3-1292/2 | 3-1292/2 |
27 OKTOBER 2005
Nr. 1 VAN DE HEREN STEVERLYNCK EN BROTCORNE
Art. 2
In dit artikel de zinsnede tussen het woord « gesloten » en het woord « om » vervangen als volgt :
« tussen twee of meer personen, die elk in eigen naam en voor eigen rekening werken, waarbij één of meerdere personen het recht verlenen aan één of meerdere andere, die daarvoor een vergoeding van welke aard ook, rechtstreeks of onrechtstreeks betalen, »
Verantwoording
Het wetsontwerp slaat enkel op contracten tussen twee partijen. Evenwel is het perfect mogelijk dat een franchise-overeenkomst wordt gesloten tussen meer dan twee partijen. Ook artikel 2 van de verordening 2790/1999 EG voorziet in de mogelijkheid van een meerpartijenrelatie.
Nr. 2 VAN DE HEREN STEVERLYNCK EN BROTCORNE
Art. 3
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A) telkens het woord « ontwerp » vervangen door het woord « voorstel »;
B) de woorden « het in dit artikel beoogde document » vervangen door de woorden « het in dit artikel bedoelde voorstel en document »;
C) in het tweede lid de woorden « er mag » vervangen door de woorden « Behoudens over wat betreft de toepassing van artikel 6 van deze wet, mag er »;
D) een nieuw lid toevoegen, luidende : « Indien, op grond van een bepaling in de overeenkomst tussen partijen, de overeenkomst stilzwijgend kan worden hernieuwd, zijn de vorige leden niet van toepassing op deze hernieuwing. »
Verantwoording
A) Het is niet duidelijk wat « ontwerp van overeenkomst » betekent. Ofwel gaat het over de onderhandelde tekst, ofwel gaat het om een voorstel of type-overeenkomst waarover nog onderhandeld moet worden. In het eerste geval betekent dit dus dat de onderhandelingen al plaats gehad hebben, en dat het over te maken « ontwerp » een onderhandelde tekst is die waarover de franchisenemer nog minstens een maand mag nadenken alvorens tot ondertekening over te gaan.
Uit de memorie van toelichting blijkt dat het wel degelijk gaat om een voorstel van contract, uitgaande van de franchisegever, nu dit document het de rechtsverkrijger moet toelaten « het voorstel ten gronde te onderzoeken en zich te laten adviseren ». Ook heeft de minister van Middenstand in de Kamer verklaard dat het wetsontwerp niet verhindert dat de bedingen in het precontractuele document na onderhandelingen nog kunnen aangepast worden, voor zover deze aanpassingen geen inbreuk betekenen op de wet.
Ervan uitgaan dat het « ontwerp » het definitieve of quasi-definitieve resultaat is van voorbije onderhandelingen is juridisch problematisch, gezien het feit dat dit zou betekenen dat er reeds wilsovereenstemming bestaat over alle of de meeste elementen van de samenwerking, wat zou betekenen dat het contract reeds tot stand is gekomen, met andere woorden gesloten is. Dit wordt tegengesproken door artikel 3, dat spreekt van « minstens één maand voor het sluiten van de overeenkomst ». De toelichting zaait echter verwarring nu zij spreekt van « ondertekening » van de overeenkomst. Maar het zal wellicht niet de bedoeling geweest zijn van stellers de totstandkoming gelijk te stellen met de ondertekening, nu dit zou betekenen dat er hier een contract in het leven geroepen wordt dat, in tegenstelling tot alle andere overeenkomsten, niet tot stand komt solo consensu, maar door ondertekening.
Een andere reden waarom men moet aannemen dat het in dit artikel gaat om een nog niet onderhandeld voorstel uitgaande van de rechtverlener, is het feit dat, wanneer het zou gaan om een (quasi) definitief ontwerp, de rechtverkrijger niet zomaar een sluiting kan weigeren. Dit zou immers in een aantal gevallen, wanneer in zijn hoofde geen verschoonbaar wilsgebrek of in hoofde van de rechtverlener geen kwade trouw kan aangetoond worden, volgens de regels van de onrechtmatige daad leiden tot een aansprakelijkheid wegens culpa in contrahendo, of zelfs, bij een afgerond contract, tot een vordering wegens contractbreuk. Een overeenkomst is nu eenmaal gesloten wanneer er wilsovereenstemming bestaat, en indien men geen totale wilsovereenstemming bereikt, wil dit niet zeggen dat men zomaar het sluiten van de overeenstemming mag afblazen eens men zekere verwachtingen heeft gewekt bij de wederpartij.
