Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-43

ZITTING 2004-2005

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eerste minister en minister van Justitie

Vraag nr. 3-2805 van de heer Van Overmeire d.d. 3 juni 2005 (N.) :
Carnaval in Aalst. — Protest vanwege de Arabische Liga.

Zoals bekend, wordt bij Carnaval met alles en iedereen de spot gedreven, zonder dat hier kwalijke bedoelingen achter schuilen.

Toch liet de ambassadeur van Saoedi-Arabië namens de landen van de Arabische Liga in een brief — en in alle ernst — weten verontwaardigd te zijn over het uitbeelden van islamitische zelfmoordenaars en over het meedragen van een moskee-maquette. De ambassadeur vraagt in de brief, die gericht was aan de Vlaamse minister-president Leterme en aan uzelf, dat gepaste juridische, administratieve en politieke maatregelen zouden worden genomen, zodat de schuldigen zouden worden gestraft, want — aldus de ambassadeur — kunnen dergelijke houdingen « schade berokkenen aan de Islam en gevoelens uitlokken bij moslims en Arabieren ».

Heeft de geachte minister gereageerd op deze brief ?

a) Zo ja, wat was de inhoud van haar reactie ? Heeft ze zich verontschuldigd ?

b) Zo neen, waarom niet en wat heeft ze met die brief gedaan ?

Antwoord : Ik heb wel degelijk op 10 februari 2005 een brief ontvangen van de deken van het Arabisch diplomatiek Corps, de heer Nassir Alassaf, die zijn afkeuring uitte in verband met het carnaval dat op zondag 6 februari 2005 door de stad Aalst werd georganiseerd, waarbij maquettes van moskeeën en vermommingen met islamitisch karakter werden vertoond.

Ik heb op 1 maart 2005 een kopie van dit schrijven naar de eerste minister gestuurd, evenals naar de heer Marino Keulen, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, om hen te informeren over de kritiek die werd geformuleerd door de deken van het Arabisch Diplomatiek Corps.

De eerste minister heeft op 25 maart 2005 met een brief geantwoord aan de heer ambassadeur en hem uitgelegd dat deze vermommingen deel uitmaakten van een culturele traditie in België en dat men dergelijke praktijken vooral niet ernstig moest nemen.

De eerste minister heeft eveneens onderstreept dat een dergelijk evenement getuigt van een grote vrijheid van meningsuiting die toegestaan wordt aan de carnaval groepen.