3-130

3-130

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 20 OKTOBER 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Mobiliteit over ęde kinderzitjes in voertuigen van minder dan 3,5 tonĽ (nr. 3-1050)

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Onbeschermde kinderen lopen in een auto bij botsingen meer risico's dan volwassenen. Hoe jonger het kind, hoe meer gevaar het in de wagen loopt. Zelfs de wettelijk verplichte gordel biedt onvoldoende veiligheid voor kinderen, juist wegens hun kleine gestalte. Daarom zijn aangepaste beveiligingsmiddelen absoluut noodzakelijk. Uit onderzoek blijkt immers dat kinderzitjes het risico op een dodelijk ongeval met 70% verminderen bij kinderen jonger dan ťťn jaar en met 54% bij kinderen tussen 1 en 4 jaar. Alle kinderen jonger dan 12 jaar aangepast beveiligen kan het aantal slachtoffers in deze groep met 50% doen dalen.

Maar hier knelt het schoentje. In BelgiŽ is een aangepast kinderzitje enkel vooraan in de wagen verplicht voor kinderen tussen 0 en 3 jaar. Maar een uitklappende airbag kan in dit geval tot levensgevaarlijke verwondingen leiden. De autoconstructeurs waarschuwen hier dan ook voor of vragen om de airbag in dergelijk geval uit te schakelen. Een speciaal kinderzitje achteraan is in de wagen slechts verplicht als de wagen ermee uitgerust is. Artikel 35.1.1 van het Algemeen reglement op de politie van het wegverkeer bepaalt immers duidelijk: `Kinderen van minder dan 3 jaar moeten vervoerd worden in een voor kinderen, aan hun grootte en hun gewicht aangepast goedgekeurd bevestigingssysteem indien de auto daarmee is uitgerust.' Met andere woorden, indien er geen kinderzitje aanwezig is, mag men kinderen beneden de 3 jaar met een klassieke gordel vastmaken. Meer nog, dit artikel leidt tot een zeer absurde en gevaarlijke situatie: indien die kinderzitjes niet aanwezig zijn, zegt de reglementering niet wat er wel moet gebeuren. In theorie mogen kinderen beneden de 3 jaar dus los op de achterbank. Iets wat we uiteraard niet aanraden aan de ouders. Maar ook als de ouders bij gebrek aan een kinderstoeltje de autogordel gebruiken, is hun kind niet veilig. De gordel biedt immers onvoldoende beveiliging vanwege de kleine gestalte van de kinderen. Ze kunnen bij een zware klap onder de gordel schuiven en naar voren gekatapulteerd worden.

Bij kinderen tussen 3 jaar en 12 jaar geldt eveneens de regel dat wanneer er een kinderzitje geÔnstalleerd is, het gebruik ervan bij wet verplicht is. Indien er geen kinderzitje aanwezig is, is het gebruik van de autogordel verplicht. Gelukkig wordt het reglement per 1 september aangepast, waardoor iedere autopassagier een eigen zitje moet hebben. Hiermee wordt de tweederderegel voor kinderen afgeschaft wat de verkeersveiligheid alleen maar ten goede komt.

Ondanks deze positieve evolutie hinken we achterop bij de omliggende landen, die de Europese richtlijn niet hebben afgewacht. Consumentenorganisaties, het BIVV, autoconstructeurs, verenigingen van automobilisten, enzovoorts dringen hier reeds jaren op aan. Zo betreurde Test-Aankoop vorige maand dat er in BelgiŽ nog steeds geen wettelijke verplichting bestaat om een kind beneden de 12 jaar in een aangepast zitje te plaatsen. De voorganger van de minister had nochtans op 7 februari 2002 op mijn vraag aangekondigd dat ze ten spoedigste maatregelen zou nemen om onze Belgische wetgeving aan te passen, los van de nieuwe Europese richtlijn. Tot mijn spijt moet ik vandaag, vier jaar later, opnieuw een vraag daarover stellen, zonder dat er op het terrein iets is veranderd.

Wat heeft de Belgische wetgever verhinderd om de Europese richtlijn van 8 april 2003 in het verkeersreglement in te schrijven?

In het voorjaar 2005 heeft de minister de ludieke campagne `het gordeldier' gelanceerd om kinderen jonger dan 12 jaar ertoe aan te zetten om de gordel te gebruiken. Deze campagne is goed op voorwaarde dat intussen ook de wetgeving terzake voldoende sluitend is. Wat heeft de minister gedaan om de Europese richtlijn te implementeren teneinde de `gaten' in onze wetgeving te dichten? Wanneer denkt hij het gebruik van kinderzitjes eindelijk verplicht te maken?

