3-1060/4

3-1060/4

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

24 NOVEMBER 2005


Wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer

Wetsvoorstel tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de Vaste Comités van toezicht op de politie- en de inlichtingendiensten, de Federale ombudsmannen en de Benoemingscommissies voor het notariaat

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de dotatie aan de Hoge Raad voor de Justitie

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit hof

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 123 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dat Hof


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEER WILLE


INHOUD


I. Procedure
II. Inleidende uiteenzettingen
III. Algemene bespreking
IV. Hoorzitting
A. De heren Alex Arts en Michel Melchior, voorzitters van het Arbitragehof
B. De heren Jacques Hamaide en Marc Bertrand, respectievelijk covoorzitter en administrateur van de Hoge Raad voor de Justitie
C. De heer Philippe Roland en mevrouw Christiane Machtens, respectievelijk voorzitter en kabinetsdirectrice van de voorzitter, van het Rekenhof
V. Artikelsgewijze bespreking
VI. Bijlagen
A. Nota van de Dienst Juridische Zaken, Wetsevaluatie en Documentaire Analyse van de Senaat
B. Advies van het Rekenhof over het wetsvoorstel nr. 3-319/1 en en het voorstel van bijzondere wet nr. 3-322/1
C. Nota van het secretariaat van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden

I. PROCEDURE

Het optioneel bicameraal wetsontwerp nr. 3-1060/1 vindt zijn oorsprong in het wetsvoorstel dat de heren Pierre Lano en Bart Tommelein op 19 december 2003 in de Kamer van volksvertegenwoordigers hebben ingediend (stuk Kamer, nr. 51-608/1).

Het volledig bicameraal wetsontwerp nr. 3-1061/1 is een afsplitsing van het bovenvermelde wetsontwerp, terwijl het volledig bicameraal wetsontwerp nr. 3-1062/1 zijn oorsprong vindt in het wetsvoorstel dat de heren Pierre Lano en Bart Tommelein op 22 januari 2004 in de Kamer van volksvertegenwoordigers hebben ingediend (stuk Kamer, nr. 51-722/1).

Het ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit hof (stuk Senaat, nr. 3-1063/1), gaat eveneens terug op een voorstel van de heren Pierre Lano en Bart Tommelein, dat op 16 december 2003 in de Kamer werd ingediend (stuk Kamer, nr. 51-590/1).

De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft deze wetsontwerpen en het ontwerp van bijzondere wet aangenomen op 24 februari 2005 met 135 tegen 2 stemmen en ze op 25 februari 2005 aan de Senaat overgezonden.

Het optioneel bicameraal wetsontwerp nr. 3-1060/1 werd op 10 maart 2005 geëvoceerd. De onderzoekstermijn loopt ten einde op 12 december 2005 (status op 24 november 2005).

Gelet op hun nauwe samenhang werden het wetsvoorstel nr. 3-319/1 en het voorstel van bijzondere wet nr. 3-322/1 van de heren Jean-Marie Dedecker en Luc Willems mee in behandeling genomen.

De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heeft deze wetsontwerpen en wetsvoorstellen besproken tijdens haar vergaderingen van 10 mei, 23 en 28 juni, 14 juli, 13 oktober en 24 november 2005. Op 21 november 2005 vond er een informele overlegvergadering plaats tussen delegaties van Kamer en Senaat.

Dit verslag bevat de bespreking die de commissie aan de bovenvermelde wetsontwerpen en wetsvoorstellen heeft gewijd, alsook de stemmingen, met uitzondering van die welke betrekking hebben op het ontwerp en het voorstel van bijzondere wet betreffende het Arbitragehof nrs. 3-1063/1 en 3-322/1, om redenen die hierna zullen worden vermeld.

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

A. Wetsontwerpen nrs. 3-1060/1, 3-1061/1 en 3-1062/1 en het ontwerp van bijzondere wet nr. 3-1063/1

Er wordt naar de parlementaire voorbereiding in de Kamer verwezen.

B. Wetsvoorstel nr. 3-319/1 en voorstel van bijzondere wet nr. 3-322/1

1. Samenhang met het wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (nr. 3-1060/1)

Het voorliggende wetsvoorstel dat de heer Willems tezamen met de heer Jean-Marie Dedecker op 12 november 2003 heeft ingediend, vertoont heel wat gelijkenissen met het wetsvoorstel dat twee partijgenoten van de auteurs, de heren Pierre Lano en Bart Tommelein, op 19 december 2003 in de Kamer hebben ingediend en dat aan de basis ligt van het bovenvermelde geëvoceerde wetsontwerp (stuk Kamer, nr. 51-608/1). Hun voorstel waarop de in artikel 78 van de Grondwet bedoelde optioneel bicamerale procedure van toepassing was, bevatte evenwel, net zoals het voorstel van de heren Dedecker en Willems, bepalingen tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, welke een aangelegenheid betreft als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Deze bepalingen werden in de Kamer dan ook uit het voorstel gelicht en opgenomen in een afzonderlijk wetsvoorstel (stukken Kamer, nrs. 51-608/5 en 51-1628/1).

Als het ware bij compensatie werd het optioneel bicameraal wetsvoorstel in de Kamer aangevuld met een bepaling tot wijziging van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, teneinde de voorgestelde controleregeling ook in te stellen voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Het overgezonden wetsontwerp en het wetsvoorstel van de heren Dedecker en Willems vertonen zoals gezegd grote gelijkenissen. Er zijn evenwel verschillen. Niet alleen werden de bepalingen betreffende de Vaste Comités van toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, die een aangelegenheid betreffen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, uit het optioneel bicameraal wetsvoorstel gelicht dat aan de basis ligt van het wetsontwerp nr. 3-1060/1. Deze operatie zou trouwens ook moeten gebeuren voor het wetsvoorstel van de heren Dedecker en Willems. Bovendien komen in het geëvoceerde wetsontwerp ook bepalingen voor die niet in het wetsvoorstel staan.

2. Bedoeling van het wetsvoorstel nr. 3-319/1 en van het voorstel van bijzondere wet nr. 3-322/1

Aan de oorsprong van dit voorstel ligt een reeds jarenlang aan de gang zijnde discussie in de Kamer van volksvertegenwoordigers over de vraag in welke mate instellingen die een dotatie ontvangen die op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk wordt uitgetrokken, aan de Kamer verantwoording dienen af te leggen over de aanwending van deze dotatie.

In de toelichting wordt daar nader op ingegaan.

Een van de knelpunten is of deze verantwoordingsplicht ook aan het Arbitragehof kan worden opgelegd.

Volgens de indieners van het voorstel luidt het antwoord bevestigend (stuk Senaat, nr. 3-319/1, blz. 5-7). Zij hebben daarom op 12 november 2003 een voorstel van bijzondere wet ingediend tot wijziging van artikel 123 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dat Hof (stuk Senaat, nr. 3-322/1). Ook hier hebben de heren Lano en Tommelein op 16 december 2003 in de Kamer een gelijkaardig voorstel van bijzondere wet ingediend dat de Kamer op 24 februari 2005 heeft aangenomen en de dag nadien aan de Senaat heeft overgezonden (stuk Kamer, nr. 51-590/1).

Het Arbitragehof maakt echter bezwaar tegen de voorgestelde regeling. De door artikel 142 van de Grondwet aan deze instelling toegewezen bevoegdheden brengen mee dat het Hof soms diametraal tegenover de wetgevende macht komt te staan wanneer het vaststelt dat een wetgevende norm de grondwettigheidstoets niet doorstaat. Indien het Hof bij wet zou worden verplicht zijn rekeningen door de Kamer te laten controleren, zou dat kunnen worden gepercipieerd alsof het Hof in een ondergeschikte positie ten opzichte van de Kamer wordt geplaatst.

III. ALGEMENE BESPREKING

De algemene bespreking werd gevoerd mede op grond van een nota van de Dienst Juridische Zaken, Wetsevaluatie en Documentaire Analyse van de Senaat (bijlage I).

De heer Paul Wille, rapporteur, verklaart dat de voorliggende wetsontwerpen en -voorstellen de fundamentele discussie aanzwengelen over de houding die de wetgever in de toekomst ten opzichte van de dotatiegerechtigde instellingen dient aan te nemen. Centraal in het debat staat het Arbitragehof.

Spreker heeft het gevoel dat sommigen de specificiteit van het begrip dotatie en de gevolgen daarvan op het vlak van de besluitvorming uit het oog hebben verloren of willen verliezen om hun greep op de dotatiegerechtigde instellingen te vergroten.

De laatste jaren is het lijstje van deze instellingen immers voortdurend uitgebreid.

Met betrekking tot het Arbitragehof mag men niet voorbijgaan aan diens bijzondere staatsrechtelijke positie. In het licht van de recente uitbreiding van zijn toetsingsrepertoire tot de volledige titel II van de Grondwet houdende de fundamentele rechten en vrijheden (cf. de bijzondere wet van 9 maart 2003), zou het onaanvaardbaar zijn indien het Hof in de uitoefening van zijn grondwettelijke opdracht zou worden gehinderd doordat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers de bevoegdheid zou worden verleend tot vastlegging en goedkeuring van de dotatie van het Hof, enerzijds, en tot controle en goedkeuring van zijn rekeningen, anderzijds.

Het Arbitragehof kan met betrekking tot de vaststelling en de controle op de aanwending van zijn dotatie dus niet op dezelfde voet worden geplaatst als de andere dotatiegerechtigde instellingen.

Spreker hoopt dat de andere leden van de commissie deze bezorgdheid delen en zich dus zullen verzetten tegen het door de Kamer overgezonden ontwerp van bijzondere wet nr. 3-1063/1 en het voorstel van bijzondere wet nr. 3-322/1, die beide op een diametraal tegenovergestelde visie gestoeld zijn.

De heer Hugo Vandenberghe merkt op dat de politieke betekenis van het ontwerp van bijzondere wet en van de wetsontwerpen, die door de Kamer zijn overgezonden en een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, hierin is gelegen dat zij, door de Kamer van volksvertegenwoordigers de exclusieve bevoegdheid te verlenen met betrekking tot het onderzoek en de goedkeuring van de begroting en de gedetailleerde rekeningen van bepaalde dotatiegerechtigde instellingen, aan de Senaat bevoegdheden wensen te ontnemen die hem krachtens artikel 77 van de Grondwet toekomen. Anders gezegd, deze ontwerpen beogen politieke macht bij de Senaat weg te halen en naar de Kamer over te hevelen. Hoe verregaand dat is, moge blijken uit de verklaringen van de hoofdindiener van deze ontwerpen in de Kamer, de heer Lano, dat « het totale bedrag van de in de algemene uitgavenbegroting voor de acht bovengenoemde instellingen ingeschreven kredieten 88 miljoen euro bedraagt. Samen tellen die instellingen 800 ambtenaren. Volgens het lid zijn er op dat bedrag overigens nog steeds besparingen mogelijk. (...) »

« Op vraag van mevrouw Annemie Roppe (sp.a-spirit) legt de heer Lano uit dat bij sommige instellingen nog besparingen mogelijk zijn omdat bepaalde diensten (boekhouding, personeelsdienst ...) ook door de diensten van de Kamer zouden kunnen worden verstrekt. Hij betreurt dat de bespreking van zijn wetsvoorstellen zo lang heeft aangesleept. Intussen hebben de meeste van die instellingen daarvoor immers reeds zelf personeel aangeworven. » (cf. verslag van mevrouw Roppe, stuk Kamer, nr. 51-608/3, blz. 5 en 6).

Spreker acht het onaanvaardbaar dat de betrokken instellingen de hun door de Grondwet of wet opgedragen opdracht dienen te vervullen, maar zelf niet meer voor hun interne organisatie zouden mogen instaan. Dat strookt niet met het begrip dotatie. Spreker sluit zich dan ook aan bij de kritiek van de Raad van State op een gelijkaardig wetsvoorstel dat de heer Lano tijdens de vorige legislatuur heeft ingediend, dat het ofwel om een dotatie gaat ofwel om iets anders (stuk Kamer, nr. 50-986/6). Wanneer aan een instelling een dotatie wordt toegekend, betekent dat dat zij soeverein over de besteding ervan beslist.

Wat het Arbitragehof betreft, moet men niet alleen voor ogen houden dat de bijzondere wet van 6 januari 1989 een aangelegenheid betreft als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Een niet te verwaarlozen factor is tevens de specifieke positie van het Hof als rechtsprekend orgaan buiten de wetgevende macht. Het is volstrekt ondenkbaar dat het personeelsbeleid van het Arbitragehof zou worden bepaald door de diensten van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Dat zou een ontoelaatbare vermenging van belangen zijn die de onpartijdigheid van het Hof in het gedrang zou brengen. Men moet zich voorstellen wat er kan gebeuren wanneer een vernietigingsberoep wordt ingesteld tegen een wet die in de Kamer werd geïnitieerd, terwijl de diensten van deze assemblee de hand zouden hebben in het personeelsbeleid of het financieel beleid van het Arbitragehof.

Voorts werpt de heer Vandenberghe de vraag op of niet alle wetsontwerpen houdende toekenning van een dotatie aan instellingen die door de Grondwet zelf zijn ingesteld, zoals het Arbitragehof, de Hoge Raad voor de Justitie en het Rekenhof, als uitvoeringswetten moeten worden beschouwd waarvoor de in artikel 77 van de Grondwet bedoelde wetgevingsprocedure moet worden gevolgd.

Spreker besluit dat hij de door de Kamer overgezonden volledig bicamerale ontwerpen in hun huidige formulering niet kan aanvaarden. Het optioneel bicameraal ontwerp zal moeten worden geamendeerd.

De heren Francis Delpérée en Jean-Marie Happart sluiten zich daar volkomen bij aan.

Gelet op de bovenvermelde bezwaren alsook die welke de voorzitters van het Arbitragehof tegen de voorgestelde regeling hebben ingebracht in hun brieven van 11 december 2003, 23 februari en 1 maart 2005, beslist de commissie enkel de voorzitters te horen van de instellingen die door de Grondwet zelf zijn ingesteld, te weten het Arbitragehof, de Hoge Raad voor de Justitie en het Rekenhof.

Op grond hiervan kan de commissie besluiten welke opties zij wenst te nemen en in welke zin zij het optioneel bicameraal wetsontwerp kan amenderen.

IV. HOORZITTING

A. De heren Alex Arts en Michel Melchior, voorzitters van het Arbitragehof

1. Uiteenzetting

I. Antecedenten — De spanningen sedert 2000 met betrekking tot de dotatie voor het Arbitragehof

1.1. Artikel 123, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt : « De kredieten die voor de werking van het Arbitragehof nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van de Dotaties. »

Die tekst is een letterlijke overname van het oorspronkelijke artikel 106, § 1, van de wet van 28 juni 1983 op het Arbitragehof.

