting van onderneming, deze inschakelingsvergoeding moet betalen, in geval van tekortkoming door de werkgever, op basis van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers.
Het derde lid ingevoegd in artikel 38 bepaalt dat in dergelijk geval, het hogervermelde Fonds onder dezelfde voorwaarden kan genieten van de terugbetaling door de RVA van het verschil tussen de twee vergoedingen, als bedoeld in het eerste lid van artikel 38.
Ook een meerderheidsamendement, dat de werkgevers toelaat om een beroep te doen op reeds bestaande structuren, als deze dezelfde doelstellingen als voorliggend ontwerp nastreven, werd goedgekeurd.
Artikel 31 bepaalt het toepassingsgebied. Alle werkgevers die ressorteren onder de CAO-wet zijn geviseerd, alsook al hun werknemers. Werknemers die echter nog maar kort aangeworven zijn bij de werkgever in herstructurering, komen niet in aanmerking.
Overeenkomstig artikel 32 zijn bijkomende uitsluitingen uit het stelsel van de tewerkstellingscellen en het gegarandeerd inkomen mogelijk bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, voor groepen van werknemers waarvoor deze tewerkstellingscellen niet echt een meerwaarde kunnen betekenen (bijvoorbeeld werknemers met een hoge graad van arbeidsongeschiktheid), en voor zeer kleine werkgevers, waar het collectief ontslag op zo'n klein aantal werknemers betrekking heeft dat hun ontslag eerder kan vergeleken worden met een gewoon individueel ontslag buiten het kader van een collectief ontslag.
Artikel 33 stelt de verplichting in voor de onderneming in herstructurering, van zodra ze werknemers op brugpensioen wil stellen op een lagere leeftijd dan de gewone leeftijd die in die onderneming van toepassing is (nu meestal 58 jaar), om een tewerkstellingscel op te richten. Het is dus enkel wanneer de werkgever gebruik wil maken van de mogelijkheid van het federaal stelsel van brugpensioen op een lagere leeftijd, dat hij als voorafgaande voorwaarde daartoe gehouden is te participeren in een tewerkstellingscel.
Voor kleinere ondernemingen voorziet artikel 35 de mogelijkheid om overkoepelende tewerkstellingscellen op te richten, waarin meerdere ondernemingen samen participeren. Het kan bijvoorbeeld gaan om geografisch dicht bij elkaar liggende ondernemingen, of om bijvoorbeeld onderaannemingsbedrijven die zich aansluiten bij de tewerkstellingscel opgericht door het hoofdbedrijf in herstructurering.
Het artikel 36 bepaalt dat de onderneming in herstructurering gehouden is aan die werknemers gedurende zes maanden een vergoeding te betalen, inschakelingsvergoeding genoemd, die overeenkomt met het normale maandelijkse loon van die werknemer. Deze vergoeding heeft het karakter van een verbrekingsvergoeding : de werknemer wordt beschouwd als niet meer in dienst, is vrijgesteld van prestaties, maar ontvangt wel gedurende zes maanden zijn gewoon loon. Die inschakelingsvergoeding, die maandelijks wordt uitbetaald, wordt in mindering gebracht van de verbrekingsvergoeding die de werkgever normaal verschuldigd was.
Verder bepaalt dit artikel dat de Koning kan bepalen onder welke voorwaarden en modaliteiten de werknemer de inschakelingsvergoeding kan verliezen bij onvoldoende inzet in de cel. Aangezien de inschakelingsvergoeding ook het gedeelte van de normale verbrekingsvergoeding omvat, zal het koninklijk besluit uiteraard zo geschreven worden dat aan dàt gedeelte niet kan geraakt worden.
Artikel 37 maakt een onderscheid tussen twee hypotheses :
— Heeft de werknemer normaal recht op een opzegtermijn van 6 maanden of minder, dan betaalt de werkgever toch zes maanden inschakelingsvergoeding.
— Heeft de werknemer recht op een langere opzeggingstermijn, dan kan het eerste gedeelte van die opzeggingstermijn volgens de gewone regels van de wet op de arbeidsovereenkomsten verlopen (nog geen verbreking van de overeenkomst, opzegging via een te presteren opzeggingstermijn). Minstens de laatste zes maanden van die opzeggingstermijn verandert echter het regime : de werkgever is verplicht de arbeidsovereenkomst te beëindigen, en in die laatste zes maanden de inschakelingsvergoeding te betalen. De werknemer heeft in die periode dus inkomenszekerheid (zelfde loon als vroeger), maar is vrij van prestaties en kan zich dus volop inzetten in zijn begeleide zoektocht naar nieuw werk. De werkgever is echter niet verplicht te wachten met de verbreking van de overeenkomst tot die laatste zes maanden : hij kan de overeenkomst ook vroeger verbreken, vanaf dat ogenblik zes maanden inschakelingsvergoeding betalen, en na afloop van die zes maanden het saldo aan te betalen verbrekingsvergoeding in één keer uitbetalen aan de werknemer.
Artikel 38 geeft aan de werkgever de mogelijkheid om, voor zoverre het om een arbeider gaat, het verschil tussen wat hij betaalde aan inschakelingsvergoeding (bestaande uit zes maanden loon) en wat hij normaal had moeten betalen aan verbrekingsvergoeding volgens wet op arbeidsovereenkomsten te recupereren bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
Artikel 39 ten slotte schrijft in de basiswet die de opdrachten van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening vastlegt een nieuwe opdracht in, namelijk het terugbetalen aan de werkgever in herstructurering, of aan het Fonds voor sluiting van Ondernemingen indien de werkgever onvermogend is, van dat wat meer betaald werd ten opzichte van de normale verbrekingsvergoeding.
Hoofdstuk 6 — Wijziging van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan maatregel 46 van het Generatiepact. Het pact voorziet dat, teneinde het risico te verminderen om kort na de aanwerving geconfronteerd te worden met de brugpensioenkost voor individuele werkgevers die 50-plussers aanwerven, de solidarisering op interprofessioneel niveau van de brugpensioenkost vanaf de leeftijd van 60 jaar gebeurt. Ter financiering daarvan kan de bestaande werkgeversbijdrage op de aanvullende vergoeding bij brugpensioen (lineair) met een fractie verhoogd worden. Dit zal bij koninklijk besluit gebeuren zodra de meerkost voor het fonds voor sluiting van ondernemingen gekend is.
Om uitvoering te geven aan deze maatregel, werd geopteerd te werken via een bestaand, interprofessioneel fonds, namelijk het Fonds voor Sluiting der Ondernemingen dat via voorliggend ontwerp een bijkomende opdracht en financieringsbron krijgt.
Artikel 43 voegt een nieuw artikel 52 in in de wet van 26 juni 2002 dat bepaalt dat, onafhankelijk van enige sluiting van onderneming en tekortkoming vanwege de werkgever, het Sluitingsfonds gehouden is de aanvullende vergoeding bij brugpensioen, in de zin van artikel 8 van de wet van 26 juni 2002, te betalen aan de werknemers die aan de volgende voorwaarden voldoen :
— 50 jaar oud zijn of meer;
— aangeworven geweest zijn vanaf 50 jaar en bij deze gelegenheid in de onderneming het voorwerp uitgemaakt hebben van een inschrijving in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA);
— gedurende een periode van 2 jaar voorafgaand aan deze aanwerving niet in dienst zijn geweest bij diezelfde werkgever of bij een werkgever die tot dezelfde groep van ondernemingen behoort;
— een anciënniteit van één jaar in diezelfde onderneming hebben op het ogenblik van zijn ontslag.
Er wordt echter gepreciseerd dat het Fonds deze aanvullende vergoeding bij brugpensioen slechts zal betalen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze gedurende welke de persoon die erop gerechtigd is de leeftijd van 60 jaar bereikt.
Artikel 44 voegt een nieuw lid toe aan artikel 56 van de wet van 26 juni 2002 dat, teneinde de opdracht voorzien in het nieuwe artikel 52 te verzekeren, bepaalt dat het Fonds een toewijzing zal krijgen ten laste van de RSZ. De Koning zal de modaliteiten hiervan bepalen. Deze toewijzing bestaat uit een gedeelte van de bijzondere werkgeversbijdrage op de aanvullende vergoedingen in kader brugpensioen.
Artikel 45 voegt een nieuw lid toe aan artikel 89, § 1, in fine, van de wet van 26 juni 2002, dat voorziet dat het nieuwe artikel 52, ingevoegd bij artikel 2 van deze wet, van toepassing is op de werknemers van 50 jaar of meer die na deze leeftijd aangeworven geweest zijn en het voorwerp hebben uitgemaakt van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA) in de onderneming na de datum van de bekendmaking van deze wet.
Hoofdstuk 7 — Administratieve geldboeten bij niet-aanbieden van outplacement aan 45-plussers
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan de maatregel 59 van het Generatiepact. In de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten, wordt een bepaling ingevoerd die de verplichtingen van de werkgever inzake het aanbieden van outplacement-begeleiding bij ontslag van werknemers van 45 jaar en ouder nog méér afdwingbaar maakt. Conform maatregel 59 van het Generatiepact gebeurt dit door de reeds bestaande sanctie van 1 800 euro (onder de vorm van een specifieke bijdrage, geregeld in de wet van 5 september 2001, ten behoeve van de RVA die daarmee zélf het outplacementaanbod kan verzorgen voor de betrokken werknemers) te verdubbelen naar 3 600 euro.
Een nieuwe administratieve geldboete van 1 800 euro wordt voorzien voor werkgevers die de betreffende verplichtingen niet naleven. Deze geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal werknemers voor wie deze verplichtingen niet worden nageleefd.
Verder wordt voorzien dat de Koning bepaalt door welke ambtenaar de administratieve geldboete wordt opgelegd en op welke wijze dit zal gebeuren.
Ook deze geldboete wordt gestort aan de RVA en zal worden aangewend voor de financiering van het outplacement van de werknemers die geen outplacementbegeleiding aangeboden kregen door hun werkgever.
Aanvankelijk werd deze bepaling voorzien als artikel 16bis in de Wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.
Hieromtrent heeft de Raad van State evenwel gesteld dat dit artikel op grond van artikel 77 van de Grondwet een bicamerale aangelegenheid regelt. De Raad van State verwijst hiervoor naar het feit dat voormeld artikel de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten van toepassing verklaart.
Hieruit leidt de Raad van State af dat de arbeidsrechtbank derhalve bevoegd is. Aangezien de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank met betrekking tot de wet van 5 september 2001 als dusdanig niet in het Gerechtelijk Wetboek is opgenomen, diende volgens de Raad hieromtrent eveneens een wijziging in het Gerechtelijk Wetboek worden doorgevoerd. Deze bevoegdheidstoewijzing zou dan een bepaling betreffen die betrekking heeft op artikel 77, 9º, van de Grondwet, met name de organisatie van hoven en rechtbanken. Derhalve werd de oorspronkelijke bepaling als een bicamerale aangelegenheid beschouwd.
Naar aanleiding van deze opmerking van de Raad van State werd er voor geopteerd deze bepalingen rechtstreeks in te voegen in artikel 13bis in de voormelde wet van 30 juni 1971 (en dus niet in de wet van 5 september 2001). Wat deze wet betreft staat de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank vast. Derhalve kan het huidige artikel 44 als een bepaling worden waarop artikel 78 van de Grondwet van toepassing is.
Hoofdstuk 8 — Inhoudingen en bijdragen op pseudo-brugpensioenen
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan de maatregelen 51, 52 en 58 van het Generatiepact. De principiële wettelijke basis voor de bijdragen en inhoudingen wordt echter gevormd door Titel III, hoofdstuk V (artikelen 146-152) van de programmawet van 27 december 2004. Deze machtigen de Koning een regeling uit te werken voor aanvullingen die Hij bepaalt, rekening houdend met een reeks criteria. Daarom zijn de hier voorliggende bepalingen vooral technisch-legistieke aanpassingen en rechtzettingen bij voormelde wettekst.
De inhoudelijke toevoegingen die gebeuren zijn :
— Aan de lijst criteria waarmee de Koning, conform de wet van december 2004 kan rekening houden bij de beoordeling of het al/niet gaat over een aanvulling die zal onderworpen worden aan bijdragen en inhoudingen en de hoogte daarvan, wordt conform het pact, toegevoegd :
« de periode gedurende dewelke de aanvullende vergoeding wordt toegekend, waarbij inzonderheid rekening wordt gehouden met het al dan niet doorbetalen tot aan het opnemen van het pensioen of het brugpensioen. »
— Er wordt, ingevolge de verfijningen die werden aangebracht aan het Pact door de Kern van 17 november, aan die criteria eveneens toegevoegd :
« het feit of de werkgever bij het toekennen van de aanvullende vergoeding aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties verminderd heeft in een ander stelsel dan het halftijds brugpensioen :
— deze werknemer al of niet vrijstelt van de uitoefening van de normaal, volgens het terzake toegepaste stelsel, nog te verrichten arbeidsprestaties
— al of niet overgaat tot de vervanging van de werknemer voor de niet meer door hem gepresteerde arbeidstijd. »
Dit laat toe om in het koninklijk besluit de specifieke regeling voor landingsbanen in het kader van halftijds tijdskrediet die werd uitgewerkt op de Kern van 17 november te concretiseren.
Artikel 47 stelt dat de bijdragen enkel verschuldigd zijn door werkgevers die onderworpen zijn aan de CAO-wet, in essentie dus de private sector.
Het Generatiepact betreft immers de privésector. Er is ook een regeringsamendement dat aan de Koning de bevoegdheid verleent om sommige instellingen van openbaar nut die toch onder de CAO-wet vallen, uit te sluiten van sommige of alle bepalingen die voorzien zijn in voorliggend wetsontwerp. Voor de bijdragen en inhoudingen op canada dry kan de minister meegeven dat, conform het pact, de non profit expliciet zal uitgesloten worden in het koninklijk besluit. Conform de afspraken met de sociale partners en om voormelde reden, zullen ook de ondernemingen die ressorteren onder de CAO Stads- en Streekvervoer en het onderwijs uitgesloten worden in het uitvoeringsbesluit.
Artikel 48, 1º stelt dat de inhouding van 3,5 % niet tot gevolg mag hebben dat het bedrag van de som van de sociale uitkering èn de aanvulling daarop, onder een bepaalde inkomensgrens zou zakken (in huidige versie stond enkel « de sociale uitkering »);
Artikel 48, 2º, dat bij wijze van regeringsamendement werd ingevoegd, herneemt een aantal bepalingen die bij vorige wijzigingen ten onrechte waren weggevallen. Het betreft bepalingen met betrekking tot de werknemersinhouding van 3,5 %. Er wordt duidelijk gesteld dat de hoofddebiteur van de aanvulling (werkgever) de inhouding moet verrichten en de uitbetalingsinstelling van de sociale uitkering zal hem het bedrag van die uitkering mededelen (teneinde de inhouding op het geheel te kunnen berekenen).