Het is daarom beter te spreken van « voorstel » in plaats van « ontwerp », nu dit ondubbelzinnig duidelijk maakt dat het gaat om een eenzijdig en vrijblijvend contractsaanbod van de rechtverlener.
B) Het is duidelijker te spreken over « het bedoelde voorstel en document », nu het twee afzonderlijke stukken betreft die tezamen moeten overgemaakt worden om de bedenktermijn te doen ingaan.
C) Artikel 6 bevat een geheimhoudingsverplichting. Deze verplichting is zeer algemeen gesteld en zal vaak op zich weinig nuttig blijken. Vermits er na het voorstel van overeenkomst geen enkele verbintenis mag aangegaan worden tot contractsluiting, is een nevenovereenkomst over de inhoud van de geheimhoudingsplicht en eventuele schadevergoeding onwettig. De Raad van State heeft in zijn advies opgeroepen de wet op dit punt te verduidelijken. Door één uitzondering te voorzien op het verbod van verbintenissen tijdens de onderhandelingsperiode, met name ten aanzien van de geheimhoudingsplicht, is dit probleem opgelost.
D) Het ontworpen artikel 3 is problematisch wanneer de overeenkomst voorziet in een stilzwijgende hernieuwing. Het gaat hier immers wel degelijk om een nieuwe overeenkomst, maar de voorwaarden zijn identiek. Het is niet in het belang van de contractspartijen dat, wanneer zij beiden de stilzwijgende hernieuwing wensen, een termijn van minstens één maand ingaat waarin elke verbintenis wordt opgeschort en geen enkele vergoeding mag betaald worden, terwijl de rechtgever verplicht wordt alle in artikel 3 bedoelde documenten nogmaals door te sturen.
Nr. 3 VAN DE HEREN STEVERLYNCK EN BROTCORNE
Art. 4
In § 1, 1º, de volgende wijzigingen aanbrengen :
A) littera b) vervangen door « b) het voorwerp van de overeenkomst »;
B) in littera c) tussen de woorden « de » en « gevolgen » het woord « wederzijdse » invoegen;
C) een littera j) toevoegen, luidende :
« j) de exclusieve rechten die worden toegekend aan de persoon die het recht verkrijgt. »
Verantwoording
A) De term « verbintenissen » is zo ruim dat het nietszeggend wordt : alle in 1º opgesomde vermeldingen zijn verbintenissen. Het voorwerp van de overeenkomst betreft een verbintenisrechtelijk duidelijk begrip.
B) Het is niet duidelijk uit het artikel op te maken of het gaat over de gevolgen voor de rechtverkrijger bij niet-naleving of voor beide partijen. Door de toevoeging wordt duidelijk dat ook moet worden vermeld welke de rechten zijn van de verkrijger bij niet-uitvoering door de verlener.
C) Hoewel littera b) van artikel 4, § 1, 1º in het algemeen « de verbintenissen » vermeld lijkt het erop dat dit gaat over de verbintenissen van de rechtverkrijger. Uit littera i is wel op te maken dat de rechtverlener zich een aantal exclusieve rechten kan voorbehouden voor zover hij dit duidelijk vermeld, maar daar tegenover is niets bepaald over exclusieve rechten van de rechtverkrijger (vb. territorium). Nu deze wet bedoeld is om de verkrijger te beschermen dienen ook zijn exclusieve rechten duidelijk te worden aangeduid.
Nr. 4 VAN DE HEREN STEVERLYNCK EN BROTCORNE
Art. 4
In § 1, 1º, c), van de Nederlandse tekst, het woord « behalen » vervangen door het woord « uitvoeren ».
Verantwoording
« Het niet behalen » is niet de correcte vertaling van « la non-réalisation ». Het amendement is een taalkundige verbetering.
Nr. 5 VAN DE HEREN STEVERLYNCK EN BROTCORNE
Art. 5
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 5. — In geval van niet naleving van de bepalingen van artikel 3 kan de persoon die het recht verkrijgt de nietigheid van de commerciële samenwerkingsovereenkomst inroepen, voor zover hij aantoont dat deze niet naleving hem niet verwijtbaar is.
Op straffe van verval dient deze nietigheid te worden ingeroepen binnen de twee jaar na het sluiten van de overeenkomst.
Onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in het eerste lid kan, wanneer het afzonderlijk document de gegevens bedoeld in art. 4, § 1, 1º, niet bevat, de persoon die het recht verkrijgt ten allen tijde de nietigheid inroepen van de desbetreffende bepalingen van de commerciële samenwerkingsovereenkomst. »
Verantwoording
— De actuele formulering van artikel 5 is in het geheel genomen niet logisch. Immers, artikel 3 bevat uitdrukkelijk een verwijzing naar de gegevens bedoeld in artikel 4, zodat het ontbreken van elk van de daarin vermelde gegevens tevens de nietigheid van de gehele overeenkomst kunnen teweegbrengen.
Wanneer het dan ging over de gegevens bedoeld in artikel 4, § 1, 1º, stelt het ontwerp dat de nietigheid van afzonderlijke bepalingen kon ingeroepen worden. Ofwel is dit tweede lid overbodig omdat in elk geval een contractspartij het recht heeft om de nietigheid te vorderen van één bepaling wanneer hij op dezelfde grond de nietigheid kan vorderen van de integrale overeenkomst (qui peut le plus peut le moins), ofwel lag het verschil in het bij het ontwerp niet verduidelijkte onderscheid in de termijn waarbinnen elk van deze aparte nietigheden kon ingeroepen worden.
Het amendement verduidelijkt dan ook in het derde lid dat de nietigheid inzake vermeldingen van artikel 4, § 1, 1º, niet gebonden is aan de vervaltermijn van 2 jaar. De tekst van het amendement doet evenwel niets af aan het gemeen recht van partijen om, bij nietigheid van één bepaling, de ontbinding van de overeenkomst te vorderen indien door deze nietigheid de overeenkomst zonder voorwerp is geworden. Zo zal, wanneer de verbintenissen of het voorwerp van de overeenkomst niet in het afzonderlijk document staan, een daarop gebaseerde vraag tot vernietiging van de desbetreffende bepaling in de overeenkomst deze geheel zonder voorwerp maken, zodat zij ongeldig wordt (art. 1108 van het Burgelijk Wetboek)
— Dit amendement heeft verder de bedoeling duidelijkheid te scheppen in de rechten van de rechtverkrijger bij eventuele procedure inzake nietigheid, en volgt de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie van 10 februari 1998 (later nog bevestigd voor het hof van beroep te Parijs op 13 januari 1999).
Het is immers niet duidelijk op te maken uit het ontwerp dat de nietigheidsgrond van artikel 5 van het ontwerp een autonome nietigheidsgrond is. Het Franse Hof van Cassatie heeft wel degelijk anders geoordeeld, nu het gesteld heeft dat de krachtens de Loi Doubin ingeroepen nietigheid enkel toegekend mag worden als ook het bewijs van een wilsgebrek geleverd wordt. Dit houdt dus in dat de niet naleving niet verwijtbaar mag zijn aan de verkrijger. De niet-verschoonbare dwaling maakt immers geen wilsgebrek uit volgens een vaste rechtspraak van ons Hof van Cassatie (zie onder meer Cass. 20 april 1978, Arr. Cass., 1978, 960).
Wat betreft de rechtsgebreken geweld en bedrog is twee jaar na de sluiting een afdoende termijn om de nietigheid van heel de overeenkomst op deze gronden in te roepen. Overeenkomstig het ontworpen derde lid kunnen specifieke bepalingen nog steeds nietig verklaard worden na deze termijn, doch ook hier zal dus het bestaan van een wilsgebrek moeten aangetoond worden.
Nr. 6 VAN DE HEREN STEVERLYNCK EN BROTCORNE
Art. 10
Het eerste en het tweede lid van dit artikel vervangen als volgt :
« Deze wet treedt in werking op 1 januari 2006.
De regering legt vóór 1 november 2006 een evaluatierapport voor aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en aan de Senaat. »
Verantwoording
Ondanks het feit dat de memorie van toelichting vermeldt « dat de personen die commerciële samenwerkingsakkoorden aanbieden over voldoende tijd moeten beschikken om deze regels te implementeren », wordt in het ontwerp een retroactieve inwerkingtreding (invoegetreding op 1 september 2005) vooropgesteld. Het amendement komt tegemoet aan de intentie van de wetgever.
De regering voorzag voor zichzelf een periode van 10 maanden om deze wet te evalueren, namelijk tot 1 juli 2006. Gelet op de vertraging in de bespreking is een evaluatie reeds op 1 juli 2006 van weinig nut. Met het verplaatsen van de begindatum is het wenselijk om ook de periode van evaluatie te verlengen, namelijk tot 1 november 2006.
| Jan STEVERLYNCK Christian BROTCORNE. |