Geen van deze bepalingen gaf aanleiding tot uitvoerige bespreking tijdens de parlementaire voorbereiding van beide wetten. Wel werd gesteld dat « Het Hof [...] immers noch direct, noch indirect van de uitvoerende macht af[hangt] » (Parl. St., Senaat, 1988-89, nr. 483/1, blz. 15).

Het bijzondere van een « dotatie » is dat de besteding van het krediet wordt geregeld door de instelling zelf waaraan het wordt verleend. In de begrotingswet wordt dat krediet in één enkel begrotingsartikel bepaald, zonder opsplitsing.

Ten tijde van de oprichting van het Arbitragehof waren er enkel dotaties voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de Koninklijke Familie. Tot 1990 werden die dotaties goedgekeurd in een afzonderlijke jaarlijkse wet houdende de begroting der Dotatiën.

Die werkwijze gaf mede vorm aan de wederzijdse onafhankelijkheid van deze Staatsmachten. Dat toen ook aan het Arbitragehof een dotatie werd verleend, was kenmerkend voor de autonomie die werd toevertrouwd aan dat Hof, om het toe te laten in volle onafhankelijkheid te fungeren als scheidsrechter tussen de wetgevers van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten.

1.2. Behoudens één opmerking bij de bespreking van de begroting der Dotaties van het begrotingsjaar 1985 (Parl. St., Kamer, 4-IV, 1984-1985, nr. 3, blz. 5) bestaat er geen enkele parlementaire verwijzing naar de dotatie of de jaarrekening van het Arbitragehof.

In de praktijk wordt er een gewoonterechtelijke regel toegepast, die ontstaan is tengevolge van een afspraak in 1985 tussen de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers en enkele rechters, gewezen parlementsleden die optraden namens het Arbitragehof (Parl. St., Kamer, 1999-2000, nr. 50-0693/001, blz. 8-9). Die regeling bestaat erin dat het Arbitragehof zijn begroting opstelt en op basis hiervan zijn dotatie voorstelt aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, met mededeling aan de minister van Begroting.

Tevens werd de jaarrekening, na goedkeuring door het Hof op verslag van twee daartoe aangestelde rechters-commissarissen, medegedeeld aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

2.1. Op 24 maart 2000 besliste de commissie voor de Comptabiliteit van de Kamer van volksvertegenwoordigers haar bevoegdheid uit te breiden tot de « begroting en de rekeningen van het Arbitragehof », ook al werd door de voorzitter beklemtoond dat « het Arbitragehof tot geen enkele van de drie klassieke Staatsmachten kan worden gerekend » (ibid., nr. 50-693/001, blz. 4).

2.2. Naar aanleiding van de bespreking van de begroting van het Arbitragehof voor het begrotingsjaar 2000 werden de voorzitters van het Hof door de Kamercommissie voor de Comptabiliteit uitgenodigd om op 22 mei 2000 uitleg te geven over de begroting van het begrotingsjaar 2000. Het Arbitragehof nam bij monde van voorzitter M. Melchior een afwijzend standpunt in ten aanzien van die beslissing (ibid.).

2.3. Het Arbitragehof is steeds bij zijn principieel standpunt gebleven. Dat standpunt kan worden samengevat als volgt :

a) kenmerkend voor een dotatie is dat het gaat om een krediet dat is opgenomen in de algemene uitgavenbegroting, maar waarvan de besteding wordt geregeld door de instelling waaraan het wordt verleend (Parl. St., Kamer, 2000-2001, nr. 50-0986/006, blz. 4, advies van de Raad van State, dat verwijst naar R. Senelle en E. Clement, Dotations, Brussel, La Charte, 1990, blz. 2);

b) dit belet niet dat de rekeningen in volledige transparantie kunnen worden verantwoord door mededeling ervan aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

2.4. Dotatie

Uit pragmatische overwegingen van openheid heeft het Hof beslist om bij zijn dotatie-aanvraag ook de door het Hof goedgekeurde begroting ter informatie toe te voegen.

Uit de verslagen van de commissie voor de Comptabiliteit van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de correspondentie met de voorzitter van de Kamer blijkt dat het Arbitragehof bovendien is ingegaan op de vraag om zijn rekeningen op te stellen volgens het door de Kamer voorgestelde schema.

Het Arbitragehof dient in beginsel geen aanvullende dotaties te vragen. Niet-essentiële begrotingswijzigingen kunnen door middel van interne compensatie worden geregeld.

Dit standpunt is bekend bij de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

In dat verband kan onmogelijk het door de Kamer opgeworpen argument worden aanvaard dat het Arbitragehof afstand zou hebben genomen van de principiële houding die het sinds 1985 heeft aangenomen, door sinds 2000 in te gaan op de verzoeken van de Kamer met betrekking tot de mededeling van de begroting en de controle van de rekeningen.

2.5. Jaarrekeningen

Tussen de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de voorzitters van het Arbitragehof werd ten aanzien van de controle op de jaarrekeningen een procedureprotocol afgesproken. Dit protocol ligt besloten in een gezamenlijke brief van 20 juni 2002, gericht aan de Eerste voorzitter van het Rekenhof.

Dit protocol wordt sedertdien door het Arbitragehof uitgevoerd als volgt :

— de rechters-commissarissen maken een verslag op;

— dit verslag wordt met het ontwerp van jaarrekening overgemaakt aan de voorzitters van het Rekenhof met het verzoek een verslag op te maken « wat de overeenstemming van de in rekening gebrachte uitgaven met de begroting betreft »;

— het Hof bespreekt de ontwerpjaarrekening mede aan de hand van de voornoemde verslagen, keurt de rekening goed en maakt de verslagen en de rekeningen over aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

2.6. De aangelegenheid van de « reserve »

Tot voor kort behield het Arbitragehof een reservefonds ontstaan uit het saldo van de voorgaande jaren. Sedert de spanningen omtrent de dotatie 2001, besliste de commissie voor de Comptabiliteit van de Kamer van volksvertegenwoordigers :

— met betrekking tot de dotatie 2001 : « Bij onderzoek van de rekeningen van het begrotingsjaar 2000 van het Arbitragehof zal de Commissie een beslissing nemen over de bestemming van de nog overblijvende « reserve » van dit Hof » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, nr. 50-0905/028, blz. 2).

— met betrekking tot de dotatie 2002 : De stijging van de begroting wordt met de reserve gefinancierd.

De voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers deelt mee : « Tevens vestig ik uw aandacht op de hiernavolgende beslissingen van de Kamer en haar Commissie voor de Comptabiliteit : ten behoeve van het Arbitragehof kan een bepaalde financiële reserve (buiten de begroting) worden gehandhaafd, mits stabilisering ervan ».

Sedertdien wordt jaarlijks de reserve evenwel verder uitgehold en wordt het akkoord in verband met de reserve gerelativeerd.

Het Arbitragehof is de mening toegedaan dat een reserve voor 6 maanden werking onontbeerlijk is voor zijn onafhankelijkheid.

Dit recht op een reserve wordt ook erkend door de heer volksvertegenwoordiger Pierre Lano in de verantwoording van zijn amendement van 28 maart 2002 (Parl. St., Kamer, 2000-2001, nr. 50-0987/003, blz. 2) (zie hoofdstuk II hierna).

2.7. Met het « voorstel van eenvormige indeling van de uitgavenbegroting » dat voor verschillende instellingen als de Hoge Raad voor de Justitie e.a. is uitgewerkt, heeft het Arbitragehof geen uitvoeringsprobleem. De manier van opstellen van de jaarrekening vormt geen voorwerp van dispuut.

Het Hof blijft enkel voorbehoud maken wat de principes inzake de dotatie betreft.

II. Totstandkoming van de voorgestelde wetswijziging

1. Op 29 november 2000 dient de heer volksvertegenwoordiger Pierre Lano een voorstel van bijzondere wet in tot wijziging van de bijzondere wet op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit Hof (Parl. St., Kamer, 2000-2001, nr. 50-987/001). Het strekt ertoe een wettelijke onderbouw te voorzien « voor de controle en de goedkeuring van begrotingen en rekeningen » van het Arbitragehof door de Kamer van volksvertegenwoordigers. Een gelijklopend voorstel wordt ingediend voor het Rekenhof, de Vaste Comités van toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, de federale ombudsmannen (ibid, nr. 50-986/001) en de Hoge Raad voor de Justitie (ibid, nr. 50-988/001).

2. Namens de commissie voor de Comptabiliteit wordt over die voorstellen verslag uitgebracht door de heer volksvertegenwoordiger André Schellens (ibid, nr. 50-986/005).

Bij brief van 26 april 2001 bevestigt het Arbitragehof zijn bezwaren tegen het voorstel van bijzondere wet.

Op 11 juni 2001 stelt de Raad van State in zijn advies onder meer dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de betrokken instellingen « die alle, in verschillende mate, met het Parlement verbonden zijn en anderzijds [...] het Arbitragehof » (ibid, nr. 50-986/006).

Verder in het advies wordt gesteld dat het onderwerpen aan een strenge controle wellicht geen afbreuk zou doen aan de onafhankelijkheid van het Hof maar dat het « hoe dan ook die onafhankelijkheid [zou] op de helling zetten in de ogen van de overige rechtzoekenden, inzonderheid van de decreetgever en de ordonnantiegever, die evenzeer als de federale wetgever onderworpen zijn aan de controle van het Arbitragehof » (ibid, blz. 5).

In een amendement van 28 maart 2002 (Parl. St., Kamer, 2001-2002, nr. 50-0987/003) schrapt de heer Lano de bevoegdheid van de Kamer om « de uitvoering van de begroting te controleren » om aldus tegemoet te komen aan het advies van de Raad van State.

3. Kort na het afsluiten van het protocol met de heer voorzitter De Croo met betrekking tot de jaarrekening van het Arbitragehof (20 juni 2002) worden de voorzitters van het Arbitragehof door de commissie voor de Financiën van de Kamer uitgenodigd voor een hoorzitting op 10 juli 2002 ter bespreking van het voorstel van bijzondere wet van de heer Lano tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit hof (nr. 50-0987/001 en het gelijklopende hernomen voorstel (nr. 50-1400/001). Voorzitter M. Melchior herneemt de inhoud van zijn tussenkomst voor de Commissie voor de Comptabiliteit van 22 mei 2000. Voorzitter A. Arts legt een nota neer.

De behandeling van het voorstel wordt blijkbaar opgeschort, zonder dat een verslag van die hoorzitting aan de voorzitters van het Arbitragehof wordt overgemaakt. Het voorstel, dat niet in de Kamer werd aangenomen, is komen te vervallen bij de ontbinding van de Kamer op 9 april 2003.

4. Op 11 december 2003 herhaalt het Arbitragehof in een brief aan de voorzitter van de Senaat zijn bezwaren tegen het voorstel van de senatoren Dedecker en Willems die het voorstel van de heer Lano hernemen (stuk Senaat, nr. 3-322/1).

5. Op 16 december 2003 dienen de heren Lano en Tommelein opnieuw een voorstel van bijzondere wet in tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (stuk Kamer, nr. 51-590/1).

6. Bij brief van 23 februari 2005 aan de voorzitters van Kamer en Senaat en aan de betrokken ministers reageert het Arbitragehof op de plotse goedkeuring door de commissie van Financiën van de Kamer van het voorstel van de heren Lano en Tommelein.

Zij kunnen zich terugvinden in de gedachtegang dat de Kamer een wettelijke basis wenst om controle uit te oefenen op de begroting en de rekeningen van instellingen die van haar of de uitvoerende macht afhangen en daarbij eenvormigheid nastreeft. Het Arbitragehof kan evenwel niet akkoord gaan om dergelijke regeling ne varietur op het Hof toe te passen. De Raad van State heeft dat principieel standpunt gevolgd in zijn advies over het eerste voorstel van de heer Lano dat in 2003 is komen te vervallen (stuk Kamer, nr. 50-986/6, blz. 5).

In het summiere verslag van 16 februari 2005 (nr. 51-608/3) wordt niet ten gronde verwezen naar de besprekingen en de hoorzittingen van 2000 en 2002 waarin de zienswijze van het Arbitragehof wel aan bod is gekomen.

Opvallend is wel de verklaring van een van de indieners, de heer Lano, dat « niet iedereen voorstander is van het opleggen van die regels aan het Arbitragehof, dat zijn onafhankelijkheid tegenover de wetgevende macht inroept om dergelijke controle op zijn begrotingen en rekeningen af te wijzen. Hij laat het aan de wijsheid van de commissieleden over daarover te oordelen. » Die laatste uitspraak is veelbetekenend. « Twee andere commissieleden, mevrouw Roppe en de heer de Donnea, beklemtonen het belang van transparante begrotingen en rekeningen. Zij zijn van oordeel dat ook het Arbitragehof op dat vlak aan dezelfde regels moet worden onderworpen als de overige dotatiegerechtigde instellingen » (stuk Kamer, nr. 51-608/3, blz. 5-6).

Tijdens de plenaire zitting van de Kamer, die op 24 februari 2005 eveneens haar goedkeuring hecht aan het betrokken voorstel, wordt evenmin melding gemaakt van de principiële bezwaren van het Arbitragehof en van de Raad van State.

III. Herneming van de principiële bezwaren

Standpunten

1. Dotatie

Het Arbitragehof blijft bij zijn standpunt dat zijn dotatie, in dezelfde verantwoordelijke vrijheid als bijvoorbeeld die van de Senaat en met dezelfde zin voor staatsburgerschap een bijkomende waarborg is voor zijn onafhankelijkheid ten aanzien van alle wetgevende en uitvoerende machten. In zijn advies van 11 juni 2001 over de wetsvoorstellen « Lano » heeft de Raad van State uitdrukkelijk gewezen op het onderscheid tussen de « dotatiegerechtigde » instellingen die alle, in verschillende mate, met het Parlement verbonden zijn, en anderzijds het Arbitragehof (Parl. St, Kamer, 2000-2001, nr. 50-986/6, blz. 5).

Het Arbitragehof is immers geroepen om op te treden als scheidsrechter tussen de verschillende wetgevers van het federale België en als constitutionele rechter van hun wetgevende handelingen. Het Hof, dat voor de helft is samengesteld uit gewezen parlementsleden, moet worden beschouwd als een instelling met een specifieke autonomie die zich ook uit in het eigen financieel beheer.

Het voorstel om ook de « gedetailleerde begroting » van het Arbitragehof « te onderzoeken en goed te keuren alsook de uitvoering ervan te controleren en de gedetailleerde rekeningen te verifiëren en goed te keuren », gaat wat het Arbitragehof betreft volstrekt in tegen de notie « dotatie » zelf zoals die destijds is opgevat ten opzichte van de Kamer, de Senaat en het Koningshuis en waarbij de controle op de aanwending van de dotatie aan de betrokken instelling zelf wordt overgelaten. Het gaat vooral in tegen de geest van de bestaande regeling, die de wederzijdse autonomie van de betrokken overheden wil eerbiedigen.