Artikel 48, 3º, dat eveneens bij wijze van regeringsamendement werd ingevoegd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, proportionaliseert de inkomensgrenzen waaronder de som van sociale uitkering én aanvulling niet mag dalen nadat de werknemersinhouding van 3,5 % werden gedaan indien de aanvulling « canada dry » een aanvulling op halftijds of 1/5e tijdskrediet betreft. Aangezien de regering beslist heeft geen inhoudingen te verrichten bij aanvullingen op 1/5e tijdskrediet is die proportionalisering praktisch « overbodig » maar volledigheidshalve wordt zij wel voorzien.
Artikel 49, dat eveneens werd gewijzigd bij wijze van regeringsamendement, herschrijft op een gecoördineerde wijze het artikel 50 van de wet van 30 maart 1994, dat de werknemersinhouding van 3 % door de RVA regelt.
Ingevolge eerdere wijzigingen werd het herwaarderingsmechanisme van de inkomensgrenzen waaronder de som van sociale uitkering en aanvulling, na de inhoudingen van 3 en 3,5 % niet mag zakken, ten onrechte geschrapt. Dit mechanisme wordt heringevoerd.
Daarnaast bevat dit artikel, voor deze 3 %-inhouding, de zelfde proportionalisering van deze inkomensgrens indien de aanvulling een aanvulling op halftijds of 1/ 5e tijdskrediet betreft (zoals in artikel 48 werd gedaan voor de 3,5 % inhouding).
De wijzigingen voorzien in de artikelen 50, 51, en 52 laten toe om te beslissen of een aanvullende vergoeding die wordt toegekend door de werkgever, beschouwd moet worden als loon en of het nodig is deze te onderwerpen aan de bijdragen voor sociale zekerheid, en eveneens rekening te houden met de duur gedurende dewelke deze vergoeding toegekend wordt. Die criteria, waarmee de Koning kan rekening houden, en meer in bijzonder de al dan niet doorbetaling tot aan brugpensioen of pensioen, ontbraken nog in de wet van 2004 en werden in het Pact uitdrukkelijk gevraagd.
Artikel 52 geeft uitvoering aan een van de verfijningen aan het Pact die werden beslist door de Kern van 17 november. Daar werd beslist dat de bijdragen drastisch (met 95 %) kunnen verminderd worden indien voor de halftijdse landingsbanen vanaf 50 jaar er een aanvulling is in het kader van een sectorovereenkomst. Dit is het geval als er een sector-CAO is die vervanging regelt. Vanaf april 2006 kan die vervanging, bij gebreke aan een sectorakkoord, geregeld worden in een NAR-CAO. Aangezien de regering beslist heeft dat er geen werknemersinhoudingen zijn bij aanvullingen ingevolge bestàànde sectoriele CAO's gaat het hier dus om de werkgeversbijdrage.
Anderzijds werd voorzien dat zowel voor individuele of bedrijfsregelingen als voor sectoriële regelingen de bijdrage verdubbelt als betrokkene (de « landingsbaner ») niet meer effectief de halftijdse prestaties levert.
Die verdubbeling betreft de werkgeversbijdragen en wat betreft de individuele overeenkomsten en de niéuwe sectorovereenkomsten ook de werknemersinhoudingen.
Dit artikel voegt deze criteria toe aan de criteria waarmee de Koning kan rekening houden voor het vaststellen van de bijdragen bedoeld in artikel 141 van de wet van 29 december 1990.
Aangezien de werkgeversbijdragen zullen geïnd worden met toepassing van dàt artikel (in het koninklijk besluit zullen de bijdragen op basis van artikel 268 van de wet van 22 december 1989 voor de « canada dry »-uitkeringen op nul gezet worden) volstaat het die criteria toe te voegen in dàt artikel. Voor de bepaling van de werknemersinhoudingen was de bestaande wetgeving reeds voldoende ruim geformuleerd.
Teneinde tegemoet te komen aan een bemerking van de Raad van State bij de amendementen, werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers in artikel 53 bepaald dat de Koning uniform de ingangsdatum zal bepalen voor alle wetsbepalingen die de bijdragen en inhoudingen regelen in het kader van Canada Dry. Het ontwerp-koninklijk besluit voorziet 1 april 2006 als datum van inwerkingtreding. Teneinde misbruiken te voorkomen kan de Koning alle nieuwe voordelen die worden toegekend vanaf 1 oktober 2005 (datum waarop de nieuwe regeling van bijdragen en inhoudingen gekend maar nog niet in voege was) vatten. De bijdragen zelf zullen pas geïnd worden vanaf 1 april 2006.
Hoofdstuk 9 — Seniorvakantie
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan maatregel 64 van het Generatiepact. Werkzoekenden die terug aan de slag gaan als werknemer hebben vaak geen of onvoldoende betaald verlof tijdens het vakantiejaar om een volwaardige vakantie te kunnen nemen. Slechts als er een collectieve sluiting is van de onderneming is kunnen ze aanspraak maken op uitkeringen als tijdelijk werkloze.
Om aan oudere werknemers toch 4 weken verlof te waarborgen wordt het stelsel van de Seniorvakantie in het leven geroepen. Het is bestemd voor werknemers van boven de 50 jaar en zou voor hen een rem moeten wegnemen om opnieuw aan het werk te gaan als werknemer.
De wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie wordt aangepast om het recht op de aanvullende vakantie ten belope van maximum 4 weken te waarborgen.
Een werkloosheidsuitkering zal, voor de dagen waarop geen recht op betaald verlof bestaat, toegekend worden, zonder dat de betrokken werknemer aan de thans bestaande wachttijdvoorwaarden moet voldoen. Het stelsel zal het stramien volgen van de reeds bestaande jongerenvakantie-uitkering en hetzelfde vergoedingspercentage zal gehanteerd worden (65 % van het begrensd dagloon).
De opdracht om de uitkeringen uit te betalen wordt via de programmawet ingeschreven in de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. De RVA zal instaan voor de betalingen.
Hoofdstuk 10 — Uitzendarbeid in het kader van een tewerkstellingstraject
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan de maatregel 66 van het Generatiepact en maakt het mogelijk om uitzendarbeid te gebruiken in het kader van een door het Gewest erkend tewerkstellingstraject. Het doel is inlooptrajecten naar een volwaardige job aan te moedigen. Twee elementen verschillen van de huidige mogelijkheden op uitzendarbeid.
— Ten eerste, twee doelgroepen bepaald met name niet werkende werkzoekenden en leefloontrekkers.
— Ten tweede, deze uitzendarbeid moet enkel ter kennis worden gegeven aan de vakbondsafvaardiging in de onderneming van de inlener. Er moet geen toestemming worden gevraagd.
De bestaande loons- en arbeidsvoorwaarden voor uitzendarbeid moeten onverkort nageleefd worden. De duurtijd is vastgelegd op zes maanden.
Artikel 56 schrijft een nieuw motief in voor uitzendarbeid in artikel 1 van de wet op uitzendarbeid van 24 juli 1987. Tewerkstelling via een erkend tewerkstellingstraject door het Gewest kan via uitzendcontract gebeuren. Deze uitzendarbeid enkel ter kennis worden gegeven aan vakbondsafvaardiging. De Koning bepaalt de procedure. De duur is beperkt tot zes maanden, eventueel verlengbaar met zes maand. De Koning bepaalt procedure voor verlenging. Twee doelgroepen worden geviseerd : niet werkende werkzoekende en leefloontrekkers. De Koning kan de doelgroepen wijzigen na overleg in de Ministerraad.
Het uitvoeringsbesluit zal de procedure bepalen voor kennisgeving en de nadere regelen. Het koninklijk besluit zal ook procedure bepalen om verlenging met zes maand aan te vragen.
Een uitvoeringsbesluit kan genomen worden om de doelgroepen te wijzigen (na overleg in Ministerraad).
Hoofdstuk 11 — Wijziging van artikel 13 van de wet van 5 september 2001
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan de maatregelen 32 en 38 van het Generatiepact. Het pact voorziet dat ook werknemers die in aanmerking komen voor (vervroegd) brugpensioen (ook al gaat de effectieve opname van het recht pas in nà de periode in de tewerkstellingscel) in het kader van een herstructurering, moeten ingaan op een outplacementaanbod vanwege de cel waaraan de werkgever participeert. In de huidige wetgeving zijn de bruggepensioneerden echter uitgesloten van het recht op een outplacementaanbod vanwege de werkgever. Bovendien is het sowieso belangrijk dat ook bruggepensioneerden — zelfs los van het herstructureringsverhaal — ook recht hebben op outplacement. Voorliggende tekst breidt dit recht, en alle modaliteiten en minimumvereisten inzake omvang ervan zoals voorzien in CAO 82, uit tot de bruggepensioneerden.
Hoofdstuk 12 — RVA — Start- en stagebonus
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan de maatregelen 1 en 3 van het Generatiepact waarin bepaald werd een startbonus voor de jongeren en een tutoraatsbonus voor hun werkgevers in te stellen.
Een jongere die een alternerende opleiding aanvat terwijl hij nog in zijn deeltijdse leerplicht is, zal een premie krijgen na elk jaar opleiding dat hij succesvol afsluit. Deze alternerende opleiding bestaat uit een theoretisch gedeelte (lessen in een centrum voor deeltijds onderwijs of in een Middenstandsopleidingscentrum) en een praktijkopleiding bij een werkgever (een leerovereenkomst, een overeenkomst voor socioprofessionele inschakeling of een beroepsinlevingsovereenkomst). De premie beloopt 500 euro na het eerste en na het tweede opleidingsjaar en 750 euro na het derde opleidingsjaar.
De werkgever die deze praktijkopleiding aanbiedt, komt in aanmerking voor de tutoraatsbonus. Evenwel is het daarvoor niet noodzakelijk dat de jongere succesvol zijn opleidingsjaar aflegt. Daar heeft de werkgever immers geen vat op. De werkgever zal ook de tutoraatsbonus krijgen indien de jongere voortijdig zijn opleiding stopzet maar wel op voorwaarde dat de praktijkopleiding minstens drie maanden duurde. De premiebedragen zijn dezelfde als voor de startbonus.
Om de administratieve last zoveel mogelijk te beperken en gezien de duidelijke samenhang tussen beide maatregelen, wordt voor beide bonussen een gezamenlijke aanvraag ingediend bij het werkloosheidsbureau.
Beide maatregelen nemen een aanvang vanaf volgend schooljaar, dus vanaf 1 september 2006.
De artikelen 58 en 59 leggen de wettelijke basis voor de start- en tutoraatsbonus. Aan de Koning wordt de bevoegdheid verleend om deze stelsels verder uit te werken.
Artikel 60, 1º, bevat een technische correctie. Er was immers gebleken dat artikel 171 van de programmawet van 27 december 2004 een littera u) invoegde in artikel 7, § 1, van de besluitwet van 28 december 1994, terwijl deze littera u) reeds bestond. Dit wordt nu rechtgezet.
Artikel 60, 2º, voegt aan artikel 7, § 1 een littera w) toe dat de RVA tot taak geeft de betaling te verzekeren van de start- en tutoraatsbonussen.
Hoofdstuk 13 — Startbanenovereenkomst
Via een regeringsamendement dat werd aanvaard in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd een hoofdstuk met betrekking tot de startbanenovereenkomst ingevoegd. Dit amendement geeft uitvoering aan de verfijningen van het Kernkabinet van 17 november 2005.
Tijdens de verdere verfijningen aan het Generatiepact werd besloten tot een extra lastenverlaging voor een aantal groepen van jonge werknemers die moeilijk aan een eerste job geraken. Het gaat om erg laaggeschoolde jongeren, laaggeschoolde jongeren van buitenlandse afkomst en laaggeschoolde mindervalide jongeren. Onder erg laaggeschoolde jongeren verstaat men de laaggeschoolde jongeren met maximaal een getuigschrift van de tweede graad van het secundaire onderwijs of maximaal een getuigschrift van deeltijds secundair onderwijs.
Terwijl de huidige lastenverlaging voor laaggeschoolde jongeren met een startbaanovereenkomst 1 000 euro per kwartaal bedraagt gedurende 8 kwartalen, zal deze lastenverlaging van 1 000 euro voor de erg laaggeschoolde jongeren gedurende 16 kwartalen worden toegekend. Dubbel zolang dus.
Daarbovenop kan een geactiveerde forfaitaire wachtuitkeringen van 350 euro per maand toegekend worden.
De voorwaarde hiervoor zijn :
— het gaat om een voltijdse startbaanovereenkomst met een minimale duur van 6 maanden;
— de aanwerving gebeurt in de periode van 21 maanden vanaf het ogenblik dat de jongere werkzoekend en beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.
Er wordt niet getoetst of rechtopenende studies beëindigd zijn, het volstaat dat de jongere in aanmerking komt voor de voormelde extra lastenverlaging.
De forfaitaire wachtuitkering wordt toegekend gedurende 6 maanden.
Deze maatregelen zullen ingaan vanaf 1 april 2006.
Bovendien is overeen gekomen om de leeftijd tot de welke een jongere meetelt voor de startbaanverplichting, te verlagen van 26 jaar naar 25 jaar. De werkgever zal op deze manier ertoe aangezet worden om meer jonge werknemers aan te werven en ook het aantal lagergeschoolde jongeren zal hierdoor stijgen. Op advies van de deelregeringen, kan deze leeftijd gemoduleerd worden volgens de regio tot 24 jaar of tot 26 jaar.
Deze maatregel heeft zijn effect vanaf 1 juli 2006 zodat de werkgevers tijdig de nodige aanwervingen kunnen doen om een voldoende aantal jongeren in dienst te hebben.
De meeste van bovenstaande bepalingen zullen bij koninklijke besluiten worden geregeld. Deze koninklijke besluiten zijn nu verstuurd naar de Nationale Arbeidsraad voor advies. Het ingediende amendement dat een hoofdstuk 13 invoegt in de wet betreffende het Generatiepact, regelt evenwel twee zaken :
Artikel 62 introduceert het begrip « erg laag geschoolde jongere » in de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid.
Artikel 63 wijzigt artikel 39 van diezelfde wet van 24 december 1999. Artikel 39 bevat de wettelijke bepalingen betreffende de startbaanverplichting. De wijziging heeft tot doel de leeftijd van 26 jaar naar 25 jaar te brengen en geeft de koning de bevoegdheid om deze leeftijd met één jaar te verhogen of te verlagen op advies van de bevoegde gewestregering.
