3-1437/2

3-1437/2

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

14 DECEMBER 2005


Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst van 4 april 2003 met het oog op de verwezenlijking van het programma van het gewestelijk expresnet van, naar, in en rond Brussel


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEER COLLAS


I. INLEIDING

Dit verplicht bicameraal wetsontwerp werd oorspronkelijk in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend op 4 juli 2005 (stuk Kamer, nr. 51-1911/1).

Het werd op 17 november 2005 aangenomen, met 112 tegen 16 stemmen bij 1 onthouding.

Het werd op 18 november 2005 overgezonden aan de Senaat.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 14 december 2005 in aanwezigheid van de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER TUYBENS, STAATSSECRETARIS VOOR OVERHEIDSBEDRIJVEN

De staatssecretaris geeft aan dat er het afgelopen jaar een aantal belangrijke beslissingen werden getroffen in de verder uitbouw van het gewestelijke expresnet van, naar, in en rond Brussel. Daarbij is het de bedoeling dat voorliggende tekst strekt tot de ratificatie door het parlement van de Overeenkomst van 4 april 2003.

Immers, vanaf 2007 zal de NMBS twee treinen per uur garanderen van en naar Mechelen, Leuven, Dendermonde, Louvain-la-Neuve, Eigenbrakel en 's Gravenbrakel, van en naar Brussel. Daarbij zal stelselmatig het aanbod verder worden uitgebreid om in 2012 vier treinen per uur te bereiken naar alle bestemmingen, waarbij een vlotte overstap in meerdere knooppunten naar de andere vervoersmogelijkheden wordt aangeboden in de Brusselse agglomeratie. Alle betrokken vervoersmaatschappijen hebben hun engagementen in die zin bevestigd. Het spreekt voor zich dat er zal worden gestreefd om naar aanleiding van het GEN ook nationaal te streven naar één ticketsysteem zodat de reiziger met één vervoerbewijs gebruik kan maken van alle vervoersmiddelen.

De staatssecretaris merkt tot slot op dat, ook al zijn de grote lijnen van de beslissing al genomen, er nog een stuurgroep werd opgericht die continu het dossier zal actualiseren.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Willems juicht de voorliggende overeenkomst toe aangezien hiermee de mogelijkheid wordt geboden om de organisatie van het openbaar vervoer uit de impasse te halen waarin het vele jaren heeft verkeerd.

Deze samenwerking tussen de vier bevoegde overheden en de vier maatschappijen vormt een goede aanzet. Wanneer de spreker echter vergelijkt met buitenlandse voorbeelden, is hij van mening dat een geleidelijke evolutie naar één visie (gezag) en één maatschappij noodzakelijk is voor de aanpak van het mobiliteitsprobleem rond Brussel. Immers, vanuit regionaal oogpunt bekeken, is het noodzakelijk dat de Brusselse metro kan doorlopen tot bijvoorbeeld in Aalst. Voorlopig echter maken gewestgrenzen dit onmogelijk.

Het lid merkt nog op dat niet het gratis openbaar vervoer belangrijk is voor de reiziger, wel de verhoging van de frequentie en de mogelijkheid om van het openbaar vervoer gebruik te maken op het moment dat hij het wenst. Enkel op die manier kan het openbaar vervoer een alternatief vormen voor het autoverkeer. Spreker hoopt dan ook dat met deze visie op langere termijn wordt rekening gehouden.

De staatssecretaris verklaart dat buitenlandse ervaringen tot voorbeeld strekken voor de ontwikkeling van het net in België. Hij stelt tevens dat er wordt gewerkt aan een verhoging van het aanbod aan openbaar vervoer en dat dit aspect inderdaad het belangrijkste is. Immers, verdere investeringen in het openbaar vervoer zullen het fileleed in en rond Brussel verminderen. Gezien de belangrijke nevenaspecten, bijvoorbeeld ook naar CO2-uitstoot, wordt er heel veel belang aan gehecht aan deze realisatie.

Echter voor een verhoging van dat aanbod is de coördinatie heel belangrijk en net daar zal de stuurgroep een belangrijke rol spelen. Spreker is echter niet overtuigd van het voorstel van de heer Willems om te komen tot één structuur die alles centraliseert en hij verwijst daarvoor naar de specificiteit van de Belgische context. Er wordt opgemerkt dat de samenwerking aanwezig is en dat die een belangrijke stap vooruit betekent, die verder zal worden begeleid door de stuurgroep.

De heer Willems repliceert dat het vooral belangrijk is dat de reiziger één beeld heeft van het openbaar vervoer, dat hij geen beroep moet doen op bijvoorbeeld vier dienstregelingen om van punt A naar punt B te gaan. Hoe de eigenlijke organisatorische achtergrond is, daar heeft de consument geen boodschap aan.

IV. STEMMINGEN

De artikelen 1, 2 en 3, alsook het wetsontwerp in zijn geheel worden aangenomen met 8 tegen 2 stemmen.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Berni COLLAS. Jean-Marie DEDECKER.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (stuk Kamer, nr. 51-1911/001)