De bijzondere wetgever heeft recent zijn vertrouwen in het Hof bevestigd met de uitbreiding van zijn toetsingsbevoegdheden tot alle grondwettelijke fundamentele rechten en vrijheden (bijzondere wet van 9 maart 2003).

Het principe van de dotatie moet dus worden geëerbiedigd. Van een toegeving vanwege het Arbitragehof kan geen sprake zijn. Het Hof heeft het wel als vanzelfsprekend aanvaard dat de begroting op grond waarvan de dotatie wordt aangevraagd, ter informatie aan de Kamer wordt meegedeeld.

Het Hof is evenwel niet ingegaan op het herhaald verzoek van de Kamercommissie voor de Comptabiliteit om begrotingswijzigingen mee te delen. Indien het Hof binnen zijn eigen begroting verschuivingen of compensaties doorvoert om bepaalde kosten te dekken die hoger uitvallen dan oorspronkelijk geraamd, dan is dat een interne aangelegenheid waarvoor geen begrotingswijziging hoeft te worden aangevraagd om de eenvoudige reden dat het Hof formeel geen begroting aan de Kamer dient voor te leggen.

Het Hof gaat wel akkoord met het voorstel dat, wanneer zich nieuwe, recurrente uitgaven voordoen, bijvoorbeeld ingevolge een uitbreiding van de personeelsformatie, hiervoor een aanvullende dotatie wordt aangevraagd of dat ze worden vermeld in de dotatie van het volgende jaar.

Het valt te begrijpen dat de Kamer heeft willen reageren op de toename van het aantal instellingen met een dotatie door een gemeenschappelijke structuur voor het nazicht en de goedkeuring van hun begrotingen en gedetailleerde rekeningen in te stellen. Die instellingen zijn immers instrumenten die ter beschikking staan van ofwel het Parlement, zoals de federale ombudsmannen, ofwel de Kamer, zoals het Rekenhof.

In overeenstemming met de rechtspraak inzake het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, meent het Arbitragehof echter dat het niet gerechtvaardigd is om instellingen met een verschillend statuut op eenzelfde wijze te behandelen. Het hoeft geen betoog dat het Arbitragehof geen instrument van het Parlement of de wetgevende macht is, maar een hof dat toezicht houdt op de grondwettelijkheid van de wetgevende handelingen.

Vanuit juridisch oogpunt is het dan ook zeer bizar om vast te stellen dat de wet van 27 december 2004 houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2005 (Staatsblad van 4 maart 2005, blz. 8705) het Arbitragehof opneemt in de tabel met de kredieten voor de dotaties voor het jaar 2005, als één van de instellingen die afhangen van de federale wetgevende Vergaderingen zoals het Rekenhof, de Hoge Raad voor de Justitie en de federale ombudsmannen.

Het is belangrijk dat het Hof onafhankelijk blijft voor de opmaak van zijn begroting, zonder inmenging of schijnbare inmenging van de Kamer van volksvertegenwoordigers, inzonderheid de commissie voor de Comptabiliteit.

De wetgeving evolueert op natuurlijke wijze. Het is dan ook niet uitgesloten dat men aanneemt dat er thans twee categorieën van dotaties bestaan aan instellingen die buiten de controle van de uitvoerende macht vallen. De dotatie van de eerste categorie betreft de civiele lijst en de koninklijke familie, de Kamer, de Senaat en het Arbitragehof, die van tweede categorie de instellingen die in grotere of geringere mate verbonden zijn aan het Parlement, zoals de Hoge Raad voor de Justitie en de benoemingscommissies voor het notariaat, en die functies vervullen die vroeger werden waargenomen door een minister wiens begroting door de Kamer gecontroleerd werd.

2. Jaarrekening

Het Arbitragehof heeft — zonder daartoe door enige wettelijke norm verplicht te zijn — de grootst mogelijke transparantie van zijn jaarrekeningen nagestreefd en is ingegaan op ieder verzoek tot vormelijke aanpassing die de transparantie kon verhogen.

Zo wordt de jaarrekening opgemaakt volgens het door de Kamer voorgestelde schema.

De meermaals ingeroepen argumentatie dat het Arbitragehof zich nu zou verzetten terwijl het zich de jongste jaren gericht heeft naar de voorstellen van de Commissie voor de Comptabiliteit van de Kamer van volksvertegenwoordigers, is onjuist en miskent het onderscheid tussen de ter zake geldende beginselen en de bereidheid van het Hof tot transparantie.

3. Reservefonds

Het Arbitragehof is de mening toegedaan dat een reserve om zijn werking voor 6 maanden te verzekeren, onontbeerlijk is voor zijn onafhankelijkheid.

Sinds 2000 wordt de dotatie van het Hof echter gedeeltelijk gefinancierd door zijn eigen reserve. Dat heeft er ondertussen voor gezorgd dat de reserve nog slechts een illusie is en alleen nog in theorie bestaat.

4. In ondergeschikte orde — Suggestie

Het Arbitragehof meent dat uit de praktijk der jongste jaren zich een consensus heeft kunnen ontwikkelen die ook inzake de dotatie en het reservefonds kan worden bereikt.

Wanneer desondanks een wijziging van de bijzondere wet als absoluut noodzakelijk zou worden ervaren, verwijst het Arbitragehof naar de eigen tekstvoorstellen zoals die zijn neergelegd bij de commissie voor Financiën van de Kamer van volksvertegenwoordigers in de hoorzitting van 12 juli 2002 :

a) in Tabel I van de federale uitgavenbegroting,

— in afdeling 33, enkel de « werkelijke dotaties » opnemen, met name :

— 33 1 Dotatie aan het Arbitragehof;

— 33 2 Dotatie aan de Duitstalige Gemeenschap;

— 33 3 Dotatie aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;

— in een afdeling 33bis voorzien voor die instellingen die opgericht zijn als instrumenten van de wetgevende of de uitvoerende macht;

b) in ondergeschikte orde : artikel 123, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof wijzigen als volgt :

« § 1. — De kredieten die voor de werking van het Arbitragehof nodig zijn, worden uitgetrokken als dotatie op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk, onverminderd de bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers om kennis te nemen van de rekeningen.

Het Arbitragehof hanteert voor zijn rekeningen een gedetailleerd schema dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers. ».


Tot slot legt de voorzitter, de heer Arts, de commissie twee vragen voor :

— wie kan duidelijk maken welke positie het Arbitragehof in ons staatsbestel inneemt ? Is het Hof een instrument van de wetgevende macht of van de uitvoerende macht of behoort het tot de rechterlijke macht ? De vraag stellen is ze ook beantwoorden. Het Hof wenst hierover echter zelf geen stelling in te nemen om te vermijden dat het Hof in de verlegenheid zou worden gebracht door zich een hogere plaats toe te kennen dan nodig;

— de praktijk die gewoonterechtelijk is gegroeid en in het bovenvermelde protocol van 20 juni 2002 is verankerd, beantwoordt aan alle wensen inzake transparantie en openbaarheid. Wat is dan de echte motivering om met dit voorstel van bijzondere wet aan de onafhankelijkheid van het Arbitragehof te tornen ? Waarom wordt de modus vivendi die sinds 1990 was gegroeid, op de helling geplaatst ?

2. Opmerkingen

De heer Philippe Mahoux wijst erop dat de taak die het Arbitragehof door de Grondwet toegewezen krijgt, het argument dat het niet aan het Parlement, in dit geval de Kamer van volksvertegenwoordigers, is de begroting en de dotatie van het Hof goed te keuren en de uitvoering ervan te controleren, onafwendbaar maakt. Gezien de plaats die het Hof inneemt in de Belgische institutionele architectuur, komt het hem voor dat dit algemene beginsel onweerlegbaar is.

Ten tweede biedt de vaststelling dat alle instellingen zelf voor interne en externe controle zorgen een denkspoor dat nader onderzoek verdient. De interne controle is er voor een goed management van de instelling en maakt het mogelijk problemen aan het licht te brengen en de verantwoordelijkheid van de leidinggevenden van de instelling te bepalen. De externe controle wordt meestal uitgeoefend door een bedrijfsrevisor en waarborgt de nauwgezetheid van de rekeningen.

Daarom pleit spreker voor een interne audit door het Hof zelf, overeenkomstig de wettelijke bepalingen en de prudentiële regels. Indien, zoals de Kamer dat eist, er een externe controle moet worden georganiseerd, moet er een procedure worden uitgewerkt die een bijkomende waarborg biedt. Het is evenwel uitgesloten dat de controle wordt uitgeoefend door een instelling, namelijk de Kamer van volksvertegenwoordigers, ten opzichte waarvan het Arbitragehof zich geheel onafhankelijk moet opstellen. Met dergelijke methode kan worden gecontroleerd of de dotatie aan het Hof correct wordt aangewend. Tegelijk vrijwaart ze het Hof van rechtstreekse controle door de Kamer, die als een inmenging in de interne organisatie van het Hof kan worden geïnterpreteerd. Het is duidelijk dat die laatste mogelijkheid vandaag niet aan de orde is. Grondwettelijk gezien dienen evenwel procedures tot stand te worden gebracht die de juridische positie van het Hof ten opzichte van de wetgevende assemblees in acht nemen en voorkomen dat het Hof het risico loopt te worden bevoogd.

B. De heren Jacques Hamaide en Marc Bertrand, respectievelijk covoorzitter en administrateur van de Hoge Raad voor de Justitie

1. Uiteenzetting

Medevoorzitter Jacques Hamaide verklaart dat de Hoge Raad voor de Justitie van bij zijn oprichting een gedetailleerde begroting heeft opgesteld waarin alle uitgaven werden verantwoord die de Raad moest doen om zijn constitutionele opdracht te vervullen. Hiertoe heeft de Raad een beroep gedaan op het Rekenhof. Bovendien heeft hij hulp gekregen van de heer Potoms, griffier van het Arbitragehof. Op die manier raakte de Raad vertrouwd met de begrotings- en boekhoudtechnieken.

De Raad verklaart gewonnen te zijn voor de eenmaking van het rekeningenstelsel. Daarom hebben vertegenwoordigers van de Raad deelgenomen aan vergaderingen waar een standaard-rekeningenstelsel voor de betreffende instellingen werd opgesteld. Men moet er zich echter rekenschap van geven dat die instellingen zeer uiteenlopende bevoegdheden hebben en bijgevolg moeilijk met elkaar kunnen worden vergeleken. Het feit dat die instellingen uit praktische overwegingen hetzelfde rekeningstelsel gebruiken, mag geen voorwendsel zijn om ze over dezelfde kam te scheren.

Elk jaar stelt de Raad zijn begroting op, die door zijn algemene vergadering wordt goedgekeurd en vervolgens aan de Kamer wordt voorgelegd. Tot nu toe heeft de commissie voor de Comptabiliteit van de Kamer ze elk jaar aangenomen. De Raad acht het normaal dat hij bij de Kamer een begroting moet indienen die het totaalbedrag dat hij vraagt, verantwoordt. Vanzelfsprekend zijn er elk jaar wijzigingen. Het aannemen van de wet betreffende de derde toegangsweg tot de magistratuur bijvoorbeeld zal bijkomende uitgaven met zich brengen ten belope van ongeveer 100 000 euro voor het organiseren van de examens (bijvoorbeeld de presentiegelden voor de leden van de examenjury). Dergelijke uitgaven worden in de begroting opgenomen ter verantwoording van de dotatie.

Wat het delicater probleem van de begrotingsaanpassingen betreft, wijst de heer Hamaide erop dat de Raad elk jaar aanpassingen heeft aangebracht om de begroting binnen de enveloppe die haar werd toegestaan in evenwicht te brengen. Die aanpassingen werden steeds eenparig door de commissie voor de Comptabiliteit van de Kamer aangenomen.

Het spreekt vanzelf dat de commissie controleert of de rekeningen nauwgezet worden bijgehouden en niet of de uitgaven opportuun zijn. Het is de Raad die in alle onafhankelijkheid beslist waaraan hij die middelen zal besteden.

Momenteel veroorzaakt de controle geen problemen. De Raad wijst twee rekeningcommissarissen aan, een magistraat en een niet-magistraat van verschillende taalrol, om voor de interne controle van de boekhouding in te staan. Op uitdrukkelijk verzoek van de Raad controleert het Rekenhof ook jaarlijks of de rekeningen nauwgezet zijn bijgehouden, waarbij het ook de kans krijgt onmiddellijk op eventuele problemen te reageren. In die optiek heeft het Hof reeds suggesties gedaan die de Raad gevolgd heeft. In zijn verslagen heeft het Rekenhof steeds de lof van de boekhouding van de Raad gezongen.

De heer Hamaide besluit met de verklaring dat de rekeningen achteraf gecontroleerd worden. De controle behelst de nauwgezetheid ervan en de inachtneming van de totale enveloppe die de Raad toegewezen krijgt en niet of de uitgaven opportuun zijn, want dat kan de onafhankelijkheid van de Raad schaden. Het enige delicate punt betreft de begrotingsaanpassingen. In de praktijk zijn er echter nooit problemen geweest.

2. Opmerkingen

De heer Hugo Vandenberghe wenst te weten welk standpunt de Hoge Raad heeft ingenomen met betrekking tot het door de Kamer aangenomen wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de dotatie aan de Hoge Raad voor de Justitie (stukken Kamer, nrs. 51-722/1-3).

De heer Hamaide antwoordt dat het enige punt uit het voorgestelde artikel 259bis-22, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, betrekking heeft op de zinssnede « onverminderd de bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers om (...) de gedetailleerde begroting van de Hoge Raad voor de Justitie te onderzoeken en goed te keuren alsook de uitvoering ervan te controleren en de gedetailleerde rekeningen te verifiëren en goed te keuren, (...) (zie art. 2 van het ontwerp — stuk Kamer, nr. 51-722/1).

Het spreekt vanzelf dat de controle op de uitvoering van de begroting alleen betrekking heeft op de regelmatigheid ervan en niet op de wenselijkheid.

C. De heer Philippe Roland en mevrouw Christiane Machtens, respectievelijk voorzitter en kabinetsdirectrice van de voorzitter, van het Rekenhof

1. Uiteenzetting

De heer Philippe Roland, voorzitter van het Rekenhof, wijst erop dat de verschillende wetsontwerpen en -voorstellen over de nadere regels inzake de indiening van begrotingsvoorstellen en de controle op de rekeningen van bepaalde instellingen die een dotatie krijgen, het Rekenhof om twee redenen aangaan.