Hoofdstuk 14 — Werkhervattingstoeslag
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan de maatregelen 61 en 62 van het Generaratiepact. Een werkhervattingstoeslag wordt vandaag reeds betaald aan oudere werknemers die recht hebben op anciënniteitstoeslag en het werk hervatten als werknemer. Die toeslag is echter enkel bestemd voor werknemers die reeds minstens één jaar volledig werkloos zijn. Die regeling heeft in een aantal gevallen voor gevolg dat de stimulans om binnen het eerste jaar werkloosheid opnieuw aan de slag te gaan gering is. De oudere werknemer stelt soms vast dat er geen significant verschil is tussen het bedrag van de ontvangen werkloosheidsuitkeringen en het netto-loon dat hij kan verdienen als hij weer aan het werk gaat.
In de toekomst zal met de werkhervattingstoeslag gepoogd worden werkzoekenden aan te zetten sneller opnieuw aan de slag te gaan. De oudere werknemer zal onmiddellijk zijn aanspraken kunnen laten gelden en moet dus geen jaar werkloosheid meer totaliseren.vooraleer recht te hebben op de toeslag.
De toeslag zal in de toekomst kunnen toegekend worden aan werklozen :
— die opnieuw in loondienst aan het werk gaan;
— en die zich vestigen als zelfstandige in hoofdberoep.
De andere toekenningsvoorwaarden voor de toeslag blijven ongewijzigd.
De Besluitwet van 28 december 1944 wordt aangepast om de betaling mogelijk te maken aan werklozen die zich vestigen als zelfstandige in hoofdberoep. De nieuwe toekenningsregels worden vastgelegd in de werkloosheidsreglementering.
Hoofdstuk 15 — Participatiefonds
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan de maatregelen 8, 9 en 10 van het Generatiepact. Dit hoofdstuk verhoogt de middelen binnen het Participatiefonds met 500 000 euro en zal daardoor komen op 1 981 000 euro in 2006.
Jongeren die een zelfstandige activiteit willen beginnen, worden met deze maatregelen via het Participatiefonds sterker ondersteund :
— Voortaan is het niet langer een beletsel om van een wachtuitkering van de RVA te genieten en tegelijk een onkostenvergoeding van het Participatiefonds tijdens de voorbereidingsfase te ontvangen.
— De renteloze lening voor het levensonderhoud bij de start wordt verdubbeld tot 4 500 euro.
— De ondersteuningsperiode door het Participatiefonds na de start wordt verlengd tot 24 maanden.
De extra 500 000 euro die wordt toegewezen aan het participatiefonds moeten dienen om de extra kosten voor dit Participatiefonds ten gevolge van deze maatregelen te dekken.
Wat betreft de cumulatiemogelijkheid tussen de RVA-wachtuitkering en een onkostenvergoeding vanwege het participatiefonds, is momenteel een koninklijk besluit in voorbereiding. Dit koninklijk besluit zal artikel 45,§ 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering aanpassen.
Hoofdstuk 16 — Uitzendarbeid in het kader van een tewerkstellingstraject
Dit hoofdstuk geeft geen uitvoering aan een maatregel van het Generatiepact maar kadert wel in het sociaal overleg, aangezien het een verdere uitvoering is van het interprofessioneel akkoord 2004-2005. Naar aanleiding daarvan heeft de regering 5 miljoen euro ter beschikking gesteld voor maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling van personen met een handicap. Via de wet houdende diverse maatregelen betreffende het sociaal overleg is een fonds opgericht bij de RSZ (met een aparte rekening) en werd voorzien dat een beheerscomité zal geïnstalleerd worden dat kan aanduiden waarvoor de middelen van dat fonds worden aangewend.
Artikel 66 van die wet van 3 juli 2005 stelt « Het fonds heeft tot doel, zonder dat de beschikbare middelen kunnen worden overschreden, personen met een handicap aan het werk te houden of aan het werk te helpen door middel van het toekennen van een financiële tegemoetkoming aan werkgevers die een persoon of personen met een handicap te werk stellen of willen te werk stellen. »
In het overleg met de sociale partners en de beleidscel van de minister en met een aantal deskundigen met betrekking tot de aanwending van de middelen, is vastgesteld dat er reeds een brede waaier aan subsidies en tussenkomsten, zowel federaal als regionaal, bestaan ter bevordering van de tewerkstelling van personen met een handicap. De bekendste vorm is de loonkostsubsidiëring in het kader van CAO 26. Maar tegelijkertijd werd vastgesteld dat er op het werkveld onvoldoende overzicht bestaat in die brede waaier.
Vandaar is de vraag gerezen of een gedeelte van de bedoelde middelen niet kan aangewend worden ter oprichting van een expertise-centrum met een unieke portaalsite die zowel werkgevers als werknemers wegwijs maakt in het kluwen van regelgevingen en ook sensibiliserende acties opzet op basis van « good-practices ». Voorliggend ontwerp creëert daartoe de wettelijke basis.
Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om ook een andere vraag van de sociale partners te honoreren, namelijk door het beheer van het fonds weg te halen bij de RSZ omdat dit niet tot de kern-opdrachten behoort van deze instelling. Dit ontwerp heeft tot doel het beheer van het fonds ter bevordering van de toegang tot arbeid voor personen met een handicap te lokaliseren binnen de FOD Sociale Zekerheid. De financiële verrichtingen blijven op zichzelf uitgevoerd door de Rijksdienst voor sociale zekerheid.
Hoofdstuk 17 — Terbeschikkingstelling in het kader van een tewerkstellingstraject
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan de maatregel 66 van het Generatiepact. Dit hoofdstuk maakt het mogelijk om terbeschikkingstelling te gebruiken in het kader van een door het Gewest erkend tewerkstellingstraject. Hierbij wordt hetzelfde doel nagestreefd als bij de nieuwe regeling over uitzendarbeid, met name het aanmoedigen van inlooptrajecten voor de niet werkende werkzoekende en de leefloontrekkers.
— Duur : Beperkt, de Koning kan de beperkte duur preciseren.
— Doelgroepen : niet werkende werkzoekenden en leefloontrekkers. De Koning kan doelgroepen wijzigen.
— De bepalingen inzake loon- en arbeidsvoorwaarden zijn dezelfde als deze bepaald in reeds bestaande toegelaten terbeschikkingstelling.
— overeenkomst over terbeschikkingstelling moet goedgekeurd worden door de gewestelijke bemiddelingsdienst.
Artikel 69 is gebaseerd op het artikel in de wet van 24 juli 1987 dat de toegelaten terbeschikking regelt. Het artikel maakt een nieuwe uitzondering mogelijk op het verbod op terbeschikkingstelling met de nodige garanties voor werknemers.
De eerste paragraaf staat uitzondering toe op principiële verbod op ter beschikkingstelling in kader van een door Gewest erkend tewerkstellingstraject. Dit kan slechts voor beperkte tijd. De Koning kan het begrip beperkte tijd preciseren.
De tweede paragraaf bepaalt doelgroepen : niet-werkende werkzoekenden en leefloontrekkers in een tewerkstellingstraject. De Koning kan doelgroepen wijzigen na overleg in de Ministerraad.
De arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer moet schriftelijk voor de aanvang van de overeenkomst worden afgesloten en vermeldt dat deze is gesloten voor het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.
De derde paragraaf bepaalt dat de gebruiker minstens 24 uur voor de ter beschikkingstelling de bevoegde ambtenaar moet verwittigen en de vakbondsafvaardiging in kennis stellen. Er wordt expliciet bepaald dat ter beschikkingstelling niet mag gebruikt worden ter vervanging van andere werknemers bij de gebruiker.
De vierde paragraaf bepaalt dat de gebruiker gedurende de ter beschikkingstelling verantwoordelijk is voor toepassing van de wetgeving op arbeidsduur, arbeidsreglementen en welzijnswet.
In de vijfde paragraaf worden de voorwaarden en duur van de ter beschikkingstelling bepaald. De aard van de opdracht moet worden vastgesteld in geschrift, goedgekeurd door gewestelijke bemiddelingsdienst en ondertekend voor aanvang van ter beschikkingstelling door de drie betrokken partijen.
De zesde paragraaf stipuleert dat de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever blijft gelden tijdens de ter beschikkingstelling maar de gebruiker is hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van sociale bijdragen en lonen. Indien dit loon hoger ligt bij gebruiker dan moet dit uitbetaald worden, anders blijft het loon van uitlener gelden.
De zevende paragraaf preciseert dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verondersteld wordt als de gebruiker arbeid laat uitvoeren door terbeschikkinggestelde werknemers in strijd met de bepalingen van dit artikel. Dit is een sanctionerend mechanisme.
De werknemer kan overeenkomst beëindigen zonder opzegging en zonder vergoeding.
Er kan een uitvoeringsbesluit genomen worden voor volgende elementen :
— Bepalen van beperkte duur (bijvoorbeeld zes maanden tot een jaar)
— Wijzigen van de doelgroepen (na overleg in Ministerraad)
Hoofdstuk 18 — Uitzonderingen op het toepassingsgebied van Titel IV
Dit hoofdstuk werd ingevoegd naar aanleiding van een regeringsamendement dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend en geeft aan de Koning de bevoegdheid om, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, alle of sommige instellingen van openbaar nut die ressorteren onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en die diensten van algemeen belang verzekeren, uitsluiten uit het toepassingsgebied van deze titel of van de Hoofdstukken van deze Titel die Hij bepaalt.
De verantwoording hiervoor is dat niettegenstaande het feit dat sommige instellingen van openbaar nut onder de toepassing vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, moet het mogelijk zijn ze vrij te stellen van toepassing van deze titel of sommige Hoofdstukken van deze Titel, aangezien het Generatiepact zich enkel richt tot de private sector in de strikte zin en niet tot instellingen die diensten van algemeen nut verzekeren, en niet vooruitgelopen kan worden op eventuele latere maatregelen die de publieke sector betreffen.
4. Inleidende uiteenzetting door de heer R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
Titel V van het wetsontwerp betreffende het Generatiepact bevat verschillende bepalingen die, in dat pact, onder de bevoegdheid van de minister vallen.
Die titel omvat 4 hoofdstukken, te weten :
1. het mechanisme van de welvaartsvastheid en de sociale correcties;
2. de bijkomende bijdragevermindering voor de jonge werknemers;
3. maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde jongeren in de non-profit sector;
4. de alternatieve financiering van de sociale zekerheid.
a) Welvaartsvastheid en sociale correcties
De sociale correcties voor de jaren 2006 en 2007 impliceren, voor de aangelegenheden waarvoor de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bevoegd is, geen enkele wetswijziging.
De wetsbepalingen preciseren de procedure voor de toepassing van de welvaartsaanpassing alsmede de inhoud ervan.
Het gaat om de uitvoering van de beslissingen van de Ministerraad van Oostende, waaraan aanvullingen zijn toegevoegd waartoe werd besloten naar aanleiding van de discussies rond het Generatiepact.
Deze aanvullingen hebben betrekking op het feit dat er vanaf 2008 wordt verwezen naar het scenario gekozen door de studiecommissie voor de vergrijzing om de enveloppe voor de welvaartsaanpassing vast te stellen.
Volgens de ramingen van het Planbureau zal vanaf 2008 jaarlijks 250 miljoen euro worden besteed aan die maatregelen van sociale correctie en welvaartsvastheid voor de diverse vervangingsinkomens.
b) Verminderingen van de socialezekerheidsbijdragen
De wettelijke grondslag die nodig is voor de toepassing van de bijkomende bijdrageverlagingen ten behoeve van de jongeren en de oudere werknemers wordt tot stand gebracht.
De bijkomende doelgroepvermindering voor « oudere werknemers » zal worden toegekend aan de oudere werknemers, wier inkomen niet meer dan 4000 euro per maand bedraagt. De vermindering stijgt met de leeftijd.
Die verlaging treedt op 1 april 2007 in werking.
De bijkomende vermindering voor jonge werknemers is toepasselijk vanaf 1 juli 2006.
Deze vermindering wordt kleiner met de leeftijd en wordt toegekend aan de jongeren met een loon van maximum 1 956 euro per maand.
Rekening houdend met de maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling van jongeren in de non-profit sector, zal de bijkomende vermindering voor jonge werknemers enkel van toepassing zijn in de commerciële sector.
c) Maatregelen ten voordele van de werkgelegenheid voor de laaggeschoolde jongeren in de non-profitsector
De regering stelt voor het theoretische bedrag dat aan de non-profitsector zou moeten toekomen in het kader van de bijkomende vermindering voor « jonge werknemers » te bestemmen voor het scheppen van bijkomende banen ten behoeve van laaggeschoolde jongeren.
Het voorgestelde mechanisme omvat de volgende vijf elementen :
1. ter compensatie van het feit dat de social profitsector niet geniet van de bijkomende bijdragevermindering « jongeren » wordt een enveloppe overeenstemmend met het theoretische bedrag dat aan de non-profit sector zou toekomen toegewezen aan het scheppen van extra banen voor laaggeschoolde jongeren;
2. rekening houdend met de verdeling van het werk in de non-profit sector is 2/3e van de enveloppe bestemd voor de federale sectoren, namelijk de ziekenhuizen, de rusthuizen, de rust- en verzorgingstehuizen, de thuisverpleging en de revalidatiecentra.
Eén derde van de enveloppe is bestemd voor de sectoren die onder de bevoegdheid van de deelgebieden ressorteren, met name de opvangstructuren voor kleine kinderen, de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, de gezinshulp, de ondernemingen met aangepast werk en de sociaal-culturele sector.
3. in de federale sectoren zal de enveloppe aan drie thema's worden besteed :
— de sociale partners en de bevoegde ministers, met name de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, alsook de minister van Werk, zullen onderhandelen over het opstarten van algemene projecten;
— individuele werkgevers en de paritaire comités zullen « individuele » projecten kunnen indienen;
— de projecten moeten een onderdeel « opleiding » bevatten. Het ligt tevens in de bedoeling de scholingsgraad te verhogen van de jongeren die in dienst worden genomen in het kader van de projecten.
Voor de sectoren die onder de bevoegdheid van de deelgebieden vallen zijn dezelfde principes van toepassing maar de regeling houdt rekening met de bevoegdheden van de deelentiteiten.
4. de concrete beslissingen om personen in een functie aan te stellen, alsook om kredieten toe te wijzen, zullen door de Ministerraad worden genomen;
5. de uitvoeringsbesluiten zullen worden vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
d) Alternatieve financiering
De tekst handelt over de alternatieve financiering vanuit het standpunt van het Generatiepact, maar bevat tevens de budgettaire onderdelen van de voorafbeelding van de begroting over 2006.
