3-140

3-140

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 15 DECEMBER 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister van Buitenlandse Zaken over ęde geheime NAVO-akkoorden die ten tijde van de Koude Oorlog zijn opgesteldĽ (nr. 3-911)

De voorzitter. - De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Naar aanleiding van de verontrustende berichten over geheime CIA-vluchten is in verschillende Europese landen heel wat opschudding ontstaan. Mijn vraag gaat over de geheime NAVO-akkoorden.

Ten tijde van de Koude Oorlog hebben de NAVO-leden akkoorden gesloten over het militair gebruik van het Europese grondgebied. Die akkoorden regelen ook het militair gebruik van Belgisch grondgebied door de NAVO-partners. De Koude Oorlog ligt intussen al vijftien jaar achter ons en de huidige internationale geopolitieke situatie is niet meer die van de jaren tachtig. Bovendien blijkt nu dat op Europese basissen zaken zijn gebeurd die geen openbaarheid verdragen.

In het regeerakkoord is overeengekomen dat tijdens de huidige regeerperiode opnieuw over deze NAVO-akkoorden moet worden onderhandeld. In februari 2004 antwoordde minister Flahaut op mijn vraag over deze geheime akkoorden dat er `een gezamenlijke werkgroep van Defensie en Buitenlandse Zaken werd opgericht die de technische aspecten van de kwestie onderzoekt om de regering vervolgens toe te laten de kwestie met de internationale partners aan te kaarten'. De gebeurtenissen die vorige week aan het licht kwamen vormen een aanleiding om opnieuw over deze akkoorden te onderhandelen.

Tot welke conclusies kwam de gezamenlijke werkgroep die het opnieuw onderhandelen over de NAVO-akkoorden moet voorbereiden? Heeft BelgiŽ deze nieuwe onderhandeling al op de internationale agenda geplaatst? Welke initiatieven zal de minister nemen om, ter uitvoering van het regeerakkoord, het opnieuw onderhandelen over de akkoorden op de agenda van de NAVO te brengen?

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Namens collega De Gucht kan ik het volgende antwoord geven.

De akkoorden waarnaar verwezen werd, maken de doorgang en het verblijf in BelgiŽ mogelijk van troepen en daarmee verbonden uitrusting van landen die met BelgiŽ verbonden zijn in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. Ze werden afgesloten op basis van het solidariteitsprincipe tussen de NAVO-leden inzake de veiligheid en eerbiedigen artikel 52.1 van het Handvest van de Verenigde Naties. Dat artikel bepaalt dat de staten akkoorden kunnen sluiten met het oog op het behoud van de vrede en de internationale veiligheid en dus een militaire alliantie kunnen sluiten, voor zover deze de doelstellingen en de principes van de Verenigde Naties respecteren.

De herziening van de akkoorden die tijdens de Koude Oorlog in NAVO-verband werden afgesloten omwille van het feit dat de internationale situatie is gewijzigd, is geen eenvoudige zaak. Om te beginnen moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kaderakkoorden die tussen de geallieerden in het NAVO-kader werden getekend, en de bilaterale uitvoeringsakkoorden die tussen BelgiŽ en de natiestaten-leden van de alliantie werden gesloten. Er moet een precieze inventaris worden gemaakt van de bilaterale akkoorden en van de natiestaten waarmee ze werden afgesloten.

Volgens een voorlopige inventaris van de juridische diensten van het hoofdkwartier van Defensie wordt het aantal bilaterale verdragen op meer dan tweehonderd geschat. Meestal gaat het over complexe militair-technische bepalingen waarvan eerst de relevantie moet worden geŽvalueerd op basis van de evolutie van de nieuwste uitrusting en transportmiddelen, maar ook van de huidige herschikking van de geallieerde troepen in Europa. Ook de gevolgen van de transformatiedebatten die een verhoogde flexibiliteit en een snellere inzetbaarheid van de NAVO-middelen beogen en die tegen de NAVO-top van november 2006 beŽindigd zullen zijn, moeten in rekening worden gebracht.

De minister van Defensie laat de akkoorden daarom evalueren door een werkgroep. Dat is een werk van lange adem, waarbij ook de diensten van minister De Gucht betrokken zijn. Daarna wordt op basis van de besluiten van het eerste onderzoek overgegaan tot overleg met de geallieerden waarmee de wederzijdse akkoorden werden gesloten - Canada, de Verenigde Staten, Nederland, Duitsland - en moet erover worden gewaakt dat het solidariteitsprincipe behouden blijft.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Het eerste deel van het antwoord was vrij uitvoerig, maar het tweede deel, over de werkgroep, blijft heel vaag. Ik zal dus opnieuw een vraag moeten stellen. De werkgroep is opgericht, maar is hij ook al bijeen geweest? Ik vermoed van niet, maar als dat toch het geval zou zijn, wat zijn dan de concrete resultaten? Dit onderwerp staat immers in het regeerakkoord en voor de meerderheid is het regeerakkoord nog altijd heilig.