Enerzijds worden een aantal regels vastgesteld met betrekking tot de begroting en de rekeningen van het Rekenhof. Anderzijds wordt in sommige van die ontwerpen en voorstellen de bestaande situatie bevestigd, waarbij het Rekenhof de Kamer van volksvertegenwoordigers helpt bij het onderzoek van de rekeningen van bepaalde instellingen die een dotatie krijgen.

Het Rekenhof is al geraadpleegd door de Kamer (1) en de Senaat (2) over verschillende wetsvoorstellen over hetzelfde onderwerp. Het Rekenhof is ook op 16 juli 2002 gehoord door de Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting over de zogenaamde wetsvoorstellen « Lano ».

Het Rekenhof heeft van bij het begin benadrukt dat de voorstellen, wat zijn eigen begroting en rekeningen betreft, een relatief oud gebruik — dat dateert van 1985 — bevestigt, waarbij de begrotings- en boekhoudkundige documenten, opgesteld en goedgekeurd door de algemene vergadering van het Hof overeenkomstig een beslissing van het bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 6 november 1984 aan de voorzitter van die assemblee worden gezonden. De begroting van het daaropvolgende jaar, de aanpassing van het lopende jaar en de rekeningen van het vorige jaar worden door de eerste voorzitter van het Rekenhof voorgesteld aan de commissie voor de Comptabiliteit, die ze onderzoekt en goedkeurt. Zodra de algemene vergaderingen over de aanpassingen hebben beslist, zijn ze uitvoerbaar en worden ze uitgevoerd. Zij worden pas a posteriori door de Kamercommissie voor de Comptabiliteit goedgekeurd wanneer die de rekeningen goedkeurt. Met andere woorden, de door het Rekenhof voorgestelde aanpassingen worden nu niet formeel voor hun uitvoering ter goedkeuring voorgelegd aan de genoemde commissie.

Op de vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin, voorzitster, of de voorliggende wetsvoorstellen en wetsontwerpen deze verplichting wel opleggen, antwoordt de heer Roland dat dat niet duidelijk is. Hij weet niet hoever de controle op de uitvoering die de Kamer met deze ontwerpen wil invoeren, gaat. De besprekingen die nu aan de gang zijn, hebben tot doel een gemeenschappelijke begrotingscontrole in te voeren voor de acht instellingen die een dotatie krijgen. Die controle wordt georganiseerd op twee niveaus, respectievelijk gelinkt aan de wettelijke specialiteit en de administratieve specialiteit. In het gemeen begrotingsrecht wordt het eerste niveau ter goedkeuring voorgelegd aan de Kamer van volksvertegenwoordigers voor elke wijziging, en het tweede aan de goedkeuring van de minister van Begroting. De Kamer heeft nog niet duidelijk gemaakt welk controleniveau ze wil invoeren in afwijking van één van beide specialiteitsniveaus.

Met betrekking tot de hulp die het Rekenhof de Kamer biedt voor het onderzoek van de rekeningen van instellingen die een dotatie krijgen, wordt er eigenlijk niets nieuws ingevoerd maar wordt een feitelijke situatie, die zich de laatste jaren op initiatief van de Kamer heeft ontwikkeld, in een wet erkent.

De hulp die het Rekenhof biedt bij de controle en goedkeuring van de rekeningen van instellingen met een dotatie, is er nooit gekomen op initiatief van het Hof. Het College heeft deze taak altijd uitgevoerd overeenkomstig de opdracht die hem was gegeven door de Kamer waarvan hij bij uitstek de begrotingsraadgever is. Het Hof heeft altijd kunnen rekenen op de volledige medewerking van de gecontroleerde instellingen.

De controles, of beter gezegd de analyses die het Hof uitvoert om de Kamer te informeren, hebben altijd betrekking gehad op de wettigheid, de echtheid, de juistheid en de regelmatigheid van de operaties in het licht van het begrotingsrecht, de boekhoudkundige wetgeving en de andere van kracht zijnde wet- en regelgeving. Het Hof heeft zich nooit gebogen over wenselijkheidskwesties en nooit geraakt aan de autonomie van deze instellingen.

De algemene regel is dat de Kamer het Rekenhof de rekeningen bezorgt van de instellingen die een dotatie krijgen, het Hof vraagt deze te onderzoeken en haar zijn opmerkingen mee te delen.

Voor het Arbitragehof geldt een ietwat andere procedure. Op 20 juni 2002 is tussen de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordiger en de voorzitters van het Arbitragehof een protocol opgesteld, dat door de commissie voor de Comptabiliteit is goedgekeurd. Volgens dat protocol werken de voorzitters van het Rekenhof jaarlijks mee aan een verslag over de door de rechters-commissarissen voorgestelde jaarrekeningen, wat de overeenstemming van de in rekening gebrachte uitgaven met de begroting van het Arbitragehof betreft. In dat geval treedt het Rekenhof dus op vóór de rekeningen aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden gezonden.

Wat betreft de documenten die op de agenda van de commissie staan, zijn er vier ontwerpen goedgekeurd door de Kamer (3) en zijn er twee voorstellen ingediend door de senatoren Dedecker en Willems (4) .

De vier wetsontwerpen strekken ertoe het onderzoek van de begrotingsvoorstellen en de controle op de rekeningen van acht instellingen die een dotatie krijgen — te weten : het Arbitragehof, de Hoge Raad voor de Justitie, de Vaste Comités van Toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat, de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het Rekenhof — te doen uitvoeren door de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Om wetgevingstechnische redenen konden niet al deze instellingen in een tekst worden opgenomen. Ook voor het Arbitragehof, de Hoge Raad voor de Justitie en de Vaste Comités van Toezicht op de politie- en inlichtingendiensten zijn afzonderlijke ontwerpen ingediend.

Hoewel de formulering soms licht verschilt, bepalen de meeste van deze ontwerpen dat het Rekenhof de Kamer helpt, behalve wat het Arbitragehof (5) en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (6) betreft.

Zij bepalen ook dat deze instellingen een begrotings- en boekhoudkundig schema hanteren dat vergelijkbaar is met dat van de Kamer van volksvertegenwoordigers, behalve de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de Hoge Raad voor de Justitie en het Arbitragehof.

Er dient op gewezen dat deze ontwerpen zowel de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit als de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat wijzigen zodat de door de Kamer gewenste wijzigingen aan de begrotings- en boekhoudkundige bepalingen van toepassing zullen zijn ongeacht de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet op de rijkscomptabiliteit.

Op vraag van de voorzitter van de Senaat (7) heeft het Rekenhof een advies gegeven (8) over de voorstellen van de senatoren Dedecker en Willems, en daarvan een kopie gezonden aan de voorzitter van de Kamer. Grosso modo herinnert het Hof eraan dat de voorstellen de bestaande praktijk bevestigen, namelijk dat het Hof de Kamer helpt bij het onderzoek van de boekhoudkundige documenten van de instellingen met een dotatie, met inbegrip van het Arbitragehof. Het Hof wees er evenwel op dat de Hoge Raad voor de Justitie en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet voorkwamen in de twee wetsvoorstellen.

Daarnaast heeft het Hof de kwestie aangekaart van de inwerkingtreding van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, die de gecoördineerde wetten van 1991 op de rijkscomptabiliteit moet vervangen, en aan het belang dat in de hervorming van de comptabiliteit wordt gehecht aan de economische classificatie van de begrotingsverrichtingen en aan het bijhouden van een algemene boekhouding gebaseerd op een boekhoudplan.

2. Opmerkingen

De heer Hugo Vandenberghe wenst te weten welke rechtsgevolgen het Rekenhof uit het begrip dotatie afleidt. Spreker neemt aanstoot aan het feit dat, hoewel de kredieten voor de werking van bepaalde instellingen op de begroting der dotaties worden uitgetrokken, de Kamer zich toch de controlebevoegdheid daarover wenst toe te eigenen alsof deze instellingen als louter federale overheidsdiensten kunnen worden beschouwd waarvan ze de begroting goedkeurt en achteraf de rekeningen controleert. Ofwel gaat het om een dotatie met alle rechtsgevolgen van dien, ofwel gaat het om een begrotingspost die de Kamer goedkeurt en waarvan ze de rekeningen achteraf controleert en goedkeurt. Hij acht het echter niet aanvaardbaar dat kredieten als een dotatie worden voorgesteld terwijl de eraan verbonden rechtsgevolgen die van een begrotingspost zijn. Aldus wordt de draagwijdte van het begrip dotatie geschonden.

Hij nodigt de voorzitter van het Rekenhof dan ook uit de begrotingstechnische definitie van het begrip dotatie te geven.

De heer Philippe Roland antwoordt dat er geen wettelijke definitie voor het begrip dotatie bestaat. De draagwijdte wordt vastgelegd door de rechtspraak. De Grondwet voorziet in drie dotaties, namelijk de civiele lijst van de Koning (art. 89) en de begroting van Kamer en Senaat (art. 174).

De heer Melchior, voorzitter van het Arbitragehof, heeft het onderscheid gemaakt tussen twee categorieën van dotaties. De eerste categorie omvat de instellingen waarvan de dotaties in de Grondwet zijn vastgelegd, namelijk de civiele lijst, Kamer en Senaat of in de bijzondere wet, namelijk het Arbitragehof (art. 123 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof). De andere instellingen behoren tot de tweede categorie.

Zoals de heer Roland opmerkt, bevatten de dotaties van deze tweede categorie niet te negeren verschillen. Zo worden kredieten voor instellingen die afhangen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, zoals het Rekenhof en de federale ombudsmannen, niet bij amendement ingeschreven op de algemene uitgavenbegroting in de loop van de begrotingsbespreking in de Kamer. Zij zijn reeds opgenomen in het koninklijk besluit waarmee de regering het ontwerp van algemene uitgavenbegroting neerlegt ter griffie van de Kamer.

Theoretische begrippen volstaan dus niet altijd om af te leiden welke graad van controle moet worden toegepast. Het feit dat de wetgever, naast de dotaties vastgelegd in de Grondwet, voor een aantal instellingen heeft voorzien in dotaties en niet in subsidies, geeft aan dat de wetgever de bedoeling had deze instellingen een zekere mate van autonomie toe te kennen. De Raad van State heeft dit in zijn advies over een vorig wetsvoorstel van de heer Lano (stuk Kamer, nr. 50-986/6), duidelijk gesteld.

Dat belet echter niet dat het krachtens artikel 174, eerste lid, van de Grondwet, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers is om de eindrekening vast te stellen en de begroting goed te keuren. Als een instelling op basis van haar autonomie weigert in te gaan op de vraag van de Kamer om haar vooraf een begroting voor te leggen om de dotatie te rechtvaardigen en achteraf de rekening ter goedkeuring voor te leggen, kan de Kamer in theorie de dotatie weigeren.

De heer Jean-Marie Happart vraagt of het probleem niet kan worden opgelost door in de betreffende wetten het begrip dotatie te vervangen door de term « subsidie ».

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes schaart zich achter het standpunt dat in de nota van de Dienst Wetsevaluatie wordt verdedigd, met name over de poging van de Kamer om zichzelf een exclusieve bevoegdheid toe te eigenen die haar niet toekomt over onder meer de Hoge Raad voor de Justitie en het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten.

De voorzitter en de heer Philippe Mahoux stellen dat het Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingendiensten en de Benoemingscommissies voor het notariaat dezelfde bezorgdheid hebben geuit als de Hoge Raad voor de Justitie.

De heer Philippe Mahoux wijst er op dat het niet normaal is dat, wanneer de Senaat betrokken is bij de benoeming van de leden van een instelling, de controle die het Parlement op deze instelling uitoefent, uitsluitend wordt uitgevoerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers. Deze opmerking geldt voor alle instellingen die in de verschillende (bijzondere) wetten worden bedoeld, behalve voor het Rekenhof dat zich, als emanatie van de Kamer, uiteraard in een bijzondere institutionele positie bevindt.

Voor het vervolg van de werkzaamheden is het de vraag of de Senaat een dergelijk wetsontwerp dat een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, kan goedkeuren, wetende dat het Rekenhof geen bezwaren tegen het voorstel heeft en dat de Senaat niet op gelijke hoogte staat met de Kamer in deze wetgevende procedure.

V. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Gelet op hun nauwe samenhang en het feit dat voor elk van de bovenvermelde wetsontwerpen dezelfde bedenkingen en bezwaren werden opgeworpen, is de artikelsgewijze bespreking niet strikt per ontwerp gevoerd. Er werden namelijk voortdurend verbanden gelegd tussen de verschillende ontwerpen zodat de discussie voortdurend van het ene naar het andere ontwerp versprong. Centraal daarbij stonden :

— het wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (nr. 3-1060/1) en

— het ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit hof (stuk Senaat, nr. 3-1063/1).


De voorzitter, mevrouw Anne-Marie Lizin, polst de commissie over de mogelijkheid om een geste van goodwill ten opzichte van de Kamer te stellen en het optioneel bicameraal wetsontwerp nr. 3-1060/1 ongewijzigd goed te keuren, tenzij hiertegen natuurlijk zwaarwichtige inhoudelijke bezwaren worden opgeworpen.

De heer Hugo Vandenberghe verklaart dat de Raad van State in een advies over een vroeger voorstel van de heer Lano (cf. supra) heeft gesteld dat aan het begrip dotatie een aantal rechtsgevolgen verbonden zijn. En de Raad vervolgde :

« Door evenwel voor te schrijven dat de werkingsmiddelen van een instelling worden uitgetrokken op de begroting van de dotaties, heeft haar organieke wet haar noodzakelijkerwijze een zekere materiële onafhankelijkheid willen waarborgen.

Het wetsvoorstel zou de organieke regels voor de instellingen die het opnoemt bijgevolg grondig wijzigen door ze te onderwerpen aan een strikt begrotingskader, terwijl ze thans een totaalbudget genieten waarover ze vrij kunnen beschikken » (stuk Kamer, nr. 50-986/6, blz. 4-5).

De heer Vandenberghe is van oordeel dat, wanneer het optioneel bicameraal wetsontwerp ongewijzigd zou worden aangenomen, de begroting van de geviseerde instellingen nog aan striktere voorwaarden onderworpen zal zijn dan die van de ministers. Deze laatste kunnen immers binnen hun begroting nog met bepaalde begrotingsposten schuiven. Dit wetsontwerp ontneemt de betrokken instellingen elke marge. De goedkeuring van de begroting door de Kamer houdt immers een stemming in over elke begrotingspost, die de meest verregaande gebondenheid daaraan voor de betrokken instellingen meebrengt.

Gelet op het voorgaande dient hij op artikel 2 van het optioneel bicameraal wetsontwerp amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-1060/2), teneinde in het voorgestelde artikel 20bis het woord « gedetailleerde » te doen vervallen.