1. De krachtlijn « verbreding van de alternatieve financieringsbasis » van de sociale zekerheid, die in het Pact is opgenomen, wordt gerealiseerd in drie punten :
— vanaf 2006 wordt 15 % van de ontvangsten van de roerende voorheffing toegekend aan de « Globale Beheren ». Dat bedrag mag in 2006 niet lager zijn dan 430,4 miljoen euro;
— een verhoging vanaf 2006 van de alternatieve financiering van de gezondheidszorg ten belope van 255.9 miljoen euro, die afkomstig zijn van de tabaksaccijns;
— het beginsel van de overdracht van de belastingontvangsten gegenereerd door het terugverdieneffect van de toegestane verminderde sociale zekerheidsbijdragen. Vanaf 2007 zal dus een overdracht plaatsvinden van de ontvangsten van de personenbelasting en van de vennootschapsbelasting naar het « Globaal Beheer » van de werknemers.
2. Maatregelen inzake de begroting over 2006 :
— een specifieke alternatieve financiering van de RVA, die bedoeld is om de uitgave voor betaald educatief verlof mee te financieren;
— zoals in 2004 en 2005 zullen ook in 2006 alle betalingen aan de instellingen door het RIZIV worden uitgevoerd.
Zo worden de « initiatieven inzake beschut wonen » opgenomen in de financieringsregeling van de ligdagprijs in de ziekenhuizen en die van de psychiatrische verzorgingstehuizen. De alternatieve financiering wordt dienovereenkomstig aangepast.
— de instelling in de afdeling « kinderbijslag » van bijkomende kredieten over 2006, zoals bepaald op de buitengewone Ministerraad van Oostende.
3. Ten slotte herneemt dit hoofdstuk twee punten specifiek omtrent de sociale zekerheid van zelfstandigen :
— zoals elk jaar, wordt de bonus van het stelsel voortvloeiend uit de verhoging van de alternatieve financiering gebruikt voor een versnelde terugbetaling van de schuld die het stelsel ten aanzien van de Staat nog heeft.
Er wordt bijna 62,8 miljoen euro aan deze versnelde terugbetaling besteed.
— Het tweede punt voert een alternatieve financiering in voor de financiering van de maatregel waarmee men dienstencheques wil toekennen aan zelfstandig ondernemende vrouwen in het kader van ondersteuning bij het moederschap.
III. ALGEMENE BESPREKING
1. Pensioenen der zelfstandigen
Mevrouw Van de Casteele spreekt haar tevredenheid uit over het feit dat de bestraffing van zelfstandigen, met name het inleveren van 5 % van het pensioenbedrag voor elk jaar dat zij vóór hun 65e met pensioen gaan in dit wetsontwerp voor een deel wordt weggewerkt. Zij heeft immers zelf een wetsvoorstel ingediend dat die penalisatie volledig schrapt omdat het hier om een ernstige discriminatie gaat ten opzichte van de werknemers voor wie dit systeem al vroeger werd opgeheven. Anderzijds blijft het haar ambitie zowel zelfstandigen als werknemers te motiveren om langer te werken. Deze maatregel kan wat dat betreft en verkeerd signaal geven. Zelfstandige 50-plussers blijven immers gemiddeld veel langer actief omdat zij niet alleen geen recht hebben op één of andere vorm van brugpensioen maar ook veelal lagere pensioenbedragen krijgen onder meer ook door dit systeem van penalisering.
Mevrouw Laruelle, minister van Landbouw en Middenstand, voegt eraan toe dat zij zich bewust is van die toestand. Dat is overigens de reden waarom zij zoveel als mogelijk in overleg met de minister van Sociale Zaken een parallellisme tot stand probeert te brengen tussen de sociale zekerheid voor zelfstandigen en die voor werknemers. Dat zal zo zijn vanaf 2008 voor de welvaartvastheid. Voor 2006 en 2007 werd een bedrag opgevoerd op de begroting.
De gedelegeerd bestuurder van UNIZO heeft het als volgt in de pers geformuleerd :
« We zijn inderdaad bijzonder tevreden maar dit is slechts de eerste stap. Maar voor het eerst sinds jaren is er echt rekening gehouden met zelfstandigen, al is de discriminatie nog niet helemaal weggewerkt ».
Er is uiteraard nog veel werk voor de boeg. Bij wijze van voorbeeld zou het schrappen van een strafbedrag van 5 % per jaar bij gelijke houding neerkomen op een kostprijs van 170 miljoen euro. Nu is het zo dat de regering tijdens deze zittingsperiode reeds een hele investering heeft gedaan in het sociaal statuut van de zelfstandigen.
Men is in combinatie met langere pensioenen en een penalisatie bij vervroegd pensioen wel verplicht langer te werken. Veel zelfstandigen zijn dan ook kwetsbaar.
2. Pensioenen
Mevrouw Van de Casteele verwijst naar recente acties, die werden gemotiveerd door het argument dat vooral vrouwen, omwille van hun deeltijdse en gebroken loopbanen, minder recht hebben op het brugpensioen. Dit is evenwel een verkeerde motivatie : juist omwille van deze handicap kwamen zij vrijwel nooit in aanmerking voor een brugpensioen — hun aandeel bedroeg minder dan 1 % — waardoor hun rechten ook niet kunnen geschaad worden door de regeringsmaatregelen inzake het brugpensioen. Zij stelt vast dat in het Generatiepact een overgangsperiode wordt voorzien om voor vrouwen de lat wat lager te leggen. Zij informeert of er reeds studiewerk is verricht over de bestaanbaarheid daarvan met de Europese regels inzake niet-discriminatie op het vlak van leeftijd, zoals deze worden geïnterpreteerd door het Europese Hof van Justitie.
De heer Tobback, minister van Leefmilieu en Pensioenen, verwijst naar de reeds eerder genomen maatregel met betrekking tot het gelijk trekken van de pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen, gespreid over een bepaalde termijn. Daarbij werd rekening gehouden met de verschillen in loopbaan tussen mannen en vrouwen. Hiertegen werd op het Europese niveau nooit een bezwaar geformuleerd : men mag immers verschillende situaties op een verschillende wijze behandelen zonder dat er sprake is van discriminatie. De huidige overgangsregeling bevat dan ook twee verschillende regelingen omwille van de verschillen in loopbaan, die weliswaar naar mekaar toegroeien, zonder dat hiertegen enig bezwaar vanuit de Europese autoriteiten werd geformuleerd.
De minister is het ermee eens dat het beter is om de pensioenregeling voor vrouwen in het algemeen te verbeteren, eerder dan hen makkelijker toegang te verlenen tot het brugpensioen. Hij verwijst naar de conferenties die hij organiseert rond het thema « vrouwen en pensioen » en verklaart teleurgesteld te zijn door de bewering van, onder andere, vrouwenorganisaties als zouden de vrouwen vergeten zijn in het Generatiepact. Niets is immers minder waar : de meeste specifieke regelingen zijn precies geënt op de vrouwelijke loopbanen.
Mevrouw De Schamphelaere deelt het uitgangspunt van de regering om mensen langer en meer aan het werk te houden en wijst op de noodzaak om hen te informeren op de gevolgen van hun loopbaan op hun pensioenrechten. Weliswaar doet de minister hier inspanningen, vooral naar 55-plussers, maar dringt aan om een bredere informatie te verstrekken, onder andere over de maatregelen vervat in voorliggend ontwerp zoals de pensioenbonus of de aanpassing van de pensioenplafonds.
De minister is het hiermee eens. Hij meent dat mensen meer bewust moeten worden gemaakt, niet enkel van de effecten op de eigen pensioenberekening maar ook van de algemene pensioenregeling.
Mevrouw Van de Casteele dringt eveneens aan op een open debat over de wijze waarop men de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op het vlak van pensioenrechten tracht weg te werken.
3. Werk
Mevrouw De Schamphelaere hekelt de gehanteerde werkwijze van mekaar steeds sneller opvolgende programmawetten en wetten houdende diverse of sociale bepalingen die een ganse reeks maatregelen bevatten waar uiteindelijk niemand zijn weg nog in terug vindt. Dit is geen goede zaak voor het werkgelegenheidsklimaat in ons land en bovendien dienen deze regeringsmaatregelen zodanig snel door de beide Wetgevende Kamers te worden goedgekeurd dat de volksvertegenwoordigers en de senatoren niet de tijd hebben om ze grondig te bestuderen en er desgevallend hun bedenkingen over te formuleren.
Zij wijst op mogelijke bevoegdheidsproblemen tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten wat betreft sommige maatregelen die vervat zijn in voorliggend ontwerp, zoals bijvoorbeeld de rol die de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding krijgen toebedeeld. Ook de Raad van State maakte hierover een opmerking.
Bovendien zijn er tal van legistieke opmerkingen te maken bij de redactie van sommige bepalingen, zoals bijvoorbeeld in artikel 24 van het ontwerp.
Zij vraagt zich af of er een aparte bepaling vereist is die de toepassing van een en ander regelt voor het openbaar ambt, zoals de bepaling die bij wijze van regeringsamendement werd aanvaard in de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Mevrouw Van de Casteele deelt de bekommernis van een goede parlementaire controle op de maatregelen die worden voorgesteld door de regering. Dit is nu vrijwel onmogelijk, gelet op de tijdsdruk en op het gegeven dat de regering nog tijdens de bespreking een aantal amendementen indient op het eigen ontwerp.
Zij verwijst naar de vele besprekingen in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden en in de werkgroep « vergrijzing » van de Senaat, waar ruime aandacht werd geschonken aan de problematiek van de vergrijzing en van de gevolgen daarvan op onze arbeidsmarkt (zie stuk Senaat, nr. 3-886). Dit is een gevoelige discussie en het sociale klimaat heeft jammer genoeg niet toegelaten dat het ontwerp van aanbevelingen van de werkgroep ook hebben geleid tot aanbevelingen van de commissie. Dit neemt niet weg dat het bestaande document toch voldoende stof oplevert om het beleid in de toekomst verder op te volgen, zoals bijvoorbeeld de nadruk die voortaan op competenties en ervaring op de werkvloer, eerder dan op leeftijd, zal moeten liggen en op de flexibiliteit voor zowel de werkgever als de werknemer.
Spreekster wijst op de verschillen inzake tewerkstelling in het noorden en in het zuiden van ons land. De werkloosheid is in Wallonië bijvoorbeeld dubbel zo hoog als in Vlaanderen, waardoor men zich minder makkelijk zal ter beschikking houden van de arbeidsmarkt bij gebrek aan jobs. In Vlaanderen is het probleem vooral dat de opleiding van jongeren en van werklozen duidelijk niet afgestemd is op het aanbod op de arbeidsmarkt. Men zal moeten evalueren of de maatregelen, vervat in het Generatiepact, voldoende tegemoet komen aan de verzuchtingen van beide landsgedeelten. In dat opzicht kan het volgens haar inderdaad nodig zijn de gewesten meer bevoegdheden te geven.
Mevrouw Van de Casteele herinnert aan een uitspraak van het Europese Hof van Justitie waar melding wordt gemaakt van discriminatie op basis van leeftijd. De vraag is of een aantal maatregelen die worden voorzien in het Generatiepact deze toets wel kunnen doorstaan.
De regering heeft terecht oog gehad voor de tewerkstelling van jongeren en heeft zich niet enkel geconcentreerd op het einde van de loopbaan. Dit dient te worden toegejuicht en het is een goede zaak dat jongeren meer kansen krijgen om als zelfstandige aan de slag te gaan, zeker in onze KMO-vriendelijke arbeidsomgeving.
Spreekster juicht toe dat er experimenten komen om de klassieke opbouw van loonbarema's te doorbreken. Het is immers gebleken dat de hogere kost voor oudere werknemers een serieuze handicap is en de voorgestelde experimenten zijn een poging om hieraan iets te doen.
Het lid juicht de vereenvoudiging van de sociale balans toe. Vanzelfsprekend dient men over de nodige meetinstrumenten te beschikken om de effecten van het beleid op het terrein na te gaan maar men mag de betrokken partners — werknemers, werkgevers, zelfstandigen, ... — ook niet overbevragen en opzadelen met een administratieve overlast. De staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging kan hier nog werk verrichten.
Mevrouw Van de Casteele is het niet eens met de stelling van de vakorganisaties dat het een straf bovenop een straf zou zijn om gereactiveerd te worden wanneer iemand wordt ontslagen naar aanleiding van een herstructurering. Wanneer het afnemen van iemands werk een straf is, kan men het ongedaan maken van die straf toch niet als een bijkomende straf beschouwen. Al te vaak gaat men ervan uit dat er een soort « recht op brugpensioen » bestaat. Weliswaar is het brugpensioen voor vele mensen een goede oplossing gebleken wanneer een bedrijf herstructureert, maar al te vaak vergeet men dat dit voor de betrokkenen niet enkel een onmiddellijk inkomensverlies met zich meebrengt maar ook op termijn een slechte zaak is voor de pensioenrechten. In het verleden is men hier wellicht te veel defensief en te weinig creatief geweest.
De regering hoopt om de werkgevers, die een herstructurering doorvoeren, daadwerkelijk te verplichten om in outplacement te voorzien door de administratieve boete te verhogen zodat deze verplichting niet meer zo makkelijk kan worden « afgekocht ». Spreekster vreest evenwel dat er nog steeds creatieve constructies zullen worden gevonden om hieraan te ontsnappen.
Ook de intentie om uitzendarbeid te versoepelen kan het lid enkel maar toejuichen.
Mevrouw Van de Casteele treedt de opmerking van een vorige spreker bij dat de arbeidswetgeving wel erg ingewikkeld wordt en dat een vereenvoudiging van dit kluwen een betere oplossing zou zijn dan het creëren van een Kenniscentrum. Zij dringt erop aan dat de koninklijke besluiten die in uitvoering van voorliggend ontwerp zullen worden genomen zouden worden meegedeeld aan het parlement.
Tevens waarschuwt zij ervoor dat er geen beleid met twee snelheden zou ontstaan voor enerzijds de private sector en anderzijds de publieke sector. Het regeringsamendement, dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd aanvaard, zou deze indruk kunnen wekken. Uit eerdere besprekingen is gebleken dat de overheid niet steeds het goede voorbeeld geeft in het vergrijzingsdebat.