Door de invoering van een wettelijke standaard zoals bijvoorbeeld ISOFIX kan niet alleen het gebruiksgemak verbeteren maar vooral het risico op verkeerd gebruik verminderen. Wat is de stand van zaken betreffende de mogelijke invoering van een standaardsysteem? Heeft de minister hierover overleg met zijn Europese collega's?

De Europese richtlijn slaat op kinderen die kleiner zijn dan 150 cm. De lidstaten krijgen echter de vrijheid om binnen hun grondgebied deze lengte te verminderen tot 135 cm. De lengte was trouwens ťťn van de discussiepunten tussen de lidstaten waardoor de richtlijn op zich liet wachten. Zal de Belgische regering van deze uitzondering gebruik maken?

Indien kinderzitjes in ons land verplicht worden, leidt dat uiteraard tot hoge kosten voor kroostrijke gezinnen. Bij afweging van prioriteiten primeert uiteraard de veiligheid van kinderen op financiŽle overwegingen. Door de kinderzitjes goedkoper te maken, worden ze voor zo breed mogelijke lagen van de bevolking beschikbaar. Dit kan vooral gebeuren via een verlaging van de huidige BTW-tarieven op beveiligingsmiddelen wat wellicht op Europees niveau moet gebeuren. Is ons land bereid om deze BTW-tarieven te verlagen naar bijvoorbeeld 6%?

Hoeveel kinderen beneden de 12 jaar werden er in BelgiŽ bij een verkeersongeval gewond of gedood in voertuigen van minder dan 3,5 ton in de periode 2000-2005?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Er zijn geen hinderpalen voor de omzetting van de Europese richtlijn in Belgisch recht. Dat zal overigens tijdig, vůůr 1 mei 2006, gebeuren. Die gelegenheid kan te baat worden genomen om de zinsnede uit artikel 35.1.1 van het Algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, namelijk `indien de auto daarmee is uitgerust' te specificeren. Die uitdrukking is trouwens afkomstig uit de Europese reglementering.

Uiteraard is er geen tegenstelling tussen het aanraden van het dragen van de gordel door kinderen en een wettelijke verplichting voor het dragen van de gordel. Veiligheid kan ook zonder wettelijke verplichting worden bereikt. De gordelcampagne is trouwens een succes op Europees vlak. Ook in de andere landen wordt via gordelcampagnes vooruitgelopen op de wetgeving.

Het ISOFIX-systeem is wellicht het beste. We hopen dat de wagens steeds beter worden uitgerust zodat dat systeem als standaard kan worden voorgeschreven.

Het is niet haalbaar mensen van minder dan 150 cm te verplichten in een stoeltje te zitten. De hoofdzaak is dat iedereen zijn gordel draagt.

Het loont de moeite een debat te voeren over de verlaging van het BTW-tarief op producten die noodzakelijk zijn voor de veiligheid. Die producten moeten niet getarifeerd worden als luxeproduct. Dat debat moet worden gevoerd samen met de minister van FinanciŽn.

De cijfers van het aantal in de wagen gewonde of gedode kinderen tot twaalf jaar vertonen de voorbije jaren, zeker tussen 2000 en 2002, een constante daling. Per leeftijdsjaar blijven er gemiddeld 150 tot 200 kinderen per jaar het slachtoffer van een verkeersongeval als autopassagier. Voor alle leeftijdsgroepen samen gaat het dan per jaar om zowat 2000 kinderen.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Waarom wacht BelgiŽ om de Europese richtlijn uit te voeren tot mei 2006? Sinds februari 2002 vraag ik om onze wetgeving aan te passen. Intussen zijn we vier jaar verder. Dat is geen goede houding. Als de Europese formulering niet goed is, moet de minister dat met zijn Europese collega's bespreken.

De minister zegt dat een sensibiliseringscampagne wel mag, zonder dat de wetgeving wordt aangepast. Dat getuigt niet van goed bestuur. Het is hypocriet om het dragen van de gordel aan te moedigen maar ondertussen de wet niet aan te passen.

De minister zegt dat het niet haalbaar is om mensen kleiner dan 150 cm te verplichten om in een stoeltje te zitten. Het gaat niet om dat stoeltje, maar wel om een verhoging van de autozetel. Sommige mensen met een gestalte van 150 cm verkiezen ten andere een dergelijke verhoging. Mijn vraag is of de Belgische regering bereid is om de richtlijn inzake de gestalte te beperken tot personen kleiner dan 135 cm. Ook met die beperking blijft de bepaling trouwens van toepassing op kinderen.