Verantwoording

Het woord « gedetailleerde » in de zinsnede « De gedetailleerde begrotingsvoorstellen en rekeningen van het Rekenhof » valt niet te verzoenen met het begrip « dotatie », zoals het onder meer door de Raad van State is omschreven in zijn advies over het eerste wetsvoorstel van de heer Lano tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de vaste comités van toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, de federale ombudsmannen en de benoemingscommissies voor het notariaat (stuk Kamer, nr. 50-986/6). Bijgevolg dient dit woord te vervallen.

Ten tweede stelt de heer Vandenberghe vast dat de tekst van artikel 2 betreffende het Rekenhof niet overeenstemt met de teksten die in de artikelen 4, 6 en 7 worden voorgesteld voor respectievelijk de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Nochtans hebben al deze artikelen dezelfde doelstelling, namelijk eenvormigheid.

Aangezien de voorgestelde teksten dat moeten weerspiegelen, dient hij op de artikelen 4, 6 en 7 respectievelijk de amendementen nrs. 2, 3 en 4 in (stuk Senaat, nr. 3-1060/2), luidende :

— Art. 4

De voorgestelde bepaling vervangen als volgt :

« De begrotingsvoorstellen en rekeningen van de federale ombudsmannen waarvoor een schema wordt gehanteerd dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, worden ingediend bij en goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook de uitvoering van de begroting controleert. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan zich daarin laten bijstaan door het Rekenhof. Het totaal van de kredieten op deze begroting wordt als dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van het Rijk. ».

Verantwoording

Aangezien het wetsontwerp tot doel heeft « in een gemeenschappelijke onderbouw te voorzien voor de controle en de goedkeuring van de begrotingen en de rekeningen van (een aantal) instellingen » (stuk Kamer, nr. 51-608/1, blz. 3), verdient het aanbeveling de formule die in artikel 2 van het wetsontwerp voor het Rekenhof wordt gebruikt, over te nemen voor de andere in het wetsontwerp bedoelde instellingen zoals de federale ombudsmannen. Op deze wijze genieten zij met betrekking tot hun dotatie dezelfde bevoegdheden als de Kamer en de Senaat over de hunne.

— Art. 6

De in punt b) voorgestelde § 12 vervangen als volgt :

« § 12. De begrotingsvoorstellen en rekeningen van de benoemingscommissies waarvoor een schema wordt gehanteerd dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, worden ingediend bij en goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook de uitvoering van de begroting controleert. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan zich daarin laten bijstaan door het Rekenhof. Het totaal van de kredieten op deze begroting wordt als dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van het Rijk. ».

Verantwoording

Zie de verantwoording van amendement nr. 2.

— Art. 7

Het voorgestelde artikel 34, eerste lid, vervangen als volgt :

« De begrotingsvoorstellen en rekeningen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer waarvoor een schema wordt gehanteerd dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, worden ingediend bij en goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook de uitvoering van de begroting controleert. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan zich daarin laten bijstaan door het Rekenhof. Het totaal van de kredieten op deze begroting wordt als dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van het Rijk. ».

Verantwoording

Zie de verantwoording van amendement nr. 2.

De heer Hugo Vandenberghe is van oordeel dat zijn amendementen een voor de Kamer aanvaardbaar compromis kunnen zijn.

De heer Paul Wille onderschrijft deze amendementen.

De heer Francis Delpérée merkt op dat de door de verschillende ontwerpen geviseerde instellingen niet zomaar met elkaar kunnen worden vergeleken. Zo kunnen de benoemingscommissies voor het notariaat niet op dezelfde hoogte worden gesteld als het Arbitragehof dat door de grondwetgever is belast met de grondwettigheidstoetsing van wetgevende normen. Bijgevolg is het uitgesloten dat deze instelling aan dezelfde vereisten met betrekking tot haar begroting en rekeningen zou worden onderworpen als de benoemingscommissies die een taak uitvoeren welke vroeger aan de minister van Justitie toekwam. Het zou de onafhankelijkheid van het Grondwettelijk Hof in het gedrang brengen.

Hij is van oordeel dat de wetgever op dit vlak niet al te generaliserend mag optreden en niet alle betrokken instellingen aan een en dezelfde regeling mag onderwerpen. Hij moet daarentegen oog hebben voor de specificiteit van bepaalde instellingen en voor hen een op maat gesneden regeling uitwerken.

Gelet op het voorgaande besluit de commissie deze amendementen voor advies aan het Rekenhof voor te leggen.

Als antwoord op de brief van mevrouw Lizin van 8 augustus 2005 heeft het Rekenhof, bij brief van 21 september 2005, het volgende advies verstrekt :

« Het Rekenhof heeft bij deze amendementen geen bijzondere commentaar. Het stelt enkel vast dat de harmonisering in de formulering van de teksten die de amendementen in kwestie tot stand willen brengen, enkel de door het wetsontwerp beoogde instellingen betreft en niet alle instellingen die een dotatie ontvangen.

Voorts heeft zijn College vragen bij de precieze draagwijdte van de verantwoording van amendement nr. 2, meer precies bij de betekenis van de passage « Op deze wijze genieten zij met betrekking tot hun dotatie dezelfde bevoegdheden als de Kamer en de Senaat ». De voorliggende ontwerpen hebben immers steeds een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de Civiele Lijst, de Senaat en de Kamer, enerzijds, en de andere instellingen die een dotatie ontvangen, anderzijds.

Een afschrift van onderhavige brief wordt heden ter informatie toegezonden aan de heer voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers. »

Op grond hiervan besluit de commissie de laatste zin van de verantwoording van amendement nr. 2 te doen vervallen.

De heren Hugo Vandenberghe en Philippe Mahoux wensen de draagwijdte te kennen van artikel 8 houdende vervanging van de tweede zin van artikel 14 van de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit door de volgende zin : « Voor de dotaties wordt deze bepaling niet toegepast in de algemene uitgavenbegroting ». Idem dito voor artikel 9 houdende een identieke wijziging van artikel 51 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat.

In het summiere commissieverslag van de Kamer is hierover geen spoor terug te vinden (verslag-Roppe, stuk Kamer, nr. 51-608/3).

Op verzoek van de commissie hebben de diensten van de Senaat hierover een nota opgesteld (bijlage III).

Tijdens de vergadering van 13 oktober 2005 verklaart de heer Paul Wille dat de commissie zich in de huidige stand van de discussie op het principiële standpunt heeft gesteld dat niet aan de bevoegdheden van de Senaat mag worden geraakt. Zij heeft echter node vastgesteld dat de overgezonden wetsontwerpen niet aan deze voorwaarde voldoen.

In de wandelgangen circuleert inmiddels met betrekking tot het ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit hof (stuk Senaat, nr. 3-1063/1), een voorstel van amendement dat volgens de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers een perfect compromis vormt. Het luidt als volgt :

Art. 2

Het voorgestelde artikel 123, § 1, vervangen als volgt :

« De kredieten die voor de werking van het Arbitragehof nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van de dotaties.

De Kamer van volksvertegenwoordigers keurt die goed, onverminderd haar bevoegdheid om de gedetailleerde rekeningen te onderzoeken en goed te keuren. »

De heer Wille verklaart dat de leden van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden pas nu hiervan in kennis worden gesteld. Bovendien lijkt deze tekst bij een eerste lectuur niet tegemoet te komen aan de eerder geformuleerde bezwaren.

Hij wenst dan ook dit voorstel van amendement nader te bestuderen.

De heer Francis Delpérée verklaart zich nu reeds tegen dit voorstel van amendement te verzetten.

De heer Mahoux verklaart dat met betrekking tot de verschillende wetsontwerpen een onderscheid dient te worden gemaakt tussen, enerzijds, de instellingen die van de Kamer afhangen, zoals het Rekenhof en de federale ombudsmannen, en, anderzijds, instellingen waarover Kamer en Senaat op voet van gelijkheid een bevoegdheid hebben, bijvoorbeeld bij de aanstelling van hun leden of de controle van die instellingen, zoals de benoemingscommissies voor het notariaat en de comités P en I.

De Kamer van volksvertegenwoordigers is natuurlijk de exclusieve begrotingswetgever. Maar dat mag er niet toe leiden dat deze assemblee via begrotingswetten aan de bevoegdheden van de Senaat raakt.

Bovendien kan men in dit verband niet voorbijgaan aan de bijzondere positie van het Arbitragehof.

Spreker sluit zich aan bij de hier reeds meermaals verdedigde stelling dat het vrijwel ondenkbaar is dat een wetgevende kamer het rechtscollege zou controleren dat belast is met de controle van de door deze assemblee goedgekeurde wetgeving. Dat zou de indruk wekken dat het Arbitragehof onder toezicht wordt geplaatst.

Gelet op het voorgaande stelt hij voor om, zeker met betrekking tot de wetsontwerpen en het ontwerp van bijzondere wet, waarvoor de in artikel 77 van de Grondwet bepaalde wetgevingsprocedure moet worden gevolgd, met de Kamer naar de grootste gemene deler te zoeken.


Tijdens de vergadering van 17 november 2005 heeft de heer Wille voorgesteld een informele overlegvergadering met de Kamer te beleggen over de bovenvermelde wetsontwerpen.

Hij verklaart dat het enige discussiepunt de dotatieregeling van het Arbitragehof betreft. De kernvraag is of de Kamercommissie voor de comptabiliteit, en bij uitbreiding de Kamer zelf, de opportuniteit in vraag mogen stellen van de keuzes die het Arbitragehof maakt bij de besteding van zijn dotatie. Gelet op de autonomie van het Hof is de heer Wille van oordeel dat, wanneer de Kamer zich niet akkoord zou verklaren met een bepaalde uitgave, de Senaat over de bevoegdheid dient te beschikken zich daartegen te verzetten.

De commissie stemt in met het voorstel om een informele overlegvergadering met een delegatie van de Kamer te houden.


Op maandag 21 november 2005 heeft deze informele overlegvergadering plaatsgehad tussen, aan de ene kant, mevrouw Lizin en verschillende leden van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, en, aan de andere kant, de heer Herman De Croo, voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, en de heer Pierre Lano, mede-indiener van de wetsvoorstellen die aan de basis liggen van de voorliggende wetsontwerpen.

Beide partijen bleven evenwel op hun standpunt. Vanuit de Kamer werd gewezen op de noodzaak van een wettelijke basis voor een gemeenschappelijke onderbouw voor de controle en de goedkeuring door de Kamer van volksvertegenwoordigers van de gedetailleerde begrotingen en rekeningen van de dotatiegerechtigde instellingen. Vanuit de Senaat werd erop gewezen dat de Kamer met dit instrumentarium het begrip dotatie van zijn betekenis ontdoet.


Op 24 november 2005 heeft de commissie onder meer de nota van het commissiesecretariaat besproken over de draagwijdte van de artikelen 8 en 9 van het wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (stuk Senaat, nr. 3-1060/1) (zie bijlage III).

Volgens de heer Hugo Vandenberghe impliceert deze nota dat de artikelen 8 en 9 van het voormelde wetsontwerp in wezen het begrip dotatie schrappen. Gelezen in samenhang met de andere artikelen van het wetsontwerp hebben zij immers tot gevolg dat de dotatie als een gewone begrotingspost zal worden behandeld. De consequentie gebiedt dan ook dat het woord dotatie in deze artikelen vervalt. Het kan volgens spreker niet door de beugel dat in het ene artikel wordt bepaald dat een instelling recht heeft op een dotatie, terwijl een ander artikel die instelling verplicht gedetailleerde begrotingsvoorstellen en rekeningen ter controle aan de Kamer voor te leggen. Wat verhindert de Kamer hetzelfde te doen met de dotatie van de Senaat ? Het gaat hier dus om een principieel punt. Het begrip dotatie impliceert dat de Kamer geen controle mag uitoefenen op de opportuniteit van de uitgaven van de betrokken instellingen en dus ook niet van hen mag eisen dat ze gedetailleerde begrotingsvoorstellen aan haar voorlegt met het oog op de goedkeuring van de dotatie. Niemand betwist echter dat de regelmatigheid van hun uitgaven wel mag worden gecontroleerd.

Gelet op het voorgaande stelt hij voor ofwel in elk artikel het woord dotatie te doen vervallen, ofwel op zijn minst de artikelen 8 en 9 van het wetsontwerp nr. 3-1060/1 te doen vervallen.

De nota van het commissiesecretariaat doet de heer Philippe Mahoux aan het volgende Franse spreekwoord denken : « Carpe, je te baptise lapin ». (« Karper, ik noem je konijn »). Men kan de karper nog zo vaak voorhouden dat hij een konijn is, hij is en blijft een karper.

Indien het systeem van de dotaties behouden blijft, moet men erop toezien dat alle gevolgen van dat begrip in acht worden genomen, te weten dat er geen controle komt op de opportuniteit van de uitgaven, maar wel op hun regelmatigheid en op hun overeenkomst met de rekeningen. Over dat laatste mag geen twijfel bestaan. Anders kan verzet tegen controle op de opportuniteit van de uitgaven worden geïnterpreteerd als voortkomend uit een lakse houding, wat geenszins het geval is. Een andere mogelijkheid werd door de heer Hugo Vandenberghe gesuggereerd en bestaat erin uit alle voorliggende wetsontwerpen het woord « dotatie » te verwijderen.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe verklaart dat, wanneer in de voorliggende wetsontwerpen het woord « dotatie » zou worden geschrapt, de onafhankelijkheid van de betrokken instellingen, waarvoor nu zo gestreden wordt, nog meer op de helling zal worden geplaatst. Indien men de maximale onafhankelijkheid van deze instellingen, inzonderheid die van het Arbitragehof, wenst te waarborgen, dan dient de term « dotatie » te worden behouden. Dit begrip houdt onder meer een bestedingsautonomie in. Dat neemt niet weg dat de rekeningen van deze instellingen correct dienen te zijn.

De heer Francis Delpérée sluit zich aan bij de opmerkingen van de heer Hugo Vandenberghe.

Het stelsel der dotaties werd precies in het leven geroepen ter financiering van bepaalde instellingen waaraan de grondwetgever of de wetgever een vorm van autonomie in de uitoefening van hun opdracht hebben verleend, zoals de Hoge Raad voor de Justitie en de benoemingscommissies voor het notariaat. Dat zijn geen onafhankelijke, maar autonome instellingen. Die autonomie strekt zich ook uit tot het beheer van de hun toegekende middelen.

Tot slot waarschuwt hij ervoor dat, wanneer het stelsel van de dotaties wordt opgegeven en men opteert voor de opname van de budgetten van deze instellingen in de algemene uitgavenbegroting, de Senaat in een volgende etappe hetzelfde lot beschoren zal zijn.