Ten slotte hoopt mevrouw Van de Casteele dat de maatregel om dienstencheques ter beschikking te stellen aan zelfstandige vrouwen die bevallen zijn, die in principe zeer positief is, daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. In vele regio's is de vraag naar deze diensten veel groter dan het aanbod. Dienen hier geen stimulerende maatregelen te worden genomen om meer mensen in deze sector aan de slag te helpen, zeker nu ook de vraag bestaat kinderopvang hiermee te kunnen betalen ? Moet er in sommige gevallen geen prioriteit worden gegeven aan sommige groepen zoals de zelfstandige vrouwen, zodat ze niet op een wachtlijst worden geplaatst en weken of maanden moeten wachten om daadwerkelijk van de dienstencheques te kunnen genieten ?
De heer Vanvelthoven, minister van Werk, ziet geen problemen op het vlak van een mogelijk bevoegdheidsconflict maar ontkent niet dat een diepgaand overleg met de gewesten en de gemeenschappen vereist is voor een goede uitwerking van het Generatiepact. Dit overleg is tot nog toe op een vlotte manier verlopen, bijvoorbeeld wat de koppeling van het toekennen van een brugpensioen op het federale niveau aan de organisatie van de tewerkstellingscellen op het gewestelijk niveau betreft.
De minister preciseert dat de voorwaarde van één jaar anciënniteit van toepassing is wat betreft het verkrijgen van de aanvullende vergoeding van de werkgever bovenop het brugpensioen, maar niet voor het zich ter beschikking stellen van de tewerkstellingscel.
De vaagheid omtrent de experimenten is bewust gecreëerd. Het gaat immers om nieuwe experimenten op het bedrijfsniveau, die ook moeten overlegd worden met de sociale partners.
De minister meent dat het op zich niet verboden is om een onderscheid te maken op het vlak van de leeftijd, voor zover dit objectief verantwoord is en in verhouding staat met het beoogde doel. Hij verwijst naar de opmerkingen van de Raad van State dienaangaande en naar de memorie van toelichting, die telkens verantwoordt waarom er bepaalde onderscheiden worden gemaakt.
Voorts deelt hij de mening van een vorige spreker dat het geen straf is om werknemers die werden ontslagen opnieuw aan een job te helpen. Vele werknemers wensen dit inderdaad ook, al was het maar omwille van de financiële verplichtingen die ze hebben : het aflossen van een lening, de studie van de kinderen, enzovoort. Dit neemt niet weg dat men er zich voor dient te hoeden werklozen voortdurend op te roepen voor onbestaande jobs. Hier dient men redelijk te blijven en rekening houdend met het jobaanbod in de verschillende regio's.
De minister wijst er overigens op dat met het Generatiepact ook het « rugzakje » wordt ingevoerd : de aanvullende vergoeding die de werkgever uitkeert bovenop de werkloosheidsvergoeding blijft in de toekomst behouden, ook al vindt de betrokkene intussen een andere job. Omdat dit op vandaag niet het geval is, is er sprake van een werkloosheidsval : het loont op het financiële vlak niet de moeite om een andere job aan te nemen.
Het klopt dat de outplacementverplichting vroeger werd « afgekocht » omdat de werkgever liever de administratieve boete betaalde dan de ontslagen werknemer te helpen. Hopelijk draagt de verhoging van de boete bij tot een betere toepassing van de outplacementverplichting, waarvan de kosten nu lager zouden moeten liggen dan de boete.
Het hoofdstuk met betrekking tot de publieke sector, dat bij regeringsamendement werd ingevoegd in het ontwerp, is vooral bedoeld om de mogelijke juridische onduidelijkheid omtrent de toepassing ervan weg te nemen. In beginsel worden de personeelsleden van de openbare sector immers niet gevat door de voorgestelde maatregelen, maar op sommige openbare instellingen is de CAO-wet wel van toepassing. Dit staat niet in de weg dat ook met de openbare diensten nog onderhandeld zal worden over maatregelen die de vergrijzing van de bevolking moeten opvangen.
Ten slotte wijst de minister erop dat de maatregelen vervat in voorliggend ontwerp dienen geëvalueerd te worden op hun effectiviteit en efficiëntie. Leidt de daling van de loonlasten voor jongeren bijvoorbeeld daadwerkelijk tot hogere tewerkstelling voor deze groep ? Indien dit niet het geval is, moeten er bijsturingen of andere maatregelen komen. De minister is bereid om deze oefening te doen samen met de Senaatscommissie voor de Sociale Aangelegenheden.
De heer Beke herinnert aan de werkzaamheden van de werkgroep « vergrijzing van de Senaat », die het afgelopen jaar veel energie besteedde aan de problematiek die nu wordt geregeld door het wetsontwerp betreffende het Generatiepact. Negentien vergaderingen en hoorzittingen met 35 deskundigen resulteerden in een hele reeks aanbevelingen waarover de werkgroep consensus bereikte. Het is jammer dat dit werk nu niet wordt benut. Sommige aanbevelingen van de werkgroep zouden het wetsontwerp immers op een zinvolle wijze kunnen bijsturen en vervolledigen. Spreker heeft die aanbevelingen omgezet in amendementen op het voorliggende wetsontwerp. Zo kan onder meer worden verwezen naar de aanbeveling inzake de verworven competenties. Daarover rept het Generatiepact met geen woord.
De werkgroep wees ook op het belang van de sensibilisering. De overheid moet de bevolking op een degelijke wijze inlichten over de evolutie van de loopbaanproblematiek : langer en anders werken zal noodzakelijk zijn. Een eenmalige campagne volstaat daartoe niet.
Een derde aanbeveling had betrekking op de evaluatie van de genomen maatregelen. Het is van cruciaal belang na te gaan wat de maatschappelijke weerslag en de kostprijs van deze maatregelen is. Bovendien rijst de vraag hoe de verschillende maatregelen zullen worden gefinancierd.
Een vierde punt betreft de administratieve vereenvoudiging. Sommige voorgenomen maatregelen lijken, zowel voor de werkgevers als voor de overheid, een stuk eenvoudiger te kunnen.
Ten vijfde kaart spreker de genderdimensie aan. Het ontwerp roept een aantal vragen op inzake de positie van de vrouw in de eindeloopbaanproblematiek.
Een zesde aanbeveling hield in dat een extra tewerkgestelde senior niet noodzakelijk inhoudt dat er ook een extra werkloze jongere is. Het Generatiepact houdt daarmee enigszins rekening, maar niet afdoende.
De zevende aanbeveling van de werkgroep had betrekking op de vervroegde uittreding en het brugpensioen. Het gebrek aan eensgezindheid in de meerderheid heeft deze aanbeveling uitgehold.
De aanbeveling inzake de combinatie tussen het privé-leven en het beroepsleven is daarentegen weer zeer pertinent. Een betere afstemming tussen arbeid en gezin kan de activiteits- en de participatiegraad gevoelig doen stijgen.
Van de aanbeveling van de werkgroep inzake de overheidssector is in dit wetsontwerp niets terug te vinden. Dat is bijzonder merkwaardig, aangezien de overheid ongeveer 1 miljoen mensen tewerkstelt én zij, als hun rechtstreekse werkgever, uitstekend geplaatst is om maatregelen te nemen. De publieke sector is het ideale terrein om een aantal initiatieven uit te proberen, maar het Generatiepact laat die kans volledig liggen.
Spreker telt in het wetsontwerp niet minder dan 96 machtigingen aan de Koning. Die delegatie van wetgevende macht stuitte op kritiek van de Raad van State, waarop de regering op weinig bevredigende wijze antwoordde. Bovendien haalt deze techniek de eigenheid van het begrip « pact » onderuit. Wat is immers een pact ? Volgens het woordenboek « van Dale » gaat het om een overeenkomst tussen minstens twee partners. Een andere definitie in dit woordenboek stelt dat een pact een overeenkomst met de duivel is. Hoe dan ook, het blijft een afspraak tussen minstens twee partijen. Één daarvan mag desnoods de duivel zijn, het blijft een afspraak tussen twee partijen. Daarvan blijft, na dit wetsontwerp, bitter weinig overeind : de 96-voudige delegatie aan de Koning is een vrijbrief aan de regering om dit « pact » eenzijdig uit te werken.
Spreker leest overigens in het verslag van de Kamercommissie dat de regering reeds heel wat ontwerpen van deze koninklijke besluiten heeft voorbereid. Hij vraagt dat die teksten aan de commissieleden worden bezorgd. Bovendien zal hij een amendement indienen dat de regering ertoe verplicht die besluiten mee te delen aan de Kamers.
Het wetsontwerp bevat ook een hoofdstuk over de alternatieve financiering. Dat is een stap in de richting van een structurele oplossing van het financieringsprobleem. Het ontwerp laat echter na een idee over te nemen waarover, althans in Vlaanderen, een consensus is gegroeid : de gezondheidzorg en de gezinsbijslagen moeten worden gefinancieerd met algemene middelen en niet met inkomsten uit arbeid.
De Raad van State formuleerde ernstige bedenkingen bij de leeftijdsdiscriminatie die in het ontwerp is ingeschreven. Hierover kan men niet lichtzinnig heenstappen. Dit is de reden waarom spreker een aantal amendementen indient die het ontwerp op dit punt bijsturen.
Een andere cruciale vraag is hoe economische groei optimaal kan worden omgezet in een groei van het arbeidsvolume. Als het Generatiepact op iets moet worden afgerekend, dan is het wel hierop. België kent heden een « jobless growth ». We moeten oppassen niet nog een stap verder te gaan en « growthless jobs » te creëren.
Het Generatiepact besteedt ook weinig aandacht aan het zwartwerk. Volgens sommigen vertegenwoordigt zwartwerk echter zowat 20 % van de Belgische arbeidsmarkt. Zonder stigmata te willen uitdelen, stelt spreker vast dat heel wat bruggepensioneerden bijklussen. Dat bevordert uiteraard niet hun motivatie om naar een nieuwe job te speuren.
Het Generatiepact steunt ten slotte al te zeer op het illusoire uitgangspunt dat België één arbeidsmarkt is. België heeft twee naast elkaar functionerende arbeidsmarkten. Daardoor hebben sommige landelijk opgelegde maatregelen soms een contraproductief effect. Het Generatiepact houdt onvoldoende rekening met deze realiteit. De partij van spreker is overigens voorstander van een overheveling van een aantal bevoegdheden inzake werkgelegenheid naar de gewesten. Het wetsontwerp bevat wel een aantal samenwerkingsvormen tussen de verschillende gewesten, maar bevat terzake te weinig structurele aanzetten. Bovendien herinnert de spreker de vergadering aan uitspraken van andere partijvoorzitters die in dezelfde richting gaan.
Mevrouw De Schamphelaere verklaart dat de regering met het Generatiepact een mentaliteitsverandering bij de beleidsmakers en de bevolking hoopt te bewerkstelligen. Helaas blijft dat pact vooralsnog erg vaag, vooral door de te uitgebreide bevoegdheidsdelegaties aan de Koning. Bovendien schiet de regering tekort in de communicatie over dit pact. De bevolking en het parlement blijven in het ongewisse over de precieze draagwijdte van tal van maatregelen. Het tewerkstellingseffect van dit pact zal vooral voelbaar zijn in de sociale secretariaten en de advocatenkantoren, die de vele vage bepalingen ervan zullen moeten toelichten.
De voornaamste kritiek op het Generatiepact werd reeds verwoord door Bart Somers, voorzitter van de VLD, toen hij, na de aankondiging van dit pact, verklaarde dat er een tweede generatiepact nodig is. Het huidige pact spitst zich inderdaad voornamelijk toe op de oudere werknemers. De zwaarste arbeidsdruk rust echter op de dertigers en de veertigers, die zowel op privé-vlak als in hun beroepsleven sterk moeten presteren. Dit pact vertolkt echter geen algemene visie op de arbeidsproblematiek, maar alleen op het loopbaaneinde.
Dat verklaart ook het ontbreken van maatregelen inzake de deeltijdse arbeid. Op dit ogenblik wordt deeltijdse arbeid onvoldoende gevaloriseerd.
Een andere lacune betreft het ontbreken van een algemene visie inzake de alternatieve financiering. Het ontwerp biedt weliswaar enkele aanzetten, maar het behoud van onze sociale zekerheid vergt een grondige reflectie. Het ontwerp voorziet slechts in enkele maatregelen, die bovendien voorlopig van aard zijn. De regering kan het bedrag van de alternatieve financiering jaarlijks wijzigen.
Ook op het vlak van de welvaartvaste uitkeringen schiet het Generatiepact tekort. De hoogte van de uitkeringen zal het voorwerp zijn van jaarlijkse onderhandelingen. In België leven anderhalf miljoen onder de armoedegrens. Het leefloon ligt 150 euro lager dan het inkomen nodig voor een menswaardig bestaan. Die problematiek verdient een meer gestructureerde aanpak.
Voorts hanteert het ontwerp veelvuldig het criterium van de leeftijd. Dertig van de 66 maatregelen zijn gebaseerd op de leeftijd. Waarom kent het ontwerp niet meer belang toe aan de duur van de loopbaan ? Door die nadruk op de leeftijd dreigt dit ontwerp strijdig te zijn met de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, die leeftijdsdiscriminatie verbiedt. Dat bleek nog onlangs uit het arrest van 22 november 2005 in de zaak Mangold/Helm.
Het Generatiepact verliest bovendien veel slagkracht doordat het beperkt blijft tot de private sector. Er zijn wellicht enkele argumenten om het pact niet zonder meer te betrekken op de statutaire ambtenaren, maar waarom heeft het pact evenmin oog voor de contractuele werknemers in de publieke sector. De lokale overheden stellen ongeveer 137 000 contractuele werknemers tewerk. Bij de intercommunales telt men meer dan 9 000 contractuelen.
De contractuelen kunnen niet genieten van de voordelen van het openbaar ambt, maar nu worden zij bovendien uitgesloten van de voordelen die oudere werknemers in de private sector door dit ontwerp zullen krijgen.
Het Generatiepact voorziet verder in een bijdragevermindering met het oog op de verhoging van de tewerkstellingsgraad, maar het sluit de non-profitsector hiervan uit. Er wordt wel beloofd dat dit bedrag zal worden aangewend voor extra banen voor laaggeschoolden, maar over de concrete uitwerking hiervan tast men volledig in het duister. Over hoeveel banen gaat het ? Over welk soort banen ?
Spreekster sluit zich aan bij de beschouwingen van de vorige spreker over de duale arbeidsmarkt in België. Vlaanderen kent nauwelijks enige structurele jeugdwerkloosheid, maar worstelt wel met een tekort van werkwilligen in bepaalde sectoren en met de problematiek van de vroege uittreding. Wallonië zit vooral met een structurele jeugdwerkloosheid opgezadeld. De federale maatregelen tegen de jeugdwerkloosheid missen hun effect, doordat de controle niet eenvormig kan worden uitgevoerd. De oplossing voor de jeugdwerkloosheid moet wellicht worden gevonden in meer en betere opleiding.
