3-132 | 3-132 |
De voorzitter. - Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het gerecht bevestigt dat de verklaringen die de minister van Binnenlandse Zaken in maart vorig jaar deed over het onderzoek naar de terreurbeweging Groupe islamique combattant marocain, GICM, dat onderzoek ernstig hebben gehinderd. De mededeling dat de GICM-leden in ons land door de Staatsveiligheid werden gevolgd, zou ertoe hebben geleid dat die schaduwoperatie minstens een maand eerder dan gepland moest worden stopgezet. Nochtans had het gerecht de minister uitdrukkelijk gevraagd om zeker niet in het openbaar over de operatie te spreken.
Het nieuws over de schaduwoperatie kwam op 17 maart in de pers, dus nadat de minister in de Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken het volgende had verklaard: `Na mij te hebben geïnformeerd, kan ik u verzekeren dat de betrokkene - het GICM-lid Kh. Bouloudo -, in het licht van een Belgisch onderzoek, effectief werd geobserveerd'. Die onthulling bereikte via de pers meteen het brede publiek waardoor de handlangers van Bouloudo achterdochtig werden. Ze dreigden te vluchten en de observatie-operatie moest vroegtijdig worden gestaakt.
Ofwel zijn de uitspraken in de pers op niets gebaseerd, ofwel doen leden van het parket of de zittende magistratuur anoniem hun beklag in de pers. Alleszins klaagt het gerecht volgens de pers dat regeringslui en politici niet begrijpen hoeveel schade hun onthullingen over delicate dossiers, zoals de opsporing van terreurverdachten, kunnen aanrichten. Ze bemoeilijken het werk op het terrein aanzienlijk.
Heeft de minister weet van enige kritiek van het gerecht? Wat is de precieze inhoud van zijn verklaring over de aanslagen in Madrid op 17 maart 2004 in de Kamer? Is hij van oordeel dat het bekendmaken van die verklaring een weerslag heeft gehad op de in uitvoering zijnde veiligheidsoperaties?
Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - De minister van Binnenlandse Zaken verzoekt me volgend antwoord mee te delen.
Graag wil ik klaar en duidelijk reageren op het artikel in De Tijd. Bij mijn weten werd dat bericht niet bevestigd door het federaal parket en zelfs tegengesproken door de federale politie.
In tegenstelling tot de beweringen in het artikel heb ik in de commissievergadering van 17 maart 2004 gezegd dat `betrokkene in België geobserveerd werd'. Nooit heb ik gezegd dat GICM-leden in ons land werden geschaduwd. De teneur van mijn antwoord was trouwens dat ik geen elementen uit een gerechtelijk onderzoek wilde onthullen.
In tegenstelling tot wat in De Tijd werd gepubliceerd, heeft het parket mij nooit gecontacteerd met het verzoek bepaalde uitspraken al dan niet te doen. Noch voor de commissie, noch nadien heb ik hierover een opmerking gekregen.
Bijgevolg is het duidelijk dat, zoals ik ook al zei in de Kamercommissie, enkel de toevallige controle en arrestatie van betrokkene in Nederland het onderzoek in België hebben versneld.
Ik kan de berichtgeving hierover dan ook alleen maar betreuren. Het doet ons de kern van de zaak uit het oog verliezen, namelijk dat inlichtingendiensten, politiediensten en gerechtelijke autoriteiten in België een onderzoek hebben gevoerd naar GICM, dat uiteindelijk heeft geleid tot het correctioneel proces dat vorige week is gestart. Het proces wordt voor de rechtbank gevoerd, en niet ergens anders.
Het volstaat de kranten van vóór 17 maart 2004 erop na te lezen om vast te stellen dat de pers reeds veel meer informatie had gepubliceerd. Zo stond in Het Nieuwsblad van 15 maart 2004 dat de Belg van Marokkaanse afkomst uit Maaseik zou behoren tot een groep van veertien hoofdverdachten van de aanslagen in Casablanca en dat het Marokkaanse gerecht om zijn uitlevering vraagt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Natuurlijk geldt ook nu de opmerking die ik maakte bij mijn vorige vraag om uitleg, namelijk dat je moeilijk in dialoog kunt treden met een minister die niet de `vakminister' is.
Toch wil ik erop wijzen dat de verklaringen die de regering en bepaalde ministers na de aanslagen in Madrid van 11 maart 2004 aflegden, niet getuigden van rechtlijnigheid. In de gezamenlijke vergadering van de commissies voor de Justitie van Kamer en Senaat maakten verschillende sprekers de dag na de aanslagen in Madrid gewag van Spaanse bronnen die beweerden dat de daders van de aanslag in België een uitvalsbasis hadden. De eerste minister ontkende dat toen formeel. Enkele dagen later bleek echter, zoals ook naar voren komt in de pers- en televisieverslagen die we nu over de groep die terechtstaat krijgen, dat de Staatsveiligheid en andere diensten wel degelijk beschikten over informatie over en wisten van het bestaan van die uitvalsbasis. Ondanks de ontkenning van de eerste minister verklaarde de minister van Binnenlandse Zaken op 17 maart dat niet de beweging, maar wel een bepaald persoon werd geobserveerd. Dat wordt nu bevestigd in het antwoord op mijn vraag.
De informatie aan het Parlement is dus duidelijk niet eenduidig geweest. En dan hebben we het nog niet over de vraag - die we nu niet kunnen beantwoorden - in welke mate de observatie vervroegd moest worden stopgezet door lekken na de aanslagen in Madrid.