De heer Philippe Mahoux wijst erop dat de artikelen 8 en 9 van wetsontwerp nr. 3-1060/1 als gevolg zullen hebben dat de betekenis van het begrip dotatie ingeperkt wordt. Indien men alle regels van de dotatie in acht wil nemen, dan moet men die artikelen uit het ontwerp verwijderen. Zoniet wordt het mogelijk de aanwending van de kredieten te controleren. Met dergelijk amendement geeft de Senaat het signaal dat het wetsontwerp ertoe strekt het begrip dotatie van zijn essentie te ontdoen.

Spreker onderstreept nogmaals dat hij er zich geenszins tegen verzet dat gecontroleerd wordt of de verrichtingen regelmatig verlopen. Het Parlement en in dit geval de Kamer van volksvertegenwoordigers, heeft niet het recht te interveniëren in de wijze waarop een instelling haar dotatie aanwendt.

De commissie sluit zich hierbij aan.

De heer Philippe Mahoux verklaart dan ook de nodige amendementen te zullen indienen om deze standpunten in de verschillende wetsontwerpen te verankeren.

De heer Berni Collas verwondert zich erover dat de Kamer van volksvertegenwoordigers de voorliggende wetsontwerpen bij eenparigheid heeft aangenomen zonder dat de hier opgeworpen bezwaren er ten gronde zijn behandeld. Hij verklaart dat het onderscheid tussen de begrippen dotatie en een begroting waarin de kredieten in basisallocaties worden opgesplitst, niet als een nuanceverschil kan worden afgedaan.

De heer Philippe Mahoux vestigt er de aandacht op dat volgende invalshoek tot nu toe onbelicht is gebleven. Het wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (stuk Senaat, nr. 3-1060/1), waarvoor de in artikel 78 van de Grondwet bedoelde wetgevingsprocedure wordt gevolgd, wijzigt namelijk in de artikelen 8 en 9 de draagwijdte van het begrip dotatie.

Voor de dotaties zou de verplichte opsplitsing van de kredieten immers niet worden toegepast in de algemene uitgavenbegroting. Het gaat er spreker niet om de bevoegdheid van de Kamer inzake de algemene uitgavenbegroting ter discussie te stellen. In dat verband blijft het natuurlijk bizar dat de Kamer de begroting van de Senaat goedkeurt. Maar het voormelde wetsontwerp vormt de juridische basis op grond waarvan de Kamer zich bijvoorbeeld met betrekking tot het Arbitragehof een aantal bevoegdheden inzake het onderzoek en de goedkeuring van zijn dotatie en rekeningen toeëigent. De nadere uitwerking daarvan is weliswaar terug te vinden in het ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit hof (stuk Senaat, nr. 3-1063/1), dat onder de in artikel 77 van de Grondwet bedoelde verplicht bicamerale procedure valt.

Maar dat neemt niet weg dat de Kamer bij wege van het wetsontwerp nr. 3-1060/1 wel het laatste woord heeft over de draagwijdte van het begrip dotatie en dus de richting bepaalt waarlangs het onderzoek en de goedkeuring van de dotatie en rekeningen dienen te verlopen.

De heer Hugo Vandenberghe stelt de vraag of een wetsontwerp waarvoor de optioneel bicamerale procedure geldt, aan het begrip dotatie een andere betekenis kan geven wanneer deze term ook voorkomt in een ontwerp van bijzondere wet waarvoor de verplicht bicamerale procedure dient te worden gevolgd. Zijns inziens luidt het antwoord negatief. Anders zou de Kamer een aangelegenheid waarvoor zij en de Senaat op voet van gelijkheid bevoegd zijn, onrechtstreeks en unilateraal kunnen regelen middels een wetsvoorstel of -ontwerp waarvoor de in artikel 78 bedoelde wetgevingsprocedure geldt. Daarom moet de draagwijdte van het begrip dotatie in de bijzondere wet worden vastgelegd.

De heer Philippe Mahoux schaart zich achter deze zienswijze en stelt daarom voor deze kwestie aan de parlementaire overlegcommissie voor te leggen.

De heer Hugo Vandenberghe steunt dit voorstel. Hij herinnert eraan dat tijdens de bespreking van de voormelde ontwerpen in de Kamer niet is ingegaan op de vraag naar de ratio legis van de artikelen 8 en 9 van het wetsontwerp nr. 3-1060/1 en hun implicatie ten aanzien van het ontwerp van bijzondere wet nr. 3-1063/1. Daarom stelt hij voor de stemming over het ontwerp van bijzondere wet betreffende de dotatie aan het Arbitragehof uit te stellen totdat hierover klaarheid is geschapen.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe heeft er begrip voor dat de Senaat een rol wenst te spelen bij de controle van de rekeningen van het Arbitragehof, hoewel hij daar eigenlijk niet toe bevoegd is. Maar dat mag niet ontaarden in een machtsstrijd met de Kamer die ertoe leidt dat de positieve aspecten van de voorgestelde hervorming teloorgaan of dat andere wetgevingsinitiatieven die de Senaat heeft goedgekeurd, worden geblokkeerd. Spreekster is van oordeel dat de bovenstaande discussie niet ten koste van de kwaliteit van de wetgeving mag gaan.

Op vraag van mevrouw Annemie Van de Casteele bevestigt de heer Hugo Vandenberghe dat de kwestie van de kwalificatie van de artikelen 8 en 9 van het wetsontwerp nr. 3-1060/1 niet te berde is gebracht tijdens het informeel overleg met de Kamerdelegatie op 21 november 2005.

De door de artikelen 8 en 9 van het wetsontwerp nr. 3-1060/1 voorgestelde wijzigingen zijn fundamenteel. De bedoeling is een gemeenschappelijke onderbouw te creëren voor de goedkeuring en de controle van de gedetailleerde begrotingen en rekeningen van alle dotatiegerechtigde instellingen. De artikelen 8 en 9 maken het mogelijk daartoe gedetailleerde schema's te hanteren. De vraag is of dat in overeenstemming is met het begrip dotatie. De Raad van State heeft daar reeds eerder een groot vraagteken bijgeplaatst (stuk Kamer, nr. 50-986/6, blz. 6).

Voor de heer Mahoux is de vraag of de Senaat al dan niet een rol moet spelen bij de controle en de goedkeuring van de begroting en de rekeningen van het Arbitragehof, niet primordiaal. Symbolisch kan het zijn waarde hebben. Maar spreker verzet zich ertegen dat de bedenkingen van de Senaat zouden worden voorgesteld als een eis aan de Kamer.

Het Arbitragehof vormt één van de instellingen die aan de basis liggen van onze democratische rechtsstaat. Het antwoord op de vraag wie wie controleert, bepaalt derhalve welke instelling het sluitstuk is van de wetgevingsprocedure. Het is paradoxaal dat, enerzijds, de grondwetgever en de bijzondere wetgever het Arbitragehof opgedragen hebben erover te waken dat de verschillende wetgevers van ons land de bevoegdheidsverdelende regels en de grondrechten naleven, maar dat, anderzijds, het federale Parlement aan de Kamer van volksvertegenwoordigers bij wet de bevoegdheid zou verlenen om controle uit te oefenen op het Grondwettelijk Hof, dat gemachtigd is die wet te vernietigen. Het evenwicht tussen de instellingen dreigt daardoor te worden verstoord.

Deze vraag betreft dus in wezen het democratisch karakter van onze staatsinrichting en niet zozeer de voorrang van de ene assemblee op de andere.

De heer Luc Willems sluit zich aan bij de zienswijze van mevrouw Myriam Vanlerberghe dat de Senaat er niet wijs aan doet om voor zichzelf een adviesrecht op te eisen met betrekking tot de controle van de rekeningen van het Arbitragehof. Een dergelijk recht zal een louter pro forma karakter hebben.

Hij kan zich wel terugvinden in de bedenkingen die werden geformuleerd met betrekking tot de impact van de door de artikelen 8 en 9 van het wetsontwerp nr. 3-1060/1 voorgestelde wijzigingen op het Arbitragehof.

De heer Francis Delpérée merkt op dat zijn voorstel van amendement om aan de Senaat een rol toe te bedelen bij de controle van de rekeningen van het Arbitragehof niet zomaar uit de lucht is komen te vallen, maar gebaseerd is op het informeel overleg van 21 november 2005.

In navolging van wat voor de andere wetsontwerpen is beslist, stelt hij voor ook met betrekking tot het Arbitragehof te bepalen dat de controle van de rekeningen uitsluitend hun regelmatigheid mag betreffen. Het voorgestelde artikel 123, § 1, tweede lid, zou derhalve als volgt moeten luiden :

« De regelmatigheid van de rekeningen van het Arbitragehof wordt geverifieerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers die ze goedkeurt. »

De heer Philippe Mahoux wenst, alvorens dit voorstel van amendement in stemming te brengen, dat de parlementaire overlegcommissie een akkoord bereikt over het voorstel om de artikelen 8 en 9 van het wetsontwerp nr. 3-1060/1 te herkwalificeren als een aangelegenheid bedoeld in artikel 77 van de Grondwet in plaats van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78.

De commissie schaart zich achter dit voorstel.

A. Wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (stuk Senaat, nr. 3-1060/1)

Voor dit wetsontwerp geldt de optioneel bicamerale wetgevingsprocedure bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

1. Artikel 2

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-1060/2), teneinde in de eerste zin van het voorgestelde artikel 20bis het woord « gedetailleerde » te doen vervallen. Deze term valt, zoals hierboven reeds meermaals is uiteengezet, niet te verzoenen met het begrip « dotatie ».

Teneinde de draagwijdte van de controlebevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers preciezer te omschrijven, dienen de heren Philippe Mahoux en Hugo Vandenberghe amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 3-1060/3), teneinde in de eerste zin van het voorgestelde artikel 20bis tussen de woorden « de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook » en de woorden « de uitvoering » de woorden « de regelmatigheid van » in te voegen.

Ter verantwoording van dit amendement wordt naar de voorgaande discussie verwezen.

De amendementen nrs. 1 en 5 worden elk aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

2. Artikel 4

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 3-1060/2), teneinde de eerste zin van het voorgestelde artikel 18 te vervangen als volgt : « De begrotingsvoorstellen en rekeningen van de federale ombudsmannen waarvoor een schema wordt gehanteerd dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, worden ingediend bij en goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook de uitvoering van de begroting controleert. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan zich daarin laten bijstaan door het Rekenhof. Het totaal van de kredieten op deze begroting wordt als dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van het Rijk. »

Verantwoording

Aangezien het wetsontwerp tot doel heeft « in een gemeenschappelijke onderbouw te voorzien voor de controle en de goedkeuring van de begrotingen en de rekeningen van (een aantal) instellingen » (stuk Kamer, nr. 51-608/1, blz. 3), verdient het aanbeveling de formule die in artikel 2 van het wetsontwerp voor het Rekenhof wordt gebruikt, over te nemen voor de andere in het wetsontwerp bedoelde instellingen zoals de federale ombudsmannen (cf. supra — het advies van het Rekenhof van 21 september 2005).

De heren Philippe Mahoux en Hugo Vandenberghe dienen op dit amendement een subamendement in (amendement nr. 6, stuk Senaat, nr. 3-1060/3), teneinde in de eerste zin van het voorgestelde artikel 18 tussen de woorden « de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook » en de woorden « de uitvoering » de woorden « de regelmatigheid van » in te voegen.

De verantwoording is dezelfde als die van amendement nr. 5.

Subamendement nr. 6 en amendement nr. 2 worden achtereenvolgens aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

3. Artikel 6

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 3-1060/2), teneinde de in punt b) voorgestelde § 12 te vervangen als volgt :

« § 12. De begrotingsvoorstellen en rekeningen van de benoemingscommissies waarvoor een schema wordt gehanteerd dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, worden ingediend bij en goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook de uitvoering van de begroting controleert. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan zich daarin laten bijstaan door het Rekenhof. Het totaal van de kredieten op deze begroting wordt als dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van het Rijk. »

De verantwoording is dezelfde als die van amendement nr. 2.

De heren Philippe Mahoux en Hugo Vandenberghe dienen op dit amendement een subamendement in (amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 3-1060/3), teneinde in de eerste zin van de voorgestelde § 12 tussen de woorden « de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook » en de woorden « de uitvoering » de woorden « de regelmatigheid van » in te voegen.

Subamendement nr. 7 en amendement nr. 3 worden achtereenvolgens aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

4. Artikel 7

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 3-1060/2), teneinde het voorgestelde artikel 34, eerste lid, te vervangen als volgt :

« De begrotingsvoorstellen en rekeningen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer waarvoor een schema wordt gehanteerd dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, worden ingediend bij en goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook de uitvoering van de begroting controleert. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan zich daarin laten bijstaan door het Rekenhof. Het totaal van de kredieten op deze begroting wordt als dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van het Rijk. »

De verantwoording is dezelfde als die van amendement nr. 2.

De heren Philippe Mahoux en Hugo Vandenberghe dienen op dit amendement een subamendement in (amendement nr. 8, stuk Senaat, nr. 3-1060/3), teneinde in de eerste zin van het voorgestelde artikel 34, eerste lid, tussen de woorden « de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook » en de woorden »de uitvoering » de woorden « de regelmatigheid van » in te voegen.

Subamendement nr. 8 en amendement nr. 4 worden achtereenvolgens aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

5. Artikelen 8 en 9

Met betrekking tot artikel 9 wordt erop gewezen dat in de voorgestelde tweede zin van artikel 51 het woord « is » moet worden vervangen door het woord « in ».

Aansluitend op de voorgaande discussie dient de heer Philippe Mahoux c.s. de amendementen nrs. 9 en 10 in (stuk Senaat, nr. 3-1063/3), teneinde de artikelen 8 en 9 te doen vervallen.

Beide amendementen worden elk aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

6. Stemming over het geheel

Het aldus geamendeerde wetsontwerp wordt in zijn geheel aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

B. Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten (stuk Senaat, nr. 3-1061/1)

Voor dit wetsontwerp geldt de verplicht bicamerale wetgevingsprocedure bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

1. Artikel 1

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

2. Artikel 2

De heren Hugo Vandenberghe en Philippe Mahoux dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-1061/2), teneinde in het voorgestelde artikel 57, eerste lid, de volgende wijzigingen aan te brengen :

a) het woord « gedetailleerde » doen vervallen;

b) tussen de woorden « hun begrotingen goed te keuren alsook » en de woorden « de uitvoering » invoegen de woorden « de regelmatigheid van »;

c) tussen de woorden « de rekeningen » en de woorden « te verifiëren » invoegen de woorden « op hun regelmatigheid ».

Verantwoording

1. Het woord « gedetailleerde » in de zinsneden « de gedetailleerde begrotingsvoorstellen » en « de gedetailleerde rekeningen » valt niet te verzoenen met het begrip « dotatie », zoals het onder meer door de Raad van State is omschreven in zijn advies over het eerste wetsvoorstel van de heer Lano tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de vaste comités van toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, de federale ombudsmannen en de benoemingscommissies voor het notariaat (stuk Kamer, nr. 50-986/6). Bijgevolg dient dit woord te vervallen.