De heer Vanvelthoven, minister van Werk, is van oordeel dat de opmerking als zou het Generatiepact een kaakslag zijn voor alle experts die hun medewerking aan de werkzaamheden van de werkgroep « Vergrijzing van de bevolking » van de Senaat hebben verleend, niet terecht is.
De vertegenwoordigers van zowel de regering als van de sociale partners hebben lang rond de tafel gezeten en waren zeer goed geïnformeerd over de problematiek.
De regering heeft uitdrukkelijk gekozen voor het model van het sociaal overleg, ondanks het feit dat enkele van de sociale partners het Generatiepact niet hebben goedgekeurd. Er is over dit pact intens overleg geweest. Dit overleg heeft ertoe geleid dat alle sociale partners mee hun stempel hebben kunnen drukken op de uiteindelijke tekst van het Generatiepact.
De minister is van oordeel dat de door de heer Beke gebruikte terminologie voor het Generatiepact als zijnde een « duivelspact », ongepast is. Het gaat om een pact tussen de oudere generatie en de jongere generatie. Het Generatiepact heeft juist tot doel de brug te slaan tussen de jongere en de oudere generatie en te wijzen op de solidariteit die ook in het pact verweven is van de oudere generatie met de jongere generatie.
De erkenning van competenties is inderdaad niet in het wetsontwerp betreffende het Generatiepact opgenomen, maar dit is wél in de tekst van het Generatiepact zelf opgenomen.
Dit is één van de elementen waar de gewesten hun verantwoordelijkheid zullen moeten opnemen. Dit gebeurt op dit ogenblik reeds. De federale minister, bevoegd voor ambtenarenzaken, zal deze certificatie kunnen gebruiken bij aanwerving in de publieke sector. Er is hierover verder overleg voorzien met de gewesten, die terzake bevoegd zijn.
Wat de kritiek betreffende de bekendmaking van de maatregelen van het Generatiepact, is de minister van oordeel dat deze kritiek slechts ten dele terecht is. Hij heeft immers vastgesteld dat er over het Generatiepact door verschillende actoren eenzijdig is gecommuniceerd : de positieve maatregelen waarover een ruime consensus bestond, werden niet belicht, enkel de gecontesteerde maatregelen werden voor het voetlicht geplaatst. Dit met het gekende gevolg van de veelvuldige betogingen. De discussie in de media draaide tengevolge hiervan uitsluitend rond het optrekken van de brugpensioenleeftijd en aanverwante maatregelen.
De minister neemt zich voor om, bij het nemen van de verdere uitvoeringsmaatregelen van het Generatiepact, ter gelegener tijd op een andere manier te communiceren.
Met betrekking tot de kostprijs van de maatregelen opgenomen in het Generatiepact, verduidelijkt de minister dat bijvoorbeeld de lastenverlaging naar de specifieke doelgroepen toe 960 miljoen euro bedraagt.
Voor de uitvoeringsmaatregelen die nog verder moeten worden genomen, zal de kostprijs bepaald worden naar aanleiding van de besprekingen betreffende de begrotingscontrole.
De minister wijst er bovendien op dat heel wat van die maatregelen ook terugverdieneffecten hebben die ook mee in rekening moeten worden genomen.
Op de kritiek van mevrouw De Schamphelaere dat de maatregelen van het Generatiepact de vrouwen extra hard treffen, antwoordt de minister dat die analyse niet correct is. De getroffen maatregelen inzake het brugpensioen bijvoorbeeld houden rekening met de specifieke situatie waarin vele werkende vrouwen zich vandaag de dag bevinden. Zo worden de loopbaanvereisten voor vrouwen veel geleidelijker opgetrokken dan hetgeen geldt voor mannen. Dit om de evidente reden dat de loopbaan van vrouwen tot nog toe doorgaans veel korter was dan de loopbaan van mannen. Tevens is er ook voor de problematiek van de gelijkgestelde periodes een eerste aanzet tot oplossing voorzien. Voor het overige is er een werkgroep van werkgevers- werknemers aan de slag gegaan om voor dit probleem een oplossing te zoeken. Wanneer deze werkgroep niet tot een vergelijk komt, zal de regering een regeling uitwerken die zal ingaan vanaf 1 januari 2008 en die inhoudt dat deeltijds tijdskrediet voor palliatieve zorg en andere zorg voor ouders voor 5 jaar, uitgedrukt in kalenderdagen, zal worden erkend als gelijkgestelde periode. Aangezien de praktijk aangeeft dat vooral vrouwen van deze zorgverloven gebruik maken, komt deze maatregel ook voornamelijk vrouwen ten goede.
Wat de opmerking van de heer Beke betreft dat er quasi geen maatregelen zouden opgenomen zijn in het Generatiepact ter bevordering van de zogenaamde « ontspannen loopbaan », verklaart de minister uitdrukkelijk deze zienswijze niet te delen. Bovendien werden in april 2005 de uitkeringen voor zorgverloven en andere themaverloven, zoals ouderschapsverlof, substantieel verhoogd.
Bovendien zijn in het Generatiepact nog volgende maatregelen voorzien :
1º het veralgemeend recht voor 55-plussers op een vierdaagse werkweek;
2º het voltijds tijdskrediet blijft bestaan voor opleiding en zorgverlof.
De minister aanvaardt de kritiek dat het Generatiepact eenzijdig gericht is op de privésector en verklaart dat dit ook uitdrukkelijk de bedoeling was. Hij vult wel aan dat er met de sociale partners is afgesproken dat er in een volgende fase maatregelen zullen worden voorbereid voor de publieke sector.
Wat de kritiek betreft met betrekking tot de ruime delegatie aan de Koning wijst de minister erop dat het in deze materie niet gaat om volmachten waarbij de regering iedereen buiten spel zou zetten. Over de te nemen uitvoeringsbesluiten zal stelselmatig overleg gepleegd worden met de sociale partners, ondermeer via de Nationale Arbeidsraad en de diverse beheerscomités van de verschillende parastatale instellingen die over de ontwerpteksten advies zullen uitbrengen. Tevens is de afspraak gemaakt dat, voor zover de adviezen van de sociale partners unaniem zijn en kaderen binnen de krijtlijnen van het Generatiepact, de regering met deze adviezen rekening zal houden. Dit gebeurt momenteel reeds : zo heeft er binnen de regering een discussie plaatsgehad over de sociale balans; de sociale partners hebben een alternatief voorstel uitgewerkt en de regering heeft dit alternatief voorstel overgenomen. Tijdens de besprekingen in de Kamer van volksvertegenwoordigers is dit alternatief voorstel onder de vorm van een amendement van de regering in de Kamer besproken en goedgekeurd.
Wat de opmerkingen betreft van het bij de bruggepensioneerden welig tieren van zwart werk, erkent de minister dat de controles op dit punt kunnen worden geïntensifieerd.
Deze controles zullen sowieso moeten worden versterkt en beter gecoördineerd naar aanleiding van de discussie rond het openstellen van onze arbeidsmarkt voor werknemers van nieuwe lidstaten van de Europese Unie.
De minister voegt nog toe dat in het Generatiepact is voorzien dat oudere werknemers hun aanvullende werkgeversbijdrage voor het brugpensioen zullen kunnen behouden in de toekomst wanneer de betrokkenen nieuw werk zouden vinden. Op deze wijze hoopt men te ontsnappen aan de werkloosheidsval door de inkomenskloof ingeval van werken of niet-werken groter te maken. Op deze wijze zou ook kunnen worden voorkomen dat betrokkenen in het zwart zouden gaan werken.
Op de kritiek van de heer Beke dat er in het Generatiepact niets is terug te vinden over de overheveling van verdere bevoegdheden naar de gewesten, antwoordt de minister dat de analyse juist is maar dat een dergelijke oefening al te veel tijd in beslag zou hebben genomen. Dit verlies aan tijd zou ook op kritiek vanwege de heer Beke hebben gestuit, aldus de minister. Onderhandelingen met de gewesten zouden aanleiding zijn geweest tot nog meer tijdverlies.
Het voorliggende Generatiepact blijft dan ook binnen de krijtlijnen van de federale bevoegdheden. De onderhandelingen over een verdere regionalisering van het tewerkstellingsbeleid zullen het voorwerp uitmaken van de regeringsbesprekingen na de verkiezingen voor de federale kamers in 2007.
De minister deelt de opmerking dat het inderdaad de bedoeling is dat economische groei jobs zou opleveren. Er werd dan ook terecht gesteld dat de genomen maatregelen, waarbij de loonlasten selectief worden verlaagd voor door de overheid aangeduide specifieke doelgroepen (jongeren, allochtonen, laaggeschoolde jongeren, oudere werklozen), moeten kunnen resulteren in resultaten op het vlak van werkgelegenheid. Hiervoor ligt de bal dan ook in het kamp van de werkgevers.
De minister citeert ter illustratie van het voorgaande volgende cijfers die de heer Bonte, Kamerlid, tijdens de bespreking van het Generatiepact in de plenaire zitting van de Kamer van volksvertegenwoordigers aanhaalde (stuk Kamer, 2005-2006, Verslag van de vergadering van donderdag 15 december 2005 (avondvergadering)) : vóór de ingang van de maatregelen van het Generatiepact bedroeg de loonkost van een jonge allochtone werknemer 1 722 euro per maand; na het Generatiepact bedraagt de loonkost voor een werknemer met hetzelfde profiel 711 euro voor de eerste 6 maanden na aanwerving, wat neerkomt op een loonlastenverlaging van 1 000 euro per maand voor de eerste 6 maanden. De volgende 30 maanden na aanwerving bedraagt de loonlastenverlaging 650 euro per maand.
Er worden in het Generatiepact dus ook maatregelen getroffen ten voordele van de tewerkstelling van jongeren die op dit ogenblik moeite hebben om aan een job te geraken.
De minister is het overigens niet eens met de opmerking van mevrouw De Schamphelaere als zou Vlaanderen niet geconfronteerd worden met het probleem van jeugdwerkloosheid. Er bestaat wel degelijk een probleem voor laaggeschoolde en allochtone jongeren.
Het is nu aan de werkgevers om gebruik te maken van de substantiële loonlastenverlaging om de beoogde doelgroepen werk aan te bieden.
Wat de opmerkingen betreft van mevrouw De Schamphelaere met betrekking tot de alternatieve financiering van de sociale zekerheid en het welvaartsvast maken van de sociale uitkeringen, verwijst de minister naar twee belangrijke pijlers van het Generatiepact :
1º er worden eerste stappen gezet om de laagste uitkeringen welvaartsvast te maken;
2º voor het eerst in de geschiedenis zal de sociale zekerheid mee gefinancierd worden uit inkomsten uit kapitaal.
Dit zijn, aldus de minister, eerste bouwstenen waarop later verder kan worden gebouwd.
Mevrouw De Schamphelaere wenst meer verduidelijking van de minister over de houding van de regering ten aanzien van het arrest nr. C-114/04 van het Hof Van Justitie van 22 november 2005 in de zaak « Werner Mangold/ Rüdiger Helm » waarbij discriminatie op basis van leeftijd werd veroordeeld. Spreekster is van oordeel dat deze uitspraak mogelijks belangrijke gevolgen kan hebben voor verscheidene maatregelen die in het wetsontwerp betreffende het Generatiepact zijn opgenomen.
Mevrouw De Schamphelaere onderlijnt nogmaals dat zij van oordeel is dat contractuelen die werkzaam zijn in de publieke sector heel wat rechtsgrond hebben om een aantal voordelen in het Generatiepact op te eisen.
De heer Beke voegt hieraan toe dat in het wetsontwerp betreffende het Generatiepact een aantal maatregelen staan die gevolgen hebben voor én de private én de publieke sector. Er bestaat immers een grijze zone tussen beide sectoren waarvoor nu een aantal maatregelen reeds van toepassing kunnen zijn.
Tevens drukt de heer Beke zijn verbazing uit over het feit dat men nu een aantal maatregelen goedkeurt waaraan de Koning uitvoering kan geven, maar waarvan de regering nu nog niet weet of zij daarvoor voldoende middelen zal hebben. Dit zou immers pas duidelijk worden tijdens de budgetcontrole ... Spreker heeft vastgesteld dat een heel aantal maatregelen inderdaad pas op 1 januari 2007 in werking zouden treden, of zelfs nog later, in de loop van 2007.
Ten slotte wenst de heer Beke van de minister te vernemen of er concrete scenario's voorzien zijn waarbij de regering zou ingrijpen wanneer de werkgevers niet de verhoopte inspanningen zouden leveren naar het creëren van werkgelegenheid toe voor de hogervermelde specifieke doelgroepen. Wordt de maatregel in verband met de loonlastenverlaging dan stopgezet of eerder geïntensifieerd ?
De heer Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt op de vraag van mevrouw De Schamphelaere met betrekking tot het recente arrest van het Hof Van Justitie, dat op het ogenblik van de gerechtelijke uitspraak, de administratie reeds bezig was met het oplijsten van alle wettelijke en andere reglementaire bepalingen waarin leeftijd als criterium is opgenomen om bepaalde voordelen toe te kennen. Dit om te kunnen nagaan of deze maatregelen voldoende werden gemotiveerd. Discriminatie is inderdaad niet toegestaan maar een verschillende behandeling is dit wel voorzover er daarvoor een voldoende motivering is en er hiervoor een duidelijk doel is vooropgesteld. Voor het geval er wettelijke bepalingen zouden moeten worden aangepast, zullen deze uiteraard ter goedkeuring aan het parlement worden voorgelegd.
Op de vraag van de heer Beke in verband met de loonlastenverlaging, antwoordt de minister dat immobilisme van de werkgevers in verband met het creëren van werkgelegenheid in geen geval zal worden geduld. De loonlastenverlaging moet effect hebben op de creatie van werkgelegenheid. De minister zal de getroffen maatregel nauwgezet opvolgen en evalueren. Indien na een jaar zou blijken dat de maatregel geen effect sorteert, zal de regering samen met de sociale partners moeten kijken of de getroffen maatregel moet worden bijgestuurd of bijkomende maatregelen zich opdringen.
Mevrouw Van de Casteele geeft aan dat de commissie de kritieken ten aanzien van de werkzaamheden van werkgroep « Vergrijzing van de bevolking » met betrekking tot de eindeloopbaanproblematiek reeds kent. Amendementen van de oppositie die betrekking hebben op die werkzaamheden, zullen niet gesteund worden door haar fractie omdat het debat van de werkgroep en de aanbevelingen ten gevolge van dat debat veel verder gaan dan hetgeen is opgenomen in het wetsontwerp betreffende het Generatiepact. Dit betekent echter niet, aldus mevrouw Van de Casteele, dat haar fractie zich niet meer zou scharen achter de aanbevelingen van de werkgroep « Vergrijzing van de bevolking ».
Spreekster voegt eraan toe dat ook CD&V lang gewacht heeft om haar alternatief voor het Generatiepact bekend te maken. Oppositiepartijen verkeren natuurlijk in een meer comfortabele positie wanneer er maatregelen moeten worden getroffen die sociale onrust opwekken dan sommige andere partijen ...
De heer Beke repliceert dat de CD&V tenminste een alternatief voorstel heeft neergelegd en niet, zoals andere partijen, na het afsluiten van het Generatiepact, meteen verklaarde dat dit pact onvoldoende was en er bijkomende maatregelen nodig zijn voor de « hardwerkende tweeverdieners ».
Mevrouw Van de Casteele antwoordt hierop dat zij en haar collega Noreilde reeds, na het verschijnen van het Verslag van de Commissie voor de Sociale Zaken van de Kamer van volksvertegenwoordigers betreffende de vergrijzingsproblematiek (stuk Kamer, 2003-2004, Nr. 51-1325/1), verscheidene wetsvoorstellen heeft ingediend in de Senaat rond de eindeloopbaanproblematiek. Zij is van oordeel dat men een onderscheid moet maken tussen de eindeloopbaanproblematiek en een algemene discussie over het loopbaanbeleid. Over dit tweede punt kan nog heel wat werk worden verricht, onder meer in de commissie. Dit tezamen met nog andere aanbevelingen van de werkgroep « Vergrijzing van de bevolking ». Spreekster brengt ten slotte hulde aan de leden van de commissie en de werkgroep « Vergrijzing van de bevolking » die proactief gewerkt hebben ten aanzien van het thema van de vergrijzing-loopbaan-eindeloopbaan. Er wordt tenminste met kennis van zaken geoordeeld over het Generatiepact.
4. Sociale Zaken
Mevrouw Van de Casteele verklaart te betreuren dat de regering aan het parlement en meer bepaald aan de Senaat zo weinig mogelijkheden heeft geboden om te reflecteren op de kwaliteit van de wetgeving en om die te toetsen. Ook al is het duidelijk dat het wetsontwerp zeer belangrijke bepalingen bevat en ook al is het begrijpelijk dat zekere omstandigheden tot tijdnood leiden, toch wil de voorzitster wijzen op het gevoel van frustratie bij de senatoren.
Mevrouw De Schamphelaere verklaart het eens te zijn met die kritiek en betreurt dat elk jaar hetzelfde gebeurt.
Het Generatiepact vormt in feite het sluitstuk van een reeks lange politieke onderhandelingen. Als men nu de welvaartvastheid onder de loep neemt, wijst de tekst duidelijk uit dat er een bedrag moet worden vastgesteld en dat de verdeling van de middelen elk jaar opnieuw moet plaatsvinden. Het komt erop neer dat er elk jaar nieuwe onderhandelingen moeten worden aangevat waar de aanwezige actoren min of meer middelen kunnen uit halen naar gelang van hun vermogen. Het gaat dus niet over een volwaardige structurele oplossing om parameters te bepalen waarmee elk jaar de vergoedingen kunnen worden verhoogd.
Dat gaat over de vervangingsinkomens in de particuliere sector. Maar wat met de andere inkomens ?
Wat nu de alternatieve financiering betreft, zijn er bronnen bepaald, doch de bedragen zijn niet vastgesteld. Zo is er sprake van inkomsten uit de tabaksaccijnzen doch men mag er redelijkerwijze van uitgaan dat het tabaksverbruik daalt, wat overigens de bedoeling is van het gevoerde gezondheidsbeleid.
De minister antwoordt dat de cijfers aantonen dat die inkomsten niet zullen verminderen.
Mevrouw De Schamphelaere oefent verdere kritiek uit op de overdracht van winsten op de fiscaliteit die verkregen worden ingevolge de terugverdieneffecten van de verminderingen van de toegestane sociale bijdragen. Elk jaar moet de omvang van de alternatieve financiering worden vastgesteld. De berekening van het terugverdieneffect is altijd een raming.
Die bepalingen zijn dus in feite het vertrekpunt voor onderhandelingen van lange duur en de gelegenheid om de uiteenlopende standpunten tussen de coalitiepartners of met de sociale partners te kennen.
Hoe kan de regering ten slotte de bedoeling hebben om het effect op de werkgelegenheid te meten van de maatregelen zoals de vermindering van de bijdragen voor jongeren of oudere werknemers, terwijl die berekening onmisbaar is voor het berekenen van de alternatieve financiering ?
De minister waarschuwt voor het gevaar dat men zich teveel op details gaat richten ten nadele van een globale visie op het generatiepact.
In verband met de alternatieve financiering, bestaat er een consensus over het feit dat men de sociale zekerheid niet alleen mag financieren op grond van « arbeid » als enige factor. Die consensus is het resultaat van een bijzonder opmerkelijke ontwikkeling.
Voor links was het inhouden van sociale bijdragen op de arbeid, de waarborg voor het behoud van de solidariteit. In die geest weigerde men dat de sociale zekerheid werd gefinancierd door iets anders, zoals bijvoorbeeld de belasting. Voor rechts moest de sociale zekerheid niet langer alleen worden gefinancierd door de productiefactor « arbeid », maar dan moest daaraan een inspanning worden verbonden om de uitgaven te beheersen of alternatieve middelen te gaan zoeken op een andere plaats dan bij de factor « kapitaal ».
Van dat standpunt is inmiddels teruggekomen. Iedereen erkent dat de factor « arbeid » veel te zware lasten ondergaat, dat het systeem van sociale herverdeling ook goede kanten heeft en men aanvaardt dat de productiefactor « kapitaal » bijdraagt tot de financieringsgrondslag.
Een jaar geleden werd de Nationale Arbeidsraad gevraagd om een advies te bezorgen over de alternatieve financieringsbronnen. De Raad is niet tot een consensus kunnen komen en de regering heeft drie pistes voorgesteld :
1. een percentage (15 %) van de ontvangsten van de roerende voorheffing
De regering heeft besloten dat het over ten minste 430 miljoen euro per jaar moest gaan. Men begint op een basis van een minimumbedrag maar het percentage van 15 % kan worden verhoogd in de komende jaren, afhankelijk van het sociaal klimaat, de politieke meerderheid, enz.
2. een verhoging van de financiering door de accijnzen op tabak
Dit type financiering kan dubbelzinnig lijken : in het licht van de volksgezondheid wenst men niet dat het tabaksverbruik verhoogt maar anderzijds is het een bron van financiering. De redenering is wel rationeel : zij berust op het idee om de sociale zekerheid te financieren door het heffen van belastingen op producten die schadelijk zijn voor de gezondheid. Men viseert hier vooral tabak, men zou morgen ook kunnen besluiten om biociden, pesticiden, enz. te belasten.
3. het terugverdieneffect van de verminderingen op de socialezekerheidsbijdragen
In sommige economische kringen denkt men dat de vermindering van de lasten op arbeid de economie zal versterken. In rechtse kringen is men van oordeel dat het feit dat de arbeid te zwaar belast wordt, investeringen ontmoedigt. Die lasten hebben dus per definitie een negatieve invloed op de economie. Links heeft echter twijfels bij het aantal jobs dat zo zal worden gecreëerd.
Als men overtuigd is van de economische impact van de lastenverlaging, zal men dat ook in de belastingen terugvinden. Men zal er dus voor zorgen dat een deel van de gecreëerde waarde in de kassen van de sociale zekerheid terechtkomt aangezien zij ze mee heeft doen ontstaan.
De regering zal de omvang van het terugverdieneffect laten onderzoeken. Momenteel wordt die omvang tussen 7 en 20 % geraamd. Bovendien voorziet de wet in een cliquetmechanisme : als we ons dit jaar op 7 % bevinden, kunnen we het volgende jaar niet lager gaan. De berekeningswijze berust dus op een solide basis.
Het ingevoerde mechanisme met betrekking tot de welvaartsaanpassing is gebaseerd op de uitholling van de vervangingsinkomens uit de sociale zekerheid die dateert van de jaren '80. In 1982 zijn heel strenge maatregelen genomen bij koninklijk besluit met bijzondere volmachten. De vervangende werkloosheidsuitkeringen zijn gedaald van 45,7 % in de jaren '80 tot 27,3 % nu. De uitkeringen voor brugpensioen zijn van 51,2 % gedaald tot 34,8 % en de pensioenen en invaliditeitsrenten zijn gedaald van respectievelijk 44 en 34 % tot 31,7 %.
Men tracht dit fenomeen nu bij te sturen met rationele beslissingen en verbintenissen die ook de volgende regeringen nog kunnen uitvoeren.
De Studiecommissie voor de vergrijzing houdt er rekening mee dat de vergrijzing van onze samenleving zal leiden tot hogere uitgaven in de gezondheidszorg en minder inkomsten in de sociale zekerheid. Als men de uitkeringen wil herwaarderen door ze aan te passen aan de welvaart, kan men daarbij verschillende modellen hanteren : verhoging van de loongrens met 1,25 %, forfaitaire uitkeringen op jaarbasis verhogen met 0,5 %, minimumpensioenen verhogen met 1 %. Dit alles kost ongeveer 340 miljoen euro per jaar.
Het Federaal Planbureau maakte zeer onlangs de volgende cijfers bekend : voor de sociale zekerheid van werknemers en zelfstandigen samen, 243 miljoen euro voor 2008, 500 miljoen euro voor 2009, 767 miljoen euro voor 2010. Dit betekent dat een bijkomend bedrag van ongeveer 1 miljard euro moet worden gefinancierd in vier jaar.
In verband met het probleem met de verdeling van de middelen ten slotte, merkt de minister op dat het zaak is te weten of het debat moet worden gevoerd door de regering dan wel door de sociale gesprekspartners. Het gaat hier om een louter sociaal-economische aangelegenheid en in de visie van de regering is het niet de taak van de Staat zich in de plaats te stellen van de sociaal-economische actoren. Het zijn dus de werkgevers en de vakbonden die, met hun kennis van het terrein, moeten kiezen hoe de door de regering vastgelegde begrotingsmiddelen moeten worden gebruikt.
Mevrouw Van de Casteele is van mening dat een stap in de goede richting werd gezet wat betreft de financiering van de sociale zekerheid. Men is evenwel vergeten dat er ook niet arbeidsgebonden risico's zijn. In ons systeem — en dat is te wijten aan de manier waarop het zich heeft ontwikkeld — spelen de sociale gesprekspartners een grote rol. Het zou echter niet logisch zijn dat die sociale gesprekspartners de gezondheidszorg blijven beheren als die met algemene middelen worden gefinancierd. De gezondheidszorg wordt immers met algemene middelen gefinancierd. We zullen aan dit debat niet kunnen voorbijgaan.
De minister antwoordt dat de regering een moeilijke beslissing genomen heeft met betrekking tot het « globaal » beheer van de sociale zekerheid. Er wordt een nieuw systeem ingevoerd waarin bij een door de regering vastgestelde stijging van de uitgaven die de inkomsten van de sociale zekerheid zouden overschrijden, voorzien wordt in een compensatie vanuit de algemene middelen.
IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
Artikel 7
Amendement nr. 1
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-1484/2), teneinde in artikel 7, § 1, de zinsnede « de volle leeftijd van 62 jaar of » te doen vervallen.
Volgens dit artikel kan een werknemer die de volle leeftijd van 62 jaar heeft bereikt of een loopbaan van ten minste 44 jaar bewijst, aanspraak maken op een pensioenbonus wanneer hij zijn beroepsbezigheid voortzet. Het amendement strekt ertoe uitsluitend de duur van de beroepsloopbaan als uitgangspunt te nemen en niet de leeftijd. Voor nadere achtergrond wordt naar de verantwoording verwezen.
Mevrouw Van de Casteele verklaart inzake de eindeloopbaanproblematiek eveneens voorstander te zijn van het criterium van de duur van de beroepsloopbaan. Het pensioen is evenwel ook een verzekering voor de oude dag. Daarom moet bij de vaststelling van deze uitkering volgens haar ook rekening worden gehouden met de stijgende levensverwachting. Anders komt de betaalbaarheid van het systeem in het gedrang. Bijgevolg vindt zij dat om het systeem betaalbaar te houden in de toekomst met een regeling die zowel op de duur van de beroepsloopbaan als op de levensverwachting betrekking heeft rekening zal moeten worden gehouden. Bepaalde Scandinavische landen hebben trouwens al voor deze combinatie gekozen.
De heer Beke merkt op dat de levensverwachting volgens het verslag van de werkgroep « vergrijzing » per jaar met drie maand stijgt. Dat betekent dat, wanneer men de opvatting van mevrouw Van de Casteele doortrekt, de pensioenleeftijd verhoudingsgewijs moet worden opgetrokken.
Spreker wenst de regering veel succes indien ze daarover met de publieke opinie wenst te communiceren.
Mevrouw Van de Casteele verzet zich tegen deze voorstelling van zaken. Inzake pensioenen kan de levensverwachting uiteraard slechts fractioneel in aanmerking worden genomen. Zij wou enkel het punt maken dat de stijgende levensverwachting de financiële draagkracht van het pensioenstelsel dreigt te verstoren wanneer voor de vaststelling van de pensioenen uitsluitend een beroepsloopbaan van 40 jaar in aanmerking wordt genomen.
De heer Vanvelthoven, minister van Werk, verklaart dat het amendement het al dan niet discriminatoir karakter van de leeftijdsvoorwaarde van 62 jaar aan de orde stelt. De Raad van State heeft een gelijkaardige opmerking geformuleerd met betrekking tot de pensioenen van de zelfstandigen. De regering heeft daarop gepast gereageerd.
Het is de evidentie zelf dat, wanneer alle leeftijdsvoorwaarden inzake pensioenen worden opgeheven, het pensioenstelsel zelf onder druk komt te staan. Het is de essentie zelf van een pensioenregeling dat de toekenning van deze uitkering, ergo van een pensioenbonus, aan een leeftijdsvoorwaarde wordt gekoppeld. Het voorstel om een van de twee alternatieve voorwaarden voor de toekenning van de bonus te schrappen, te weten de leeftijdsgrens van 62 jaar, zou tot gevolg hebben dat er nog minder mensen hierop aanspraak zullen kunnen maken. Een persoon van 62 jaar met een beroepsloopbaan van minder dan 44 kalenderjaren, zou dus onherroepelijk uit de boot vallen. Dat is niet de bedoeling. Bijgevolg vraagt de minster de verwerping van het amendement.