2. Het spreekt voor zich dat er geen bezwaar bestaat tegen een controle van de regelmatigheid van de uitvoering van de begroting. De controlebevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers mag evenwel niet de opportuniteit van de uitgaven betreffen. Dat zou in strijd zijn met het begrip dotatie dat een bestedingsautonomie inhoudt. Dit amendement strekt ertoe dat in de wet zelf te preciseren.

Amendement nr. 1 wordt aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel 2 wordt met dezelfde eenparigheid aangenomen.

3. Artikel 3

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

4. Artikel 4

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

5. Stemming over het geheel

Het aldus geamendeerde wetsontwerp wordt in zijn geheel aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

C. Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de dotatie aan de Hoge Raad voor de Justitie (stuk Senaat, nr. 3-1062/1)

Voor dit wetsontwerp geldt de verplicht bicamerale wetgevingsprocedure bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

1. Artikel 1

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

2. Artikel 2

De heren Hugo Vandenberghe en Philippe Mahoux dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-1062/2), teneinde in het voorgestelde artikel 259bis — 22, § 2, de volgende wijzigingen aan te brengen :

a) het woord « gedetailleerde » doen vervallen;

b) tussen de woorden « goed te keuren alsook » en de woorden « de uitvoering » invoegen de woorden « de regelmatigheid van »;

c) tussen de woorden « de rekeningen » en de woorden « te verifiëren » invoegen de woorden « op hun regelmatigheid ».

De verantwoording is dezelfde als die van amendement nr. 1 op artikel 2 van het wetsontwerp nr. 3-1061/1 (cf. supra).

Amendement nr. 1 wordt aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel 2 wordt met dezelfde eenparigheid aangenomen.

3. Stemming over het geheel

Het aldus geamendeerde wetsontwerp wordt in zijn geheel aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.


Ingevolge de goedkeuring van de geamendeerde wetsontwerpen nrs. 3-1060/1 en 3-1061/1 wordt voorgesteld het wetsvoorstel van de heren Jean-Marie Dedecker en Luc Willems tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de Vaste Comités van toezicht op de politie- en de inlichtingendiensten, de Federale ombudsmannen en de Benoemingscommissies voor het notariaat (stuk Senaat, nr. 3-319/1) te doen vervallen.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Paul WILLE. Anne-Marie LIZIN.

VI. BIJLAGEN

A. Nota van de Dienst Juridische Zaken, Wetsevalutatie en Documentaire Analyse van de Senaat

3-1063/1 Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit Hof;

3-1062/1 Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de dotatie aan de Hoge Raad voor de Justitie;

3-1061/1 Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en de inlichtingendiensten

(bicamerale procedure)


3-1060/1 Wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties van het Rekenhof, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

(evocatieprocedure — einddatum voor de evocatie : 14 maart 2005).


Inleiding

In de Kamer van volksvertegenwoordigers is een aantal voorstellen goedgekeurd die er, volgens de toelichting in de Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting, toe strekken om bij wet een gemeenschappelijke onderbouw te creëren voor de controle en de goedkeuring van de gedetailleerde begrotingen en rekeningen van een aantal instellingen (St. Kamer, nrs 51-608, 4 en 5, 51-590, 51-722).

Het gaat om het Rekenhof, de benoemingscommissies voor het notariaat, de Vaste comités van toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, de federale ombudsmannen, de Hoge Raad voor de Justitie en het Arbitragehof.

Om dit doel te verwezenlijken of, om het met de woorden uit het commissieverslag te zeggen, « opdat de Kamercommissie voor de comptabiliteit afdoende kan controleren hoe de bovengenoemde instellingen de in de algemene uitgavenbegroting voor hen ingeschreven kredieten aanwenden, is het nodig dat zij voor de voorstelling van hun begrotingen en rekeningen hetzelfde schema gebruiken ».

Het zou de bedoeling zijn de begrotingen en de rekeningen van de betrokken instellingen transparanter te maken en dat is zeker een lovenswaardig doel.

De aangenomen teksten gaan echter veel verder dan wat nodig is om dat doel te bereiken. De Kamer maakt namelijk van de gelegenheid gebruik om in de wetten tot regeling van de betrokken instellingen te poneren dat zij bevoegd is (9) om hun begrotingen goed te keuren en de uitvoering ervan te controleren.

Wat het Arbitragehof en de Hoge Raad voor de Justitie betreft, blijft het wetsvoorstel daar trouwens toe beperkt. De bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof en het Gerechtelijk Wetboek worden verder niet gewijzigd. Het Arbitragehof wijst erop dat zijn begroting nu al wordt opgesteld overeenkomstig het schema van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Deze wetsontwerpen geven aanleiding tot de volgende opmerkingen met betrekking tot de begrotingstechniek, de onafhankelijkheid van de betrokken instellingen en de prerogatieven van de Senaat.

1. Algemene opmerking over de begrotingstechniek

In een advies over een wetsvoorstel met dezelfde inhoud uit de vorige zittingsperiode (stuk Kamer, nr. 50-986/6), heeft de Raad van State erop gewezen dat men in het begrotingsrecht onder dotatie een krediet verstaat dat is opgenomen in de algemene uitgavenbegroting, maar waarvan de besteding geregeld wordt door de instelling waaraan het wordt verleend. Dotaties impliceren dus in beginsel dat de instellingen die ze ontvangen over een zekere autonomie beschikken. Het bedrag dat hen wordt toegekend is immers een totaalbedrag, dat niet is opgesplitst in basisallocaties, en waarover ze kunnen beschikken zonder de controles te hoeven ondergaan die subsidieverkrijgers ondergaan.

Voorts wijst de Raad van State er nog op dat noch in het voorstel, noch in het verslag wordt vermeld op welke wijze de begroting gedetailleerd moet worden of wat de strekking is van de budgettaire goedkeuring.

Als de term goedkeuring betekent wat hij normaal betekent in het kader van de controle op de begroting door de Kamer, wijzigt dit voorstel volgens de Raad van State de organieke regels voor de instellingen die het opnoemt grondig door ze te onderwerpen aan een strikt begrotingskader, terwijl de wetgever hen nochtans een zekere materiële onafhankelijkheid wilde geven (10) .

Moet daaruit niet worden besloten dat de bedoeling van de Kamer, namelijk de begrotingen en de rekeningen van de betrokken instellingen doorzichtiger te maken, weliswaar lovenswaardig is maar dat zij daarvoor een slechte techniek heeft gekozen door gewoon te poneren dat zij bevoegd is om de begroting goed te keuren en de uitvoering ervan te controleren alsook de gedetailleerde rekeningen te verifiëren en goed te keuren ? (11) (12)

De wijziging van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit en van artikel 51 van de wet houdende organisatie van de begroting en de comptabiliteit van de federale Staat (artikelen 8 en 9 van ontwerp nr. 3-160) regelt dat probleem geenszins.

Momenteel bepalen deze artikelen, in overeenstemming met de door de Raad van State aangehaalde functie van dotaties in het kader van de begroting, dat de verplichting om de kredieten voor de programma's in basisallocaties op te splitsen volgens de economische classificatie (met opgave van de uitgaven bestemd voor de financiële dienst van geprefinancierde uitgaven) die geldt voor de begrotingstabellen in het algemeen, niet van toepassing is op de kredieten ingeschreven voor de dotaties.

In de tabellen bij de algemene uitgavenbegroting wordt voor de dotaties dus enkel een algemeen bedrag vermeld. De door de Kamer voorgestelde wijziging beperkt in feite de toepassing van deze afwijking tot de algemene uitgavenbegroting. In de parlementaire stukken van de Kamer worden noch de draagwijdte, noch de reden van deze wijziging toegelicht.

2. Onafhankelijkheid van de instellingen waarop de door de Kamer overgezonden ontwerpen betrekking hebben

Zoals reeds gezegd strekken de ontwerpen om bij wet een gemeenschappelijke structuur te creëren voor de controle en de goedkeuring van de begrotingen en rekeningen van de betrokken instellingen, waarbij zonder meer wordt gesteld dat deze bevoegdheid de Kamer toekomt.

De betrokken instellingen vertonen niet allemaal dezelfde kenmerken. Sommige ervan zijn ontegensprekelijk verbonden met het Parlement, zij het niet allemaal even nauw. Dat geldt met name voor het Rekenhof, de Vaste Comités van Toezicht op de Politie- en Inlichtingendiensten, de federale ombudsmannen. Het is dus normaal dat het Parlement hun rekeningen en begrotingen controleert (al blijft wat hierboven is gezegd over de begrotingstechniek gelden en moet rekening worden gehouden met de verdeling van de bevoegdheden tussen Kamer en Senaat, waarover later meer).

Voor andere instellingen, zoals de Hoge Raad voor de Justitie, of de benoemingscommissies voor het notariaat, is de band met het Parlement al minder duidelijk.

Zij zijn door de wetgever opgericht met als doel bepaalde benoemingen objectief te laten verlopen (en de facto te onttrekken aan de prerogatieven van de uitvoerende macht). Dat kan verklaren waarom de werkingskosten van deze instellingen niet in de begroting van de uitvoerende macht zijn opgenomen maar in de begroting van de dotaties die gecontroleerd wordt door het Parlement (eveneens onverminderd wat hierboven is gezegd over de begrotingstechniek en onverminderd de verdeling van de bevoegdheden tussen Kamer en Senaat, waarover later meer).

Het Arbitragehof daarentegen is van een heel andere aard dan de andere betrokken instellingen en valt niet in één van de voorvermelde categorieën. Het is geen controleorgaan van het Parlement. Het houdt toezicht op de grondwettigheid van de door de verschillende wetgevers goedgekeurde normen. Zijn onafhankelijkheid moet dus worden gewaarborgd zowel tegenover de uitvoerende als tegenover de wetgevende macht.

De redenen die kunnen verklaren waarom het Parlement de begrotingen en rekeningen van de andere betrokken instellingen mag controleren, zijn dus niet mutatis mutandis toepasbaar op het Arbitragehof.

Het klopt dat de Grondwet geen bepalingen bevat inzake de werkingskosten van het Arbitragehof die vergelijkbaar zouden zijn met artikel 89 (civiele lijst) of artikel 174 (dotatie van de Senaat). Gezien de specifieke aard van de in de artikelen 89 en 174 bedoelde aangelegenheden kunnen daaruit nochtans geen argumenten worden geput wat de controle op de begrotingen en de rekeningen van het Hof betreft.

De specifieke rol van de Kamer met betrekking tot de goedkeuring van rekeningen en begrotingen mag ook niet op zich worden beschouwd. Die bevoegdheid moet worden bekeken vanuit de verdeling van de bevoegdheden tussen Kamer en Senaat, waarbij de Kamer veeleer de rol speelt van politieke Kamer, die als eerste het optreden van de regering controleert.

De begrotingscontrole is een essentieel of misschien wel het essentiële element van die controle, maar het gaat wel degelijk om de controle op de regering.

Moet de controle op de financiën van het Arbitragehof, gezien zijn bijzondere statuut en het feit dat doorzichtigheid van de rekeningen al gewaarborgd is, niet marginaal blijven ?

3. Prerogatieven van de Senaat als « organiserende instantie »

Zoals gezegd heeft de Raad van State erop gewezen dat de organieke wetgever met de financiering op basis van dotaties een zekere materiële onafhankelijkheid wilde waarborgen voor de betrokken instellingen.

De voorstellen lijken, tenminste gedeeltelijk, te raken aan de prerogatieven van de Senaat als (deel van de) organieke wetgever van deze instellingen.

— Het Arbitragehof

Krachtens artikel 142 van de Grondwet worden de organisatie en de werking van het Arbitragehof bij bijzondere wet geregeld. Het regelen van de organisatie en de werking houdt logischerwijze ook het regelen van de werkingsmiddelen in.

De Senaat is op voet van gelijkheid met de Kamer bevoegd om de organisatie en de werking van het Arbitragehof te regelen. Het zou abnormaal zijn als de Kamer de beslissingen van de bijzondere wetgever terzake onwerkzaam zou kunnen maken door op haar eentje de begroting en de rekeningen van het Hof vast te stellen.

Dat geldt des te meer omdat het Arbitragehof een essentieel element is van de federale structuur en de grondwetgever op dat vlak een bijzondere rol heeft gereserveerd voor de Senaat.

— het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten

De wet die de vaste comités van toezicht op de politie- en de inlichtingendiensten regelt — de wet van 18 juli 1991 — stelt hun samenstellingen, opdrachten, bevoegdheden en werking vast.

De wet stelt ook de bevoegdheid van Kamer en Senaat vast met betrekking tot de werking van die comités. Die bevoegdheden hebben uiteraard geen betrekking op hun dagelijkse werking, maar voornamelijk op de uitvoering van hun wettelijke opdrachten (verzoeken om onderzoek of om advies, kennisgeving van onderzoeken, verslagen, mededeling van onderzoeksdossiers), en op de goedkeuring van hun huishoudelijke reglementen, de controle van de werking van de comités en het onderzoek van de begrotingen van de vaste comités (artikelen 8, 9, 11, 12, 32, 33, 35, 36 en 60).

Oorspronkelijk werden die bevoegdheden gezamenlijk of parallel uitgeoefend door de Kamer en de Senaat voor beide comités. Met de wet van 3 mei 2003 is een specialisatie ingevoerd. De Kamer is voortaan « bevoegd » voor het Comité P, de Senaat voor het Comité I (artikel 66bis).

Het door de Kamer goedgekeurde voorstel verbreekt dit evenwicht : er wordt immers bepaald dat de Kamer bevoegd is om de begrotingen en gedetailleerde rekeningen van beide comités goed te keuren (wijziging van artikel 57) en dat zij de statuten en personeelsformaties vaststelt (nieuw artikel 59bis). De Senaat zou alleen nog bevoegd zijn om op verzoek of uit eigen beweging advies te geven aan de Kamer van volksvertegenwoordigers over het ontwerp van begroting van de vaste comités, en dus van het Comité I. Bovendien wordt dat advies niet gegeven door de Senaat als zodanig maar door de Vaste Commissie belast met de begeleiding van het Comité I (artikel 66bis, § 3).

De Senaat moet oordelen of de plannen van de Kamer te verzoenen zijn met zijn eigen opvattingen als organiserende instantie met betrekking tot de comités.

— De Hoge Raad voor de Justitie

Hier rijzen dezelfde principiële vragen als voor het Arbitragehof en het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten.

Artikel 151, § 2, van de Grondwet, richt de Hoge Raad voor de Justitie met zijn colleges en commissies op, stelt er de bevoegdheden ervan vast en bevat een aantal basisregels hun samenwerking. Er wordt verwezen naar de wetgever voor de andere aspecten van de samenstelling en de werkingsregels. Die worden in casu geregeld in de artikelen 259bis-1 tot 22 van het Gerechtelijk Wetboek.

Krachtens artikel 77, eerste lid, 9º, van de Grondwet, betreft het hier een bicamerale materie.

In artikel 259bis-22 van het Gerechtelijk Wetboek wordt nu bepaald dat de kredieten die voor de werking van de Hoge Raad nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van de dotaties.

De wijziging die de Kamer wil aanbrengen in dit artikel bedreigt de rol van de Senaat als « organiserende instantie ».

B. Advies van het Rekenhof over het wetsvoorstel nr. 3-319/1 en en het voorstel van bijzondere wet nr. 3-322/1

Brussel, 18 februari 2004

Regentschapsstraat 2

1000 Brussel

De heer A. DE DECKER

Voorzitter van de Senaat

Paleis der Natie

Natieplein 1

1009 BRUSSEL

Mijnheer de voorzitter,

In een brief van 15 januari 2004 heeft u het Rekenhof gevraagd zijn advies te geven over een wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de Vaste Comités van toezicht op de politie- en de inlichtingendiensten, de Federale ombudsmannen en de Benoemingscommissies voor het notariaat (nr. 3-319/1).

In de toelichting bij dit ontwerp wordt aangegeven dat onder de vorige legislatuur bij de Kamer wetsvoorstellen over hetzelfde onderwerp zijn ingediend en onderzocht door de Commissie voor de Comptabiliteit en door de Commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer. Recent zijn aan die vergadering trouwens nog nieuwe voorstellen voorgelegd (13) (stuk 51-608 en 590).

Zoals zijn college reeds had uiteengezet in een advies dat het hierover op 4 december 2000 aan de voorzitter van de Kamer had geformuleerd, heeft het Rekenhof geen principiële bezwaren tegen dat voorstel.

Het bevestigt de huidige praktijk gevolgd voor de bepalingen tot wijziging van de inrichtingswet van het Rekenhof en geeft een wettelijke grondslag aan de bijstand die het Rekenhof reeds verleent aan de Kamer voor het onderzoek van de begrotings-voorstellen en de rekeningen van de instellingen die een dotatie ontvangen.

Het Rekenhof wenst echter te wijzen op enkele nieuwe elementen die naar zijn oordeel in beschouwing dienen te worden genomen.

Volgens de toelichting streeft het voorstel na een gemeenschappelijke structuur te creëren voor de voorstelling van de begrotingsvoorstellen en de rekeningen van de instellingen die een dotatie ontvangen (met uitzondering van de Kamer, de Senaat en de Civiele lijst) en de Kamer voor het onderzoek en de controle ervan te laten bijstaan door het Rekenhof.

Niet alle instellingen die een dotatie ontvangen, zijn evenwel opgenomen in het onderzochte voorstel. Het Arbitragehof vormt — terecht — het voorwerp van een voorstel van bijzondere wet dat eveneens is ingediend door de heren Dedecker en Willems (stuk 3-322/1) (14) .

De Hoge Raad voor de Justitie daarentegen, die destijds het voorwerp had uitgemaakt van een specifiek voorstel van wet, lijkt niet langer beoogd te worden door de nieuwe parlementaire initiatieven.

Binnen hetzelfde perspectief herinnert het Rekenhof u eraan dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die door de wet van 26 februari 2003 bij de Kamer van volksvertegenwoordigers is opgericht, eveneens een jaarlijkse dotatie ontvangt. Het zou misschien opportuun zijn ze te onderwerpen aan een analoog regime.

Anderzijds heeft de goedkeuring van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat het juridisch en boekhoudkundig raamwerk waarin dit voorstel kadert, licht gewijzigd.

Deze wet tot hervorming van de rijkscomptabiliteit zal in de plaats komen van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd door het koninklijk besluit van 17 juli 1991, en moet overeenkomstig haar artikel 133 uiterlijk op 1 januari 2005 in werking treden.

Artikel 8 van het onderzochte voorstel dat erop gericht is de tweede zin te vervangen van artikel 14 van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de rijks-comptabiliteit, dreigt bijgevolg efemeer te worden. In dat verband dient daaraan te worden toegevoegd dat artikel 51 van de wet van 22 mei 2003 bewoordingen gebruikt die identiek zijn aan die van het huidige artikel 14.

Tot slot dient de nadruk te worden gelegd op het belang dat de hervorming van de comptabiliteit hecht aan de economische classificatie van de begrotings-verrichtingen en aan het bijhouden van een algemene boekhouding gebaseerd op een boekhoudplan. Dat genormaliseerd rekeningenstelsel en geheel van basisregels voor de boeking en aanrekening van verrichtingen moet het mogelijk maken de begrotingsverrichtingen van de federale Staat te integreren in de nationale rekeningen, die krachtens verordening EG/2223/96 moeten worden afgelegd overeenkomstig het Europees rekeningenstelsel (ESR).

In die optiek zouden de bepalingen van het voorstel van de heren DEDECKER en WILLEMS om de betrokken instellingen ertoe te verplichten een budgettair schema te hanteren dat vergelijkbaar is met dat van de Kamer van volksvertegenwoordigers, ertoe kunnen leiden de toepassing van de nieuwe boekhoudprincipes binnen bepaalde instellingen te belemmeren.

Een afschrift van deze brief wordt ter informatie toegezonden aan de Voorzitter van de Kamer.

Op last : De Hoofdgriffier,
Het Rekenhof : De Eerste voorzitter,
F. VAN DEN HEEDE. W. DUMAZY.

C. Nota van het secretariaat van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden

Brussel, 23 november 2005.

Nota ter attentie van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden

Betreft : Draagwijdte van de artikelen 8 en 9 van het wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (stuk Senaat, nr. 3-1060/1)

1. Artikel 8 van het bovenvermelde wetsontwerp strekt ertoe om de tweede zin van artikel 14 van de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit te vervangen als volgt : »Voor de dotaties wordt deze bepaling niet toegepast in de algemene uitgavenbegroting ».

Artikel 14 luidt momenteel als volgt :

« Art. 14. — In de begrotingstabellen worden de kredieten voor de programma's volgens de economische classificatie opgesplitst in basisallocaties, met opgave van de uitgaven bestemd voor de financiële diensten van geprefinancierde uitgaven. Deze bepaling geldt niet voor de kredieten ingeschreven voor de dotaties. »

Artikel 9 van het wetsontwerp voorziet in een identieke wijziging van artikel 51 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat.

2. In de toelichting bij het wetsvoorstel dat aan de basis ligt van dit wetsontwerp, verantwoorden de indieners, de heren Lano en Tommelein, de wijziging van artikel 14 als volgt (stuk Kamer, nr. 51-608/1, blz. 8) :

« Begrotingsschema's

Ten slotte wijzigt het wetsvoorstel artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit dat bepaalt dat « de kredieten (...) volgens de economische classificatie worden opgesplitst in basisallocaties (...) ». Gebeurt dergelijke opsplitsing niet voor de dotaties in de Rijksbegroting, dan dient zij a priori nochtans niet volledig te worden uitgesloten voor de gedetailleerde begrotingen die rechtstreeks aan de Kamer worden overgezonden. Weliswaar hanteren het Arbitragehof, de Hoge Raad voor de Justitie, de Comités P en I en de federale ombudsmannen thans een ander begrotingsschema dat vergelijkbaar is met dat van de Kamer en het Rekenhof. »

3. Aan te stippen valt dat de heren Jean-Marie Dedecker en Luc Willems in de toelichting bij hun analoog wetsvoorstel (stuk Senaat, nr. 3-319/1, blz. 5) met betrekking tot een identieke wijziging van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit het volgende verklaren :

« Daarenboven sluit ook dit wetsvoorstel niet uit dat in de toekomst voor de begrotingen van Kamer en Rekenhof en dientengevolge ook voor die van Arbitragehof, Hoge Raad voor de Justitie, Benoemingscommissies voor het notariaat, Vaste Comités van toezicht op politie- en inlichtingendiensten en Federale ombudsmannen de economische classificatie, bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, kan worden gehanteerd. »

4. In de parlementaire voorbereiding betreffende het bovenvermelde wetsontwerp, inzonderheid in het verslag van de bevoegde Kamercommissie, wordt voorts geen nadere uitleg verstrekt over de draagwijdte van de door de artikelen 8 en 9 voorgestelde wijzigingen (zie verslag-Roppe, stuk Kamer, nr. 51-608/3).

5. Artikel 14, eerste zin, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit en artikel 51, eerste zin, van de wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat bevatten één van de basisprincipes van het begrotingsrecht, namelijk het specialiteitsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat de begrotingswetgever geen globaal krediet verleent aan de uitvoerende macht, maar dit globaal krediet in programma's verdeelt ten voordele van duidelijk aangewezen doeleinden. De tweede zin van de voormelde artikelen 14 en 51 bevat een afwijking van het specialiteitsbeginsel ten voordele van de instellingen die op een dotatie gerechtigd zijn. De specialiteit blijft voor hen beperkt tot het aangeven van niet-gesplitste ordonnanceringskredieten (J. Beckers, m.m.v. H. Matthijs, Overzicht van het begrotingsrecht in België, Brussel, E. Story-Scientia, 1991, blz. 159-163; zie tevens H. Matthijs, F. Naert en J. Vuchelen, Handboek Openbare Financiën, Antwerpen, Intersentia, 2001, blz. 142).

In zijn advies over een vroeger wetsvoorstel van de heer Lano, waarop het voorliggend wetsontwerp geïnspireerd is, verklaarde de Raad van State onder meer : « Dotaties impliceren dus in beginsel dat de instellingen die ze ontvangen over een zekere autonomie beschikken. Het bedrag dat hun wordt toegekend is immers een totaalbedrag, dat niet is opgesplitst in basisallocaties, en waarover ze kunnen beschikken zonder de controles te hoeven ondergaan die subsidieverkrijgers ondergaan » (stuk Kamer, nr. 50-986/6, blz. 4).

6. De nota nr. 2005/39 van de Dienst Wetsevaluatie van de Senaat verklaart omtrent de draagwijdte van de voorgestelde wijziging van de artikelen 14 en 51 (punt 1) :

« Momenteel bepalen deze artikelen, in overeenstemming met de door de Raad van State aangehaalde functie van dotaties in het kader van de begroting, dat de verplichting om de kredieten voor de programma's in basisallocaties op te splitsen volgens de economische classificatie (met opgave van de uitgaven bestemd voor de financiële dienst van geprefinancierde uitgaven) die geldt voor de begrotingstabellen in het algemeen, niet van toepassing is op de kredieten ingeschreven voor de dotaties.

In de tabellen bij de algemene uitgavenbegroting wordt voor de dotaties dus enkel een algemeen bedrag vermeld. De door de Kamer voorgestelde wijziging beperkt in feite de toepassing van deze afwijking tot de algemene uitgavenbegroting. »

7. De door de artikelen 8 en 9 voorgestelde wijzigingen hebben een algemene draagwijdte en betreffen dus alle dotatiegerechtigde instellingen, met inbegrip van het Arbitragehof. Gelezen in samenhang met de andere bepalingen van het wetsontwerp, alsook met die vervat in de wetsontwerpen nr. 3-1061/1 (Comités P&I) en nr. 3-1062/1 (Hoge Raad voor de Justitie) en in het ontwerp van bijzondere wet nr. 3-1063/1 (Arbitragehof) komen zij erop neer dat in de bij de algemene uitgavenbegroting gevoegde begrotingstabellen voor de dotatiegerechtigde instellingen nog steeds een niet-gesplitst krediet zal worden vermeld, dus één enkel bedrag. Deze instellingen dienen echter wel hun gedetailleerde begrotingsvoorstellen en rekeningen bij de Kamer in te dienen die ze controleert en goedkeurt.

Met andere woorden, louter afgaande op de algemene uitgavenbegroting krijgen de betrokken instellingen elk een niet-gesplitst krediet, de naam dotatie waardig. In samenhang gelezen met de organieke wetten van de betrokken instellingen, die de bovenvermelde wetsontwerpen beogen te wijzigen, verliest dit krediet evenwel deze kwalificatie, zoals ze onder meer door de Raad van State is omschreven (cf. supra).

Daarom deed de Raad in het voormelde advies de volgende suggestie : « Tot slot zou het woord « dotatie »voor die instellingen beter niet worden gebruikt wil men dat begrip niet uithollen, aangezien ze niet meer vrij zouden zijn om te beslissen over de besteding van het totale bedrag dat hun wordt toegekend » (stuk Kamer, nr. 50-986/6, blz. 6).


(1) Brief van 4 december 2000.

(2) Brieven van 18 februari 2004.

(3) Stukken 3-1060/1; 3-1061/1; 3-1062/1; 3-1063/1.

(4) Stukken 3-319/1; 3-322/1.

(5) Stuk 3-1063/1.

(6) Stuk 3-1060/1.

(7) Brief van 15 januari 2004.

(8) Brief van 18 februari 2004 (bijlage II).

(9) Daarbij wordt steeds gebruik gemaakt van dezelfde, onrechtstreekse maar niet mis te verstane formulering : « Onverminderd de bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers om de gedetailleerde begroting/begrotingen te onderzoeken en goed te keuren alsook de uitvoering ervan te controleren en de gedetailleerde rekeningen te verifiëren en goed te keuren ... »

(10) Bepaalde volksvertegenwoordigers betreurden zelfs dat de bespreking van de wetsvoorstellen zo lang heeft geduurd, omdat sommige instellingen ondertussen zelf al personeel hebben aangenomen om bepaalde diensten (boekhouding, personeelsdienst) te verrichten, die ook door de diensten van de Kamer zouden kunnen worden verricht (stuk Kamer, nr. 51-608/3, blz. 6).

(11) Zie bijvoorbeeld het huidige eerste en tweede lid van artikel 34 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, als gewijzigd bij de wet van 26 februari 2003, waarbij het tweede lid niet werd gewijzigd.

(12) De financiering van de werking van de benoemingscommissies voor het notariaat op basis van dotaties is momenteel nog niet bij wet geregeld, maar sinds begrotingsjaar 2001 blijkbaar een vaste gewoonte geworden.

(13) In tegenstelling tot het onderzochte voorstel houdt dit voorstel geen rekening met het amen-dement dat de Commissie voor de Comptabiliteit aan de Commissie voor de Financiën en de Begroting had aanbevolen goed te keuren (stuk 50–987/2 en 1400/2).

(14) In tegenstelling tot het onderzochte voorstel houdt dit voorstel geen rekening met het amen-dement dat de Commissie voor de Comptabiliteit aan de Commissie voor de Financiën en de Begroting had aanbevolen goed te keuren (stuk 50–987/2 en 1400/2).