Mevrouw De Schamphelaere verklaart dat haar partij een plan inzake de eindeloopbaanproblematiek heeft uitgewerkt waarin onder meer wordt gepleit voor de « zilversprong ». Een aantal studies heeft namelijk uitgewezen dat fiscale prikkels die een direct belastingvoordeel opleveren voor oudere werknemers die aan de slag blijven, een veel efficiëntere hefboom is om de gemiddelde opstapleeftijd van die werknemers op te trekken.
De minister stelt vast dat de indieners van het amendement aldus een ander standpunt innemen dan in de verantwoording van hun amendement waar zij duidelijk aangeven dat zij « voorstander zijn van het gebruik van de loopbaanduur voor het toekennen van de pensioenbonus, een maatregel die rechtvaardiger en minder discriminerend is dan een louter leeftijdsverschil ».
De heer Beke repliceert dat de keuze van zijn partij voor de « zilversprong » geïnspireerd is op een studie van de UCL volgens welke het terugverdieneffect van een drastische lastenverlaging voor oudere werknemers de kostprijs van die maatregel neutraliseert. Geen enkele andere maatregel garandeert dat effect. Daarom dringt hij erop aan deze optie in het beleid te implementeren.
Artikel 16bis (nieuw)
Amendement nr. 2
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 3-1484/2), teneinde een nieuw artikel 16bis in te voegen, luidende :
« De Hoge Raad voor Werkgelegenheid krijgt de opdracht om te letten op de bijzondere toestand van de 50- plussers op de arbeidsmarkt en om de doeltreffendheid na te gaan van de maatregelen die genomen zijn om hen op de arbeidsmarkt te houden.
Jaarlijks brengt de Hoge Raad hierover verslag uit aan de minister van Werk en aan het Parlement, na een grondige evaluatie van de doeltreffendheid van de genomen maatregelen. »
Voor nadere achtergrond wordt naar de verantwoording verwezen.
De minister herhaalt dat het de bedoeling is de maatregelen van het Generatiepact permanent op hun effectiviteit te evalueren. Een van de instanties die daarmee kan worden belast, is de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. Als voorzitter van deze raad kan de minister van Werk deze instelling sowieso al met een dergelijke evaluatieopdracht belasten. Alvorens over de evaluatiemethode te beslissen, wenst hij hierover eerst met de sociale partners van gedachten te wisselen. Gelet op het voorgaande vraagt hij de verwerping van het amendement.
Artikel 30bis (nieuw)
Amendement nr. 3
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 3-1484/2), teneinde een nieuw artikel 30bis in te voegen, luidende :
« De Koning ontwikkelt een systeem van erkenning van de tijdens de loopbaan verworven bekwaamheden, zodat oudere werknemers hun ervaring ten nutte kunnen maken. »
Voor nadere achtergrond wordt naar de verantwoording verwezen.
De minister verklaart dat de maatregelen inzake levenslang leren een aangelegenheid betreffen waarvoor de gewesten bevoegd zijn. Ingevolge het Generatiepact wordt hier thans met de gewesten overleg over gepleegd. Zij dienen deze maatregelen immers verder uit te werken.
Mevrouw Van de Casteele bespeurt een tegenstrijdigheid in het discours van de indieners van het amendement en hun partij. Enerzijds is de partij voorstander van een verdere regionalisering van bevoegdheden, anderzijds bepleiten de twee indieners in hun amendement federale maatregelen inzake een gewestmaterie.
Mevrouw De Schamphelaere betwist deze voorstelling van zaken. Haar partij wenst geenszins afbreuk te doen aan de bestaande bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten. Het aanbieden van geschikte vormingspakketten en vraaggestuurde opleidingen blijft een bevoegdheid van gemeenschappen en gewesten, maar de validering daarvan op sociaalrechtelijk vlak, bijvoorbeeld inzake arbeids- en pensioenwetgeving, blijft een federale aangelegenheid.
Desalniettemin vraagt de minister de verwerping van het amendement.
Artikel 31
Amendement nr. 4
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 3-1484/2), teneinde het tweede lid van dit artikel te doen vervallen.
Artikel 31 beschrijft het toepassingsgebied van hoofdstuk V met als opschrift « Activerend beleid bij herstructureringen ». Het eerste en het tweede lid van dit artikel luiden als volgt :
« Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers op wie de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing is, en op al hun werknemers.
In afwijking van het vorige lid is dit hoofdstuk niet van toepassing op de werknemers die op het ogenblik van de aankondiging van het collectief ontslag niet ten minste één jaar ononderbroken dienstanciënniteit hebben. »
Het voorgestelde tweede lid heeft tot gevolg dat een belangrijke groep werknemers van deze beschermende maatregel wordt uitgesloten, zoals interimwerknemers die één jaar in een onderneming hebben gewerkt, maar niet op ononderbroken wijze (cf. de verantwoording).
Een ander gevolg zou kunnen zijn dat ondernemingen zoveel mogelijk werknemers in dienst zullen houden die niet aan het in het tweede lid bepaalde criterium voldoen, om in geval van herstructurering geen activerend beleid te hoeven voeren.
De minister preciseert dat de voorwaarde van één jaar ononderbroken dienstanciënniteit geen betrekking heeft op de verplichte maatregelen inzake herstructurering, zoals de oprichting van een tewerkstellingscel. Elke werknemer van ten minste 45 jaar, ook al heeft hij minder dan één jaar ononderbroken dienstanciënniteit, kan vrijwillig van deze cel gebruik maken om zijn tewerkstellingskansen te vergroten.
De in het tweede lid bepaalde uitzondering houdt enkel in dat de werkgever de inschakelingsvergoeding uitsluitend verschuldigd is aan werknemers met ten minste één jaar ononderbroken dienstanciënniteit.
De heer Beke verklaart dat zijn amendement ertoe strekt de inschakelingsvergoeding ook toe te kennen aan werknemers die niet aan deze voorwaarde voldoen. Anders dreigt de voorgestelde uitzondering een pervers effect te creëren in die zin dat werkgevers zoveel mogelijk werknemers in dienst zullen houden die geen jaar ononderbroken dienstanciënniteit hebben.
De minister repliceert dat de in het voorgestelde artikel 31, tweede lid, bepaalde drempel tot doel heeft te vermijden dat de werkgever een inschakelingsvergoeding dient te betalen aan een werknemer die pas één dag in dienst is. Er moet tussen werkgever en werknemer dus een bepaalde band bestaan. Dat neemt niet weg dat werknemers die niet op deze vergoeding gerechtigd zijn, wel gebruik kunnen maken van alle steunmaatregelen die de werkgever verplicht is zelf te financieren, zoals de tewerkstellingscel en de outplacement van 45 plussers.
Hij gaat niet mee met de vorige spreker dat werkgevers louter en alleen om aan de verplichting tot betaling van een inschakelingsvergoeding te ontsnappen, werknemers slechts tijdelijke contracten van minder dan één jaar zouden aanbieden.
Mevrouw Van de Casteele wenst van de heer Beke te weten of flexibiliteit niet inherent is aan interimarbeid. Personen die voor deze contractsvorm kiezen, kunnen volgens haar bij een herstructurering niet gelijkgesteld worden met werknemers die op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur werken. Dat betekent uiteraard niet dat van interimarbeid misbruik zou mogen worden gemaakt om zich aan bepaalde wettelijke verplichtingen te onttrekken.
De heer Beke repliceert dat de vorige spreekster een eenzijdig beeld heeft van interimarbeid. Er zijn tal van grote bedrijven die ruim beroep doen op deze vorm van arbeid en dat voor vaak lange duur.
Artikel 35bis (nieuw)
Amendement nr. 5
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 5 in (stuk Senaat, 3-1484/2) dat ertoe strekt een controlesysteem te ontwikkelen waardoor één van de aanbevelingen van de werkgroep « vergrijzing » wordt omgezet naar een wettelijke bepaling. Mevrouw De Schamphelaere verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Mevrouw Van de Casteele is van mening dat moet gewaakt worden over het ontstaan van communicerende vaten. Hiervoor echter een controlesysteem creëren, zoals het hier geformuleerd is, lijkt de spreekster prematuur.
De heer Beke beaamt dat de voorliggende bepaling vanuit wetgevingstechnisch oogpunt niet ideaal is. Hij repliceert echter dat nog andere bepalingen uit het ontwerp aan hetzelfde euvel lijden en dat zij niettemin toch zullen worden goedgekeurd.
De minister merkt op dat indien er een uitwijk zou ontstaan naar de ziekteverzekering, er reeds een controle, onder de vorm van medische controles, bestaat. Wat de oudere werklozen betreft, willen de bepalingen betreffende de « Canada dry » net dat probleem vermijden.
Bovendien stelt de minister dat hijzelf, bij indicaties over ontstaan van dergelijke communicerende vaten, over voldoende mogelijkheden beschikt om hiervoor de nodige maatregelen te treffen. Hij vraagt dan ook om het voorliggende amendement niet goed te keuren.
Artikel 53
Amendement nr. 6
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 3- 1484/2) dat beoogt artikel 53 te doen vervallen.
Artikel 69bis (nieuw)
Amendement nr. 7
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 7 in (stuk Senaat, 3-1484/2) dat ertoe strekt de aanbeveling betreffende de « skill pooling » van de werkgroep « vergrijzing » te integreren in het voorliggende wetsontwerp.
De minister antwoordt dat het debat over het voorgestelde amendement reeds gaande is binnen de NAR. Het zou daarom onverstandig zijn om de bepaling eenzijdig door te drukken. Hij vraagt dan ook het amendement niet goed te keuren.
Ook mevrouw Van de Casteele is van mening dat het debat in de toekomst moet worden gevoerd.
Artikelen 71bis tot 71tredecies (nieuw)
Amendement nr. 8
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 8 in (stuk Senaat, 3-1484/2) dat ertoe strekt een nieuw hoofdstuk in te voegen dat maatregelen bevat ter versterking van de inspecties van buitenlandse werkgelegenheid in België.
De heer Beke verwijst verder naar zijn schriftelijke verantwoording.
Mevrouw Van de Casteele merkt op dat de pot de ketel verwijt aangezien het voorgestelde amendement de bedoeling heeft om op een drafje een aantal zeer belangrijke bepalingen te doen goedkeuren. Tevens herinnert de voorzitster eraan dat de Commissie in de zeer nabije toekomst de bedoeling heeft om rond de problematiek te werken. Zij acht het daarom voorbarig om de voorliggende bepalingen nu reeds te stemmen.
De minister herinnert eraan dat België tegen 1 mei 2006 moet beslissen of het de arbeidsmarkt volledig openstelt voor de nieuwe EU-onderdanen, of het de bestaande beperkingen verlengt of dat het de bestaande beperkingen geleidelijk aan afbouwt. Spreker merkt op dat de regering dienaangaande nog geen standpunt heeft ingenomen maar dat ze wel de procedure, die tegen eind maart ofwel begin april tot een beslissing moet leiden, heeft uitgetekend.
Persoonlijk is de minister van mening dat er vier belangrijke maatregelen noodzakelijk zijn om een zodanige orde te bereiken op de arbeidsmarkt zodat zij op een gecontroleerde manier kan worden open gesteld. De maatregelen hebben betrekking op :
1. Een systematische voorafgaande registratie van alle buitenlandse werknemers : zij het van binnen of buiten de EU;
2. De registratie maakt een versterkt optreden mogelijk van de verschillende inspectiediensten waarbij een coördinatie op regionaal, nationaal en Europees niveau noodzakelijk is;
3. De werknemers zelf, en ook de werknemersorganisaties, krijgen een rol toebedeeld in die zin dat hen de mogelijkheid wordt geboden om misbruiken voor de Belgische rechtbanken aan te brengen;
4. De hoofdaannemers van bepaalde werken zijn hoofdelijk verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden van al het personeel dat op hun werven wordt tewerk gesteld.
Gezien voorgaande elementen is de minister van mening dat het voorliggende amendement te vroeg komt en dat de discussie later nog zal volgen.
Artikel 132bis (nieuw)
Amendement nr. 9
De heer Beke en mevrouw De Schamphelaere dienen een amendement nr. 9 in dat ertoe strekt om een artikel 132bis (nieuw) in te voegen dat bepaalt dat alle besluiten, genomen ter uitvoering van voorliggend ontwerp, ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Wetgevende Kamers.
De heer Beke herinnert eraan dat in dit ontwerp niet minder dan 96 keer een delegatie aan de Koning wordt gegeven om bepaalde maatregelen te nemen of ze uit te voeren. Verschillende ontwerpen werden overigens al opgesteld en voorgelegd aan allerhande instanties. Gelet op het belang van deze besluiten en gezien de uitgebreide werkzaamheden van de commissie inzake de problematiek van de vergrijzing, lijkt het wenselijk dat ook het parlement de uitvoering van het Generatiepact mede kan opvolgen. Vandaar dat wordt voorgesteld de koninklijke besluiten ter goedkeuring voor te leggen aan het parlement. Binnen welke tijdsspanne denkt de minister overigens deze 96 koninklijke besluiten te redigeren ?
De minister antwoordt dat, wanneer een besluit van de uitvoerende macht ter goedkeuring aan het parlement moet worden voorgelegd, er geen sprake meer is van een koninklijk besluit. Niettemin verklaart hij zich niet enkel bereid om de genomen besluiten ter informatie te bezorgen aan het parlement, maar ook om samen met het parlement regelmatig een balans op te maken van de genomen maatregelen inzake het Generatiepact en hun effecten op het terrein. Sommige maatregelen kan de minister van Werk alleen nemen, andere moeten worden voorgelegd aan de Nationale Arbeidsraad en aan de sociale partners, voor nog andere is overleg met de gemeenschappen en de gewesten noodzakelijk. Bepaalde besluiten moeten onmiddellijk, nog vóór het Kerstreces, worden genomen terwijl andere pas later worden verwacht.
V. STEMMINGEN
De amendementen nrs. 1 tot 5 worden verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
Amendement nr. 6 wordt ingetrokken.
De amendementen nrs. 7 tot 9 worden verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
De commissie stemt met 9 stemmen bij 2 onthoudingen in met het geheel van de artikelen die naar de commissie werden verwezen.
Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 10 aanwezige leden.
| De rapporteurs, | De voorzitter, |
|
Christel GEERTS. Patrik VANKRUNKELSVEN. | Annemie VAN de CASTEELE. |
De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers (stuk Kamer, nr. 51-2128/17)